dan driemaal, en door verschillende menschen, ten uwen behoeve
ingeroepen--door uw vader, die meent dat gij van liefde voor Owen
Davies kwijnt; door Owen Davies, die voorzeker van liefde voor _u_
kwijnt, en door den ouden Eduard, als een soort van familiestuk."
"Zoo!" zeide Beatrice, op ijskouden toon.
"En alle drie drongen op hetzelfde aan--de wenschelijkheid dat gij
met Owen Davies zoudt trouwen."
Beatrice's gelaat werd doodsbleek, haar lippen trilden en haar oogen
vlamden van toorn.
"Werkelijk?" zeide zij. "En hebt _gij_ op dit punt eenigen raad te
geven, mijnheer Bingham?"
"Ja, Beatrice, dat heb ik. Ik heb er over nagedacht, en ik
geloof--vergeef mij dat ik het zeg--dat, als gij er toe kunt besluiten,
gij misschien het best zult doen met hem te trouwen. Hij is geen
slecht man, en hij is rijk."
Zij hadden snel geloopen, en nu waren zij aan de plek als het
"Amphitheater" bekend, dezelfde plek, waar Owen, zeven maanden geleden,
Beatrice een liefdesverklaring had gedaan.
Beatrice liep langs den vooruitstekenden kant van den rots om,
en een eindweegs naar den platten steen in het midden, voordat
zij antwoordde. Bittere toorn vervulde haar hart. Zij meende
alles te doorzien. Geoffrey wilde van haar af zijn. Hij had in hun
vertrouwelijkheid iets gevaarlijks gezien, en die vertrouwelijkheid
wilde hij onmogelijk maken door haar tot een huwelijk tegen haar
zin over te halen. Eensklaps wendde zij zich tot hem, en zag hem met
van toorn vlammende oogen vlak in 't gelaat; en met een gebiedende
fierheid en waardigheid van voorkomen, zooals hij nog nooit van haar
gezien had, en die hem letterlijk ontzag inboezemde, zeide zij:
"Beseft gij niet, mijnheer Bingham, dat gij u een groote vrijheid
veroorlooft? Beseft gij niet dat een man, die geen nabestaande is,
het recht niet heeft zoo tot een vrouw te spreken als gij tot mij
gesproken hebt?--kortom, dat gij u aan een grove onbescheidenheid
schuldig hebt gemaakt? Welk recht hebt gij mij de wet voor te schrijven
met wien ik zal trouwen of niet? Dat is toch zeker mijn eigen zaak."
Geoffrey kleurde tot over zijn slapen. Scherper dan eenige andere
beschuldiging, welke zij tegen hem had kunnen inbrengen, gevoelde
hij die van krachtens hun vertrouwelijkheid een ongepaste vrijheid
genomen, zich een recht aangematigd te hebben, dat hem niet toekwam.
"Vergeef mij," zeide hij deemoedig. "Ik kan u slechts verzekeren,
dat dit mijn bedoeling niet was. Ik heb--onberedeneerd, vrees
ik--gesproken--omdat ik er toe gedreven werd."
Beatrice nam van zijn woorden geen notitie, maar ging op denzelfden
koelen toon voort:
"Welk recht hebt gij met een ouden schipper, met mijnheer Davies,
of zelfs met mijn vader, over mijn zaken te spreken? Als ik dat
gewild had, zou ik het u gevraagd hebben. Met welk gezag stelt ge u
tot tusschenpersoon aan, om een huwelijk tot stand te brengen, dat
gij zoo goed zijt in mijn geldelijk belang te achten? Weet gij niet
dat dit iets is, waarover alleen de vrouw kan oordeelen, die er in
betrokken is, wier geluk en zelfachting er bij op 't spel staan? Ik
heb nog slechts dit te zeggen: ik zeide zooeven dat gij u aan een
grove onbescheidenheid hebt schuldig gemaakt. Welnu, ik wil er nog
bijvoegen dat er in dit geval omstandigheden zijn, mijnheer Bingham,
die het tot een wreede beleediging maken."
Zij hield met spreken op, en barstte in een hartstochtelijk geween
uit. Juist gierde de eerste stormvlaag over hen en verloor zich
loeiend in de verte.
