man zou binnenkomen. Wat kon hij zeggen? De waarheid, dat was het
eenige; maar wie zou zulk een verhaal gelooven? Kon hij verwachten,
dat het geloof zou vinden bij een vader, die een man in het holle van
den nacht als een dief achter een deur zag staan, met zijn dochter
bewusteloos in zijn armen? Hij had er reeds aan gedacht regelrecht
naar Granger toe te gaan, maar dat denkbeeld had hij als hopeloos
opgegeven. Hoe zou hij gelooven, dat zijn dochter zoo opeens een
slaapwandelaarster was geworden? Voor de eerste maal in zijn leven,
was Geoffrey doodelijk bevreesd; zijn haar rees te berge, zijn hart
kromp ineen, en het klamme zweet brak hem uit.
"'t Is raar," hoorde hij den ouden man bij zichzelven mompelen,
"ik had er bijna op kunnen zweren dat ik iets wits die kamer zag
binnengaan. Waar is de kruk? Als ik aan spoken geloofde--hei, daar
waait mijn kaars uit! Ik zal een lucifer gaan halen. Zonder licht ga
ik daar niet binnen."
Voor 't oogenblik waren zij gered. De tocht, die door het slecht
sluitende venster kwam, had het licht uitgeblazen.
Na een oogenblik gewacht te hebben, om Granger tijd te laten naar
zijn kamer te gaan, kwam Geoffrey veilig de kamer uit. Gelukkig gaf
Beatrice nog geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Nog eenige snelle
schreden, en hij was aan de deur van haar eigen kamer. Maar nu beving
hem een nieuwe vrees. Als Elisabeth ook eens door het huis liep,
of alleen maar wakker was? Hij dacht er over, Beatrice aan de deur
neder te leggen en haar daar te verlaten, maar dit denkbeeld liet
hij varen. Ten eerste, zou haar vader haar kunnen zien, en hoe zou
zij dan kunnen verklaren dat zij daar lag? En al vond haar vader haar
niet, dan zou de koude zeker kwade gevolgen voor haar hebben. Neen,
hij moest het wagen, en dat wel zonder aarzelen, hoewel hij liever
tegenover een geschutvuur gestaan zou hebben. De deur stond gelukkig
op een kier. Geoffrey stiet ze met zijn voet open, trad binnen, en
stiet ze met zijn voet weer dicht. Plotseling bedacht hij, dat hij
nooit in die kamer was geweest en niet wist wat het bed van Beatrice
was. Hij liep naar het eerste het beste; een zware ademhaling zeide
hem dat dit het verkeerde was. In zooverre, ten minste, gerustgesteld
dat Elisabeth sliep, liep hij door de donkere kamer naar het tweede
bed. Hij legde Beatrice er op, en trok de dekens, die opengeslagen
waren, over haar heen. Toen nam hij de vlucht.
Aan de deur zag hij Granger met zijn licht verdwijnen en hoorde hem de
deur van zijn kamer dichtdoen. Daarna was hij, naar 't hem toescheen,
met twee stappen in de zijne.
Hij barstte in een akelig gelach uit; zijn zenuwen waren hevig
geschokt. Het geheele tooneel had iets tragisch-komisch. Als
zijn politieke tegenstanders, die hem reeds zulk een bitteren haat
toedroegen, hem eens zoo van de eene deur naar de andere hadden zien
sluipen, met een bewustelooze vrouw in zijn armen--wat zouden zij
wel gezegd hebben?
Hij hield met lachen op; de vlaag was voorbij--het was niet om te
lachen. Toen dacht hij aan dien anderen nacht, voordat hij naar
Londen terug was gegaan. Het zaad, in dat zonderling uur gestrooid,
had gebloeid en vruchten voortgebracht. Wie zou het mogelijk geacht
hebben, dat hij Beatrice zoo tot zich had kunnen trekken? Hij had het
moeten weten. Als het mogelijk was dat dezelfde woorden, waarin zij
haar gevoel uiting had gegeven, juist op hetzelfde oogenblik hem ook
in de gedachten waren gekomen, zooals in dien nacht, wat was dan niet
mogelijk? Ja, hij had het moeten weten! Het eenige, wat hij in zijn
voordeel kon aanvoeren, was dat zijn zelfbedwang hem niet begeven had.
