"O, die is, geloof ik, wèl--heel stil, weet ge, en zij ziet wat

bleek; maar zij is altijd zoo stil--een raar meisje, die Beatrice,

mijnheer Bingham, een heel raar meisje! Ik begrijp haar niet, en

ik probeer ook maar niet eens haar te begrijpen. Zij is heel anders

dan andere meisjes, zij schijnt in niets plezier te hebben. Niemand

begrijpt Beatrice."

Geoffrey slaakte een zucht van verlichting. "En hoe gaat het met de

betaling van de tienden, mijnheer Granger? Ook niet al te best, vrees

ik. Ik heb gezien dat die schurk Jones in de gevangenis gestorven is."

Granger werd dadelijk wakker. Eerst had hij maar zoowat in 't wild

gezegd: over zijn dochters te spreken was geen onderwerp, waarin hij

veel belang stelde. De geldkwestie was het voornaamste. En dat was ook

niet te verwonderen; de arme oude man had zóó lang over geld gedacht,

dat er in zijn bekrompen geest nauwelijks plaats voor iets anders

overschoot--al het overige ging hem langs zijn koude kleeren. Hij

deed een lang verhaal van zijn grieven, haalde een papier uit zijn

zak te voorschijn, en wees Geoffrey met een bevenden vinger aan, dat

zijn kerkelijk inkomen in de laatste zes maanden maar op veertig pond

's jaars te staan kwam, van welke som zelfs een Welsch predikant niet

leven kon. Geoffrey luisterde en symphathiseerde met hem; toen volgde

er een poos stilzwijgen.

"En zoo sukkelen wij in Bryngelly voort, mijnheer Bingham," begon

Granger; "'t is armoe troef. Terwijl gij geld verdiend hebt en een

groot man geworden zijt, zitten wij erger dan ooit op het droge. Als

wij Beatrice's salaris er niet bij hadden--en met haar salaris handelt

zij heel mooi, dat moet ik zeggen; ik weet niet hoe de arme meid

zich nog kan kleeden van wat zij er voor zichzelve van behoudt. Den

heelen winter heeft zij zonder een warmen mantel geloopen--dat weet ik,

omdat zij er kou door heeft gevat. Ja, zonder haar salaris zouden wij

reeds lang in het werkhuis zitten, en daar komen wij toch nog in;"

en hij streek met den rug van zijn dorre hand over zijn oogen.

Dat was te erg! Bij het denkbeeld dat Beatrice nauwelijks genoeg

had om zich te kleeden--dat Beatrice ziek werd door gemis van een

mantel, terwijl _hij_ in weelde leefde, voelde Geoffrey zijn hart

als dichtgenepen. In het eerste oogenblik kon hij niets zeggen.

"Ik ben hier gekomen--ik kom," ging de oude man voort met een haperende

stem, niet zoozeer van schaamte over zijn verzoek, als wel van vrees

dat het hem geweigerd zou worden, "om u te vragen of ge mij wat geld

zoudt kunnen leenen. Ik weet niet tot wien ik mij wenden moet, dat

weet ik waarlijk niet, anders zou ik het niet gedaan hebben, mijnheer

Bingham. Ik heb mijn laatste pond uitgegeven om hier te komen. Als

ge mij honderd pond kunt leenen, zal ik u een briefje van mijn hand

geven om het u bij kleine gedeelten terug te betalen; wij zouden er

twintig pond 's jaars van Beatrice's salaris voor kunnen afnemen--"

"Spreek, als 't u belieft, van zoo iets niet!" riep Geoffrey met

afschuw uit. "Waar duivel is mijn _checkboek?_ O ik weet het, ik

heb het in Bolton Street gelaten. Hier, dit zal even goed zijn,"

en hij schreef snel een wissel aan zijn order, dien hij endosseerde

en Granger overhandigde. De oude man nam den wissel aan, hield hem

dicht bij zijn oogen, en zag dat het bedrag £ 200 was.

"Maar dat is het dubbele van wat ik gevraagd heb," zeide hij

twijfelachtig. "Moet ik u £ 100 teruggeven?"

"Neen, neen," antwoordde Geoffrey: "gij hebt zeker wel eenige

schulden te betalen. Den Hemel zij dank, ik kan dat geld wel missen,

en ik verdien meer dan ik noodig heb. Niet genoeg kleeren!--'t is

verschrikkelijk om aan te denken!" liet hij er op volgen, meer bij

zichzelven dan tot zijn toehoorder.

