manier heeft om het te toonen. Zij heeft geen woord voor mij over;
zij scheept mij bij elke gelegenheid af. Maar dat zal alles nu wel
in orde komen--alles in orde."
"Och, mijnheer Davies, meisjes zijn meisjes, totdat zij vrouwen
zijn. Daar weten wij alles van," zeide Granger, geruststellend.
Zijn candidaat-schoonzoon zette een gezicht alsof hij daar zeer weinig
van wist, hoewel de gevolgtrekking duidelijk genoeg was.
"Mijnheer Granger," hernam hij, zijn hand grijpende. "Ik wil Beatrice
tot mijn vrouw maken--ja, dat wil ik werkelijk!"
"Wel, ik heb ook niet anders voorondersteld, mijnheer Davies."
"Als ge mij daarin helpt, zal ik in geldzaken en dergelijke alles
doen wat ge maar wilt. Zij zal een zoo mooie lijfrente hebben als een
vrouw maar hebben kan. Ik weet dat een vader daar nogal op gesteld is,
en ik wil alle zwarigheden wegruimen."
"Dat is alles goed en wel, en zeker ook wel zooals 't behoort," zeide
Granger, een hooger toon aannemende, nu hij het voordeel van zijn
positie zag. "Maar natuurlijk zal ik over zulke zaken het advies van
een rechtsgeleerde vragen. Ik geloof dat mijnheer Bingham mij daarin
wel zal willen raden," ging hij voort, "als een vriend van de familie,
weet gij. Hij is een zeer knap rechtsgeleerde, en hij zal er ook wel
niet voor rekenen."
"O, neen, mijnheer Bingham niet!" riep Owen met schrik uit. "Ik wil
alles doen wat gij maar verlangt, of als gij een rechtsgeleerde wilt
hebben, zal ik zelf de kosten wel betalen. Maar laten we daar nu niet
over spreken. Laten we het eerst met Beatrice in orde brengen. Ga
dadelijk mee."
"Zoudt gij dat niet liever met haar alleen afhandelen?"
"Neen, neen. Zij scheept mij altijd af, als ik met haar alleen wil
spreken. 't Is beter dat gij er bij zijt, en Miss Elisabeth ook,
als zij wil. Ik wil haar niet weer alleen spreken. Ik zal met haar
spreken in het aangezicht van God en de menschen, zooals God mij
ingeeft te doen, en dan zal alles in orde zijn--dat weet ik."
Granger zag hem verbaasd aan. Hij was een predikant van de
praktische soort, en zag niet recht in wat de Hoogere Macht met de
huwelijksplannen van Owen Davies te maken had.
"O, zoo!" zeide hij, "ik begrijp u; huwelijken worden in den hemel
gesloten, bedoelt gij; ja, ja, natuurlijk. Welnu, als ge met de
zaak voortgang wilt maken, geloof ik wel, dat wij Beatrice thuis
zullen vinden."
Dus gingen zij naar de pastorie, Granger verheugd en toch een weinig
verlegen, want er was in de geheele manier van doen iets, dat hem
wel wat vreemd voorkwam, en Owen Davies stilzwijgend of nu en dan
bij zichzelven iets mompelende.
In de huiskamer vonden zij Elisabeth.
"Waar is Beatrice?" vroeg haar vader.
"Dat weet ik niet," antwoordde zij, en op dat oogenblik kwam Beatrice,
bleek en bedrukt, de kamer binnen, als een lam, dat ter slachtbank
werd geleid.
"Ha, Beatrice," sprak haar vader, "wij vroegen juist naar u."
Zij zag rond, en bespeurde dadelijk dat een nieuw gevaar haar
bedreigde.
"Zoo?" zeide zij, op een stoel nederzinkende, met een gevoel van
zwakte, uit vrees ontstaan. "Wat is het dan, vader?"
Granger zag naar Owen Davies, en deed een stap naar de deur. Hij
was sterk van meening dat dit tooneel tusschen de betrokken personen
zelven onder vier oogen afgespeeld moest worden.
"Ga niet heen," zeide Owen Davies opgewonden, "gaat geen van beiden
heen. Wat ik te zeggen heb, wil ik liever in uw bijzijn zeggen. Ik
zou het wel ten aanhooren van de heele wereld willen zeggen; ik zou
het wel van de bergtoppen willen uitroepen."
