Geoffrey op die bekoorlijke verschijning in het zachte avondlicht.
"Met uw verlof," zeide zij, op een verlegen toon, vooruittredende om
het hek te openen.
"_Beatrice!_"
Een flauwe kreet ontsnapte haar, en zij greep zich aan het hek vast,
anders zou zij neergezonken zijn. Een oogenblik bleef zij zoo staan
en zag naar zijn gelaat, dat in de schaduw verborgen was, op, met
een blik vol hoop en vrees en liefde.
"Zijt gij het," zeide zij eindelijk, "of is het weer een droom?"
"Ik ben het, Beatrice!" antwoordde hij, verbaasd.
Met een krachtige poging herstelde zij zich.
"Waarom hebt ge mij dan zoo verschrikt?" vroeg zij. "Dat was
onaardig--o, ik bedoelde niet iets knorrigs te zeggen. Wat heb
ik gezegd? Ik ben het vergeten. Ik ben zoo blijde dat gij gekomen
zijt!" En zij bracht haar hand aan haar voorhoofd, en zag hem weder
aan, zooals men een uit het graf verrezene zou aanstaren.
"Hadt ge mij niet verwacht?" vroeg Geoffrey.
"U verwacht? Neen. Niet meer dan ik verwacht zou hebben--" Eensklaps
zweeg zij.
"Dat is zonderling," hernam hij. "Wist gij dan niet dat uw vader mij
hier zou noodigen? Ik ben met hem uit Londen teruggekomen."
"Uit Londen," herhaalde zij. "Daar wist ik niets van. Elisabeth heeft
mij er niets van verteld. Dat heeft zij zeker vergeten."
"In allen gevalle ben ik hier. En hoe gaat het u?"
"O, nu weer heel wel. Ziezoo, nu ben ik van den schrik bekomen. 't
Is niet goed iemand zoo te verschrikken, mijnheer Bingham. Laat
mij het hek door, en ik zal u de hand geven--als het," liet zij er
aardig spottend op volgen, "geoorloofd is zoo'n groot man de hand
te geven. Maar ik heb het u wel gezegd, niet waar?--even voordat wij
verdronken. Hoe gaat het met Effie?"
"Effie is frisch en gezond," antwoordde hij. "Maar mij dunkt dat gij
er niet zoo heel goed uitziet. Uw vader heeft mij verteld dat gij
dezen winter kou hebt gevat," en Geoffrey huiverde toen hij aan de
reden daarvan dacht.
"O, ik heb niets om over te klagen. Ik ben wèl en sterk. Hoe lang
blijft ge hier?"
"Niet lang. Misschien tot Dinsdagochtend, misschien tot Maandag."
Beatrice zuchtte. Geluk is van korten duur. Zij had hem hier niet
gebracht; zij zou geen vinger uitgestoken hebben om hem hier te
brengen, maar nu hij gekomen was, wenschte zij dat hij langer bleef.
"'t Is tijd voor het avondeten," zeide zij; "laten we naar binnen
gaan."
Dit deden zij. Zij zaten vergenoegd bijeen. Granger was bijna
luidruchtig vroolijk. 't Is verwonderlijk welk een verschil het
bezit van twee honderd pond in zijn gedrag maakte; hij scheen een
ander mensch te zijn. Wel moest er honderd af om schulden te betalen,
maar er schoten toch nog honderd over, en daar kon hij minstens een
jaar mee toe. Elisabeth was ook minder grimmig dan gewoonlijk; de
twee honderd pond hadden op haar ook invloed, en nog andere invloeden
werkten heimelijk in haar arglistig hart. Beatrice wist niets van het
geld, en was eenigszins stil, maar zij was ook vergenoegd; zij smaakte
dat gevoel van onwezenlijk geluk, dat wij soms in een droom hebben.
Wat Geoffrey betrof, als Honoria hem had kunnen zien, zou zij verbaasd
geweest zijn. In den laatsten tijd was hij een zeer stil man geweest;
menigeen had hem ongezellig gevonden. Maar onder den invloed van
Beatrice's tegenwoordigheid, sprak hij met opgewektheid. Misschien
wilde hij, zonder het zelf te weten, zich van zijn gunstigste zijde
vertoonen, zooals ieder man natuurlijk doet in het bijzijn van de
vrouw, die hij bemint. Zoo boeiend was zijn gesprek, dat zij eindelijk
allen stil naar hem zaten te luisteren, en zij hadden hun tijd wel
minder aangenaam kunnen doorbrengen.