De oude man stond op, met de oogen vol tranen. "God zegene u!" zeide

hij, "God zegene u! Ik weet niet hoe ik u danken moet--waarlijk niet,"

en hij greep Geoffrey's hand en drukte die tusschen de zijne.

"Spreek er niet verder over, mijnheer Granger; 't is een zaak van

wederzijdsche verplichting. Neen, neen, ik wil geen briefje van uw

hand hebben. Als ik kwam te sterven, zou er tegen u gebruik van gemaakt

kunnen worden. Ge kunt het mij terugbetalen wanneer het u schikt."

"Gij zijt al te goed, mijnheer Bingham," hernam de oude

predikant. "Waar zou een ander te vinden zijn, die mij £ 200 zonder

securiteit zou willen leenen?" (Ja juist, waar!) "A propos," liet hij

er op volgen, "dat vergat ik nog--ik ben zoo in de war. Wilt gij voor

eenige dagen met mij naar Bryngelly meegaan? Het zal ons allen zoo

aangenaam zijn u te zien. Doe het, mijnheer Bingham; gij ziet er uit,

alsof gij wel eenige verandering noodig hadt."

Geoffrey liet zijn hand zwaar op de lessenaar vallen. Nog geen half

uur te voren had hij besloten niet naar Bryngelly te gaan. En nu--

Het visioen van Beatrice rees hem voor den geest. Beatrice, die

den geheelen winter kou had geleden, en hem nooit een woord van hun

nijpende armoede gezegd had! Het verlangen om haar te zien was in

zijn hart gewekt, en al de redeneeringen van het verstand moesten

er voor zwichten. De verzoeking overweldigde hem; hij streed er niet

langer tegen.

"Gaarne," zeide hij bedaard, zijn gebogen hoofd opheffende. "Ja,

dat kan ik wel doen. In de eerste dag of wat wacht mij toch niets

bizonders. Wanneer gaat gij terug?"

"Ik had er over gedacht met den laatsten trein te gaan, maar ik ben

zoo vermoeid. Ik weet het waarlijk niet. Ik denk dat ik morgenochtend

met den trein van negen uur zal gaan."

"Dat schikt mij zeer goed," zeide Geoffrey, "en wat zult ge nu

van avond doen? Ge moest maar bij mij komen dineeren en den nacht

doorbrengen. Niet gekleed, zegt gij? O, dat doet er niet toe; er

komt wel gezelschap, maar dat zal daar niet op letten; een predikant

is altijd gekleed. Ga maar mee, en dan zal ik u voor dien wissel

contanten geven, want de bank is nu gesloten en morgen vóór negenen

nog niet open."

Hoofdstuk XX.

In Bryngelly terug.

Geoffrey en Granger kwamen omstreeks zes uur in Bolton Street aan. De

gezelschapskamer was nog vol bezoekers. Lady Honoria's aanhang van

jongelieden kwam in die dagen trouw op. Het waren zeer onschadelijke

jongelieden, en Geoffrey had niets bizonders tegen hen. Hij vond

het alleen maar moeilijk al hun namen te onthouden. Toen Geoffrey en

Granger de gezelschapskamer binnenkwamen, waren er niet minder dan

vijf, benevens een paar dames, prachtig gekleed, en die beeldsprakig

aan Honoria's voeten zaten. Tot het algemeen genoegen droegen zij juist

niet veel bij, want haar Ladyschap voerde meestal het woord alleen.

Geoffrey stelde Granger voor, dien Honoria zich eerst niet scheen te

kunnen herinneren. Ook was zij er niet bizonder mee ingenomen toen

zij vernam dat hij zou blijven dineeren en dien nacht logeeren. De

jongelieden verdwenen bij Geoffrey's komst als nevelen voor de

opkomende zon. Hij groette hen beleefd genoeg, maar zij hadden niets

met hem gemeen. Om de waarheid te zeggen, waren zij een weinig bang

voor hem. Die man met zijn knap, donker gelaat, dat den stempel

van verstand droeg, zijn forschgebouwde gestalte (naar hun maatstaf

slecht gekleed) en zijn groote en toenemende vermaardheid, was iemand,

met wien zij niet sympathiseerden, en dien zij gevoelden dat voor

hen ook geen sympathie had. Wij spreken alsof er voor ons allen één

hemel en één hel is, maar dat is onjuist. Een onoverkomelijke kloof

gaapt tusschen de verschillende soorten van menschen. Wat heeft zulk

een man als Geoffrey te maken met de onbeteekenende mannelijke en

vrouwelijke vlinders van een Londensch salon? Er is slechts één band

tusschen hen: zij zijn bewoners van dezelfde planeet.