Elisabeth wierp een woedenden blik op hem--eerst op hem, en toen
op de onschuldige Beatrice. Kon het dan zijn dat hij haar een
huwelijksaanzoek ging doen? O, waarom had zij geaarzeld? Waarom had
zij niet vroeger de geheele waarheid gezegd?
Maar Beatrice, die ieder oogenblik verwachtte openlijk beschuldigd
te worden, gevoelde haar hart hoe langer hoe meer bekneld.
Granger ging zitten en drukte zich in de zitting van zijn stoel,
als om daardoor meer vastheid van houding te hebben. Elisabeth drukte
haar tanden op elkaar en leunde met haar elleboog op de tafel, haar
hand zoo houdende dat haar gelaat er door beschaduwd was. Beatrice
zat op haar stoel als een geknakte lelie, of als een gevangene op
de bank der beschuldigden. De anderen zaten tegenover haar, en Owen
Davies stond op, met een van woeste geestdrift stralend gelaat en
sprak hen allen toe als een Procureur Generaal.
"In den herfst van het vorige jaar," begon hij, het woord richtende
tot Granger, die daar zat als een rechter van instructie, "heb ik uw
dochter Beatrice ten huwelijk gevraagd."
Beatrice zuchtte, en raapte haar geestkracht bijeen. De storm was
eindelijk losgebarsten, en zij moest dien het hoofd bieden.
"Ik heb haar ten huwelijk gevraagd, en zij heeft mij gezegd dat ik
een jaar moest wachten. Ik heb zoolang gewacht als ik kon, maar het
heele jaar kon ik niet wachten. Ik heb veel gebeden, en het is mij
gegeven te spreken."
Elisabeth kon een wrevelig gebaar niet bedwingen. Het ontbrak haar
niet aan gezond verstand, en die mengeling van godsdienstigheid en
verliefdheid walgde haar. Zij wist ook dat de storm was losgebarsten
en dat _zij_ die moest trotseeren.
"Dus kom ik u zeggen dat ik uw dochter Beatrice bemin en haar tot mijn
vrouw wil maken. Ik heb nooit iemand anders liefgehad, maar haar heb
ik sinds jaren bemind; en ik vraag uw toestemming."
"Zeer vleiend, zeer vleiend voorzeker, vooral in dezen slechten
tijd," zeide Granger, verontschuldigend, zijn grijze haren over zijn
voorhoofd schuddende en ze toen weer opstrijkende. "Maar ziet ge,
mijnheer Davies, gij wilt niet met _mij_ trouwen," (hier glimlachte
Beatrice even)--"gij wilt met mijn dochter trouwen, dus moest gij
het liever rechtstreeks _haar_ vragen--ten minste, dat zou ik denken."
Elisabeth maakte een beweging alsof zij wilde spreken, maar veranderde
van besluit en luisterde.
"Beatrice," zeide Owen Davies, "gij hoort het. Ik vraag u ten
huwelijk."
Hierop volgde een poos stilte. Beatrice, die er zwijgend bij had
gezeten, verzamelde haar kracht om te spreken. Elisabeth, die haar
van onder haar hand gadesloeg, meende op haar gelaat besluiteloosheid
te lezen, die tot toestemming verzachtte. Wat zij werkelijk zag, was
twijfel hoe zij op de geschiktste en zekerste manier zou weigeren. Als
een bliksemstraal schoot het Elisabeth voor den geest dat zij nu
of nooit haar slag moest slaan. Als Beatrice dat noodlottig "Ja"
eenmaal had uitgesproken, zouden al haar ontdekkingen niet baten. En
Beatrice zou het uitspreken, daar hield zij zich verzekerd van. Het
was een gulden weg om uit haar moeilijkheden te geraken.
"Wacht!" zeide Elisabeth, met een schelle, barsche stem. "Wacht! Ik
moet spreken; dat is mijn plicht als Christin. Ik moet de waarheid
zeggen. Ik kan niet toelaten, dat een braaf man bedrogen wordt."