Maar hoe zou het met Beatrice gaan? Zou zij weer tot haar bewustzijn
komen? Hij dacht het wel, het was maar een bezwijming. Doch als zij uit
haar bezwijming ontwaakte, wat zou zij dan doen? Niets onbezonnens,
hoopte hij. En wat zou van dat alles het einde zijn? Wie kon dat
zeggen? Hoe gelukkig dat haar zuster zoo gerust sliep. Want hij had
het niet op Elisabeth begrepen--hij wantrouwde haar.
Wel mocht hij haar wantrouwen! Elisabeth's slaap was als die van
een wezel. Zij lachte op dit oogenblik ook, niet luid, maar lang;
het was de lach van iemand, die aan de winnende hand is.
Zij had hem zien binnenkomen met zijn vracht in zijn armen; zij
had hem naar haar bed zien komen en zwaar ademgehaald, om hem te
waarschuwen, dat hij zich vergist had. Zij had hem Beatrice op
het bed zien leggen; zij had hem hooren zuchten en zien heengaan;
niets was haar opmerkzaamheid ontsnapt. Zoodra hij zich uit de kamer
verwijderd had, was zij opgestaan en naar Beatrice's bed geslopen,
en bespeurende dat zij in een bezwijming lag, had zij haar maar
stil laten liggen, wetende dat er geen gevaar bij was. Elisabeth
was volstrekt niet zenuwachtig. Toen had zij geluisterd, totdat
eindelijk een diepe zucht aanduidde dat haar zuster weder uit haar
bewusteloosheid bijkwam. Kort daarna bleek haar uit Beatrice's lange
en zachte ademhaling, dat haar bezwijming in slaap was overgegaan.
De nacht ging voorbij, en eindelijk scheen het daglicht door het
venster. Elisabeth, nog altijd op de loer--want zij wilde geen enkel
tooneel van een drama, zoo boeiend op zichzelf en zoo gewichtig voor
haar belangen, missen, zag haar zuster eensklaps overeind in haar
bed zitten en de handen tegen het voorhoofd drukken, alsof zij zich
een droom zocht te binnen te roepen. Toen hield Beatrice de handen
voor de oogen, en zuchtte diep. Nu zag zij op haar horloge, stond op,
dronk een glas water, en kleedde zich.
"Zij gaat uit, om haar minnaar te ontmoeten," dacht Elisabeth,
toen zij haar een ouden grijzen regenmantel met kap zag omslaan,
want buiten was het nat. "Ik zou er wel bij willen zijn, om dat ook
te zien, maar ik heb al genoeg gezien."
Zij geeuwde, en deed alsof zij wakker werd. "Ga je in dien stortregen
uit, Beatrice?" vroeg zij, met geveinsde verbazing.
"Ja, ik heb slecht geslapen en moet wat frissche lucht scheppen,"
antwoordde Beatrice, onthutsende en kleurende. "Dat komt zeker van
den storm."
"Heeft het zoo gestormd?" zeide Elisabeth, weder geeuwende. "Daar heb
ik niets van gehoord--maar terwijl men slaapt, gebeuren er zooveel
dingen, waarvan men op het oogenblik niets weet," voegde zij er
slaperig bij, als iemand, die zoo maar losweg iets zegt. "Zorg dat je
tijdig genoeg terug bent om van mijnheer Bingham afscheid te nemen;
hij vertrekt met den eersten trein, zooals je weet--maar misschien
ontmoet je hem wel op je wandeling," en den schijn aannemende alsof
zij nu eerst recht wakker werd, richtte zij zich in haar bed overeind,
en vestigde een doorborenden blik op haar zuster.
Beatrice gaf geen antwoord; die blik joeg haar schrik aan. O, wat
was er gebeurd? Of was alles een droom? Had zij gedroomd dat zij met
Geoffrey van aangezicht tot aangezicht in zijn kamer had gestaan,
voordat een diepe duisternis haar had overvallen? Of was het een
ontzettende waarheid?--en als het een waarheid was, hoe kwam zij dan
weer hier? Zij ging naar de provisiekast, nam een stuk brood en at
het, want zij had nog een gevoel van flauwheid. Toen gevoelde zij
zich beter en ging uit, den kant van het strand op.