Toen de saletjonkers en de dames verdwenen waren, bracht Geoffrey

zijn gast naar zijn kamer. Beneden gekomen, vond hij Lady Honoria in

zijn studeerkamer op hem wachten.

"Blijft dat individu werkelijk hier dineeren en logeeren?" vroeg zij.

"Zeker, Honoria, maar hij heeft geen zwarten rok bij zich," antwoordde

Geoffrey.

"Maar dat is al te erg van u," zeide de dame, met wel eenigszins

begrijpelijken wrevel. "Hoe kunt ge zoo iemand meebrengen? Een Welsch

predikant, die niet de minste aanspraak op den naam van _gentleman_

kan maken, te dineeren te vragen, als de Eerste Minister en een

bisschop komen--en dat nog wel een predikant zonder zwarten rok! Hij

zal een steen des aanstoots aan tafel zijn. Wat kwam hij bij u doen?"

"Hij kwam mij over zaken spreken; en wat de andere gasten betreft--als

het hun niet bevalt met hem aan tafel te zitten, kunnen zij er over

brommen als zij thuis komen. A propos, Honoria, ik ga morgen voor

een paar dagen naar Wales. Ik moet verandering hebben."

"Zoo! Ge gaat zeker die lieve Beatrice eens bezoeken? Ge moogt

wel voorzichtig zijn, Geoffrey. Dat meisje zal u in ongelegenheid

brengen, en als zij dat doet, zal men u met den vinger nawijzen. Ge

hebt vijanden genoeg, dat kan ik u verzekeren. Ik ben niet jaloersch,

dat ligt niet in mijn aard, maar ge zijt veel te intiem met dat meisje,

en eenmaal zal het u berouwen."

"Gekheid," zeide Geoffrey toornig, maar niettemin gevoelde hij dat Lady

Honoria ware woorden had gesproken, en in haar toon lag ook een zekere

vaste overtuiging. Evenwel wilde hij nu niet meer terugtreden. Hij

had er zijn hart op gezet Beatrice weder te zien.

"Moet ik begrijpen," ging zijn vrouw voort, "dat ge er nog tegen hebt

dat ik bij de Garsingtons ga logeeren? Mij dunkt, 't is wel wat hard,

als ik er geen beweging over maak dat gij uw dorpsschoone gaat zien,

dat ge _mij_ dan niet zoudt vergunnen mijn eigen broeder te bezoeken."

Geoffrey gevoelde dat hij een accoord moest maken. Het was wel

vernederend, maar in zijn verzotheid gaf hij toe.

"Ga, als ge wilt," zeide hij kortaf, "maar als ge Effie meeneemt,

let er dan op dat er behoorlijk zorg voor haar gedragen wordt;"

en meteen liep hij de kamer uit.

Lady Honoria zag hem na, en zeide bij zichzelve, langzaam met het

hoofd knikkend: "Ei, ei, nu weet ik hoe ik u behandelen moet. Ge

hebt even goed uw zwakke punt als andere menschen, mijnheer Geoffrey,

en dat wordt gespeld Beatrice. Maar ge moet niet te ver gaan. Ik ben

niet jaloersch, maar ik wil geen schandaal hebben--voor geen vijftig

Beatrices. Ik wil niet toelaten dat ge uw naam en positie te grabbelen

gooit. 't Is al te gek dat zoo'n man als hij van liefde kwijnt voor

een dorpsmeisje! En dan zegt men nog dat hij zoo knap is! Hij heeft

altijd veel van het gezelschap van dames gehouden; dat is een gebrek

van hem, en nu heeft hij zijn vingers gebrand. Dat doen die knappe

mannen altijd, vroeg of laat. De vrouwen vleien hen, daar komt het

van. Natuurlijk zoekt het meisje hem in te pakken, en zij kon wel

erger doen, maar zoo zeker als mijn naam Honoria Bingham is, ik zal

er wel een stokje voor steken. Ba! En dan lacht men nog om de macht

der vrouw, terwijl zoo'n man van aanzien als Geoffrey, verliefd wordt

op een mooi gezichtje; 't is een _heel_ mooi gezichtje, dat moet ik

zeggen. Ik geloof, als ik hem niet in den weg stond, dat hij met haar

zou trouwen. Maar ik sta in den weg, en ben voornemens in den weg

te _blijven_ staan. Maar, komaan, 't is tijd om mij voor het diner

te kleeden. Ik hoop maar dat die oude vlegel van een predikant niets

bespottelijks doet. Ik zal verontschuldigingen voor hem moeten maken."

Tegen het bepaalde uur voor het diner--het was nu kwart over

achten--verzamelden zich de gasten, allen beschaafde en meer of minder

voorname personen. Granger kwam te voorschijn in zijn kale zwarte

jas, maar, om hem wat op te knappen, met een paar gelakte schoenen

van Geoffrey te hulp gekomen. Zooals wel te verwachten was, schenen

de voorname personen niet verbaasd over zijn aanwezigheid te zijn,

of bizonder notitie van zijn kleeding te nemen, want zulke lieden

zijn nooit verbaasd. Een Zoeloe-opperhoofd in vollen krijgsdos zou

slechts vriendelijke belangstelling in hun gemoed wekken. Integendeel

vonden zij den ouden man een soort van curiositeit, en als zoodanig

de kennismaking wel waard. De Eerste Minister verzocht zelfs, toen

hij hoorde dat die vreemde heer een predikant uit Wales was, aan hem

voorgesteld te worden, en knoopte dadelijk een gesprek met hem aan

over tienden--een onderwerp, waarin Granger volkomen thuis was.

Toen men aan tafel ging, geleidde Granger de vrouw van den bisschop,

een dikke dame, die eenigszins aanleg voor een beroerte had en met

een uitmuntenden eetlust gezegend was. Aan zijn andere zijde zat de

Eerste Minister, en tusschen die twee in, maakte hij het zeer goed,

vooral na eenige glazen wijn gedronken te hebben. Zoowel de dikke

vrouw van den bisschop als het hoofd van Harer Majesteits regeering

verklaarden later dat dominé Granger een zeer onderhoudend man was. Den

eerstgenoemde vertelde hij in alle bizonderheden hoe zijn dochter hun

gastheer het leven had gered, en met den laatstgenoemde redeneerde hij

over tienden, en gaf hem zijn meening te kennen welke wetgeving op

dit punt noodzakelijk was. Eenigszins tot zijn verbazing, bleek het

hem dat zijn zienswijze met aandacht, en zelfs met zekeren eerbied,

werd aangehoord. In de hoofdzaak werden zij ook ondersteund door

den bisschop, voor wien tienden insgelijks een punt van levendige

belangstelling waren. Nooit te voren had Granger zulk een goed diner

gehad of met zulk voornaam gezelschap omgegaan. Zijn leven lang vergat

hij het niet.

Den volgenden ochtend vertrok Geoffrey met Granger, voordat Lady

Honoria op was. In de bizonderheden van hun lange reis naar Wales

behoeven wij niet te treden. Geoffrey had veel om over te denken,

maar zijn vrees was verdwenen, zooals wel meer het geval is, wanneer

het oogenblik, waar men tegen opziet, nadert, en door nieuwsgierige

verwachting vervangen. Hij zag nu, of meende te zien, dat hij een

berg van een molshoop had gemaakt. Waarschijnlijk had het niets

te beteekenen. Beatrice hield ongetwijfeld wel van hem; mogelijk

had zij zelfs een vlaag van teederheid voor hem gevoeld. Zoo iets

komt, en zoo iets gaat. De tijd is een uitmuntend heelmeester voor

zedelijke wonden, en weinig jonge dames dragen de kluisters van een

onwenschelijke gehechtheid langer dan zeven maanden. Het deed hem bijna

blozen dat hij zulk een mogelijkheid had kunnen vooronderstellen--een

vooronderstelling, die niets anders was dan het uitvloeisel van

zijn ijdelheid, en waar Beatrice, als zij het geweten had, met

verontwaardiging om gelachen zou hebben.