Eindelijk was het avondeten afgeloopen, en Elisabeth ging naar haar
kamer. Nu werd Granger ook geroepen om een ziek kind te doopen, en
ging brommend heen, zoodat Geoffrey en Beatrice alleen bleven. Zij
zaten aan het venster, en zagen in den stillen avond uit.
"Vertel mij nu eens van uzelven," zeide Beatrice.
Dit deed hij. Hij verhaalde haar hoe hij stap voor stap zijn
tegenwoordige hoogte bereikt had, en toonde haar aan dat hij het van
dit standpunt tot den hoogsten post kon brengen. Zij zag hem niet
aan, en antwoordde hem niet, maar eens, toen hij ophield, meenende
dat hij genoeg over zichzelven had gesproken, zeide zij: "Ga voort;
vertel mij nog wat meer."
Eindelijk had hij haar alles verteld.
"Ja," zeide zij, "gij hebt er het vermogen en de gelegenheid toe,
en eenmaal wordt gij een der grootste mannen van onzen tijd."
"Dat betwijfel ik," antwoordde hij, met een zucht. "Ik ben niet
eerzuchtig. Ik werk alleen om het werk zelf, niet voor wat het zal
aanbrengen. Eenmaal zal ik het, geloof ik, moede worden en het laten
varen. Maar zoolang ik werk, wil ik gaarne een van de eersten in mijn
stand zijn."
"O, neen," hernam zij, "ge moet het niet opgeven; ge moet voortgaan,
altijd vooruit. Beloof mij," en daarbij zag zij hem voor de eerste
maal aan--"beloof mij dat gij, zoolang gij gezondheid en kracht
bezit, zult volharden totdat gij alleen staat en boven alle anderen
uitblinkt. Dan moogt gij het opgeven."
"Waarom moet ik u dat beloven, Beatrice?"
"Omdat ik het u verzoek. Eenmaal heb ik u het leven gered, mijnheer
Bingham, en dat geeft mij eenig recht om u uw loopbaan aan te
wijzen. Ik wensch dat de man, dien ik voor de wereld behouden heb,
onder de eerste mannen van de wereld genoemd zal worden, niet
om zijn rijkdom, wat maar toeval is, maar om zijn geestkracht en
verstand. Beloof mij dat, en ik zal tevreden zijn."
"Ik beloof het u," zeide hij, "ik beloof dat ik zal trachten het tot
hoog aanzien te brengen, omdat _gij_ het mij verzoekt, niet omdat
het vooruitzicht mij aantrekt:" maar terwijl hij dit zeide, werd
zijn hart verscheurd. Het was bitter haar zoo over een toekomst te
hooren spreken, waarin zij niet zou deelen, die voor haar iets zou
zijn geheel van haar afgescheiden, zoo afgescheiden alsof zij dood was.
"Ja," ging hij voort, "gij hebt mij het leven gered, en het is
een bedroevend denkbeeld voor mij, dat ik niets doen kan om u dat
te vergelden. O, Beatrice, ik wil u zeggen wat ik niemand nog ooit
gezegd heb: ik ben eenzaam en ongelukkig. U uitgezonderd, geloof ik
niet dat er iemand is, die werkelijk belang in mij stelt--die met
mij sympathiseert. Dat zal wel mijn eigen schuld zijn, en het klinkt
vernederend, en in zekeren zin zelfzuchtig, het te zeggen. Ik zou
het ook aan geen andere levende ziel gezegd hebben dan aan u. Wat
baat het groot te zijn, als er niemand is, om voor te werken? Het had
anders kunnen zijn, maar het is een harde wereld. Als gij--als gij--"
Op dit oogenblik raakte zijn hand de hare aan: het was bij toeval,
maar in de teederheid van zijn hart zwichtte hij voor de verzoeking
en had hij hare hand gevat. Zacht trok zij die terug.
"Gij hebt uw vrouw, om uw vermogen met u te deelen," zeide zij, nadat
beiden een oogenblik het stilzwijgen bewaard hadden; "gij hebt Effie,
om het te erven, en uw naam kunt gij aan uw vaderland nalaten."
