zin, u dezen te schrijven. Ik had er eerst maar liever niet
van willen spreken, omdat ik Miss B. als braaf en onschuldig
heb gekend, en ook om uw slechten echtgenoot, dien wolf in
schaapsvacht, te sparen. Maar als ik aan u denk, Mylady, als
een eerbare, deugdzame vrouw, en aan hetgeen ik gezien heb, en
waar ik nog om moet blozen, weet ik dat het mijn heilige plicht
is uw Ladyschap te schrijven als volgt. Uw Ladyschap moet het
mij niet kwalijk nemen, maar in den nacht van Pinksterzondag
is Miss B. Granger, na middernacht, naar de kamer van uw
slechten echtgenoot gegaan--zooals ik mij schaam gezien te
hebben. Meer dan een uur later kwam zij er weer uit, _in zijn
armen_ gedragen. En als uw Ladyschap mij niet gelooft, laat uw
Ladyschap dan maar aan Miss Elisabeth schrijven, die ook het
ongeluk heeft gehad het te zien, evenals uw getrouwe vriendin
"De Schrijfster."
Te behoorlijker tijd kwam deze allerliefste mededeeling Lady Honoria,
met een Londenschen poststempel, in handen. Zij las en herlas den
brief, en de inhoud was niet moeilijk te begrijpen. Na een nacht
tijd tot bedenking genomen te hebben, volgde zij den raad van "de
schrijfster" en schreef aan Elisabeth, wie zij een afschrift van den
brief toezond, betuigende dat zij er volstrekt geen geloof aan sloeg,
en een antwoord verzoekende, dat dien vuigen laster voor altijd uit
haar gedachten verdreef.
Het antwoord kwam per omgaande. Het was kort, en listig gesteld.
"Waarde Lady Honoria Bingham," luidde het, "gij moet mij vergeven,
als ik weiger de vragen in uw brief te beantwoorden. Gij zult licht
begrijpen dat iemand, die den goeden naam eener zuster wenscht op te
houden, en niet in staat is, wat ieder Christen zal moeten waardeeren,
onwaarheid te spreken, zich in een allermoeielijksten toestand
bevindt--een toestand, waarmede _gij_ zelfs medelijden zult hebben,
hoewel ik dat onder zulke omstandigheden weinig te verwachten heb
van een vrouw, die zich zoo zwaar beleedigd moet achten. Laat mij
er bijvoegen, dat niet anders dan wanneer ik er voor de rechtbank
toe gedwongen word, een woord over mijn lippen zal komen van de
omstandigheden (die, naar ik vertrouw, verkeerd begrepen zijn) vermeld
in den brief, waarvan ge mij ingesloten een afschrift gezonden hebt."
Dienzelfden avond, alsof het noodlot het zoo wilde, hadden Lady Honoria
en haar echtgenoot een twist. Als gewoonlijk, was het over Effie,
want over de meeste andere onderwerpen bewaarden zij een gewapende
neutraliteit. In de bizonderheden van dien twist behoeven wij niet
te treden, maar eindelijk verloor Geoffrey, die in een geprikkelden
gemoedstoestand was, zijn geduld.
"Ge zijt ongeschikt om voor het kind te zorgen," zeide hij. Ge denkt
alleen maar aan uzelve."
Zij zag hem aan, met een nijdige uitdrukking op haar schoon en
koel gelaat.
"Wees voorzichtig wat ge zegt, Geoffrey," voegde zij hem toe. "_Gij_
zijt het, die niet geschikt zijt voor Effie te zorgen. Pas maar op
dat ik haar u niet geheel afneem, zooals ik doen kan, als ik wil."
"Wat bedoelt ge met die bedreiging?" vroeg hij.
"Wilt ge het weten? Welnu, dan zal ik het u zeggen. Ik begrijp genoeg
van de wet, om wel te weten dat een vrouw scheiding van een ontrouwen
echtgenoot kan aanvragen, en, wat meer is, hem zijn kinderen kan
ontnemen."
"Ik vraag u nogmaals wat dat beteekent?" hernam Geoffrey, bleek
van toorn.
"Ik bedoel dit. Dat Welsche meisje is uw minnares. Zij heeft den
nacht vóór Pinksteren in uw kamer doorgebracht, en ge hebt haar in
uw armen er uit gedragen."