Het was een gure ochtend. De storm was bedaard; het woei nu nog slechts
bij vlagen, met zware regenbuien. De zee was grauw en onstuimig;
de branding sloeg met donderend geraas op het strand, en kolommen
schuim stoven over de gezonken rotsen. De geheele aarde scheen een
woestenij, en het middelpunt van al haar leed was in het gebroken
hart van dit meisje.
Geoffrey was ook op. Hoe hij het overige van dien nacht had
doorgebracht, behoeven wij niet te vragen--alles behalve aangenaam,
daar kunnen wij zeker van zijn. Hij hoorde Beatrice de voordeur achter
zich dichtdoen, en volgde haar in den regen.
Omstreeks een halve mijl ver, vond hij haar op het strand, naar de zee
ziende, terwijl een groote zeemeeuw om haar hoofd vloog. Zij wisselden
geen woord van begroeting; zij gaven elkaar slechts de hand en zagen
elkaar in de oogen.
"Kom onder de beschutting van die rots," zeide hij, en dat deed
zij. Zij stond daar met gebogen hoofd, en haar gelaat door de kap
verborgen.
"Zeg mij wat er gebeurd is," sprak zij, "Ik heb iets gedroomd, iets
ergers dan wat er nog gebeurd is--zeg mij wat het is. Spaar mij niet."
En Geoffrey vertelde haar alles.
Toen hij gedaan had, sprak zij weder.
"Waarbij moet ik zweren," zeide zij, "dat ik niet ben wat ge van
mij denken moet? Geoffrey, ik zweer bij mijn liefde voor u, dat ik
onschuldig ben. Dat ik--o, schande!--van nacht in uw kamer ben gekomen,
was buiten mijn wil, buiten mijn weten. Ik ging slapen, ik was afgemat,
en verder weet ik niets meer dan dat ik een vreeselijk geweld hoorde
en u in een hel licht voor mij zag, waarna alles duisternis was."
"O, Beatrice, wees niet bedroefd," antwoordde hij. "Ik zag dat ge
sliept. Het gebeurde is iets verschrikkelijks, maar ik geloof niet
dat iemand ons gezien heeft."
"Dat weet ik niet," hernam zij. "Elisabeth zag mij van ochtend zoo
zonderling aan, en zij ziet alles. Geoffrey, voor mijzelve bekommer
ik er mij er niet om. Maar waar ik mij wel om bekommer, is wat _gij_
van mij denken moet? Gij moet gelooven--o! ik kan het niet zeggen. En
toch ben ik onschuldig. Nooit, nooit heb ik er aan gedacht. Bij u te
komen--zoo--o, 't is schaamteloos!"
"Beatrice, spreek zoo niet. Ik zeg u immers, dat ik het
weet. Luister--ik heb u aangetrokken. Ik had niet bedoeld dat gij
komen zoudt. Ik dacht niet dat gij zoudt komen, maar 't is _mijn_
schuld. Luister naar mij, lieve," en hij zeide haar wat geschreven
woorden niet kunnen uitdrukken.
Toen hij had uitgesproken, zag zij hem aan met een opgeklaard gelaat;
de donkere schaduw van schaamte was er van geweken. "Ik geloof u,
Geoffrey," zeide zij, "omdat ik weet, dat gij dit niet verzonnen hebt
om mij te verontschuldigen, want ik heb dat ook gevoeld. Daardoor
ziet ge wat ge voor mij zijt. Gij zijt mijn heer en meester en mijn
alles. Ik kan u niet weerstaan, al wilde ik het ook. Ik heb geen
anderen wil dan den uwen. En beloof mij nu dit op uw woord: laat mij
nu buiten uw invloed blijven. Trek mij niet tot u aan, om uw verderf
te zijn. Ik maak geen aanspraak; ik heb mijn leven aan uw voeten
gelegd, maar zoolang ik eenige kracht heb om er tegen te strijden,
zult gij het niet opnemen, tenzij ge het tot uw eigen eer kondet
doen, en dat is niet mogelijk. O, wat hadden wij samen gelukkig
kunnen zijn, gelukkiger dan man en vrouw meestal zijn, maar dat is
ons ontzegd. Wij moeten ons kruis dragen, het vleesch kruisigen;
misschien aldus--wie kan dat zeggen?--den geest verheerlijken. Ik
ben u veel verschuldigd. Ik heb veel van u geleerd, Geoffrey. Ik
heb geleerd weer op een Hiernamaals te hopen. Niets is mij nu meer
overgebleven dan dat--en over een uur, de herinnering aan u.