Nu volgde er een pijnlijk stilzwijgen.
"En gij," brak hij het af, "wat is _uw_ toekomst?"
Zij glimlachte weemoedig. "Vrouwen hebben geen toekomst, en verlangen
er ook geen--ik, ten minste, nu niet meer, ofschoon vroeger wel. 't
Is voor haar genoeg wanneer zij, hoe weinig ook, anderen in hun leven
behulpzaam kunnen zijn. Dat is haar geluk, en haar belooning is--rust."
Juist kwam Granger weer thuis, en Beatrice stond op.
"Ze ziet wat bleek, vindt ge niet, mijnheer Bingham?" zeide haar
vader. "Ik houd het er voor dat er iets is, wat haar verdriet doet. Het
geval is--och, waarom zou ik het u niet vertellen, zij heeft zoo'n
hoogen dunk van u, en gij zoudt een woordje kunnen zeggen om haar op
te beuren--welnu, 't is over mijnheer Davies. Ik geloof, ziet ge,
dat zij veel van hem houdt, en bedroefd is omdat hij er niet voor
uitkomt. Misschien heb ik het mis, maar soms denk ik dat hij het
wel doen zal. Ik heb hem een gezicht zien zetten alsof hij er over
dacht, hoewel het, natuurlijk, meer is dan Beatrice recht heeft te
verwachten. Zij heeft niets anders te geven dan zichzelve en haar
goed uiterlijk, en hij is een rijk man. Denk eens, mijnheer Bingham,"
en de oude heer sloeg zijn oogen vroom ten hemel, "wat zou dat niet
voor haar zijn, en voor ons allen, als het God behaagde haar zulk
een kans te geven; zij zou haar leven lang rijk zijn, en in zoo'n
stand! Maar 't is mogelijk; men kan nooit weten; hij kan wel zin in
haar krijgen. In allen gevalle, mijnheer Bingham, geloof ik dat gij
haar wel wat kunt opbeuren; zij behoeft de hoop nog niet op te geven."
Geoffrey kon een spotachtig lachen niet bedwingen, dat Beatrice van
liefde voor Owen Davies zou kwijnen.
"Ja," zeide hij, "dat zou zeker wel een goede partij voor haar zijn,
maar ik weet niet of zij met mijnheer Davies wel overweg zou kunnen."
"Met hem overweg kunnen! O, dat zou wel gaan; de vrouwen weten zich
zoo te voegen, vooral als zij een gemakkelijk leven hebben. Hij is
misschien wel wat dom, maar ik geloof toch dat zij om hem treurt,
en het zou te bejammeren zijn dat zij haar leven zoo verkniesde. Hoe,
gaat gij al naar bed? Goeden nacht dan--goeden nacht."
Geoffrey ging naar bed, maar niet om te slapen. Een geruime poos
lag hij wakker; allerlei gedachten hielden hem uit den slaap. Hij
dacht aan den laatsten nacht, welken hij in die kleine kamer had
doorgebracht, aan alles, wat hij sedert dien tijd ondervonden had,
en aan de ontmoeting van heden. Kon hij, na die ontmoeting, nog
langer twijfelen wat Beatrice voor hem gevoelde? Dat was moeilijk,
maar toch was het nog mogelijk dat hij zich vergiste. Toen dacht hij
aan hetgeen de oude Eduard hem had gezegd, en wat Granger betrekkelijk
Beatrice en Owen Davies gezegd had.
Beiden hadden hun meening ruw, en zelfs zeer onkiesch uitgedrukt,
maar hun meeningen stemden toch overeen, en wat meer was, er was iets
waars in, en dat wist hij.
Het denkbeeld dat Beatrice met Davies zou trouwen, was, om het zacht
uit te drukken, stuitend voor hem; maar had hij het recht om zich
tusschen haar en zulk een wenschelijken levensstand te stellen? Dat
had hij ontegenzeggelijk niet, en zijn geweten zeide het hem.
Was het bovendien geoorloofd dat die soort van band, die tusschen
hen bestond, nauwer toegehaald werd? Wat zou dat geven? Verdriet,
en niets anders dan verdriet, inzonderheid voor Beatrice. Hij had
verkeerd gedaan hier te komen, hij had verkeerd gedaan haar hand te
vatten. Hij zou het zien te herstellen op de eenige wijze, die in zijn
vermogen was, alsof in zulk een geval als dat van Beatrice herstel nu
mogelijk kon zijn! Hij moest uit haar leven verdwijnen en haar niet
wederzien. Dan zou zij hem leeren vergeten, of ten ergste, nog slechts
met een flauw gevoel van leedwezen aan hem denken. Ja, het mocht kosten
wat het wilde, daar zou hij zich toe dwingen, voordat werkelijk kwaad
het gevolg was. De eenige vraag was, zou hij niet verder gaan? Zou
hij haar niet zeggen dat zij wel zou doen met Davies te trouwen?
Over deze moeilijke vraag peinzend, viel hij in slaap.
Wanneer menschen in Geoffrey's ongelukkigen toestand berouw gevoelen en
de dwalingen huns weegs inzien, overdrijven zij licht hun verstandige
voornemens en gaan aanvallenderwijze te werk. Niet tevreden met de zaak
te laten zooals zij is, moeten zij noodwendig hun nieuw gevonden kracht
aan den deelgenoot hunner fout verkondigen als een onfeilbaar middel
om het _status quo ante_ te herstellen. Soms is het gevolg van dien
vromen ijver dat zij verkeerd begrepen worden, of er zelfs het onheil,
dat zij zoo prijzenswaardig wenschten af te wenden, door verhaasten.
Den volgenden dag was het Pinkster, en een dag, dien Geoffrey
gelegenheid had om zich heel zijn volgend leven te herinneren. Aan
het ontbijt waren zij allen bijeen, en kort daarna gingen zij naar de
kerk, waar het te half elf uur dienst was. Bij wijze van zijn goede
voornemens ten uitvoer te brengen, waarmede hij zoo druk bezig was
een hel op zijn eigen hand te plaveien, ging Geoffrey niet naast
Beatrice zitten, maar koos een plaats aan het einde van de kerk,
dichtbij de deur, waar hij zich troostte met naar haar te zien.
Het was bizonder zwoel weer, en, hoewel er niet veel zon was, zoo
warm als midden in den zomer. Als zij in een vulkanische landstreek
geweest waren, zou Geoffrey gedacht hebben dat zulk weer een schok
van aardbeving voorafging. Maar hij wist dat het eenvoudig een van
die grilligheden van het Engelsche klimaat ten koste der bevolking
was. Intusschen vond hij het in de bedompte kleine kerk om te stikken,
en even vóór de preek, die hij toevallig te weten was gekomen dat
niet door Beatrice geschreven was, nam hij de gelegenheid waar om
er ongemerkt uit te gaan. Zonder bepaald doel, drentelde hij langs
het strand, waar niemand te zien was, want, zooals reeds gezegd is,
Zondags sliep Bryngelly. Evenwel zag hij een man met snelle schreden
aankomen, en in dien man herkende hij Owen Davies, die onder het
loopen in zichzelven sprak en met zijn armen zwaaide. Geoffrey trad
ter zijde, om hem voorbij te laten gaan, en terwijl hij dit deed,
was hij verbaasd, en zelfs bijna verschrikt, van de verandering,
die hij in hem bespeurde. Zijn vol, blozend gelaat was vermagerd,
en teekende een half gemelijke, half droevige uitdrukking; er waren
donkere kringen om zijn eenmaal zoo kalme, blauwe oogen, en zijn
haar had wel geknipt mogen worden. Geoffrey dacht dat hij ziek was
geweest. Op dit oogenblik kreeg Owen hem in het oog.
"Hoe gaat het u, mijnheer Bingham?" zeide hij. "Ik heb gehoord
dat gij hier waart. Dat hebben ze mij gisterenavond aan het station
verteld. Ziet ge, 't is hier een kleine plaats, en men weet gaarne wie
er zoo al komt of heengaat," liet hij er, als tot verontschuldiging,
op volgen.
Hij liep voort, en Geoffrey liep met hem mede.
"Ge ziet er niet goed uit, mijnheer Davies," zeide hij, "zijt gij
ziek geweest?"
"Neen, neen," antwoorde hij, "ik ben heel wel; 't is alleen mijn ziel,
die ziek is."
"Zoo!" zeide Geoffrey, die vond dat hij er werkelijk vreemd
uitzag. "Misschien leeft gij te eenzelvig en zijt gij te veel
alleen--dat zal u neerslachtig maken."
"Ja, ik ben te veel alleen, omdat het niet anders kan. Wat moet iemand
doen, mijnheer Bingham, als de vrouw, die hij bemint, niet met hem
trouwen wil, hem niet wil aanzien, hem behandelt alsof zij hem voor
de honden gevonden heeft?"
"Met een andere vrouw trouwen," ried Geoffrey aan.
"O, dat kunt gij gemakkelijk zeggen--gij hebt nooit bemind, en weet
er niet van. Ik kan met geen andere trouwen, ik wil alleen met _haar_
trouwen."
"Haar? Wie?"
"Wie? Wel, Beatrice--met wie anders zou een man willen trouwen, als hij
haar eenmaal gezien heeft? Maar zij wil mij niet hebben; ze haat mij."
"Waarlijk?" zeide Geoffrey.
"Ja, waarlijk, en weet ge waarom? Wil ik u zeggen, waarom? Ik zal het
u zeggen," en hij greep hem bij den arm, en fluisterde hem heesch in
't oor: "Omdat zij _u_ bemint, mijnheer Bingham."
"Hoor eens, mijnheer Davies," sprak Geoffrey, zijn arm losrukkende,
"zulke malle praatjes duld ik niet. Ge zijt zeker niet bij uw zinnen."
"Wees niet boos op mij," hernam Davies. "Het is waar. Ik heb haar
gadegeslagen, en ik weet dat het waar is. Waarom schrijft zij u elke
week? Waarom onthutst zij en luistert zij als uw naam maar genoemd
wordt? O, mijnheer Bingham," ging hij op een erbarmelijken toon voort,
"heb medelijden--gij hebt een vrouw, en zooveel vrouwen als gij
maar wilt, wie gij het hof kunt maken--laat _mij_ Beatrice. Als ge
't niet doet, geloof ik dat ik krankzinnig zal worden. Ik heb haar
altijd bemind, reeds toen zij nog maar een kind was, en van dag
tot dag wordt mijn liefde sterker en onweerstaanbaarder. Gij kunt
Beatrice slechts tot schande brengen, maar _ik_ kan haar alles geven,
zooveel als zij maar wil, alles wat haar hart begeert, en ik zal een
goed echtgenoot voor haar wezen; ik zal altijd aan haar zijde zijn."
"Ik betwijfel niet of dat zou wel heerlijk voor u zijn," antwoordde
Geoffrey; "maar vindt ge er niet iets onwaardigs in, mijnheer Davies,
dat ge _mij_ dit alles zegt? Dat moet gij Miss Granger zelve zeggen."
"Dat weet ik wel," hernam hij, "maar dat kan mij niet schelen. 't Is
mijn eenige kans, en wat geef ik er om of het onwaardig is? O, mijnheer
Bingham, ik heb nooit een andere vrouw bemind, ik ben mijn heele
leven eenzaam geweest. Sta mij nu niet in den weg. Als gij wist wat ik
geleden heb, hoe ik God heb gebeden mij Beatrice te schenken, zoudt
ge mij helpen. Gij zijt een van die mannen, die alles vermogen; zij
zal naar u luisteren. Als gij haar zegt dat ze met mij moet trouwen,
zal zij het doen, en ik zal er u mijn leven lang voor zegenen."
Geoffrey zag met de grootste verachting op dien smeekeling neder. Er
is altijd iets verachtelijks in, als de eene man de hulp van een
anderen in zijn liefdeszaken inroept--dat moest hij alleen wel
af kunnen. Hoeveel te meer nog is het dan niet vernederend, als de
verliefde persoon hulp zoekt bij den man, dien hij voor zijn gelukkigen
medeminnaar houdt?
"Ik moet u zeggen, mijnheer Davies," hernam Geoffrey, "dat ik van dat
alles genoeg heb. Het past mij niet Miss Granger te willen dwingen
een aanzoek aan te nemen, dat haar, volgens uw verklaring, niet welkom
is. Maar als ik er toe in de gelegenheid ben, zal ik haar zeggen wat
ge _mij_ gezegd hebt. Het overige laat ik aan uzelven over. Goeden
morgen, mijnheer Davies."