"Dat is een leugen!" riep hij uit; "daar is niets van aan. Ik weet
niet wie u zulk een schandelijke leugen verteld heeft, maar wie het
gedaan heeft, zal er voor boeten."
"Niemand zal er voor boeten, Geoffrey, omdat ge het geval niet
durft ophalen--al was het alleen maar om het meisje, zoo niet om
uzelven. Kunt ge ontkennen, dat men haar, in den nacht vóór Pinksteren,
in uw armen uit uw kamer heeft zien dragen? Kunt ge ontkennen dat ge
verliefd op haar zijt?"
"En gesteld dat ik verliefd op haar was, zou dat te verwonderen
zijn, bij zoo'n behandeling als ik van u ondervind, en sinds jaren
ondervonden heb?" zeide hij woedend. "Het is de grootste laster,
te zeggen dat zij mijn minnares is."
"Ge hebt mij nog niet op mijn vraag geantwoord," hernam Lady Honoria,
met een zegevierenden glimlach. "Hebt ge in het holle van den nacht dat
meisje in uw armen uw kamer uitgedragen?" Het beteekende, natuurlijk,
niets. Wie zou die allerliefste, verstandige schoolmatres een klad
durven opwerpen? Ik ben niet jaloersch, Geoffrey--"
"Zooals het tusschen ons staat, zou ik dat ook niet denken."
"Ik ben niet jaloersch, herhaal ik, maar versta mij wel, dat ik
niet wil hebben dat het langer zoo voortgaat, in _uw_ belang en
het mijne. Wat moet ge dwaas zijn! Weet ge dan niet, dat een man,
die in aanzien gestegen is, zooals gij, honderd vijanden heeft,
die bereid zijn om als een troep wolven op hem aan te vallen en hem
te verscheuren? Zelfs wie voor u kruipen en u in uw gezicht vleien,
haten u in het geheim, omdat gij het verder hebt gebracht dan zij. Weet
ge ook niet, dat er hier in Londen bladen zijn, die honderden ponden
zouden geven voor de kans om zoo'n schandaal als dit publiek te maken,
inzonderheid omdat het zulk een machtigen politieken tegenstander
betreft? Laat het maar eens uitkomen dat dit onbeteekenende meisje
uw minnares is--"
"Honoria, ik zeg u dat er niets van aan is. 't Is waar dat ik haar
in een bezwijming mijn kamer heb uitgedragen, maar zij was daar in
haar slaap gekomen."
Lady Honoria lachte. "Waarlijk, Geoffrey, ik verbaas mij er over, dat
ge het de moeite waard acht mij zoo'n onzin te vertellen. Bewaar dat
voor het Hof van Echtscheiding, als wij daar komen, en zie wat een jury
er van zegt. Hoor eens, wees verstandig. Ik ben geen zedenpreekster,
en ik zal ook niet de rol van een beleedigde vrouw spelen, tenzij ge
er mij toe noodzaakt. Ik ben niet voornemens verder notitie te nemen
van dit interessant historietje te uwen nadeele. Maar wacht u, als
ge er mee voortgaat! Ik wil niet voor gek gehouden worden. Als ge u
wilt ruïneeren, moet ge het maar alleen doen. Ik waarschuw u ronduit,
dat bij het minste teeken, dat ik er van bespeur, ik van mijn recht
gebruik zal maken om u een proces van echtscheiding aan te doen. Ik
weet, natuurlijk, wel, dat als het tot een scheiding kwam, ge blij
zoudt zijn dat ge mij kwijt waart, om uw lieve Beatrice in mijn plaats
welkom te heeten. Maar twee dingen moet ge bedenken: ten eerste,
dat ge niet met haar zoudt kunnen trouwen, als ge zoo mal waart dat
te willen doen, omdat ik alleen maar scheiding tusschen tafel en bed
zou aanvragen, en dus zoudt ge nog niet van mij af zijn. Ten tweede,
als ik heenga, neem ik Effie mee, want de wet geeft mij het recht haar
op te eischen; en dat, mijn waarde Geoffrey, maakt dat ik het hecht in
handen heb, want ik geloof niet dat ge van Effie zoudt willen afzien,
zelfs niet om die juffrouw Beatrice. En nu laat ik het aan u zelven
over hoe ge er over denkt."
En met een hoofdknik stevende zij zegevierend de kamer uit. Zij
had werkelijk "het hecht in handen," bedacht Geoffrey. Als zij
hem werkelijk eens een proces tot echtscheiding aandeed? Zij
moest het voorgevallene vernomen hebben, hoe wist zij er anders
van? Klaarblijkelijk was iemand van het geheele tooneel getuige
geweest, waarschijnlijk Elisabeth of de dienstmaagd, en had die het aan
Honoria, en mogelijk aan anderen, verraden. Dit denkbeeld beangstte
hem. Hij was een man van de wereld en een praktisch rechtsgeleerde,
en hij wist, dat hoewel zij onschuldig waren, er weinigen zouden
gevonden worden, die het geloofden. Het kon niets anders dan een
verschrikkelijk en ergerlijk schandaal geven, en Beatrice zou haar
goeden naam verliezen. Hij plaatste zich op het standpunt van den
advocaat voor de eischeres, en stelde zich voor hoe hij in zijn
aanspraak tot de jury zulk een verdediging zou havenen dat er niets
van overbleef. Zoo iets onwaarschijnlijks!
Ongetwijfeld zou Honoria van haar standpunt ook verstandig handelen. Al
de sympathie van het publiek zou zij op haar hand hebben. Hij wist dat
men het er algemeen voor hield, dat hij veel van het aanzien, waartoe
hij was geraakt, aan zijn schoone vrouw van voorname geboorte had te
danken. Nu zou men zeggen dat hij haar als een ladder had gebruikt,
en haar verstiet nu hij haar niet meer noodig had. Tegen dit alles
gevoelde hij zich echter bestand; de aanvallen van de pers en het
hoongelach van zijn politieke en persoonlijke vijanden zou hij zelfs
kunnen verdragen, maar Effie missen, dat kon hij niet. En als zulk
een actie tegen hem werd ingesteld, was het bijna zeker dat hij van
haar zou moeten afzien, want als hij de verliezende partij was, zou
het toezicht over het kind aan de beleedigde vrouw worden toegekend.
Ook moest Beatrice in aanmerking genomen worden. Dezelfde booze
tong, die Honoria van het voorgevallene onderricht had, zou het
waarschijnlijk ook wel aan anderen ontdekken, en hoe de afloop ook voor
hem was, op haar zou de beleedigde moraliteit zich zeker wreken. Een
smet zou op Beatrice's goeden naam kleven, haar betrekking zou zij
verliezen, en het leven zou haar tot een last gemaakt worden. Ja,
Honoria was aan het beste eind; zij had ware woorden en woorden van
beteekenis gesproken.
Wat te doen? Was er geen uitweg? Dien geheelen nacht, terwijl Geoffrey
in het Lagerhuis zat, met de armen over elkaar geslagen, en schijnbaar
aandachtig luisterende naar de lange redevoeringen der Oppositie,
bleef die vraag hem bij. Hij beredeneerde den toestand nu van de eene,
dan van de andere zijde, totdat hij eindelijk tot een besluit kwam. Of
hij moest wachten totdat alles uitlekte, Beatrice aan smaad en schande
prijs geven, en al zijn pogingen tot bevrediging van Honoria, en in 't
algemeen tot zelfbehoud aanwenden, òf hij moest de koe bij de horens
pakken, zijn schitterende loopbaan in zijn vaderland vaarwel zeggen,
en zijn toevlucht in een ander land zoeken, bij voorbeeld, Amerika,
en Beatrice en Effie medenemen. Als het kind eenmaal buiten het
rechtsgebied was, kon, natuurlijk, geen Gerechtshof haar hem ontrukken.
Van die twee wegen, helde Geoffrey sterk tot den laatsten over.