"O, waarom zou ik weenen? Dat is ondankbaar, als ik uw liefde bezit--en
wat beteekent dit verdriet daar tegenover gesteld? Kus mij, geliefde
en ga--en zie mij nimmer weder. Gij zult mij niet vergeten, ik weet
dat ge mij uw leven lang niet vergeten zult. Eenmaal misschien--wie
weet dat? Zoo niet, welnu dan zal 't het best zijn te sterven."
't Is niet goed bij zulk een tooneel als dit langer te verwijlen. 't
Is maar een gebroken hart meer. De wereld breekt op deze of op een
andere wijze zooveel harten, dat zij er weinig genoegen in kan vinden
op zulke tooneelen van zielsfoltering te staren.
Bovendien moeten wij ons niet door onze sympathie laten
medesleepen. Geoffrey en Beatrice hadden niet meer dan hun verdiend
loon. Wat behoefden zij zich in zulk een toestand te brengen! Zij
hadden de gebruiken van hun wereld getrotseerd, en de wereld wreekte
zich op hen en hun hartstocht voor elkander. Wat gebeurt den worm,
die op den grooten weg wil wroeten? Door wielen verpletterd en door
voeten vertrapt te worden is zijn deel. Beatrice en Geoffrey zijn
voorbeelden, die een moraal verkondigen. Zoover wij kunnen zien en
oordeelen, hadden zij zich niet in die altijd stroomende rivier
van menschelijk verdriet behoeven te storten. Laat hen worstelen
en verdrinken, en laten degenen, die op den oever staan, uit dat
schouwspel wijsheid leeren en geen hand uitsteken om hen te helpen.
Geoffrey trok een ring van zijn vinger, en gaf dien aan zijn
geliefde. Het was een gladde zilveren ring, die uit het graf van een
Romeinsch krijgsman was genomen, en waarop aan de binnenzijde ruw de
woorden gegraveerd waren: "_Ave atque vale_." Gegroet en vaarwel! Het
was een gepast geschenk voor menschen in hun toestand. Beatrice
fluisterde bevend, dat zij dien ring op haar hart zou dragen, aan
haar vinger kon zij hem niet steken--hij zou herkend kunnen worden.
Toen omhelsden zij elkaar driemaal op dat eenzaam strand, eens, als
't ware, voor vroegere vreugde, eens voor tegenwoordig leed, en eens
voor toekomstige hoop, en daarna scheidden zij. Er was geen sprake
van latere ontmoetingen--zij gevoelden dat die onmogelijk waren,
althans voor menig jaar. Hoe konden zij elkander als onverschillige
bekenden ontmoeten? Daartoe beminden zij elkander te zeer. Het was
een laatst afscheid, smartelijker dan het afscheidnemen van een
stervende--want de Hoop zit altijd aan het sterfbed--en hier was
niets dan verpletterende droefheid.
Hij verliet haar, en het geluk was uit zijn leven, evenals het daglicht
voor de avondschemering wijkt. Hij had, ten minste, de geestinspanning
van zijn werk, dat hem wachtte. Maar Beatrice, arm meisje, wat had zij?