Hij wendde zich om, en liep heen, terwijl Owen hem nastaarde.
"Ik geloof hem niet," bromde hij bij zichzelven. "Hij zal beproeven
haar tot zijn minnares te maken. O, God sta mij bij--daar kan
ik niet aan denken! Maar als hij het doet, en ik er achter kom,
laat hij dan oppassen! Ik zal hem in 't verderf storten, ja, in 't
verderf storten! Ik heb geld, en dus kan ik dat doen. Ha, hij denkt
dat ik gek ben--ze denken altemaal dat ik gek ben, maar ik heb mij
niet al die jaren voor niemendal stilgehouden. Ik kan geweld maken,
als het noodig is. En als hij een schurk is, zal God mij helpen om
hem te vernietigen. Ik heb God gebeden, en God zal mij helpen."
Toen ging hij naar het kasteel terug. Owen Davies was een type van dat
soort van godsdienstige menschen, die meenen dat zij den Almachtige
voor hun verlangens op hun hand kunnen krijgen, als die verlangens
maar door menschelijke instellingen en gebruiken gewettigd zijn.
Zoo was, binnen vier-en-twintig uur, Geoffrey's hulp driemaal
ingeroepen, om het meisje, dat hij beminde, in de armen van een
echtgenoot, die haar tegenstond, te brengen. Geen wonder dat hij op
dit punt bijna bijgeloovig werd.
Hoofdstuk XXII.
Een stormachtige nacht.
Dien namiddag ging het heele gezelschap van de pastorie naar
de boerderij, om een nieuw nest jonge varkens te zien. Het kwam
Geoffrey voor, toen hij zich vroegere edities herinnerde, dat het
voortbrengingsvermogen van Grangers oude zeug aan het wonderbaarlijke
grensde, en droomerig maakte hij een berekening, hoeveel tijd zij en
haar nakomelingschap wel noodig zouden hebben om op elken vierkanten
meter van het grondgebied van Wales een varken voort te brengen. Dat
scheen in zes jaar te doen te zijn, maar het was een dwaze berekening,
dus liet hij het er bij.
Dien namiddag sprak hij geen woord met Beatrice alleen. Het scheen
alsof er een zekere koelheid tusschen hen ontstaan was. Met de
scherpzinnigheid eener liefhebbende vrouw, had zij geraden dat
er in zijn gemoed iets omging, wat strijdig met haar levendigste
belangen was, dus vermeed zij zijn gezelschap en beantwoordde zijn
gebruikelijke voorkomendheden met een beleefdheid, die even koel als
terneerslaand was. Dat beviel Geoffrey niet; 't is geheel iets anders
(natuurlijk, in haar eigen belang) het heldhaftig besluit te nemen,
van een dame, die men niet in opspraak wil brengen, af te zien,
dan door die dame afgescheept te worden voordat het oogenblik van
scheiding gekomen is. In zijn hart zou hij wel gewenscht hebben dat
zij dezelfde gebleven was, ja zelfs teederder was geworden, om des
te meer eer van zijn deugdzaam gedrag te hebben.
Maar ongelukkig speelt een vrouw, in zulk een geval, iemand nooit in
de kaart. Haar gedrag kan alles in de war sturen, want het is in 't
oogspringend dat er om een zaak van dien aard tot een waardig einde
te brengen, twee noodig zijn. Beatrice gedroeg zich niet beter dan
elke andere vrouw gedaan zou hebben. Zij was geraakt en wantrouwend,
en dat toonde zij, waarvan het gevolg was dat Geoffrey ook geraakt
werd. Hij vond het wreed van haar, alles in aanmerking genomen. Hij
vergat dat zij niet weten kon wat er in zijn binnenste omging, hoeveel
zij ook mocht gissen; ook dat hij tot dusverre de kracht harer liefde
voor hem, en alles wat die voor haar beteekende, niet wist. Had hij
dit kunnen beseffen, dan zou hij heel anders gehandeld hebben.