Het licht verdween uit de lucht. Nu kon Geoffrey nog slechts de
omtrekken van haar weenend gelaat zien. Een oogenblik aarzelde hij,
en ook slechts één; toen was de natuur sterker dan de leer, want het
volgend oogenblik was zij in zijn armen.
Beatrice bood nauwelijks wederstand. Haar geestkracht scheen haar te
begeven, of misschien had zij die in bittere woorden uitgeput. Haar
hoofd zonk op zijn schouder, en daar snikte zij onbedwongen. Nu hief
zij het hoofd op, en hun lippen ontmoetten elkander in een eersten,
langen kus. Daar liep het op uit--en zoo bevorderde Geoffrey het
aanzoek van Owen Davies.
"O, ge zijt wreed geweest, zeer wreed!" fluisterde hij haar in 't
oor. "Ge moet wel geweten hebben dat ik u liefhad, Beatrice, dat ik
tegen mijzelven was toen ik zoo sprak, en het alleen deed omdat ik het
mijn plicht achtte. Ge moet geweten hebben dat ik, tot mijn schande
en zonde, u altijd heb liefgehad, dat gij geen uur uit mijn gedachten
geweest zijt, dat ik er naar verlangd heb uw lief gelaat te zien,
als een zieke naar het licht. Zeg mij, wist ge dat niet, Beatrice?"
"Hoe zou ik het geweten hebben?" antwoorde zij zeer zacht; "ik kon
het slechts vermoeden, en als ge mij werkelijk liefhebt, hoe kondet
ge dan wenschen dat ik met een ander man zou trouwen? Ik dacht dat
ge mijn zwakheid bespeurd hadt en dit middel te baat naamt om mij die
te verwijten. O, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat is er tusschen
u en mij--behalve de liefde?"
"Het zou beter geweest zijn als wij voor goed te zamen verdronken
waren," zeide hij neerslachtig.
"Neen, neen," antwoordde zij, "want dan zouden wij elkander nooit
liefgehad hebben. 't Is beter eerst te beminnen en dan te sterven."
"Spreek zoo niet," zeide hij, "laten we hier gaan zitten en voor
't oogenblik ten minste gelukkig zijn; morgen is het vroeg genoeg
voor zorgen en verdriet."
En waar Beatrice vroeger een anderen minnaar had afgewezen, zaten
zij nu naast elkander op den platten steen, en spraken de gewone taal
van een paar verliefden.
Boven hen loeide de opstekende storm, maar door de rotswanden beschut,
voelden zij zijn vlagen niet. Vóór hen klotsten de gezwollen golven
op het strand, terwijl ver in zee de halve maan, tusschen donkere
wolken uit te voorschijn komende, als een boot over de wateren scheen
te zweven.
En smaakten zij die verrukking werkelijk, of was het maar een
droom? Neen, zij waren daar alleen met hun liefde en liefdes zoet
genot, en de volle waarheid werd gezegd en al hun twijfelingen waren
opgeheven. Nu was het gedaan met hoop en vrees: nu werd de Rede door
de Liefde van den troon gestooten. De Liefde zwaaide haar schepter
en opende de poorten van het Paradijs. O, heerlijk zou het zijn in
die ure te sterven!
Woed en raas, bulderende storm! Wij kennen het geheim uwer ontbreidelde
kracht. Bruist, ziedende golven, valt donderend aan den voet der
aarde neder! Wij verstaan dat zieden en bruisen, dat donderend geweld.
Aarde, zee en winden, zingt uw grootsch minnelied. Hemel, Tijd
en Ruimte, weergalmt van dien zang! Want het leven heeft ons het
antwoord op zijn raadsel toegeroepen! Hart aan hart zitten wij, en
lippen aan lippen, en wij zijn wijzer dan Salomo, en rijker dan de
rijkste Oostersche vorst, want het geluk is ons deel.
Tot dat doel zijn wij geboren en door alle tijden heen
voorbeschikt. Tot dat doel leven wij en sterven wij, om in den dood
volkomen vereeniging te vinden. Want hierin bestaat het geheim der
wereld, dat de wijzen zoeken en niet kunnen vinden, en hier is ook
de poort des Hemels.