Geoffrey verliet haar. Toen hij ongeveer dertig passen ver was, zag
hij om, en wierp een laatsten blik op haar. Daar stond, of liever,
leunde zij, met haar hand tegen de natte rots, en zag hem met haar
heldere grijze oogen na. Zelfs door den stofregen heen, kon hij haar
glanzig haar, de afteekening van haar bekoorlijk gelaat en het frissche
rood van haar lippen zien. Zij wenkte hem voort te gaan. Dat deed hij,
maar toen hij honderd schreden verder was, zag hij nog eens om. Daar
stond zij nog, maar nu was haar gelaat niet meer te onderscheiden,
en de groote zeemeeuw vloog weder om haar hoofd.
Toen verborg de nevel haar geheel en al.
Ach, Beatrice, met al uw verstand hebt gij nooit die eenvoudige
beginselen kunnen leeren, die voor het geluk der vrouw zoo noodzakelijk
zijn; beginselen door duizend geslachten van onbeschaafde en half
beschaafde voorzaten van het eene op het andere overgeërfd. Den
toestand te nemen zooals hij is, en zich aan de eischen van dien
toestand te houden, dat is de gulden regel tot welzijn. Steek de
hand niet verder uit dan gij die weer terug kunt trekken, ten minste
niet voordat gij volkomen zeker zijt dat het voorwerp in uw bereik
is. Indien gij bij ongeluk, of door de gramschap van het Noodlot,
begaafd zijt met die sterker eigenschappen, die u tot zelfopofferende
liefde in staat stellen, houd ze in uw hart verborgen; laat er niets
van aan de wereld blijken. De wereld gelooft er niet aan; zij zijn
zelfs onzedelijk. Wat de wereld, en zeer terecht, van u verlangt,
is stille huiselijkheid van karakter, geen tentoonspreiding van
hoedanigheden, die, al mogen zij u geschikt maken voor de heldin van
een Grieksch treurspel, u in onzen tijd waarschijnlijk slechts aan
verguizing zullen blootstellen.
Beatrice, de wereld kan met Lady Honoria sympathiseren, maar met
_u_ niet.
Hoofdstuk XXIV.
Lady Honoria trekt te velde.
Geoffrey spoedde zich naar de pastorie, om zijn bagage te halen en
afscheid te nemen. Hij had geen tijd om te ontbijten, en daar was hij
blijde om, want het zou hem niet mogelijk geweest zijn te eten. Hij
vond Elisabeth en haar vader in de huiskamer.
"Waar zijt ge in dat natte weer geweest, mijnheer Bingham?" vroeg
Granger.
"Ik heb met Miss Beatrice een wandeling gedaan; zij komt door het dorp
terug," antwoordde hij. "Ik geef niet om den regen, en ik wilde nog
wat versche lucht scheppen, eer ik naar den tredmolen terugga. Dank
u--alleen maar een kop thee--onderweg zal ik wel wat eten."
"Wat is dat vriendelijk van hem!" dacht Granger; "hij heeft Beatrice
zeker nog eens over Owen Davies gesproken."
"Zeg, mijnheer Bingham," wendde hij zich weder tot hem, "hebt gij
van nacht ook iets door het huis hooren bewegen, toen de storm op 't
hevigst was? Eerst werd er een deur met zooveel geweld dichtgeslagen,
dat ik opstond om te zien wat het was, en toen ik de gang doorliep,
had ik er wel op kunnen zweren, dat ik iets wits de ongebruikte
logeerkamer zag binnengaan. Maar mijn kaars woei uit, en eer ik weer
licht had aangestoken, was er niets meer te zien."
"Dat heeft bizonder veel van een geestverschijning," antwoordde
Geoffrey onverschillig; maar hij wist, dat die geest hem nog menigen
dag zou verschijnen.
"Dat is toch raar," viel Elisabeth levendig in, haar oogen scherp op
hem vestigende. "Weet gij wel, dat ik mij verbeeld heb de deur van
onze kamer tweemaal op een geheimzinnige wijze te hebben zien open-
en dichtdoen? Ik geloof dat Beatrice er iets mede te maken heeft;
zij kan zoo zonderling wezen."
Geoffrey bewoog geen spier van zijn gelaat; hij was er in geoefend
het in bedwang te houden. Maar hij had wel willen weten hoeveel zij
eigenlijk wist. Intusschen moest zij tot zwijgen gebracht worden.