De betrekkingen tusschen hem en Honoria waren reeds sedert jaren zóó
gespannen geweest, zóó geheel verschillend van wat zij tusschen man
en vrouw hadden moeten zijn, dat het laakbare van zulk een stap er
in zijn oogen veel door verloor. Ook zou hij weinig wroeging gevoeld
hebben het kind van haar moeder weg te nemen, want de liefde tusschen
die twee had niet over, en terecht vermoedde hij dat het mettertijd
al minder en minder zou worden. Voor 't overige, had hij zeventien
duizend pond in handen; daar zou hij de helft van nemen en de andere
helft aan Honoria laten. Hij wist dat hij overal, waarheen hij ging,
den kost kon verdienen, en waarschijnlijk veel meer dan den kost,
en van alles wat hij verdiende zou hij strikt de helft aan Honoria
overmaken. Maar in de eerste plaats, en bovenal, moest hij aan
Beatrice denken. Zij moest gered worden, al zou hij zichzelven ook in
't ongeluk storten, om haar te redden.
Het zal nauwelijks gezegd behoeven te worden, dat Lady Honoria weinig
vermoedde tot welke gevaarlijke en vaste plannen zij haar echtgenoot
dreef. Zij wilde Geoffrey bevreesd maken, maar zij wilde hem, en
alles wat hij voor haar beteekende, niet verliezen; dat was wel het
allerminst haar bedoeling. Zij gaf eigenlijk niet veel om het geheele
voorval, maar haar slimheid zeide haar, dat het haar een overwicht gaf,
waarvan zij gebruik moest maken. Daarom had zij zoo gesproken, hoewel
het al erg had moeten loopen eer zij haar toevlucht tot de rechtbank
zou nemen, waar misschien het een en ander, dat haarzelve betrof, aan
het daglicht zou komen, wat zij maar liever in 't duister wilde laten.
Maar daarom liet zij het er niet bij; zij besloot ook nog van een
andere zijde een aanval op Geoffrey te doen, namelijk, door Beatrice
zelve. Lang aarzelde Honoria hoe zij dien aanval zou aanleggen. Zij
had eenige wereld- en menschenkennis, en naar hetgeen zij van Beatrice
wist, kwam zij tot het juist besluit, dat zij geen meisje was om te
bedreigen, maar veeleer om een beroep op haar gevoel te doen. Dus
schreef zij haar, na rijp beraad, aldus:
"Een geschiedenis, die ik aarzel te gelooven, is mij, door
middel van naamlooze brieven ter ooren gekomen, betreffende
uw gedrag met mijn echtgenoot. Ik wil daar niet verder op
terugkomen, dan alleen om te zeggen dat, als die geschiedenis
waar is, de omstandigheden geen twijfel overlaten omtrent
het bestaan van betrekkingen tusschen u beiden, zóó intiem,
dat het bij schuldig af is. Het moge niet waar zijn of wel, in
welk laatste geval ik dit wensch te zeggen: Met uw moraliteit
heb ik niets te maken; dat is uw zaak. Ik wil mij ook niet
de beleedigde vrouw toonen, of u verwijtingen doen, want er
zijn gedragingen, die te erg zijn voor louter verwijtingen. Ik
wil alleen maar zeggen: als de geschiedenis waar is, moet ik
vooronderstellen dat gij voor den deelgenoot uwer schande
eenige liefde gevoelt. Ik stel mijzelve buiten kwestie, en
in den naam van die liefde verzoek ik u de zaak niet verder
te drijven. Dat zou het ongeluk van het voorwerp uwer liefde
zijn. _Als gij veel van hem houdt, breek dan alle betrekkingen
met hem voor altijd af._ Anders zal hij u eenmaal vloeken
en haten. Als gij dezen raad in den wind slaat, en wat ik
vernomen heb ruchtbaar wordt, waarschuw ik u, zooals ik hem
ook gewaarschuwd heb, dat ik mij uit eergevoel genoodzaakt
zal zien den weg van rechten in te slaan. Bedenk dat zijn
loopbaan op het spel staat, en dat hij, als hij mij verliest,
zijn kind ook zal verliezen. Bedenk dat het door u is, als
het daartoe komt. Antwoord niet op mijn schrijven, het zou
niet baten, want ik zou, natuurlijk, aan uw betuigingen geen
geloof slaan, maar als gij op eenigerlei wijze of eenigermate
aan dien misstap schuldig zijt, zeg ik, mij op u beroepende
als de eene vrouw op de andere en om den wille van den man,
die ons beiden dierbaar is, tracht het kwaad te herstellen
_door alle verdere gemeenschap tusschen u en hem onmogelijk
te maken_.
"H. B."
Het was een slim gestelde brief: Lady Honoria had niet krachtiger op
het gevoel van zulk een meisje als Beatrice kunnen werken. Met dezelfde
post, die haar dezen brief bracht, kwam er ook een van Geoffrey
zelven. Die was lang, en behoeft niet in zijn geheel medegedeeld te
worden, maar hoewel eenigszins omsluierd, werd daarin de geheele
toestand opengelegd, en het slot was: "Een huwelijk kan ik u niet
aanbieden, slechts levenslange liefde. In andere omstandigheden zou
zulk een aanbod beleedigend zijn, maar als het zoo gaat als ik vrees,
is het wel waard in bedenking genomen te worden. Ik zeg niet tot u,
_kom_! ik zeg, _kom, als gij het wenscht_. Neen, Beatrice, ik wil u
dien zwaren last van te beslissen niet opleggen. Ik zeg _kom_! Ik
vorder niet dat gij komt, omdat ik beloofd heb geen invloed op u
uit te oefenen. Maar ik smeek u te komen. Laten wij een einde maken
aan dezen rampzaligen toestand, en de wereld verloren achten als de
prijs onzer liefde. Kom, dierbare Beatrice--om mij niet te verlaten,
totdat de dood ons scheidt. Ik stel mijn leven in uw handen; als gij
het aanneemt, welk leed gij ook te trotseeren moogt hebben, mijn
liefde, mijn achting, zult gij nooit verliezen. Denk niet om mij,
denk om uzelve. Gij hebt mij uw liefde geschonken, evenals ik aan u
de redding van mijn leven te danken heb. Ik ben u wederkeerig iets
verschuldigd; ik kan niet zien dat er schande op u kleeft, zonder u
vergoeding aan te bieden. Ja, voor zooverre mij betreft, zal ik alles
wat ik verlies als niets beschouwen, vergeleken bij wat ik win door uw
bezit. Wilt gij komen? Zoo ja, dan zullen wij dit land verlaten en in
een andere wereldstreek een nieuw leven beginnen. Mijn tegenwoordig
leven is toch eigenlijk niets anders geweest dan een onrustige
droom. Het eenige ware, het eenige geluk, dat ik er in heb gevonden,
is uw liefde geweest. Werpen wij dat geluk niet weg, Beatrice."
Per omgaande ontving hij dit antwoord, met potlood geschreven:
"Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen.--B."
Dat was het eenige.
Hoofdstuk XXV.
Elisabeth laat haar tanden zien.
Smartelijke uren had Beatrice doorgebracht sedert dien ochtend
der scheiding. Zij moest al de innerlijke bitterheid van haar
lot verdragen; zij moest al de stekelige gezegden van Elisabeth's
scherpe tong verduren, en Owen Davies op een afstand trachten te
houden. Die laatste taak werd hoe langer hoe zwaarder. De man was
totaal onhandelbaar; zijn hartstocht, die in de oogen van Beatrice
vernederend en hatelijk was, werd het praatje van het dorp. Iedereen
wist er van, behalve haar vader, en zelfs hij begon er iets van
te bemerken.
Op zekeren avond--het was dezelfde, waarop Geoffrey en Honoria hun
brieven aan Beatrice op de post hadden gedaan--zou ieder, die een
blik had kunnen slaan in de kleine kamer op Bryngelly Castle, die den
eigenaar tot alles, behalve tot slapen, diende, getuige geweest zijn
van een zonderling schouwspel. Owen Davies liep heen en weer--met
snelle schreden, wilde oogen en verwarde haren. Aan elk einde van de
lengte der kamer, hield hij telkens halt, sloeg zijn armen omhoog,
en riep uit:
"O, God, verhoor mij, en geef mij mijn wensch! O, God, antwoord mij!"
Twee uren lang had hij zoo geloopen en geroepen, totdat hij eindelijk
hijgend en uitgeput op een stoel nederzonk. Eensklaps hief hij het
hoofd op, en scheen aandachtig te luisteren.