Zij kwamen thuis en dronken thee, en toen maakten Granger en Elisabeth
zich gereed om naar de avondgodsdienstoefening te gaan. Tot Geoffrey's
teleurstelling, deed Beatrice dat ook. Hij had verwacht een rustig
wandelingetje met haar te doen--dat was waarlijk te erg. Gelukkig,
of liever ongelukkig, was zij het eerst gereed, zoodat hij een woord
met haar kon spreken.
"Ik wist niet dat ge naar de kerk gingt," zeide hij; "ik dacht dat wij
samen een wandeling zouden doen. Waarschijnlijk moet ik morgenochtend
vroeg vertrekken."
"Zoo?" zeide Beatrice koel. "Maar gij hebt, natuurlijk, uw werk
dat u wacht. Ik heb Elisabeth gezegd dat ik in de kerk zou komen,
dus moet ik het ook doen; en het is te drukkend weer om te wandelen;
er broeit onweer."
Op dat oogenblik kwam Elisabeth binnen.
"Ga je nu mee naar de kerk, Beatrice?" zeide zij. "Vader is al
vooruit."
Beatrice deed alsof zij haar niet hoorde, en dacht even na. Hij zou
heengaan, en zij zou hem niet weer zien. Kon zij zich dat laatste
uur laten ontglippen? O, dat kon zij niet!
Dit oogenblik van nadenken besliste haar lot.
"Neen," antwoordde zij langzaam, "ik zal maar niet meegaan; 't is te
warm in de kerk. Mijnheer Bingham zal je wel willen vergezellen."
Geoffrey haastte zich om te zeggen dat hij dit niet van plan was,
en Elisabeth ging alleen. "Ik dacht wel, lievertje, dat je niet mee
zoudt gaan!" zeide zij bij zichzelve.
"Welnu," zeide Geoffrey, toen zij weg was, "zullen wij uitgaan?"
"Mij dunkt, 't is hier aangenamer," antwoordde Beatrice.
"O, Beatrice wees niet zoo stroef," zeide hij, met een zachte stem.
"Nu dan, als gij 't gaarne wilt," antwoordde zij. "De zon gaat zoo
rood onder--wij krijgen, geloof ik, onweer."
Zij gingen uit, en wandelden het eenzame strand op. Het was daar geheel
verlaten, en zij liepen niet vlak naast elkander en bijna zonder
te spreken. De zonsondergang was luisterrijk; groote, goudkleurige
wolken dreven uit den gloed in het Westen gestadig landwaarts. De zee
was nog stil, maar deed een klagend geloei hooren. De onweerswolken
pakten zich samen.
"Welk een heerlijke zonsondergang!" zeide Geoffrey eindelijk.
"Maar een heerlijkheid, die een onstuimigen nacht en een natten
morgen voorspelt," antwoordde zij. "De wind steekt op; willen wij
terugkeeren?"
"Neen, Beatrice, laten we ons niet aan den wind storen. Ik moet u
spreken, als gij 't mij vergunt."
"Ja," zeide Beatrice, "waarover mijnheer Bingham?"
In een geval van dien aard goede voornemens op te vatten is
betrekkelijk gemakkelijk, maar ze ten uitvoer te brengen levert
nogal moeilijkheden op. Dit ondervond Geoffrey ook, nu het er toe
kwam om Beatrice te zeggen dat zij wel zou doen met Owen Davies te
trouwen. Intusschen bewaarde zij het stilzwijgen.
"Ziet ge," begon hij, "ik hoop dat ge 't mij niet kwalijk zult nemen,
maar ik heb veel over u en uw toekomstig welzijn gedacht."
"Dat is zeer vriendelijk van u," zeide Beatrice, met kwaadvoorspellende
deemoedigheid.
Dit was terneerslaand, maar Geoffrey's besluit stond vast en op
eenigszins radden toon, uit zenuwachtigheid en tegenzin in zijn
taak voortspruitende, ging hij voort. Nooit had hij haar zoo bemind
als op dit oogenblik nu hij haar zou aanraden met een ander man te
trouwen. En echter volhardde hij in zijn dwaasheid. Want, zooals men
meermalen ziet, het schrander doorzicht en de wereldkennis, waardoor
Geoffrey zich als rechtsgeleerde onderscheidde, wanneer hij de zaken
van anderen behandelde, begaven hem geheel en al in deze crisis van
zijn eigen leven en die van het meisje, wier afgod hij was.