"Neem mij niet kwalijk dat ik over iets anders spreek," zeide hij,
"maar ik heb geen tijd om over 'De geestverschijning in de pastorie'
te spreken. A propos, dat zou een mooie titel zijn. Ik geloof,
mijnheer Granger, dat ik in het bijzijn van Miss Elisabeth wel over
zaken kan spreken?"
"Wel zeker, mijnheer Bingham," antwoordde Granger, "Elisabeth is mijn
rechterhand, en er is in Bryngelly niemand, die zulk een goed hoofd
voor zaken heeft als zij."
"Ik wilde alleen dit zeggen," ging Geoffrey voort. "Als gij door de
slechte betaling van uw tienden verder in ongelegenheid mocht komen,
meld het mij dan. Ik zal altijd bereid zijn u te helpen, als ik
kan. En nu moet ik weg."
Hij sprak zoo om twee redenen. Ten eerste, wat zeer natuurlijk was,
wilde hij Beatrice voor den druk van armoede beschermen, en hij wist
wel dat het vruchteloos zou zijn haar rechtstreeksche hulp aan te
bieden. Ten tweede, wilde hij Elisabeth toonen dat het niet in het
voordeel van het gezin zou zijn, met hem te twisten. Dit zou haar
misschien bewegen er van te zwijgen als zij een geest gezien _had_. Hij
wist niet, dat zij een veel hooger spel voor zichzelve speelde, een
spel waarbij duizenden 's jaars te winnen waren, en dat zij bovendien
razend jaloersch was, wat bij zulk een vrouw voor liefde moet doorgaan.
Elisabeth zeide op dat aanbod niets, en voordat Granger zijn dank
kon betuigen, was Geoffrey weg.
Drie weken verliepen, en Elisabeth speelde haar kaart nog niet
uit. Beatrice verrichtte haar dagelijksche werkzaamheden, bleek
en neerslachtig. Elisabeth sprak haar geen woord toe, in een zin,
die vermoeden bij haar kon wekken, en de spookgeschiedenis was, of
scheen althans, nagenoeg vergeten. Maar eindelijk gebeurde er iets, dat
Elisabeth deed besluiten haar slag te slaan. Op zekeren dag ontmoette
zij Owen Davies, die met al de manieren van een half onwijze, zooals
hij in den laatsten tijd had aangenomen, langs het strand wandelde. Hij
bleef staan, en begon dadelijk een gesprek met haar.
"Ik kan het niet langer uithouden," zeide hij, zijn armen woest omhoog
slaande. "Ik heb haar gisteren gezien, en zij scheepte mij af voordat
ik een woord kon spreken. Ik heb om geduld gebeden, en dat wil niet
komen; doch een stem scheen mij te zeggen, dat ik nog tien dagen moest
wachten, tien dagen maar, en dat dan Beatrice, mijn schoone Beatrice,
eindelijk mijn vrouw zou worden."
"Als gij zoo voortgaat, mijnheer Davies," voegde Elisabeth hem scherp
toe, met een hart vol wrevelige jaloezie, "zal het niet lang duren of
ge zijt volslagen gek. Schaamt ge u niet zooveel beweging te maken
over een lief gezichtje? Als ge volstrekt wilt trouwen, trouw dan
met iemand anders."
"Met iemand anders trouwen," zeide hij droomerig; "ik zou niet weten
met wie ik anders zou moeten trouwen, of _gij_ zoudt het moeten zijn,
en gij zijt Beatrice niet."
"Neen," antwoordde Elisabeth toornig: "ik hoop dat ik meer verstand
heb dan zij, en als ge met mij wildet trouwen, zoudt ge het heel
anders moeten aanleggen. Ik ben, Goddank, Beatrice niet, maar ik
ben haar zuster, en ik waarschuw u, dat ik meer van haar weet dan
gij. Als vriendin waarschuw ik u, voorzichtig te zijn. Gesteld eens,
dat Beatrice u niet waardig was, zoudt gij dan toch met haar willen
trouwen?"
Owen Davies was eigenlijk in zijn hart wel wat bang voor Elisabeth,
evenals de meeste menschen, die het voorrecht hadden haar te
kennen. Ook was hij zoo dom niet, of hij vermoedde wel eenigszins,
dat Elisabeth iets in haar schild voerde, wat, wist hij niet.