"De Stem," zeide hij overluid; "daar is de Stem weder. Wat zegt
zij? Morgen, morgen moet ik spreken; en zij zal de mijne worden."
Met een kreet sprong hij overeind, en weer begon hij woest heen
en weer te stappen. "O, Beatrice!" zeide hij, "morgen zult ge mij
beloven met mij te trouwen; de Stem heeft het mij gezegd, en weldra,
weldra, misschien binnen een maand, zult gij de mijne zijn--de mijne
alleen! Geoffrey Bingham zal dan niet tusschen ons beiden staan,
want ik zal dag en nacht over u waken. Gij zult mijn eigen--mijn
eigen schoone Beatrice zijn," en hij strekte de armen uit, en maakte
het gebaar van een omhelzing in de ijle lucht--een akelig gezicht.
En zoo liep en sprak hij, totdat het grauwe licht van den dageraad zich
in het oosten vertoonde. Het was Vrijdagnacht toen dit beschreven
tooneel plaats had. Den volgenden ochtend ontving Beatrice, het
ongelukkig en onschuldig voorwerp van die verliefde ontboezemingen,
de twee brieven. Zij was, op haar weg naar de school, even aan het
postkantoor gaan hooren of er ook brieven voor haar waren, in de
hoop dat er een van Geoffrey zou zijn. Arm meisje! zijn brieven waren
haar eenige troost. Uit voorzichtigheid waren zij in den gewonen half
officieelen stijl geschreven, maar zij kon tusschen de regels lezen,
en bovendien, zij waren van zijn geliefde hand.
Ja, er was een brief, en nog een van een vrouwenhand. Zij herkende de
hand van Lady Honoria, die zij dikwijls op enveloppen, aan Geoffrey
geadresseerd, had gezien, en een angstig gevoel beknelde haar hart. Zij
nam de brieven, liep er zoo snel als zij kon mede naar de school,
sloot zich in haar kamertje op, want het was nog geen negen uur, en
beschouwde ze met toenemende beangstheid. Wat zou er in staan? Wat
kon Lady Honoria haar te schrijven hebben? Welken brief zou zij het
eerst lezen? In een oogenblik had Beatrice haar besluit genomen. Het
ergste wilde zij maar het eerst doorstaan. Met een strak gelaat opende
zij Honoria's brief en las. Wij weten den inhoud reeds. Onder het
lezen werden haar lippen aschkleurig, en toen zij de foltering had
doorgestaan, was zij een bezwijming nabij.
Naamlooze brieven! O, wie kon zoo iets wreeds gedaan hebben? Elisabeth,
het moest Elisabeth zijn, die alles gezien had, en haar aldus een
dolksteek in den rug toebracht. Was het mogelijk, dat haar eigen
zuster haar zoo kon behandelen? Zij wist wel dat Elisabeth niet
van haar hield; zij had er nooit de reden van kunnen begrijpen,
maar toch wist zij dat het zoo was. Maar als zij _dit_ gedaan had,
dan moest zij haar haten, haar bitter haten: en wat had zij gedaan
om zulk een haat te verdienen? En nu liep Geoffrey gevaar dat zijn
geheele loopbaan bedorven zou worden, en dat kwam door _haar_--hoe
kon zij dat voorkomen? Dat was haar eerste denkbeeld. De meeste
andere meisjes in haar geval zouden aan zichzelven gedacht hebben,
en het aan haar minnaar hebben overgelaten maar te zien hoe hij zich
er uitredde. Doch Beatrice dacht weinig aan zichzelve. Hij was in
gevaar, en hoe kon zij hem beschermen? Wel, daar in dien brief was
het antwoord! "Als ge veel van hem houdt, breek dan alle betrekking
met hem voor altijd af. Anders zal hij u vloeken en u haten." Neen,
neen! dat zou Geoffrey nooit doen. Maar Lady Honoria had gelijk;
in zijn belang, om zijnentwil, moest zij alle betrekking met hem
afbreken--voor altijd. Maar hoe--hoe?
Zij stak den brief in de borst van haar kleed--een adder had geen
onwelkomer gast kunnen zijn--en opende dien van Geoffrey.