Allen zaten als verstomd. Beatrice brak het stilzwijgen af. Nu zag
zij de volle waarheid, nu wist zij wat zij te wachten had. Zij legde
de hand op haar hart, om het kloppen tot bedaren te brengen.
"O, Elisabeth," zeide zij, "in den naam onzer overleden moeder"--en
zij hield op.
"Ja," antwoordde haar zuster, "in den naam onzer overleden moeder,
dien gij geschandvlekt hebt, zal ik het doen. Luister, Owen Davies,
en gij vader. Beatrice, die daar zit"--en zij wees met haar magere
hand naar haar--"_Beatrice is een hoereerster!_"
"Ik begrijp u waarlijk niet," zeide Granger, op een doffen toon, naar
adem hijgend van verbazing, terwijl Owen woest rondzag, en Beatrice
haar hoofd op haar borst liet zinken.
"Dan zal ik het u uitleggen," hernam Elisabeth, nog naar haar zuster
wijzende. "Zij is de _minnares_ van Geoffrey Bingham. In den nacht
vóór Pinksteren is zij uit haar bed opgestaan en naar zijn kamer
gegaan. Ik heb het met eigen oogen gezien. Naderhand werd zij in zijn
armen naar haar bed gebracht--dat heb ik ook met eigen oogen gezien,
en ik heb gehoord dat hij haar kuste." (Dit was er door Elisabeth bij
geborduurd). "Hij is haar minnaar, en maanden lang is zij verliefd
op hem geweest. Ik zeg u dit, Owen Davies, hoe zwaar het mij ook
valt schande over onzen naam te brengen en mijn lippen met zulk een
mededeeling te bezoedelen, maar evenmin kan ik dulden dat gij met
een meisje zoudt trouwen, meenende dat zij braaf is, terwijl zij is
wat Beatrice is."
"Dan hadt je ook maar liever je mond moeten houden," zeide Granger
toornig.
"Neen, vader, ik heb een plicht te volbrengen, en dat zal ik doen, het
koste wat het wil, en hoe smartelijk het ook voor mij is. Gij hebt het
gerucht in den nacht vóór Pinkster gehoord, en zijt opgestaan, om te
zien wat het was. Gij hebt de witte gedaante in de gang gezien--dat
was Geoffrey Bingham, met Beatrice in zijn armen. Ja, wel mag zij
het hoofd laten hangen. Laat zij het ontkennen als zij kan. Laat zij
het ontkennen, dat zij tot haar schande verliefd op hem is, en dien
nacht alleen in zijn kamer is geweest."
Nu stond Beatrice op en sprak. Haar oogen glinsterden, en hoewel
doodsbleek, was zij in haar schaamte en wanhoop schooner dan ooit.
"Wat mijn hart gevoelt, gaat mij alleen aan, daar geef ik u geen
antwoord op," zeide zij. "Gij moogt denken wat gij wilt. Voor
't overige is het niet waar. Ik ben niet wat Elisabeth zegt dat ik
ben. Ik ben niet de minnares van Geoffrey Bingham. 't Is waar dat ik
in dien nacht in zijn kamer ben geweest, en 't is ook waar dat hij
mij in zijn armen naar de mijne heeft gedragen. Maar het was in mijn
slaap dat ik er heen ben gegaan, niet uit vrijen wil. Ik ontwaakte
daar, en bezwijmde toen ik ontwaakte, en toen heeft hij mij dadelijk
teruggebracht."
Elisabeth lachte schel en luid--het klonk als een duivelenlach.
"In haar slaap!" zeide zij. "O, zij is daar in haar slaap heen gegaan!"
"Ja, Elisabeth, in mijn slaap. Je gelooft me niet, maar 't is waar. Je
wilt de zuster, die je moest liefhebben, die je door woord noch daad
ooit gekrenkt heeft, aan schande prijs geven. In je lage boosaardigheid
heb je een naamloozen brief aan Lady Honoria Bingham geschreven, om
haar te bewegen den slag toe te brengen, die haar echtgenoot en mij
in 't verderf moest storten, en nu je vreest dat dit niet gelukt is,
kom je te voorschijn, om ons openlijk te beschuldigen. Dat doe je
in den naam van Christelijken plicht; in den naam van Christelijke
liefde geloof je het ergste, en wil je ons schandvlekken. Schaam u,
Elisabeth! Schaam u! en moog je nooit gemeten worden met de maat
waarmee je meet. Wij zijn niet langer zusters. Wat er ook gebeurt,
met u heb ik afgedaan. Ga uws weegs."
Zelfs de hardvochtigheid van Elisabeth's valsch gemoed was niet
bestand tegen die van verontwaardiging flikkerende oogen en de
majesteit van beleedigde onschuld. Zij beet zich op de lippen dat
het bloed er uitsprong, maar zij zeide niets.
Toen wendde Beatrice zich tot haar vader, en sprak op een anderen en
smeekenden toon, terwijl zij haar armen naar hem uitstrekte.
"O, vader," zeide zij, "zeg mij, ten minste, dat _gij_ mij
gelooft. Hoewel ge moogt denken dat ik in mijn liefde overdreven zou
kunnen zijn, kunt gij, die mij zooveel jaren gekend hebt, toch niet
denken dat ik, zelfs om mijn liefde, zou liegen."
De oude man zag verbijsterd om zich heen, en schudde het hoofd.
"In zijn kamer, en in zijn armen!" zeide hij. "Het schijnt dat ik het
gezien heb. Ik heb ook nooit geweten dat je een slaapwandelaarster
waart, en je zegt ook niet dat je hem niet liefhebt--dien schelm. 't
Is slecht van Elisabeth--heel slecht, zoo iets te vertellen; maar nu
het verteld is, hoe kan ik nu zeggen dat ik het niet geloof?"
Daarop liet Beatrice weder het hoofd hangen--haar beker was tot
overloopens vol--en zij wilde heengaan.
"Wacht," zeide Owen Davies, met een heesche stem. "Hoor, wat _ik_
u te zeggen heb."
Zij sloeg de oogen op. "Met u, mijnheer Davies, heb ik niets te maken;
ik ben u geen verantwoording schuldig. Ga uw medeplichtige helpen,"
en zij wees naar Elisabeth, "om dezen laster over de heele wereld
uit te bazuinen."
"Wacht," zeide hij weder. "Ik wil spreken. Ik geloof dat het waar
is. Ik geloof dat gij de minnares van Geoffrey Bingham zijt, vloek over
hem!--maar daar stoor ik mij niet aan. Ik wil toch nog met u trouwen."
Elisabeth snakte naar adem. Moest al haar plannensmeden dan dáárop
uitloopen? Zou de blinde hartstocht van dien dolleman dan toch nog
over al haar ontdekkingen zegevieren, en Beatrice nog zijn rijke en
geëerde vrouw worden, terwijl zij arm bleef en beschaamd werd? O,
dat was afschuwelijk! O, dat had zij nooit kunnen denken!
"Edel, edel!" mompelde Granger; "edel! God zegene u!"
Dus was alles nog te herstellen. Zijn dwalende dochter zou nog een
schitterende partij kunnen doen; hij zou op zijn ouden dag nog vrede
en rijkdom kunnen verwachten.
Maar Beatrice glimlachte flauw.
"Ik dank u," zeide zij, "ik gevoel mij zeer vereerd, maar ik had in
geen geval ooit met u willen trouwen omdat ik niet van u houd. Ge
moet mij al zeer weinig begrijpen, als gij denkt, dat ik er nu eer
toe bereid zou zijn, omdat er zulk een klad op mij geworpen wordt,"
en zij hield op.
"Luister, Beatrice," hernam Owen, en een boosaardige glans straalde
uit zijn gewoonlijk doffe oogen, terwijl Elisabeth als verstomd van
verbazing was en haar ooren nauwelijks kon gelooven. "Ik wil u hebben,
en ik ben vast voornemens met u te trouwen; gij zijt voor mij meer dan
de geheele wereld. Ik kan u alles geven, en gij doet het best toe te
stemmen, dan zult ge van dit alles nooit meer hooren. Maar als ge niet
wilt toestemmen, dan zal ik mij op u wreken--verschrikkelijk wreken--"
Beatrice schudde het hoofd en glimlachte weder, alsof zij te kennen
wilde geven dat hij het ergste maar doen moest.