Zie mij in de oogen, geliefde, en laat mij in de uwe zien, en hoor
toe. De wereld is maar een schijn, en een schaduw is ons vleesch,
want waar zij eenmaal waren, zal niets zijn. De Liefde alleen is
werkelijk; de Liefde zal blijven totdat alle zonnen geen licht of
warmte meer uitstralen, en dan nog zal zij jong zijn.
Kus mij, verwinnaar, want het Noodlot is overwonnen, leed en kommer
is voorbij; en het vuur, dat wij op dit aardsch altaar ontstoken
hebben, zal nog helder vlammen, als gindsche sterren al hun glans
verloren hebben.
Maar ach! woorden kunnen aan zulk een lied geen vorm
geven. Muziek?--ook die schiet te kort. Want door die geopende deur
komen visioenen en klanken, die niet te beschrijven zijn.
Laat zeggen wie wil, dat dit waanzin is, dat die bovenaardsche
heerlijkheid niets anders is dan de razernij van een in zijn wezen
zinnelijken hartstocht; maar laat droomers hun droomen. Waarom
hebben kinderen dezer wereld dan zulke visioenen als Beatrice en
Geoffrey? Waarom verdwijnen hun twijfelingen, en wat is die adem des
Hemels, dien zij op hun voorhoofd schijnen te voelen? De bedwelming
van aardsche liefde, uit de ontmoeting van jeugd en schoonheid
ontstaan. Dat zij zoo! Slaaf, breng nog meer zulken wijn, en drinken
wij op de Onsterfelijkheid en op die geliefde oogen, die het gelaat
van een hemelgeest afspiegelen.
Zulk een liefde is zeldzaam. Want weinig harten zijn in staat zulk
een ware en innige liefde te gevoelen, en zelden ontmoeten twee zulke
harten elkander op het levenspad. Weinigen kunnen zoo hoog opgevoerd
worden en dien ether lang inademen. Al spoedig hangen de vleugels,
welke de Liefde hun in die ure van openbaring verleend heeft, slap,
en wie ze geleend hebben, vallen ter aarde, gelukkig nog als zij door
den val niet verpletterd worden. Misschien spreiden die vleugels zich
nog eenmaal in hun leven over het altaar hunner huwelijksgeloften,
of over de lijkbaar van een geliefden afgestorvene. Maar schaarsch
zijn die gelegenheden, en weinigen zijn er, die ze kennen.
Zoo zweefden Beatrice en Geoffrey in hooger sfeer, terwijl de storm
om hen heen loeide, als een gepast accompagnement van hun onstuimige
liefde. En zoo vielen zij ook ter aarde.
"Wij moeten heengaan, Geoffrey," zeide Beatrice, "het wordt laat. O,
Geoffrey, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat zal daar het einde van
zijn? Het zal ongeluk over u brengen, dat weet ik. Het oude spreekwoord
zal bewaarheid worden. Ik heb u het leven gered, om u in het verderf
te storten!"
Het was een kenmerk van Beatrice's karakter, dat zij er reeds aan
dacht wat de gevolgen voor Geoffrey, niet voor haar, zouden zijn.
"Beatrice," sprak Geoffrey, "wij zijn in een wanhopigen toestand. Wilt
gij dien trotseeren, en met mij ver van hier, naar de andere zijde
van de wereld, gaan?"
"Neen, neen," antwoordde zij met vuur, "dan zou uw loopbaan gebroken
zijn. In welk gedeelte der wereld zoudt gij gaan, waar gij niet bekend
zoudt zijn? Bovendien moet gij aan uw vrouw denken. Uw vrouw--wat zou
zij wel van mij zeggen? Gij behoort aan haar, gij hebt geen recht haar
te verlaten. En Effie! Neen, Geoffrey, neen, ik ben slecht genoeg
geweest dat ik u heb leeren beminnen--o, zooals gij nooit bemind
zijt!--als het slecht is iets te doen, wat men niet helpen kan; maar
zóó slecht ben ik niet. Loop sneller, Geoffrey; wij komen laat thuis,
en zij zullen iets vermoeden."
Arme Beatrice; gewetenswroeging greep haar aan!
"Wij zijn in een verschrikkelijken toestand," zeide hij weder. "O,
geliefde, ik alleen ben te laken. Ik had niet terug moeten komen. 't
Is mijn schuld; en hoewel ik daar nooit aan gedacht heb, ik heb mijn
best gedaan u te behagen."
"En daar dank ik u voor," antwoordde zij. "Misleid uzelven niet,
Geoffrey. Wat er ook gebeurt, o, beloof mij dat gij geen oogenblik
zult gelooven dat ik u verweten of gelaakt heb. Waarom zou ik u
laken omdat ge mijn liefde hebt gewonnen? Eer zou ik de zee, waarop
wij gedreven hebben, moeten laken, het strand, waarop wij gewandeld
hebben, het huis, waarin wij woonden, en het Noodlot, dat ons bij
elkander bracht. Ik ben trotsch en verheugd u lief te hebben, maar ik
ben niet zoo zelfzuchtig dat ik u in 't ongeluk zou willen storten;
Geoffrey--ik zou liever sterven."
"Spreek zoo niet," zeide hij, "dat kan ik niet aanhooren. Wat moeten
wij doen? Moet ik heengaan en u nimmer wederzien? Hoe kunnen wij zoo
leven, Beatrice?"
"Ja, Geoffrey," antwoordde zij, op diep neerslachtigen toon,
terwijl zij hem bij de hand vatte en hem in 't gelaat zag, "gij moet
heengaan en mij in geen jaren wederzien. Dit hebben wij onszelven
berokkend, dat is de prijs, dien wij voor het verloopen uur betalen
moeten. Morgen moet gij vertrekken, dan zijn wij uit de verzoeking,
en ge moet niet terugkomen. Van tijd tot tijd zal ik u schrijven, en
misschien gij mij ook, totdat het u te lastig wordt, en dan kunt gij
er mee ophouden. En hetzij ge mij vergeet of niet--en o, Geoffrey,
dat zult gij, geloof ik, niet--zult gij weten dat ik u nooit zal
vergeten--u, wien ik uit de zee heb gered, om mij lief te hebben."
Er was in haar woorden zoo iets onbeschrijfelijk teeders, vermengd met
natuurlijke vrouwelijke hartstochtelijkheid, dat Geoffrey's hart er
voor buigen moest. Wat moest hij doen, hoe kon hij haar verlaten? En
toch had zij gelijk. Hij moest heengaan, en wel spoedig ook, anders
zou zijn kracht hem misschien begeven, en zouden zij te zamen een
grens overschrijden, van waar geen terugkeeren meer was.
"De Hemel sta ons bij, Beatrice!" zeide hij. "Morgenochtend vertrek
ik, en als ik kan, zal ik wegblijven."
"Gij _moet_ wegblijven. Ik wil u niet wederzien. Ik wil geen ongeluk
over u brengen, Geoffrey."
"Ge spreekt van ongeluk over mij te brengen," hernam hij; "en ge zegt
niets van uzelve, en toch is een man, zelfs zoo'n man als ik in mijn
eigen oogen ben, beter geschikt om zulk een storm door te staan. Als
het mij in het ongeluk stort, hoeveel te meer u dan?"
Zij waren nu aan het hek van de pastorie, en de wind gierde met zulk
een geweld door de pijnboomen, dat zij haar lippen dicht aan zijn
oor moest houden om haar woorden verstaanbaar te maken.
"Wacht een oogenblik," zeide zij, "misschien hebt ge mij niet goed
begrepen. Wanneer een vrouw doet wat _ik_ gedaan heb, is het omdat
zij met heel haar leven en hart en ziel bemint, omdat dit alles een
deel van haar liefde is. Ik voor mij hecht aan niets meer waarde--ik
heb geen persoonlijkheid meer zonder u, ik ben niet meer mijzelve,
ik behoor mijzelve niet meer toe. Ik behoor geheel en al u toe. Over
mijzelve en mijn eigen lot of goeden naam denk ik niet meer; met open
oogen en uit vrijen wil, heb ik mij aan mijn liefde voor u overgegeven,
en dat heb ik met vreugde gedaan. Maar over u ben ik nog bekommerd,
en als ik een stap deed, of toeliet dat gij een stap deedt, die u leed
kon berokkenen, zou ik het mijzelve nooit vergeven. Daarom moeten wij
scheiden, Geoffrey. En laten wij nu naar binnen gaan; er is niets
anders meer te zeggen dan dit: als ge mij een laatst vaarwel wilt
zeggen, lieve Geoffrey, zal ik morgenochtend op het strand wachten."
"Ik vertrek om half negen," zeide hij, met een heesche stem.
"Dan zullen wij elkaar om zeven uur ontmoeten," sprak Beatrice,
en ging hem voor naar binnen.
Elisabeth en Granger zaten reeds aan het avondeten. Op Zondagavond
gebruikten zij dat gewoonlijk te negen uur; nu was het half tien.
"Wel, wel," zeide de oude heer, "wij begonnen al te denken dat gij
samen uit roeien waart gegaan, en dat gij ditmaal voorgoed verdronken
waart. Waar zijt gij al dien tijd geweest?"
"We hebben een lange wandeling gedaan," antwoordde Geoffrey; "ik wist
niet dat het al zoo laat was."
"Men moet al heel veel genoegen in iemands gezelschap vinden, om in
zoo'n weer zoo ver te loopen," merkte Elisabeth boosaardig aan.
"_Ik_ vond dat althans wel," antwoordde Geoffrey, volkomen naar
waarheid, "en het weer is zoo erg niet als ge zoudt denken, ten minste
onder de beschutting van de rotsen. Het zal straks wel erger worden."
Toen gingen zij aanzitten en maakten een wanhopig vertoon van mee
te eten. De scherpziende Elisabeth merkte op, dat Geoffrey's hand
beefde. Wat kon nu wel de hand van een sterk man doen beven? was de
vraag, die zich aan haar opdeed. Het kon van hevige aandoening zijn, en
Elisabeth meende ook nog andere teekenen van aandoening in hen beiden
te bespeuren, behalve het beven van Geoffrey's hand. Het plan werkte
goed, maar zou het niet tot een climax gebracht kunnen worden? O,
als hij maar de onbezonnenheid beging van met Beatrice weg te loopen,
zoodat zij haar kwijt was en vrij haar eigen spel kon spelen!
Kort na het avondeten, gingen Elisabeth en Beatrice naar bed en lieten
haar vader met Geoffrey alleen.
"Welnu," zeide Granger, "hebt gij een woordje met Beatrice
gesproken? Het was zeer vriendelijk van u, dat gij daarvoor zoo'n
verre wandeling hebt gedaan en dat nog wel bij zulk noodweer."
"Ja," antwoordde Geoffrey, "dat heb ik gedaan."
"Ei zoo! Gij hebt haar, hoop ik, gezegd dat zij de hoop op hem nog
niet behoeft op te geven--op mijnheer Davies, bedoel ik?"
"Ja, dat heb ik haar gezegd--het lag er ten minste wel in opgesloten,"
liet hij er bij zichzelven op volgen.
"En hoe nam zij het op?"
"Zeer slecht," antwoordde Geoffrey; "zij scheen van meening te zijn,
dat ik mij er niet mee had te bemoeien."
"Dat is vreemd. Maar het beteekent niets. Zij is er u in haar hart
dankbaar voor, daar kunt ge staat op maken, maar zij wilde het zoo
niet zeggen. Hemel, wat stormt het! Dat zal een nacht geven! Dus gaat
ge morgen heen? Och ja, de beste vrienden moeten eenmaal scheiden. Ik
hoop dat ge ons nog dikwijls zult komen bezoeken. Vaarwel!"
Weder kwam het gevoel, hoe belachelijk de toestand eigenlijk was,
bij Geoffrey boven, en hij glimlachte bitter, terwijl hij zijn kaars
aanstak, om naar bed te gaan. Achter in het huis was een lange gang,
aan het eene einde waarvan de kamer was, waar hij logeerde, en aan het
andere einde de slaapkamer van Elisabeth en Beatrice. Die gang werd
verlicht door twee vensters, en nog twee andere kamers kwamen er in
uit--die van Granger, en de kamer waar Effie had geslapen. Er waren
geen luiken voor de vensters van die gang, en een oogenblik stond
Geoffrey uit te zien naar de flikkering van het weerlicht. Toen wierp
hij een blik op de deur van Beatrice's kamer, met dat eigenaardig
gevoel van eerbied, dat soms met verliefdheid gepaard gaat, en met
een zucht wendde hij zich om en ging zijn eigen kamer binnen.
Hij kon niet slapen, dat was onmogelijk. Bijna twee uur lang wentelde
hij zich van de eene zijde op de andere, en het was alsof zijn hoofd
zou bersten. Morgen moest hij haar verlaten, haar voor altijd verlaten,
en terugkeeren tot zijn strijd met de wereld, waar geen Beatrice was
om hem gelukkig te maken. En zij, hoe was het met haar?
De storm, die een weinig bedaard was, begon nu opnieuw op te steken,
door het weerlicht voorafgegaan. Hij stond op, trok een _chambercloak_
aan, en zat voor het venster uit te zien naar het woeden der natuur,
dat zijn gefolterd hart eenige verlichting scheen te geven; in dit
smartelijk uur zou nachtelijke stilte hem waanzinnig gemaakt hebben.
Nog acht uur en het zou met werkelijken omgang tusschen hen gedaan
zijn. Het geheim zou voor altijd in hun binnenste besloten blijven,
en aan hun hart knagen, als de worm, die niet sterft. Geoffrey sloeg
de oogen op, met een blik alsof hij in een visioen de verborgenste
gedachten zijner ziel voor zijn geliefde uitstortte. Weder overviel
hem datzelfde raadselachtige gevoel als in een vroegeren nacht. Al
sterker en sterker werd het, al meer en meer bracht het zijn geest
in verwarring, totdat hij zich niets meer herinnerde dan Beatrice,
niets meer wist dan dat haar leven nu één was met het zijne.
Hij strekte de armen in de ledige lucht uit, en fluisterde:
"Beatrice! O, mijn geliefde! mijn ziel, mijn leven! Hoor mij aan,
Beatrice!"
Een gierende windvlaag deed op dit oogenblik het huis schudden.
O, wat was dat? Stil werd de deur geopend, en een witte gedaante kwam
over den drempel. Hij sprong overeind; schrik en ontzettende verrassing
vermeesterden hem. Daar, in het helle schijnsel van het weerlicht,
stond zij voor hem--zij, Beatrice, met haar blanke armen uitgestrekt,
bloote voeten en loshangend haar; haar boezem zwoegde zacht onder haar
nachtgewaad, haar lippen waren half geopend, haar oogen stonden strak,
haar gelaat teekende een akelige kalmte.
Groote Hemel, zij sliep!
Stil! zij sprak.
"Ge hebt mij geroepen, Geoffrey," zeide zij, met een doffe,
onnatuurlijke stem. "Ge hebt mij geroepen, geliefde, en--daar ben
ik." Hevig ontsteld, bevend als een espenblad, staarde hij op die
bekoorlijke verschijning.
Zie! Zij trad naar hem toe, en zij _sliep_. O, wat moest hij doen?
Eensklaps deed de tocht de geopende deur met een harden slag
dichtvallen. Zij ontwaakte met schrik.
"O, God, waar ben ik?" riep zij uit.
"Stil, om 's Hemelswil, stil!" antwoordde hij, zijn tegenwoordigheid
van geest terugverkrijgende. "Stil, of gij zijt verloren."
Maar het was niet noodig haar te waarschuwen stil te zijn, want de
schok deed Beatrice het bewustzijn verliezen, en bezwijmd zonk zij
in zijn armen.
Hoofdstuk XXIII.
Een regenachtige ochtend.
De slag van de dichtvallende deur had niet alleen Beatrice
doen ontwaken; ook Elisabeth en Granger waren er wakker van
geworden. Elisabeth zat in bed overeind, door de duisternis
heen, te zien wat er gebeurd was; haar blik viel op Beatrice's
bed--zeker--zeker--
Elisabeth stapte het bed uit, sloop als een kat de kamer door en
voelde met haar hand op het bed. Beatrice was daar niet. Snel trok
zij de blinden open, om bij het weinige licht, dat zij doorlieten,
de kamer te doorzoeken. "Beatrice," riep zij, "waar ben je?"
Geen antwoord.
"Aha," zeide Elisabeth; "ik begrijp het. Eindelijk--eindelijk!"
Wat zou zij doen? Zou zij haar vader roepen en haar openlijk te
schande maken? Neen. Beatrice zou wel terugkomen. Het was genoeg dat
zij het wist; daar kon zij, als het noodig was, gebruik van maken. Zij
wilde haar zuster niet in 't verderf storten dan tot zelfverdediging,
of liever uit eigenbelang. Nog minder wilde zij Geoffrey kwetsen,
tegen wien zij geen wrok had. Dus ging zij de gang in, kwam terug,
kroop weer in bed, als een slang in haar hol, en lag op de loer.
Granger, die, toen hij den slag hoorde, meende dat de voordeur was
opengewaaid, stond op, en stak een kaars aan, om er naar te gaan zien.
Maar van dit alles wist Geoffrey niets, en Beatrice, natuurlijk,
nog veel minder.
Zij lag bewusteloos in zijn armen; haar hoofd rustte op zijn schouder,
haar golvend haar hing langs zijn zijde bijna tot aan zijn knie. Hij
tilde haar op, raakte met zijn lippen haar voorhoofd aan, en legde haar
op het bed. Wat te doen? Haar tot bewustzijn terugbrengen? Neen, dat
durfde hij niet--hier niet. Terwijl zij zoo lag, was haar hulpeloosheid
haar bescherming; maar als de bewustelooze gedaante weer een levende
en minnende vrouw was, hier, en zoo--o, wat dan? Hij durfde haar niet
aanraken of naar haar zien, voordat hij zijn besluit had genomen. Hier
moest zij niet blijven, en daar zij niet in staat was heen te gaan,
moest hij haar wegbrengen, en dat wel oogenblikkelijk. Hoe ver Geoffrey
overigens ook, naar den maatstaf van strenge deugd gemeten, te kort
schoot, dit zal altijd voor hem pleiten.
Hij deed de deur open, en tegelijk meende hij iemand door het
huis te hooren loopen. En dat was ook zoo; het was Granger in de
huiskamer. Toen hij niets meer hoorde, begreep Geoffrey dat het
de wind geweest moest zijn, en op den tast liep hij naar het bed,
waar Beatrice doodstil lag. Een oogenblik kwam de ontzettende vrees
bij hem op dat zij misschien werkelijk dood was. Hij had wel gehoord
van slaapwandelaars, die, als zij plotseling uit hun onnatuurlijken
slaap wakker gemaakt worden, slechts ontwaken om te sterven. Dat
kon ook met haar het geval zijn. Snel legde hij zijn hand op haar
borst. Ja, haar hart klopte nog--wel flauw, maar toch klopte het. Zij
was dus alleen maar bezwijmd. Nu draalde hij niet langer, sloeg
zijn arm om haar heen, en tilde haar van het bed op, alsof zij een
kind was. Beatrice was geen spichtig opgeschoten meisje, maar een
volwassen, flink ontwikkelde vrouw. Hij voelde haar zwaarte niet;
zij scheen hem zoo licht als een veer toe. Sluipend, als iemand,
die op een nachtelijken moord uitgaat, stapte hij met haar naar de
deur en de gang in. Toen ondersteunde hij haar met den eenen arm,
en deed met de linkerhand de deur dicht. Steelsgewijze liep hij in
de duisternis den gang door, zonder dat zijn bloote voeten op den
houten vloer gedruisch maakten, totdat hij aan den zijgang kwam.
Hij wierp er een angstigen blik in, en wat hij zag, deed het
bloed in zijn aderen stollen, want geen acht passen van hem af was
Granger, met een blaker in de hand. Wat moest hij beginnen? Naar
zijn kamer terugkeeren was onmogelijk--die van Beatrice te bereiken,
evenzeer. Daar schoot het hem als een lichtstraal te binnen, dat de
ledige kamer geen twee passen van hem af was. Eén schrede, en hij was
er. O, waar was de kruk? O, als de kamer eens gesloten was! Gelukkig
was dit niet zoo. Hij stapte binnen, deed de deur dicht, en stond er
hijgend achter.