Daar stond hetzelfde in, maar er werd een andere oplossing in
voorgeslagen. De tranen sprongen haar in de oogen, toen zij zijn aanbod
las om haar voor goed en voor altijd tot zich te nemen en een nieuw
leven met haar te beginnen. Het kwam Beatrice verwonderlijk voor,
dat hij bereid was zooveel aan haar op te offeren--even verwonderlijk
als edelmoedig. Maar geen oogenblik dacht zij er aan voor deze zware
verzoeking te bezwijken. Hij smeekte haar te komen, maar dat zou zij
niet doen zoolang haar wil haar nog overbleef. Hoe, _zij_ zou Geoffrey
in het ongeluk storten? Neen, liever zou zij van gebrek omkomen of
door langzame martelingen sterven. Hoe kon hij denken dat zij in zulk
een plan zou toestemmen? Neen, dat nooit; zij had hem reeds genoeg
verdriet berokkend. Maar, o, zij zegende hem voor dien brief. Hoe innig
moest hij haar liefhebben, dat hij aanbood dit om harentwil te doen!
Luister! De kinderen wachtten; zij moest onderwijs geven. De brief,
Geoffrey's dierbare brief kon na afloop van de school beantwoord
worden. Zij stak dien dus in de borst van haar kleed, bij haar hart,
en ging naar het schoolvertrek.
Dien namiddag, toen Granger in een opgeruimde gemoedsstemming--want
zijn schulden waren betaald en geldverlegenheid had hij vooreerst niet
te vreezen--over het hek van zijn kleine boerderij met welgevallen
naar zijn varkens stond te kijken, was hij verbaasd eensklaps Owen
Davies naast zich te zien.
"Hoe gaat het u, mijnheer Davies?" zeide hij. "Wat moet gij stil
gekomen zijn!"
"Ja," antwoordde Owen afgetrokken. "Ik ben u eigenlijk nageloopen,
omdat ik u wilde spreken--geheel alleen."
"Zoo, mijnheer Davies--welnu, ik ben tot uw dienst. Scheelt er wat
aan? Gij ziet er niet goed uit."
"O, ik ben heel wel, dank u. Nooit ben ik beter geweest; en er
scheelt me ook niets, hoegenaamd niets. Alles komt nu in orde, dat
weet ik zeker."
"Ei," zeide Granger, hem weder met een verlegen gezicht aanziende,
"en wat is er dan, waarover ge mij zoo volstrekt moet spreken? Niet
dat ik niet altijd tot uw dienst ben, dat weet gij wel," liet hij er
verontschuldigend op volgen.
"Dit," antwoordde Davies, den predikant bij zijn jas grijpende,
op een manier, die hem deed schrikken.
"Wat--bedoelt gij mijn jas?"
"Wees zoo dwaas niet, mijnheer Granger. Neen, over Beatrice."
"Zoo waarlijk, mijnheer Davies? Er is toch, hoop ik, op school
niets onaangenaams gebeurd? Ik geloof dat zij haar taak vervult
tot tevredenheid van de commissie, hoewel ik beken dat zij in het
rekenen--"
"Neen, neen, neen! 't Is niet over de school. Ik wil juist dat zij
niet meer naar de school zal behoeven te gaan. Ik heb haar lief,
mijnheer Granger, innig lief, en ik wil met haar trouwen."
De oude man kreeg een kleur van genoegen. Was 't mogelijk? Hoorde
hij wel goed? Owen Davies, de rijkste man in dit gedeelte van Wales,
wilde met zijn dochter trouwen, die niets anders bezat dan haar
schoonheid! Dat was haast te mooi om waar te wezen!
"Ik gevoel me er zeer vereerd door," zeide hij. "'t Is meer dan zij
kon verwachten--niet dat Beatrice er niet goed uitziet en heel knap
is," liet hij er snel op volgen, vreezende dat hij op de marktwaarde
van zijn dochter afdong.
"Zij ziet er niet alleen goed uit--zij is niet alleen knap--zij is
een engel," mompelde Owen.
"O, ja, zeker, zeker, dat is zij," hernam haar vader, "dat wil zeggen,
als ooit een vrouw--ja, natuurlijk--en wat meer is, ik geloof dat zij
heel veel van u houdt. Ik geloof dat zij van liefde voor u kwijnt. Dat
heb ik al lang gedacht."