"En, hoor eens, Beatrice," ging hij voort, in zijn jaloersche wanhoop
bijna welsprekend wordende, "ik heb nog een andere drangreden aan te
voeren. Ik zal mij niet alleen op u wreken; ik zal mij wreken op uw
minnaar--op dien mijnheer Bingham."
Een kreet als van plotselinge pijn ontsnapte Beatrice. Hij had het
middel gevonden om haar te treffen, en met de slimheid van halve
krankzinnigheid, ging hij op dit punt door.
"Ja, wel moogt gij schrikken--dat zal ik. Ik zeg u dat ik niet zal
rusten voordat ik hem in 't verderf heb gestort, en ik ben rijk en
kan het doen. Ik heb er honderd duizend pond voor over. Ik heb niets
anders te vreezen dan een actie wegens laster. O, ik ben niet gek,
al houdt ge mij daar ook voor. Ik kan wel twaalf acties betalen. Er
zijn bladen in Londen, die blijde zullen zijn dat alles publiek te
maken--ja, de geheele geschiedenis--met afbeeldingen er bij. Bedenk,
Beatrice, wat het zijn zal, als voor heel Engeland--ja, voor de geheele
wereld--uw schande openbaar gemaakt wordt, en de bladen er gebruik
van maken voor partij-bedoelingen en juichen over de vernedering
van den man, die u in het ongeluk heeft gebracht en door u in het
ongeluk gestort wordt. Hij heeft een mooie loopbaan; die zal voor goed
bedorven zijn. Bij den Hemel, ik zal hem tot zijn dood toe vervolgen,
tenzij ge mij belooft met mij te trouwen, Beatrice. Doe dat, en geen
woord zal er van gezegd worden. Antwoord mij nu."
Granger zonk in zijn stoel achterover; dit woeste spel van menschelijke
hartstochten ging zijn verstand te boven--het overstelpte hem. Wat
Elisabeth betrof, die beet op haar magere vingers en staarde van den
een naar den ander. "Hij rekent buiten mij," dacht zij. "Hij rekent
buiten mij--toch zal _ik_ met hem trouwen."
Maar Beatrice leunde een oogenblik tegen den wand, en deed haar
oogen dicht, om na te denken. O, zij zag in haar verbeelding
reeds aanplakbiljetten met haar naam en dien van Geoffrey er op, de
schandelijkste afbeeldingen van haar in zijn armen, de kolommen in de
bladen vol ergerlijke bizonderheden, de brieven van verontwaardigde
huismoeders--dit alles zag zij! Zij hoorde reeds de smadelijke
toespelingen in het Lagerhuis--het hoongelach en de bittere aanvallen
van vijanden en mededingers. Dan zou Lady Honoria haar proces beginnen,
en alles zou weer van nieuws af opgerakeld worden, en Geoffrey's
schuld zou op ieders lippen zijn, totdat hij geruïneerd was. Mocht
zij dit iemand op den hals halen, wiens eenige misdaad geweest was
dat hij haar had leeren beminnen? Neen, neen, maar evenmin kon zij
met dien hatelijken man trouwen. Hoe was het echter mogelijk zich er
uit te redden? Zij nam haar toevlucht tot haar vrouwelijk vernuft,
en dat begaf haar niet. Binnen weinige oogenblikken had zij dit alles
overdacht en haar besluit genomen.
"Hoe kan ik u zoo dadelijk antwoorden, mijnheer Davies?" zeide
zij. "Ik moet tijd tot beraad hebben. Het is niet mannelijk mij
met zulk een wraak te dreigen, doch ik weet dat ge mij bemint, en
daarom verontschuldig ik het. Maar ge moet mij tijd laten. Ik ben nu
te ontroerd."
"Wat, nog een jaar? Neen, neen," zeide hij, "ge moet antwoorden."
"Ik vraag geen jaar of geen maand. Ik vraag maar één week. Als ge mij
die niet geeft, dan trotseer ik u, en moet gij maar doen wat gij niet
laten kunt. Ik kan u nu niet antwoorden."
Dat was een stoute zet, maar hij was van uitwerking. Davies aarzelde.
"Sta haar een week toe," zeide haar vader tot hem. "Zij is zichzelve
niet."
"Nu goed, een week dan, maar niet meer," antwoordde hij.
"Ik heb nog een andere voorwaarde te maken," hernam Beatrice. "Gij
moet mij allen zweren, dat geen woord hiervan over uw lippen komt;
dat ik in die week niet gekweld of gedrongen of door iemand uwer over
dit punt aangesproken zal worden. Als ik, na verloop van dien tijd,
nog weiger uw aanzoek aan te nemen, kunt gij het ergste doen wat gij
wilt, maar tot zoolang moet gij u bedwingen."
Owen Davies aarzelde; hij vertrouwde haar niet recht.
"Bedenk," ging Beatrice voort, met verheffing van stem, "dat ik tot
het uiterste gedreven ben. In mijn wanhoop zou ik misschien iets doen,
wat gij niet verwacht, en dat zou niet ten voordeele van een van u
allen zijn. Zweert gij dat?"
"Ja," zeide Owen.
Toen zag Beatrice naar Elisabeth, en Elisabeth zag naar haar. Zij
bespeurde dat de zaak een anderen vorm had aangenomen. Zij zag,
wat haar dwaze jaloerschheid tot dusverre voor haar verborgen had
gehouden--dat Beatrice niet van zins was met Owen Davies te trouwen,
dat zij alleen maar tijd won om een plan, dat zij had, ten uitvoer te
brengen. Wat dat was, daar bekreunde Elisabeth zich weinig om, als
het maar geen kansen, die voor het oogenblik zwak genoeg schenen,
geheel wegnam. Het was niet noodig buiten de grenzen van haar
eigen belangen tegen haar zuster of haar minnaar Geoffrey te werk
te gaan. Beatrice zou haar week uitstel hebben, voor zooverre haar
betrof. Zij besefte nu te laat hoe groot haar dwaling was geweest. O,
had zij maar dadelijk Beatrice's vertrouwen gezocht! Maar het was haar
onmogelijk toegeschenen, dat haar zuster zulk een kans zou vergooien.
"Zeker beloof ik het, Beatrice," zeide zij zachtmoedig. "Ik zweer
het niet, want 'zweert ganschelijk niet' staat geschreven. Ik heb
alleen gedaan wat ik mijn plicht achtte, door mijnheer Davies te
waarschuwen. Als hij de zaak wil doorzetten, gaat het mij niet aan. Ik
heb u of mijnheer Bingham niet willen krenken. Ik heb alleen naar
mijn godsdienstige overtuiging gehandeld."
"O, wees nu maar niet zoo godsdienstig in den mond, wees het liever
in je daden!" zeide haar vader, ditmaal uit zijn zwakke zelfzucht
gewekt. "Wij hebben allen beloofd deze week te zwijgen."
Toen verliet Beatrice de kamer, en na haar Owen Davies, zonder een
woord meer te zeggen.
"Elisabeth," sprak haar vader, "wat je daar gedaan hebt, is
slecht! Waarom deed je het?"
"Wilt ge dat weten, vader?" zeide zij koel; "dan zal ik u zeggen
waarom. Omdat ik voornemens ben zelve met Owen Davies te trouwen. In
deze wereld is ieder zichzelf het naast, dat weet ge wel; dat is
een stelregel, dien gij ook nooit vergeet. Ik ben van plan met hem
te trouwen; en al schijnt mij dat mislukt te zijn, met hem trouwen
zal ik toch! En nu weet gij er alles van; en als gij niet dwaas zijt
laat ge mij maar stil begaan!" En zij ging ook de kamer uit, en liet
hem alleen.
Granger sloeg van verbazing de handen omhoog. Hij was een zelfzuchtig,
en een geldzuchtig man ook; maar hij gevoelde dat hij toch niet
verdiend had zulk een dochter te hebben.
Hoofdstuk XXVI.
Wat Beatrice zwoer.
Beatrice ging naar haar kamer, maar de atmosfeer daar scheen haar
te verstikken. Haar hoofd duizelde, zij moest naar buiten, in de
lucht, ver van haar kwelgeesten. Zij had Geoffrey's brief nog niet
beantwoord, en die moest met deze post nog beantwoord worden, want
Zondags was er geen. Het was half vijf--te vijf uur ging de post:
als zij schrijven wilde, moest zij het dadelijk doen, maar hier kon
zij het niet. Bovendien moest zij tijd tot nadenken hebben. Ha,
zij had er iets op gevonden; zij zou in haar bootje over de baai
naar het stadje Coed roeien en daar haar brief schrijven. De post
ging niet vóór half zes uit Coed. Zij zette haar hoed op, trok haar
jacquet aan, nam een postzegel, een vel papier en een enveloppe mee,
en sloop stil het huis uit naar Eduard's schuitenhuis, waar het bootje
lag. De oude Eduard was daar zelf niet, maar zijn zoon was er, een
knaap van veertien jaar, en met zijn hulp was Beatrice spoedig in
zee gestoken en roeide zuidwaarts om de kust van het eiland, waarop
het kasteel stond, naar de baai.
Onder het roeien klaarde haar geest op, en was zij in staat over
haar toestand na te denken. Die was erg genoeg. Zij zag geen licht,
rondom was het duisternis. Maar zij had, ten minste, een week voor
zich, en wat zou zij intusschen aan Geoffrey schrijven?
Terwijl zij nadacht, bestormde haar een zware verzoeking, en voor
de eerste maal was haar besluit aan 't wankelen gebracht. Waarom
zou zij Geoffrey's aanbod niet aannemen en met hem, meegaan--ver
van al die ellende? Zij zou er gaarne haar leven voor geven om één
jaar aan zijn zijde door te brengen. Zij had het maar te zeggen, en
hij zou haar tot zich nemen, en over een maand zouden zij te zamen
in een vreemd land zijn, en de wereld zou niets meer voor hen zijn,
zooals hij gezegd had. Ongetwijfeld zou Lady Honoria wel echtscheiding
verkrijgen, en dan konden zij trouwen. Er kon zelfs een tijd komen,
dat dit alles een, vergeten nacht van storm en vrees zou schijnen,
wanneer zij, door de kinderen hunner liefde omringd, vreedzaam en
gelukkig in den avond huns levens al meer en meer die grens naderden,
die de helft van haar verschrikking zou verloren hebben, omdat zij
die hand in hand zouden overschrijden.
O, dat zou goed voor haar zijn; maar zou het voor hem ook goed
zijn? Als de eerste maanden van hartstocht voorbij waren, zou hij dan
niet beginnen te denken aan alles wat hij voor de liefde eener vrouw
weggeworpen had? Zou de smaad en schande, die hem tot in de verste
hoeken der aarde volgde, zijn liefde niet doen slijten, totdat hij
eindelijk, zooals Lady Honoria gezegd had, haar leerde vloeken en
haten? En als dat niet zoo was--als hij haar, door alles heen, bleef
liefhebben, wat van hem wel te verwachten was--kon _zij_ het dan zijn,
die zijn loopbaan voor hem bedorven had? O, beter zou het geweest
zijn als zij hem had laten verdrinken, toen in dien stormachtigen
nacht het noodlot hen bij elkander had gebracht.
Neen, neen; eens en voor al, dat zou zij _niet_ doen. Hoe folterend
haar toestand, hoe zwaar haar last ook was, hij zou daar niet onder te
lijden hebben, als het in haar macht was hem daarvoor te vrijwaren. Zij
zou hem niet eens mededeelen wat er gebeurd was--in allen gevalle,
nu niet. Dat zou hem maar bedroeven; hij zou misschien een of anderen
wanhopigen stap doen; dat was bijna zeker. Haar antwoord moest zeer
kort zijn.
Zij was nu dicht bij Coed, en het water was zoo kalm als een
vijver. Zóó kalm was het, dat zij het vel papier en de enveloppe uit
haar zak haalde, die op de bank van het bootje legde, en met potlood
de woorden schreef, die wij reeds gelezen hebben:
"Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen B."
Na dit geschreven te hebben, roeide zij naar de kust. Een visscher,
die daar stond, zag haar bootje, en haalde het op het strand. Zij liet
het aan zijn zorg over, liep het stille stadje in, deed haar briefje
op de post, en kocht wat wol. Dat was een voorwendsel om daar geweest
te zijn, in geval haar iets gevraagd werd. Daarna ging zij naar haar
bootje terug. De visscher stond er bij. Zij bood hem een _sixpence_
voor zijn moeite aan, maar dien wilde hij niet aannemen.