"Neen, natuurlijk niet," zeide hij. "Natuurlijk zou ik niet met haar
trouwen, als zij niet geschikt was om mijn vrouw te worden--maar dat
moet ik eerst weten, voordat ik er van spreek met iemand anders te
trouwen. Goeden middag, Miss Elisabeth. Het zal nu spoedig beslist
zijn; zoo kan het niet langer voortgaan. Mijn gebeden zullen verhoord
worden, dat weet ik."
"Daar heb je gelijk in, Owen," dacht Elisabeth, terwijl zij hem
met onbeschrijfelijke bitterheid, om niet te zeggen, verachting,
nazag. "Je gebeden zullen verhoord worden op een manier, die je zal
verbazen. Je zult niet met Beatrice trouwen, maar met _mij_. De visch
is lang genoeg aan den haak geweest, nu moet ik beginnen op te halen."
Wat zonderling was, nooit kwam het bij Elisabeth op, dat Beatrice
zelve wel de ware hinderpaal kon zijn tegen het huwelijk dat zij wilde
beletten. Zij wist dat haar zuster veel van Geoffrey Bingham hield,
maar dat zij, als het er op aankwam, zulk een schitterende toekomst
voor haar liefde zou opofferen, geloofde zij geen oogenblik. Natuurlijk
achtte zij het wel mogelijk, als Beatrice Geoffrey kon bezitten, dat
zij hem de voorkeur zou geven, maar nu dit eenmaal niet kon, hield
Elisabeth zich overtuigd, naar haar eigen lagen maatstaf oordeelende,
dat zij Owen toch wel zou nemen. Het kwam haar niet denkbaar voor,
dat wat zoo kostelijk in haar eigen oogen was, in die van haar
zuster zonder waarde, ja zelfs hatelijk kon zijn. Wat dat nachtelijk
avontuurtje betrof, dat had met haar huwelijk niets te maken. Men
vergeet zoo iets als men trouwt, soms trouwt men zelfs om zoo iets
te vergeten.
Ja, zij moest haar slag slaan--maar hoe? Elisabeth had ook zoo haar
eigen begrippen. Zij zag er geen bezwaar in, haar zuster en vermeende
medeminnares in 't verderf te storten, maar zij zou er veel liever bij
de daad niet den naam van hebben. Natuurlijk, als het tot het ergste
kwam, moest zij het doen. Was er geen ander voor te vinden--iemand,
die het niet uit wraak, maar uit deugdzaamheid deed? Ha! zij had er
iemand voor: Lady Honoria! Wie kon beter voor zulk een doel dienen
dan de zwaar beleedigde vrouw? Maar hoe zou zij haar de omstandigheden
mededeelen zonder er zelve in betrokken te zijn? Weder had zij er iets
op gevonden--"_un vieux truc mais toujours bon_"--het oude middel van
lage zielen, een naamloozen brief, waarbij men het groote voordeel
heeft van buiten schot te blijven. Juist, een naamlooze brief, naar
allen schijn door een dienstbode geschreven: dat was het. Het gevolg
zou hoogst waarschijnlijk zijn, dat Lady Honoria scherp onderzoek deed,
in welk geval Elisabeth, natuurlijk, tegen haar zin, genoodzaakt zou
zijn te zeggen wat zij wist: bijna zeker zou het op een twist tusschen
man en vrouw uitloopen, waardoor de eerstgenoemde in zijn kaart zou
laten zien, of misschien ten opzichte van Beatrice een openlijken
stap zou doen. Het speet haar voor Geoffrey, wien zij geen kwaad hart
toedroeg, maar er was niets tegen te doen: hij moest opgeofferd worden.
Dienzelfden avond schreef zij haar brief, en zond dien op, om door een
oude dienstbode, die in Londen woonde, op de post gedaan te worden. Het
was een meesterstuk in zijn soort, vooral als foutief opstel, en met
een slechte, grove hand geschreven. Gezuiverd van taal- en spelfouten,
zou de inhoud aldus geluid hebben: