't u belieft, maar ik geloof dat er wel geen plaats meer zal zijn."
Dit was een nieuwe verlegenheid. Beatrice had geen toegang-kaartje. Zij
had niet gedacht dat het noodig was.
"Ik heb geen toegangkaartje," zeide zij. "Ik wist niet dat ik er een
hebben moest. Kan ik niet zonder binnenkomen?"
"Zeer zeker _niet_," antwoordde de stem, terwijl de eigenaar van
die stem, die waarschijnlijk dynamiet vermoedde, haar met een koelen
ambtelijken blik in oogenschouw nam. "Uit den weg als 't u belieft."
Beatrice's oogen schoten vol tranen, terwijl zij zich in bitterheid
des harten omkeerde. Zoo was al haar moeite dan te vergeefs, en
moest zij zich dit laatste zwijgend afscheidnemen ontzeggen. Welnu,
wat kwam bij zooveel treurigs een weinig meer er op aan? Zij keerde
zich om, en wilde heengaan, maar niet onopgemerkt. Een nog vrij jong
Parlementslid, die in Beatrice's nabijheid met een zijner kiezers had
gesproken, had haar afwijzing gezien. Getroffen door haar schoonheid
en haar droefheid, deed hij wat hij behoorde te doen; hij nam,
namelijk, zijn hoed af, en vroeg of hij, als lid van het Lagerhuis,
haar van dienst kon zijn. Beatrice luisterde, en legde hem uit dat
zij bizonder gaarne toegang tot de Damesgalerij had willen hebben.
"Dan kan ik u, geloof ik, helpen," zeide hij. "Toevallig heeft een
dame, voor wie ik een kaartje had, mij getelegrafeerd dat zij niet
kan komen. Wilt ge mij maar volgen? Mag ik u verzoeken mij uw naam
op te geven?"
"Mevrouw Everston," antwoordde Beatrice, den eersten naam, die haar
inviel, nemende. Het Parlementslid zag een weinig teleurgesteld. Hij
had, zonder eigenlijk te weten waarom, gehoopt dat die schoone vrouw
nog vrij was. Haar huwelijk was zeker niet gelukkig, anders zou zij
er niet zoo treurig uitzien.
Toen kwamen er nog meer trappen en gangen en formaliteiten, totdat
Beatrice zich in een soort van vogelkooi bevond, tot stikkens toe
vol met allerlei soort van dames.
"Ik vrees--ik vrees dat er geen plaats meer is," zeide haar nieuwe
vriend, met ongerustheid de menigte overziende.
Maar op dit oogenblik was een dikke dame, die vooraan zat, en bijna
flauw viel van de hitte, genoodzaakt de galerij te verlaten, en eer zij
recht wist waar zij was, was Beatrice naar haar plaats geleid. Haar
vriend had voor haar gebogen en was verdwenen, en zij zat zoo goed
als alleen, want zij lette niet op degenen, die om haar heen zaten,
hoewel sommigen haar scherp opnamen, benieuwd wie dat schoone meisje
toch wel wezen mocht.
Zij liet haar blik door de volle zaal gaan, en zag een chaos van
hoeden, halsboorden en beenen, en hoorde een rumoer van geluiden:
de scherpe stem van een spreker, die spoedig driftig werd, de
toejuichingen van de Regeeringsbanken, de interpellaties van de
Oppositie--ja, zelfs geschreeuw en gejouw, en geluiden, die wel iets
van hanengekraai hadden. Als zij er aan gedacht had, zou Beatrice geen
hoogen dunk verkregen hebben van de waardigheid eener vergadering,
waar zoovelen van haar leden hun fatsoenlijkheid met hun overjassen
en stokken aan de deur schenen gelaten te hebben; maar zij dacht er
eenvoudig niet aan. Wel zag zij vorschend de zaal rond, maar het was
om slechts één gelaat te zien--Ha! daar was het.
En nu mocht het Lagerhuis in den bodemloozen afgrond verzinken, en
het Hoogerhuis, en alles wat er van de Britsche Constitutie overbleef
meenemen, en zij zou het niet gemist hebben. Want zelfs in haar beste
gemoedsstemming was Beatrice--wat zij met de meesten van haar sekse
gemeen had, dat zij met alle dankbaarheid gezegd--geen vurig politicus.
Daar zat Geoffrey, met zijn armen over elkander geslagen. Daar was
hij, om wien te zien zij van zoo ver gekomen was, en voor wien zij
morgen haar leven ten offer zou brengen. Wat zag hij treurig--hij
scheen afgetrokken te zijn. Zij wist dat hij aan _haar_ dacht; dat
kon zij gevoelen, evenals zij het vroeger gevoeld had. Onafgewend
hield zij haar oogen gevestigd op dat geliefd gelaat, waarvan zij
afscheid nam; zij zag niets anders, zij hoorde niets van het gegons,
als van een bijenzwerm, om haar heen en onder haar.
Nu kwam de heer, die zoo vriendelijk voor haar geweest was, naast
Geoffrey zitten en begon met hem te fluisteren, en terwijl hij
dat deed, zag hij een paar malen naar het traliewerk, waarachter
zij zat. Zij vermoedde dat hij haar vertelde van de dame, die zoo
onverklaarbaar verlangend was om de debatten te hooren, en hoe schoon
zij was. Maar Geoffrey scheen daar niet veel belang in te stellen,
en Beatrice was genoeg vrouw om dit op te merken en zich er over
te verheugen. Het denkbeeld dat Geoffrey er belang in stelde van
geheimzinnige schoone dames te hooren, zou haar niet aangenaam
geweest zijn.
Eindelijk stond er een spreker op--uit het gemompel om haar heen
begreep zij dat het een der leiders van de Oppositie was--en begon
een krachtige en bittere redevoering. Zij merkte op dat Geoffrey met
aandacht begon te luisteren.
"Zie," zeide een der dames in haar nabijheid, "mijnheer Bingham maakt
aanteekeningen. Aanstonds gaat hij spreken--hij spreekt uitmuntend,
zooals gij weet. Men zegt dat hij, op Gladstone en Lord Randolph na,
de beste in het Lagerhuis is."
"Lady Honoria schijnt er niet te zijn," zeide een andere dame. "Ik
zie haar niet."
"Neen," hernam de eerste, "zij is een lieve vrouw, en zoo
schoon!--juist de vrouw voor een man van aanzien--maar ik geloof
niet dat zij veel belang stelt in politiek. Wat zijn haar diners
uitgelezen!"
Hier werd het gemompeld gesprek door een storm van toejuichingen
gestoord.
Deze spreker sprak ongeveer drie kwartier, en toen stond Geoffrey
eindelijk op. Een paar andere leden stonden tegelijk met hem op,
maar lieten hem aan 't woord.
Hij begon langzaam--wat al te bedaard, naar het Beatrice, die
het hart op de tong had, toescheen--maar toen hij ongeveer vijf
minuten gesproken had, geraakte hij in vuur. En nu begon een van de
merkwaardigste redevoeringen, die ooit in dat Parlement gehouden
zijn. Geoffrey had vroeger goed gesproken, en zou later weer goed
spreken, maar nooit had hij zoo goed gesproken als ditmaal. Bijna
anderhalf uur hield hij het Lagerhuis geboeid, en zelfs de
interpellaties en teekenen van afkeuring der Oppositie hielden tegen
het einde van zijn redevoering op. Zijn gelaat schitterde van het vuur
der welsprekendheid. Hij ontleedde de door de Oppositie aangevoerde
feiten één voor één, en toonde met overtuigende logica aan dat het
geen feiten waren; te midden van een toornig gesis vergruisde hij al
haar bewijsgronden en wederlegde haar beweegredenen. Toen sloeg hij
een anderen toon aan, en richtte het woord niet meer bepaald tot de
Oppositie, maar tot het Lagerhuis in 't algemeen, en tot het geheele
land, in dien echt vaderlandsgezinden geest en met die kracht en
gloed van taal, waardoor zijn toenemende beroemdheid zoowel in het
Parlement als in de kiezersvereenigingen bevestigd werd.
Beatrice deed de oogen dicht, en luisterde naar die volle, heldere en
indrukwekkende stem, die al krachtiger en krachtiger scheen te worden,
totdat de geheele zaal er van vervuld was en elke bestrijding tot
zwijgen was gebracht.
Met een kernachtig slot hield Geoffrey op, en nam zijn plaats weder
in. Hij had anderhalf uur gesproken, en toch scheen het Beatrice
toe dat er slechts eenige minuten verloopen waren sedert hij was
opgestaan. Nu barstte er een storm van toejuichingen los, te midden
waarvan een leider der Oppositie opstond, om, juist niet in de beste
luim, te antwoorden, want Geoffrey's redevoering had hem gevoelig
geraakt.
Hij begon met den geachten spreker een compliment te maken over
zijn gehouden redevoering, "zoo welsprekend als hij er in geen
jaren een gehoord had, hoewel, ongelukkig, van een verkeerd standpunt
uitgaande." Daarna laakte hij de Regeering dat zij een man, die zooveel
knapper was dan de meesten harer "bevoorrechten," niet reeds een hoogen
post had gegeven, en verwekte gelach door satiriek te zeggen dat,
als het hem ooit ten deel viel op de voorste bank van de Thesaurie
te zitten, hij voorzeker den geachten spreker een bod zou doen. Na
deze niet kwaad gemeende scherts, ging hij over tot de beschouwing
van het punt in behandeling, en Beatrice lette niet verder op hem,
maar zag Geoffrey weder in denzelfden schijnbaren staat van koele
onverschilligheid zitten, waaruit de noodzakelijkheid van te spreken
hem gewekt had.
Nu kwam de heer, die haar een plaats had bezorgd, bij haar en sprak
haar toe. Al spoedig begon hij over Geoffrey's redevoering te spreken,
zeggende dat het een van de schitterendste, zoo niet de schitterendste,
van de zittingen was.
"Mijnheer Bingham zal het dus zeker wel tot hoog aanzien
brengen?" zeide Beatrice.
"Tot hoog aanzien? Dat zou ik meenen!" antwoordde hij. "Bij de eerste
gelegenheid zal hij wel een Regeeringspost krijgen; hij is te knap om
hem voorbij te zien. Weinig mannen zijn zoo spoedig op den voorgrond
gekomen als mijnheer Bingham. Wij noemen hem de komeet, en als hij
zijn kansen niet vergooit, door iets dwaas te doen, is er geen reden
waarom hij niet binnen weinig jaren Procureur-Generaal zou zijn."
"Waarom zou hij iets dwaas doen?" vroeg zij.
"Och, om geen bepaalde reden, zoover ik weet; alleen, zooals gij
zeker wel opgemerkt zult hebben, doen mannen van zijn soort soms
belachelijke dingen, en brengen zich in opspraak door met de een of
andere vrouw weg te loopen of zoo iets, waardoor zij hun loopbaan
bederven. Niet dat dit van mijnheer Bingham te vreezen is, want hij
heeft een allerliefste vrouw, en men zegt dat hij veel hulp van haar
heeft. Maar daar gaat de bel van de afdeeling. Adieu, mevrouw Everston,
aanstonds kom ik weer bij u, om u hieruit te brengen."
"Adieu, mijnheer," antwoordde Beatrice, "en in geval ge mij niet
meer mocht vinden, wensch ik u iets te zeggen--u te danken voor uw
vriendschappelijkheid dat ge mij hier gebracht hebt. Ge hebt mij een
grooten dienst gedaan, een zeer grooten dienst, waarvoor ik u ten
hoogste dankbaar ben."
"Dat is geen dank waard," antwoordde hij. "Dat is een genoegen voor
mij geweest. Als ge mij wildet vergunnen," voegde hij er met eenige
verlegenheid bij, "u eens te komen bezoeken, zou het genoegen des
te grooter zijn. Ik zal mijnheer Bingham meebrengen, als gij gaarne
kennis met hem wilt maken--ten minste, als ik kan."
Beatrice schudde het hoofd. "Dat kan niet," antwoordde zij, droevig
glimlachend. "Ik ga morgen op een lange reis, en ik kom hier niet
terug. Vaarwel."
Het volgend oogenblik was hij weg. In geen jaren had een vrouw
zulk een levendige belangstelling in hem gewekt als deze schoone
onbekende. Wie kon zij zijn? en waarom was zij er zoo bizonder op
gesteld de debatten te hooren? Daar school een geheim achter, en dat
wilde hij, zoo mogelijk, oplossen.
Inmiddels nam de afdeeling plaats, en onder gejuich van de
Ministerieele partij en geschreeuw van de Oppositie werd de zegepraal
der Regeering aangekondigd. Toen kwamen de gewone formaliteiten,
en de vergadering begon uiteen te gaan. Beatrice zag de voorzitter
van het Lagerhuis en verscheidene Regeeringsleden naar Geoffrey toe
komen, hem de hand geven en hem gelukwenschen. Nu keerde zij zich
om, na een langen blik op hem geworpen te hebben, en ging heen, in
het oogenblik zijner zegepraal, die hem zoo onverschillig scheen te
laten, maar die Beatrice in haar hart trotscher maakte dan alsof zij
tot keizerin over de geheele wereld verklaard was.
O, het was iets zulk een man te beminnen, een man, die geboren was om
zich boven zijn medemenschen te verheffen--en het was goed voor hem
te sterven! Mocht zij haar jammerlijk bestaan een hinderpaal laten
zijn op zulk een loopbaan als de zijne zou zijn? Nooit, nooit! Om
haar zou er geen publiek "schandaal" zijn.
Zij sloeg haar voile neder en vroeg den weg naar den uitgang van de
vergaderzaal. Weldra was zij er buiten. In een der portalen en in
de schaduw van de pilaren, zag zij de leden van het Lagerhuis haar
voorbijgaan. Velen hunner spraken te zamen, en een paar malen ving
zij Geoffrey's naam op, gepaard met zulke woorden als "een uitstekende
redevoering," en dergelijke uitdrukkingen van bewondering.
"Voortloopen, voortloopen," zeide een politiedienaar. Beatrice
lichtte haar voile op, wendde zich om en zag hem aan, waarna hij,
iets mompelende, zelf voortliep en haar met rust liet. Nu zag zij
Geoffrey en den heer, die zoo vriendelijk jegens haar geweest was,
te zamen loopen. Zij kwamen door een zijdeur, en hij ging haar
strijkelings voorbij, maar zag haar niet. Zij drong dichter tegen
den pilaar aan, en verschool zich in de schaduw. Binnen zes voet van
haar af, stond Geoffrey stil, en stak een sigaar op. Het licht van den
lucifer scheen op zijn gelaat. Wat zag hij er afgemat uit! Een vurig
verlangen om vooruit te treden en hem aan te spreken bestormde haar,
maar zij bedwong zich met geweld.
Haar vriend sprak met hem, en over haar.
"Een allerliefste vrouw," zeide hij, "met een paar grijze oogen,
zoo schoon, zoo vol glans, als ik ooit gezien heb! Maar zij is
verdwenen als een droom. Ik kan haar nergens vinden. 't Is een zeer
geheimzinnig geval."
"Ge wordt verliefd, Tom," antwoordde Geoffrey afgetrokken, terwijl
hij den lucifer wegwierp en voortliep. "Doe dat niet; 't is ongelukkig
genoeg het te zijn," en hij zuchtte.
Hij ging heen. O, Hemel! nimmer zou zij hem wederzien! Een koude
huivering overviel Beatrice; haar bloed scheen te stollen. Zij beefde
zóó hevig, dat zij zich nauwelijks staande kon houden. Voorovergebogen
zag zij hem na, met zulk een bedroefde uitdrukking, dat zelfs
de politiedienaar, die berouw had over zijn inschikkelijkheid,
en terugkwam om haar weg te jagen, verbaasd stond. De beide mannen
waren ongeveer vijf-en-twintig passen ver, toen iets Beatrice's vriend
bewoog even om te zien. Zijn blik viel op het bleek, treurig gelaat,
dat nu in het volle licht van de gaslamp stond.
Beatrice zag hem omzien, en begreep haar gevaar. "O, vaarwel,
Geoffrey!" ontboezemde zij, voor een oogenblik door de geheimzinnige
werking der tusschen hen bestaande zielsverwantschap zijn hart tot zich
trekkende. Maar terstond beseffende wat zij gedaan had, sloeg zij haar
voile weer neder en ging snel heen. De heer, die "Tom" heette--zijn
naam was zij niet te weten gekomen--tuurde in de richting waar hij
haar ontdekt had, en op datzelfde oogenblik wankelde Geoffrey alsof
hij door een schot getroffen was, verbleekte en bleef stilstaan.
"Daar is die dame weer," zeide zijn metgezel; "wij moeten haar vlak
voorbijgegaan zijn. Zij zag naar ons; ik heb haar gelaat in het
gaslicht gezien--en ik kan er mij niet in vergissen."
Geoffrey greep hem bij den arm. "Waar is zij?" vroeg hij; "en hoe
zag zij er uit?"
"Zooeven stond zij daar," antwoordde hij, naar den pilaar wijzende,
"maar nu heb ik haar uit het oog verloren--ik geloof dat zij den kant
van het station op is gegaan, maar dat kan ik niet zien. Wacht, is zij
dat?" en hij wees den kant van de Abdij op, naar een rijzige gestalte.
Zij liepen snel, om haar in te halen, maar de uitkomst was
niet voldoende, en haastig keerden zij van het voorwerp hunner
opmerkzaamheid terug.
Intusschen was Beatrice aan de _Westminster Bridge_ gekomen. Daar
stond een _cab_: zij stapte er in, en beval den voerman haar naar
Paddington te rijden.
Voordat de twee heeren teruggekeerd waren, was zij weg. "Zij is weer
verdwenen," zeide Tom, en nu gaf hij Geoffrey een beschrijving van
haar. Op haar kleeding had hij ongelukkig weinig gelet. Het kon,
naar zijn beschrijving, Beatrice's kleeding zijn, of niet. Het kwam
Geoffrey bijna onbegrijpelijk voor dat zij vermomd door Londen zou
loopen, onder den naam van mevrouw Everston. En toch--en toch--hij
had er op kunnen zweren--maar het was dwaasheid.
Eensklaps wenschte hij zijn vriend goeden nacht en nam een _cab_. "Het
wordt hoe langer hoe geheimzinniger," zeide de verbaasde Tom, terwijl
hij hem zag wegrijden. "Het zou mij wel honderd pond waard zijn,
om te weten te komen wat dat alles beteekent."
Maar hij kwam er nooit iets van te weten, hoewel hij de wanhopige
uitdrukking van Beatrice's oogen bij dien laatsten afscheidsblik,
nog menigmaal in zijn slaap zag.
Geoffrey dacht over de zaak na. Het geval, hoe ongerijmd ook, was
toch mogelijk. Behalve dat enkele regeltje, tot antwoord op zijn
brief, had hij niets van Beatrice vernomen; en eigenlijk verwachtte
hij iets van haar te zullen hooren, alvorens verder een stap te
doen. Maar gesteld zelfs dat zij in Londen was, waar moest hij haar
dan zoeken? Het viel hem in dat er een trein van Euston naar Wales,
's ochtends te vier uur vertrok. Het was zeer goed mogelijk dat zij
in stad was en met dien trein terugkeerde. Hij beval den voerman hem
naar het Euston-station te rijden, en daar aangekomen, ondervroeg
hij een slaperigen kruier, maar zonder voldoenden uitslag.
Toen zocht hij op het station; daar was geen spoor van Beatrice
te zien. Hij deed nog meer; zoo vermoeid als hij was, wachtte hij
anderhalf uur totdat het tijd was voor den trein om te vertrekken. Er
waren maar drie passagiers, en geen van drieën geleek in 't allerminst
op Beatrice.
"'t Is al zeer vreemd," zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij
terugliep. "Ik had er op kunnen zweren dat ik een oogenblik haar
aanwezigheid gevoelde. Het moet verbeelding geweest zijn. Dat komt
er van, als men aan geheime invloeden gelooft. Men heeft er maar
last van!"
Was hij maar naar Paddington gegaan!
Hoofdstuk XXVIII.
Ik zal op u wachten.
Beatrice reed naar Paddington terug, en hoewel haar gelaat strak
en bleek als marmer bleef, vloeiden er groote tranen, één voor één,
langs haar wangen.
Aan het station gekomen, betaalde zij den voerman van haar weinige nog
overgebleven shillings--omdat zij een vreemdeling was, wilde hij niet
minder dan een halve kroon aannemen. Toen, zonder acht te slaan op den
verbaasden blik van den nachtportier, liep zij de wachtkamer binnen
en ging zitten. Eerst haalde zij den brief te voorschijn en voegde er
eenige regels met potlood bij; maar zij deed hem nog niet op de post,
want zij wist dat hij dan te spoedig aan zijn adres zou komen. Toen
leunde zij met het hoofd tegen den wand en viel van afgematheid in
slaap--haar laatste slaap hier op aarde, vóór den langsten slaap
van alle.
En zoo wachtte en sliep Beatrice te Paddington, terwijl haar minnaar
te Euston wachtte en waakte.
Omstreeks vijf uur werd zij wakker, en al de smartelijke gedachten
aan het verleden, het tegenwoordige en de toekomst bestormden haar
hart. Zij liep de ledige straat op, en op een opene ruimte tusschen
de huizen zag zij de zon opgaan. Het was de laatste zonsopgang,
dien zij zou aanschouwen.
Toen zij op het station terugkwam, was de restauratiekamer open;
daar trad zij binnen, en na zich met een kop koffie en een stuk brood
ververscht te hebben, nam zij haar plaatskaartje niet naar Bryngelly
of naar Coed, maar naar het station aan deze zijde van Bryngelly en
drie mijlen er van af. Daar zou zij minder gevaar loopen van opgemerkt
te worden. De trein werd in het spoor gebracht. Juist toen zij was
ingestapt, kwam er een krantenjongen geeuwend aanloopen. Beatrice
kocht een nummer van den _Standard_, en sloeg het open bij het blad
waar de hoofdartikelen in stonden. Het eerste begon: "De krachtige,
kernachtige en welsprekende redevoering, door den heer Bingham, het lid
voor Pilham, gehouden, zal voorzeker van evenveel uitwerking op het
geheele land zijn als zij op het Lagerhuis was. Wij verwelkomen haar
niet alleen om haar waarde als een bijdrage tot de polemiek over de
Iersche Kwestie, maar als een afdoend bewijs van wat reeds vermoed is,
dat de Unionistische partij in den heer Bingham een jong staatsman van
hooge begaafdheden bezit, wiens uitgebreide rechtsgeleerde praktijk
hem niet, zooals maar al te dikwijls het geval is, in den weg staat
op het geestinspanning vereischende en ruime arbeidsveld der politiek."
Evenzoo ging het voort. Beatrice legde het blad met een zegevierenden
glimlach neder. Geoffrey's roem was gevestigd. De geheele lange reis
door, streelde zij haar verbeelding door zich het eene beeld voor,
het andere na voor den geest te roepen van die toekomst, waaraan
zij geen deel zou hebben. Maar hij zou haar toch niet vergeten; daar
was zij zeker van. Haar herinnering zou hem tot het einde van zijn
leven bijblijven, en soms zou hij denken hoe trotsch zij zijn zou,
als zij getuige van zijn zegepralen had kunnen zijn. Ach, zij bedacht
niet dat, wanneer alles verloren is wat het leven schoon kan maken,
wanneer de zon voor ons ondergegaan is en het duister in onze ziel is
geworden, de glans van onze kleine zegepralen slechts den verdwenen
luister kan vergoeden! Geluk en tevredenheid zijn teere planten, die
licht en lucht moeten hebben om te kunnen bloeien. Zij gedijen niet
in donkere schaduwen, en als het hart dood is, kunnen geen zegepralen,
hoe schitterend ook, tegen het onherstelbaar verlies opwegen. Het arme
meisje vermoedde niet dat Geoffrey, in de jaren, die komen zouden,
gaarne al zijn roem en onderscheiding gegeven zou hebben voor één
maand van haar dierbare, onvergetelijke tegenwoordigheid. Zij had
een te geringen dunk van zichzelve; zij dacht niet dat een man
aldus op de liefde van een vrouw prijs kon stellen, en hield het
voor een uitgemaakte zaak dat tegenover zijn streven, om het doel
zijner eerzucht te bereiken, zulk een schat als Beatrice Geoffrey
geschonken had, niets beteekende. Dit was de wagen van Jaggernaut [3]
op zijn loopbaan, waaraan Beatrice haar leven ten offer wilde brengen,
niet wetende dat daardoor al de eer en onderscheiding, die hij reeds
zoo weinig telde, bitterheid en asch moest worden.
Te Chester stapte Beatrice uit den trein, en deed haar brief aan
Geoffrey op de post. Dat had zij niet vroeger willen doen, omdat
die hem niet in handen moest komen voordat alles gedaan was. Zij
wierp een blik op den brief,--het laatste teeken, dat ooit op aarde
tusschen hen gewisseld kon worden. Eenmaal drukte zij den brief aan
haar hart, eenmaal raakte zij hem met haar lippen aan, en toen stak
zij hem onherroepelijk in de bus. Nu was er geen terugtreden meer. En
terwijl zij daar nog stond, kwam de postbeambte fluitend aan, opende
de bus onverschillig, en stak den inhoud in zijn linnen zak. Als hij
geweten had wat daaronder was, zou hij den geheelen dag niet meer
gefloten hebben.
Beatrice zette haar reis voort, en tegen drie uur was zij aan het
kleine station bij Bryngelly. Het was dien dag kermis te Coed,
en vele boeren en boerinnen gingen daarheen en stapten hier op den
trein. Te midden van die drukte werd zij niet opgemerkt. Niemand in
de nabuurschap van Bryngelly wist zelfs, dat Beatrice heen en terug
naar Londen was geweest.
Zij liep langs de rots om, en binnen een uur was zij aan de deur van
de pastorie, waaruit het haar toescheen jaren lang afwezig te zijn
geweest. Zij ontsloot de deur en trad binnen. In de brievenbus vond
zij een briefkaart van haar vader, meldende dat hij en Elisabeth van
plan veranderd waren, en niet terug zouden zijn vóór den volgenden
ochtend met den trein, die te half negen aankwam. Des te beter, dacht
zij. Toen haalde zij de lakens op haar bed om, alsof het beslapen
was geweest, legde in de keuken vuur aan, zette den ketel er op,
om water te koken, en gebruikte wat voedsel. Zij had al haar kracht
noodig en zonder voedsel kon zij die niet ophouden.
Kort daarna kwam Betty, de dienstmaagd terug, en ging aan haar
werkzaamheden, onbewust dat Beatrice den geheelen nacht afwezig was
geweest. Haar zusje was veel beter, antwoordde zij op Beatrice's
vragen.
Na, voor zooverre zij kon, iets gegeten te hebben--het was niet
veel--begaf Beatrice zich naar haar kamer, ontkleedde zich, baadde
zich, en trok andere kleeren aan. Toen maakte zij haar vlechten met
zorg op, juist zooals zij het haar had gedragen op dien namiddag
toen zij Geoffrey voor 't eerst had ontmoet. Een zonderling verlangen
scheen haar te bezielen om er op dezen dag, nu zij het leven vaarwel
zeide, op haar voordeeligst uit te zien. Na zich gekleed te hebben,
nam zij den zilveren Romeinschen ring, dien Geoffrey haar gegeven had,
van het snoer, waaraan zij hem om haar hals droeg, en stak hem aan
den derden vinger van haar linkerhand.