niet dikwijls zoo'n lief gezichtje te zien. Dat is wel een _sixpence_
waard. Maar, juffrouw, als ik zoo vrij mag wezen het te zeggen,
't is niet veilig voor u in dat bootje te kruisen, ten minste, niet
zoo alleen."
Beatrice dankte hem en bloosde een weinig. Onwillekeurig kwam het bij
haar op, dat zij wel met een meer dan gewone schoonheid bedeeld moest
zijn, als die op een ruwen varensgast zulk een indruk maakte. Dat
was het waarom een man verliefd op een meisje wordt--schoonheid;
en daarom alleen beminde en begeerde Owen Davies haar.
Zou het misschien met Geoffrey hetzelfde zijn?--neen, dat geloofde zij
niet. Hij beminde haar om meer dan haar uiterlijke schoonheid. Maar
als zij niet schoon was geweest, misschien zou hij dan niet begonnen
zijn haar te beminnen, dus was zij haar schoonheid van oogen, van
haar en gestalte dankbaar.
Kon dwaze verblinding verder gaan? In de donkerste ure van haar
wanhopigen toestand, waarvan het einde niet was te zien, ter prooi
aan gewetensknaging, en bedreigd door schande, die als een donderwolk
boven haar hoofd hing, kon dat meisje zich nog dankbaar gevoelen dat
zij die liefde, die de bron van al haar verdriet was, gewonnen had. Of
was haar dwaasheid vermomde diepe wijsheid?--is er iets goddelijks in
een gevoel, dat aldus het zwaarste trotseert en er over kan zegevieren?
Zij was nu weder op zee, en de avond viel op het water, zacht als een
droom. De brief was op de post gedaan. Zou het de laatste zijn? vroeg
zij zichzelve af. Het scheen haar toe alsof zij geen brieven meer
schrijven moest. En wat te doen? Met Owen Davies trouwen wilde zij
niet--dat nooit. Zoo schandelijk kon zij haar gevoel geen geweld
aandoen. Als zij dat deed, zou zij zich de laagste der laaggezonkenen
geacht hebben. En nog minder zou zij het willen doen, omdat haar
hart haar zeide hoe grievend het voor Geoffrey moest zijn, al zeide
hij geen woord. Voorzeker zou hij haar er om verachten. Neen, dat
denkbeeld werd verworpen--totaal verworpen.
Wat bleef haar dan over? Met Geoffrey vluchten wilde zij niet, omdat
het zijn ongeluk zou zijn. Zij wilde niet met Owen trouwen, en als
zij het niet deed, zou Geoffrey in 't verderf gestort worden. Zij
wist wel dat haar onschuld moeilijk te bewijzen zou zijn; immers haar
eigen vader geloofde er niet aan, en haar zuster zou haar voor de
wereld openlijk beschuldigen. Wat moest zij dan doen? Zou zij zich
in een verre, half beschaafde streek, of in Londen, verbergen? Dat
was onmogelijk; zij had geen geld, en geen middelen om aan geld
te komen. Bovendien zou men haar wel opsporen; zoowel Owen Davies
als Geoffrey zouden haar beiden tot in de uiterste hoeken der
aarde opsporen. En zou de eerstgenoemde niet denken dat Geoffrey
haar ingeblazen had heen te gaan, en terstond zijn bedreigingen
ten uitvoer brengen? Zeker zou hij dat. Van dien kant was er geen
hoop. Zij moest een ander plan bedenken, of haar minnaar zou er het
slachtoffer van zijn.
Zoo redeneerde Beatrice, niet aan zichzelve maar aan Geoffrey denkende,
die meer dan alles op de wereld voor haar was, meer, duizendmaal meer
dan haar eigen veiligheid of welzijn. Misschien overdreef zij. Owen
Davies, Lady Honoria, en zelfs Elisabeth mochten alles gedaan hebben,
waarmede zij dreigden: de eerste zeker, de beide anderen misschien;
en toch had het kunnen zijn dat Geoffrey er ongedeerd afkwam. Mogelijk
waren er uitwegen, waarvan zij niets wist. Maar van alle kanten in
het nauw gebracht, scheen het ergste Beatrice een noodzakelijk gevolg
toe. Haar eigen geweten trad ook beschuldigend tegen haar op. Die
bizondere aantijging was een leugen, maar het was geen leugen, dat
zij Geoffrey beminde, en dat scheen haar toe op hetzelfde neer te
komen. In zulke zaken maakte zij geen fijn onderscheid; en zoo stelde
zij zichzelve in staat van beschuldiging. Zij besefte niet het door de
geheele beschaafde wereld erkende, groote verschil tusschen denken en
doen, tusschen de neiging en het schuldig bedrijf. Beatrice beschouwde
dit punt meer in den geest van den Bijbel, waarin uitdrukkelijk
verklaard wordt, dat dit een onderscheid maken zonder verschil is.
Indien zij naar Geoffrey toe was gegaan en hem de geheele geschiedenis
verteld had, zou hij waarschijnlijk alles getrotseerd hebben en
er mogelijk zegevierend afgekomen zijn. Maar met die terughouding,
waartoe alleen vrouwen in staat zijn, deed zij dat niet, en wilde zij
het niet doen. Zij wilde hem niet met den last van haar leed bezwaren,
dat wilde zij alléén verduren--niet bedenkende dat zij daardoor een
veel zwaarderen last op hem laadde, dien hij zijn leven lang zou
moeten dragen.
Hoe liefelijk viel de avond, hoe schitterend wierp de ondergaande
zon haar laatste stralen op de zee, en hoe helder was het water! Zie,
daar sprong een visch voorbij haar roeispaan, en daar kwam de eerste
ster aan het uitspansel te voorschijn! Was Geoffrey maar bij haar
om het genot van dat schouwspel met haar te deelen! Geoffrey? zij
had hem verloren; zij was nu alleen op de wereld--alleen met de zee
en de sterren. Welnu, die waren beter dan de menschen--beter dan
allen, behalve één. Er was een hoogere gemeenschap der zielen, en
dat vertroostte haar. Want hoewel haar geweten haar verweet dat zij
tegen de tijdelijke en menschelijke wet gezondigd had, gevoelde zij
geen berouw; haar hart zeide haar dat de liefde, die zij geschonken
had, onsterfelijk, en dus boven tijd en menschen verheven was. In
allen gevalle beminde zij Geoffrey, en daar was zij trotsch op
en verheugde zij zich over. De omstandigheden waren ongelukkig,
maar zij had de wereld en de maatschappelijke instellingen evenmin
gemaakt als zichzelve, en dat kon zij niet helpen. Het feit bleef,
goed of kwaad--zij beminde hem!
Hoe helder was het water. Wat was dat voor een droom harer opgewonden
verbeelding van op den bodem der zee te zitten en op hem te wachten
totdat hij eindelijk kwam? Op den bodem der zee zitten--waarom wekte
dat zulke zonderlinge denkbeelden in haar geest? Welnu, waarom
niet? Het zou daar aangenaam zijn, in allen gevalle beter dan op
aarde. Waarom moest zij langer een leven dragen, dat haar te zwaar
werd? Zie, zij had slechts over den kant van het bootje te glijden en
zich in die geopende armen te storten, en binnen weinige oogenblikken
zou het met haar gedaan zijn!
Hier zou het antwoord op haar vragen en twijfelingen zijn, hetzelfde
antwoord, dat op alle menschelijk verdriet, alle aardsche hoop en
vrees en strijden gegeven wordt. Eén oogenblik, en alles zou verloren
of gevonden zijn. Zou het dan zooveel te beteekenen hebben haar leven
voor Geoffrey op te offeren?--zij had het immers bijna gedaan toen
zij hem nog maar een uur kende, en zou zij het dan nu niet doen,
nu hij alles in alles voor haar was? Als zij stierf--heimelijk,
plotseling stierf--zou Geoffrey voorzeker gered zijn; men zou hem
niet lastig vallen; er zou niemand zijn, over wie men hem lastig zou
kunnen vallen: Owen Davies zou dan niet met haar kunnen trouwen,
Geoffrey zou zich voor haar niet in 't ongeluk kunnen storten,
Elisabeth zou haar niet meer kunnen vervolgen. Het zou goed zijn
dit voor Geoffrey te doen, en hij zou haar altijd blijven beminnen,
en achter dat zwarte gordijn was misschien iets beters.
Men zeide dat het zonde was. Ja, het zou misschien zonde zijn dit
voor zichzelf alleen te doen. Maar als het voor een ander was? Zou
het zonde zijn voor Geoffrey te sterven, zich voor Geoffrey's welzijn
op te offeren?
O, er zou niet veel verdienstelijks in zijn. Wat was haar leven voor
haar? Het zou beter, veel beter zijn dan met Owen Davies te trouwen,
dan hun liefde te ontheiligen, en te maken dat Geoffrey haar moest
verachten. En hoe anders kon zij het dreigend leed van hem afweren
dan door haar dood of door een huwelijk, dat in haar oogen veel
verschrikkelijker was dan de dood?
Maar nu kon zij het nog niet doen. Zij kon niet sterven voordat zij nog
eenmaal zijn gelaat aanschouwd had, al zag hij ook het hare niet. Neen,
dezen avond zou zij die snelle oplossing niet zoeken. Zij had nog
woorden te zeggen--of woorden te schrijven. Reeds drongen zij zich
aan haar geest op!
Maar als zich geen beter plan opdeed, zou zij het doen, daar was
zij zeker van. Het was een zonde--welnu, dan zondigde zij voor
Geoffrey. Hij zou daarom niet slechter van haar denken. En zij had
hoop, ja, Geoffrey had haar leeren hopen. Als er een hel was, dan
was het hier op aarde. En toch niet geheel en al een hel, want zij
had er haar liefde gevonden!
Het werd donker, zij kon het ruischen van de golven op het strand
van Bryngelly hooren. Daar gekomen, zag zij den ouden Eduard staan,
die haar bootje op het droge haalde.
"Alweer in dat ding uit, Miss Beatrice, en dat zoo alleen," bromde de
oude man, het hoofd schuddende, terwijl hij het bootje verachtelijk
een schop gaf, "en nog wel in donker. Gij moest een man hebben,
die op u paste, dat moest gij. Gij zult niet rusten voordat gij
verdronken zijt."
"Neen, Eduard," antwoorde zij, met een lachje, "dat geloof ik ook
niet. Ge weet wel, voor de boozen is geen vrede boven de zee. Nu,
wees maar niet boos. In dit weer, en op de baai, zit ik in het bootje
zoo veilig als in de kerk."
"O, ja, bij kalm weer en in de baai gaat het wel," hernam hij, "maar
gesteld dat ge voorbij _Rumball Point_ afdreeft en de branding op u
kreegt--wel dan zoudt ge binnen vijf minuten verdronken zijn. 't Is
ongepermitteerd, juffrouw, dat zeg _ik_."
Beatrice lachte weder en ging heen.
"'t Is me een rare!" zeide de oude man, zijn hoofd krabbende, terwijl
hij haar nazag. "Van al het vrouwvolk, dat ik ooit gekend heb, is
zij de wonderlijkste. Het lijkt wel alsof zij verdrinken _wil_. De
drommel hale me als ik niet wel lust had een gat in den bodem van dat
vervloekte bootje te boren en het ding naar den kelder te laten gaan."
Beatrice kwam een weinig vóór het avondeten thuis. Het eerste, wat
zij deed, was Betty, de dienstmaagd, te roepen, en met haar hulp
haar bed en toebehooren naar de logeerkamer te laten brengen. Met
Elisabeth wilde zij niets meer te doen hebben. Zij hadden bij elkander
geslapen sedert zij kinderen waren, maar nu was dat uit. Toen kwam
zij binnen, en onder het avondeten zat zij als een steenen beeld,
zonder een woord te spreken. Haar vader en Elisabeth voerden een
gedwongen gesprek, maar zij spraken niet tegen haar, en zij sprak
niet tegen hen. Elisabeth vroeg haar niet eens waar zij geweest was,
en nam van haar verandering van kamer geen notitie.
Beatrice vernam echter dat haar vader Maandag met den eersten trein
naar Herefordshire zou gaan, om een vergadering van predikanten
bij te wonen, die belegd was om de kwestie van de tienden
te bespreken. Dinsdagavond met den laatsten trein, omstreeks
middernacht, zou hij terugkomen. Beatrice bemerkte dat Elisabeth
hem zou vergezellen. Blijkbaar wilde zij gedurende die week van
wapenstilstand haar zuster zoo weinig mogelijk zien--mogelijk was
zij een weinig bevreesd voor haar. Het kon zijn dat zelfs Elisabeth
een geweten had.
Dus zou zij van Maandagochtend tot Dinsdagnacht alleen gelaten
worden. In veertig uur kan men veel doen.
Na het avondeten stond Beatrice op, zonder een woord te zeggen,
en zij waren blijde dat zij heenging. Zij maakte hen bevreesd, met
haar strak gezicht en haar groote oogen. Maar geen van beiden sprak
er over. Zij hadden samengezworen om het stilzwijgen te bewaren.
Beatrice deed haar deur op slot en zat in gepeins verzonken. Als
de gedachte aan zelfmoord eenmaal opgekomen is, wortelt zij zich
met verbazende snelheid vast. Beatrice overzag en beredeneerde den
geheelen toestand; zij tuurde op den zedelijken gezichtseinder, om
een middel tot uitredding te zien, maar zij kon geen ander vinden,
dat Geoffrey zou redden, dan dit. Ja, zij zou het doen, zooals menige
andere ongelukkige gedaan had, echter niet uit lafhartigheid, want
als het haar alleen betroffen had, zou zij alles getrotseerd, tot
het uiterste gestreden hebben--maar omdat het een einde zou maken
aan de gevaren, die Geoffrey bedreigden. Natuurlijk moest er geen
schandaal bij zijn; het moest nooit bekend worden dat zij den dood
had gezocht; anders zou zij zelve haar doel verijdeld hebben en de
zaak weer opgerakeld worden. Maar zulk een mogelijkheid wist zij
wel te vermijden; in haar uitersten nood werd Beatrice zoo slim als
een vos. Er zou een lijkschouwing gehouden kunnen worden, waarbij
lastige vragen gedaan konden worden. Maar zij wist ook wel dat er
geen lijkschouwing gehouden kan worden, of er moet iets zijn, waarop
zij gehouden wordt, en dat iets zou er niet zijn.
En zoo, in de stilte van den avond en in de eenzaamheid van haar kamer,
wijdde Beatrice zich tot een offer op het altaar harer onmetelijke
liefde. Zij zou den doodstrijd trotseeren in den eersten bloei van
haar jeugdige kracht en schoonheid; de wereld in de lente haars
levens verlaten, en alleen die donkerheid, met haar verschrikkingen
voor het zondige menschdom, ingaan. Alleen!--O, hand in hand met hem
zou het gemakkelijk geweest zijn, maar dat mocht niet zijn. De deur
der uiterste duisternis zou achter daar dichtgeslagen worden, en wie
kon zeggen of die deur eenmaal, als Geoffrey haar volgde, voor hem
geopend zou worden, en of hij wel ooit het pad dat zij betreden had,
zou vinden? Maar het moest, het zou geschieden. Beatrice stond van
haar stoel op met schitterende oogen en versnelde ademhaling, en zwoer
voor God dat zij het doen zou, op Zijn vergiffenis en barmhartigheid
hopende of--op eeuwigen slaap.
Ja, maar eerst moest zij nog een blik slaan op Geoffrey's geliefd
gelaat--en dan vaarwel!
Beklaag haar, dat arme dwalende meisje, dat van haar eigen wil een
Voorzienigheid maakt en zich den dood in de armen werpt! Beklaag haar,
maar laak haar niet al te zeer, of gij moet ook Judith, Jephta's
dochter, en Charlotte Corday laken, en al de roemrijke vrouwen,
die van tijd tot tijd op deze wereld vol hebzucht en eigenbaat zijn
opgestaan en zichzelven opgeofferd hebben op het altaar van haar
liefde, haar godsdienst, haar eer of haar vaderland.
Het was besloten. Laat haar nu rusten terwijl zij kan, in afwachting
van wat er zal komen. Met een zucht over alles, dat was, en alles
wat had kunnen zijn, legde Beatrice zich te bed, en sliep weldra zoo
rustig als een kind.
Hoofdstuk XXVII.
Het Lagerhuis.
De volgende dag was Zondag. Beatrice ging niet naar de kerk. Eén reden
daarvoor was dat zij bevreesd was er Owen Davies te ontmoeten. Maar
zij nam haar Zondagsklasse als gewoonlijk waar, en nog lang naderhand
herinnerden de kinderen zich hoe vriendelijk en geduldig zij dien
dag jegens hen geweest was, en hoe mooi zij hun de geschiedenis van
dat Joodsche meisje verteld had, dat haar leven opofferde opdat haar
vader zijn gelofte getrouw zou zijn.
Bijna al het overige van den dag en den avond besteedde zij om te
schrijven, wat wij later zullen lezen; alleen des namiddags ging
zij een poos in haar bootje roeien. Nog iets anders deed zij ook;
zij ging naar de hoofdonderwijzeres, en zeide haar dat zij mogelijk
Dinsdag (Maandag was het toevallig een vacantiedag) niet in het dorp
zou zijn. Als iemand naar de reden van haar afwezigheid mocht vragen,
verzocht zij de hoofdonderwijzeres of deze zoo vriendelijk zou willen
zijn te zeggen dat zij een afspraak had gemaakt, en om die te houden
een ochtend vrijaf had genomen. De hoofdonderwijzeres bewilligde
daarin, zonder eenige achterdocht, zeggende dat als Beatrice geen
ochtend vrijaf zou mogen nemen, zij niet zou weten wie.
Den volgenden ochtend ontbeten zij zeer vroeg, omdat Granger en
Elisabeth met den eersten trein zouden vertrekken. Beatrice zat er
stilzwijgend bij; haar kalme oogen staarden strak, en de anderen
gevoelden hun hart door een onverklaarbare vrees bekneld, terwijl zij
naar haar ondoorgrondelijk gelaat zagen. Wat was dat meisje voornemens
te doen? Dat was de vraag, die zij zichzelven deden, hoewel elkander
niet. Dat zij iets in den zin had, daar waren zij zeker van, want
een vast besluit stond op elken trek van haar strak gelaat te lezen.
Eensklaps, terwijl zij zat te peinzen, en den schijn aannam van
te eten, schoot haar een denkbeeld voor den geest als een pijl,
die haar hart doorboorde. Dit was de laatste maal dat zij ooit te
zamen aan tafel zouden zitten, de laatste maal dat zij het gelaat
van haar vader en haar zuster ooit zou aanschouwen. Wat haar zuster
betrof, daar kon zij zich wel overheen zetten--want er zijn dingen,
die zelfs een vrouw als Beatrice niet vergeven kan--maar haar vader
had zij lief, met al zijn gebreken; zelfs zijn geldgierigheid en
zelfzuchtigheid waren haar door de gewoonte van er zich over te
verbazen lief geworden. Bovendien was hij haar vader; hij was de
oorsprong van het leven, dat zij ging wegwerpen. En zij zou hem nimmer
wederzien. Wel weifelde zij daarom niet in haar besluit, dat nu zoo
vast stond als Bryngelly Castle op zijn rots, maar dat denkbeeld deed
haar toch de tranen in de oogen schieten.
Juist was het ontbijt afgeloopen, en Elisabeth liep de kamer uit,
om haar hoed te halen.
"Vader," zeide Beatrice, "eer gij heengaat, zou ik u gaarne hooren
zeggen dat gij niet gelooft dat het onwaar is wat ik u gezegd heb--van
die geschiedenis."
"Hm, hm!" antwoordde de oude man zenuwachtig, "ik dacht dat wij
overeengekomen waren vooreerst daar niet over te spreken."
"Ja, maar ik zou het u toch gaarne hooren zeggen. Het grieft mij zoo
dat gij zoudt denken dat ik u voorgelogen heb, want nooit in mijn
leven heb ik u opzettelijk iets gezegd, dat niet waar was," en zij
klemde haar handen om zijn arm, en sloeg de oogen naar zijn gelaat op.
Hij zag haar twijfelachtig aan. Was het mogelijk dat zij dan toch de
waarheid sprak? Neen; het was niet mogelijk.
"Dat kan ik niet, Beatrice," antwoordde hij--"niet dat ik je er te
zeer om laak dat ge u zoekt te verdedigen; een rat, die in een hoek
gejaagd is, stelt zich te weer."
"Mogen die woorden u nimmer berouwen," zeide zij; "en nu vaarwel,"
en zij kuste hem op het voorhoofd.
Op dat oogenblik trad Elisabeth binnen, zeggende dat het tijd was om
heen te gaan, en hij beantwoordde den kus niet.
"Vaarwel, Elisabeth," zeide Beatrice, haar de hand toestekende. Maar
Elisabeth deed alsof zij dit niet zag, en een oogenblik later waren
zij weg. Zij volgde hen tot aan het hek; en zag hen na, totdat zij
op den weg uit haar gezicht verdwenen. Toen keerde zij terug, haar
hart tot berstens toe vol; maar zij stortte geen enkelen traan.
Zoo had Beatrice haar vader en haar zuster een laatst vaarwel gezegd.
"Elisabeth," zeide Granger, toen zij het station naderden, "ik ben
ongerust over Beatrice. Er was zoo'n vreemde uitdrukking in haar oogen,
het--kortom, het maakt mij beangst. Ik had wel lust Hereford er aan te
geven, en terug te gaan," en hij bleef aarzelend op den weg stilstaan.
"Zooals ge wilt," zeide Elisabeth, met een smadelijken glimlach, "maar
ik zou meenen dat Beatrice groot genoeg is om op zichzelve te passen."
"Bij den God, die ons geschapen heeft," riep de oude man woedend uit,
met zijn stok op den grond stampende, "zij moge slecht zijn, maar zij
is niet zoo slecht als jij, die haar verraden hebt. Als Beatrice een
Magdalena is, ben jij een vrouwelijke Judas, en ik geloof dat je haar
haat en wel zou willen dat zij dood was."
Elisabeth gaf hierop geen antwoord. Zij waren nu aan het station,
want haar vader was weer voortgeloopen, en er waren menschen om
hen heen. Maar zij wierp hem een blik toe, en nooit vergat hij dien
blik. Het was genoeg om zijn tong te verstijven, en hij roerde dit
punt niet weder aan.
Toen zij vertrokken waren, ging Beatrice toebereidselen maken. Haar
voornemen was naar Londen te reizen, om, zoo mogelijk, in het Lagerhuis
Geoffrey voor 't laatst te zien, en dan terug te keeren. Zij zette
haar hoed op, en trok haar beste kleed aan; dit was zeer eenvoudig en
van grijs laken, maar het stond haar zeer goed, en in de borst stak
zij den brief, dien zij den vorigen dag geschreven had. Een kleine
reistasch, met een paar boterhammen en een schuier en kam er in,
benevens een mantel, maakte haar geheele bagage uit.
De trein, die te Bryngelly niet stilhield, vertrok te tien uur van
Coed, en naar Coed was het anderhalf uur gaans. Het was tijd om heen
te gaan. Zij zou, natuurlijk, dien nacht afwezig zijn, en wat voor
reden zij Betty, de dienstmaagd, voor haar afwezigheid zou opgeven,
wist zij niet. Maar het toeval kwam haar te hulp. Terwijl zij er over
nadacht, kwam Betty zelve weenend binnen. Zij had zooeven vernomen
dat haar zusje, dat met haar moeder in een dorp op zes mijlen afstands
woonde, door een wagen aangereden en zwaar bezeerd was; en zij vroeg
of zij voor dien nacht naar huis mocht gaan. Den volgenden dag zou
zij terugkomen.
Beatrice stemde in haar verzoek toe, en Betty ging dadelijk
heen. Zoodra zij weg was, sloot Beatrice het huis, stak den sleutel
in haar zak, en ging op haar wandeltocht van vijf mijlen uit. Niemand
zag haar het huis verlaten, en zij liep langs een pad achter het
dorp om, zoodat niemand haar ook op den weg zag. Onopgemerkt aan
het Coed-station gekomen, even vóór het vertrekuur van den trein,
deed zij haar voile neer, en nam een plaatskaartje derde klasse naar
Londen. Dit moest zij wel doen, want haar geldvoorraad was zeer gering;
alles bijelkaar had zij maar zes-en-dertig shillings, waarvoor de
reis naar Londen heen en terug haar acht-en-twintig shillings en vier
_pence_ zou kosten.
Een oogenblik later was zij een leegen waggon ingestapt, en de trein
stoomde heen.
Dien avond omstreeks acht uur kwam zij aan het Paddington-station. In
de restauratiekamer deed zij haar middagmaal met een kop thee en een
boterham, waarna zij verder op haar tocht uitging.
Beatrice was nooit in Londen geweest, en zoodra zij het station
verlaten had, bracht de rumoerige drukte van de groote stad haar
in verlegenheid. Haar plan was te voet naar het Parlementsgebouw in
Westminster te gaan. Daar meende zij zeker te zijn van Geoffrey te
zien, omdat zij een dagblad gekocht had, waarin zij gelezen had dat
hij een van de sprekers in een groot debat over de Iersche kwestie
zou zijn, dat dien nacht gesloten zou worden. Een vriendelijke kruier
had haar gezegd dat zij Praed Street maar moest volgen totdat zij
aan Edgware Road kwam, dan doorloopen naar den Marmeren Boog, en maar
weer vragen. Beatrice volgde het eerste gedeelte van die aanwijzing
tot Edgware Road. Maar daar stond zij verlegen en aarzelde.
Op dit oogenblik kwam er een ruwe vent naar haar toe en zeide
iets. Een meisje als Beatrice kon onmogelijk door de straten van
Londen loopen zonder aan het gevaar van zulke ongewenschte aandacht
blootgesteld te zijn. Zij wendde zich van hem af, en terwijl zij dit
deed, hoorde zij hem tegen een ander een onkiesch gezegde over haar
schoonheid uiten. Dicht bij de plaats waar zij zich bevond, stonden
twee _cabs_. Zij ging naar de eerste toe, en vroeg den voerman voor
hoeveel hij haar naar het Lagerhuis wilde rijden.
"Twee shillings, juffrouw," was het antwoord.
Beatrice schudde het hoofd, en wilde heengaan. Zij durfde zooveel
geld niet aan _cabs_ besteden, want zij moest naar Bryngelly terug.
"Ik zal er u brengen voor anderhalven shilling, juffrouw," riep de
voerman van de andere _cab_. Dit aanbod wilde zij juist aannemen,
toen de eerste inviel:
"Wou je mij mijn vrachtje afsnoepen? Hoor eens, juffer, ik ben galant
voor dames, en ik zal er u voor één shilling brengen."
Zij glimlachte en stapte de _cab_ in. Nu dwarrelde het haar voor de
oogen in de drukke, met gas verlichte straten, en binnen een kwartier
hield de _cab_ voor den ingang van het Lagerhuis stil. Beatrice
betaalde den _cab_-voerman zijn shilling, bedankte hem, en trad binnen,
maar stond weer verlegen te midden van witte beelden, marmeren vloeren,
hooge gewelfde zolderingen en gedrang van menschen. Een op post
staande politiedienaar vroeg haar waarvoor zij hier kwam. Beatrice
antwoordde dat zij de zitting van het Lagerhuis wilde bijwonen.
"Dien kant op, juffrouw--dien kant op," zeide de politiedienaar,
op een stroeven toon. Zij volgde zijn aanwijzing, en kwam eindelijk
in een portaal onder een menigte lieden van allerlei soort--kale
politieke aanhangers, Iersche priesters, mannen van de pers, enz. Aan
de eene zijde van het portaal stonden politiedienaars en boden, die
gestadig kaartjes aannamen. Onmerkbaar werd zij door den stroom naar
dien kant medegesleept.