Hij herinnerde zich hoe hij eens, toen hij nog zeer jong was,

verliefd was geweest op zekere dame, die, naar haar woorden en daden

te oordeelen, zijn liefde zeker wel beantwoordde. En hij herinnerde

zich ook dat die dame, toen hij haar eenige maanden later ontmoette,

hem met koele onverschilligheid, ja bijna smadelijk, bejegend had,

en hij er zich over verbaasd had hoe iemand zich in een geheel ander

licht kon vertoonen, totdat hij eindelijk, teleurgesteld en gekrenkt,

en zich schamende dat hij zich zoo in haar vergist had, woedend was

weggeloopen en haar nooit had wedergezien. Dat had hij, natuurlijk,

aan vrouwelijke trouweloosheid van karakter toegeschreven; zij had

hem voor den gek gehouden, dat was haar eenige bedoeling geweest. Nu

zou zij lachen om zijn vernedering. Het kwam niet bij hem op, dat

het eenvoudig nukkigheid had kunnen zijn, of dat zij niet werkelijk

veranderd was, maar zich om de een of andere reden, die zij niet

verkoos te laten blijken, door hem beleedigd achtte. 't Is moeilijk de

beweegredenen der vrouwen in de schaal van mannelijke ondervinding te

wegen, en menig ander man, behalve Geoffrey, heeft zich genoodzaakt

gezien die poging op te geven en zich te troosten met de gedachte

dat het onverklaarbare dikwijls niet waard is begrepen te worden.

Ja, waarschijnlijk zou het nu weer hetzelfde geval zijn. En toch, en

toch--was Beatrice van dat soort? Bezat zij niet te veel degelijkheid

van karakter om zulke kuren te hebben? In den grond zijner ziel dacht

hij dit wel, maar hij wilde het zichzelven niet bekennen. Het geval

was eigenlijk dat hij, half onbewust, zijn geweten in slaap zocht

te sussen. Hij wist dat hij, in zijn verlangen om haar te zien, iets

gevaarlijks had ondernomen. Hij zou met haar over een afgrond loopen

op een brug, die hen misschien zou kunnen houden of--misschien zou

breken. Zoolang hij daar alleen op liep, zou het goed gaan, maar zou

die brug hen beiden kunnen houden? Ach, zoo zwak is de menschelijke

natuur, dit was de waarheid; maar dat wilde hij niet erkennen. Hij

ging niet naar Beatrice omdat hij verliefd op haar was, maar alleen

om het genoegen van haar gezelschap te smaken, maakte hij zichzelven

wijs. In vriendschap kon toch geen kwaad steken.

't Is niet moeilijk de stem van het geweten aldus tot zwijgen te

brengen, vooral wanneer de bewuste zaak, ten ergste genomen, veeleer

zondigen tegen plaatselijk gebruik dan tegen de natuurlijke wet is. In

vele landen der wereld--ja, in bijna alle landen, in verschillende

tijdperken hunner geschiedenis--zou het niets onbehoorlijks geweest

zijn dat Geoffrey en Beatrice elkaar beminden, en het menschelijk

hart is in sterke verzoeking zoo geneigd over de slagboomen van

maatschappelijke instellingen heen te springen. Maar, zooals wij weten,

alles is wel hoorbaar maar niet oorbaar. Een daad te bedrijven of

zelfs maar te vergoelijken, omdat er op het beginsel, dat haar als

slecht stempelt, is af te dingen, is louter sophisme, waardoor wij

ons het recht zouden toekennen de meeste wetten van elke soort te

trotseeren. De wetten zijn verschillend naar den aard van het bestaand

geslacht, maar elk geslacht moet zijn eigen wet eerbiedigen, of het zou

verwarring geven. Een daad moet beoordeeld worden naar zijn vruchten;

zelfs kan zij op zichzelve onschuldig zijn, en toch is de bedrijver

er van in zekeren zin schuldig, als zij kwade vruchten voortbrengt.

Liefdesbetrekking tusschen een vrouw en een man, die reeds gehuwd is,

berokkent allen, die er in betrokken zijn, meestal verdriet en onheil,

inzonderheid de vrouw, wier toekomst er misschien onherstelbaar door

bedorven is. 't Is vruchteloos op het voorbeeld van de aartsvaders,

van vorstelijke families en vele fatsoenlijke Turken te wijzen;

het baat niet, aan te voeren dat die liefde een zuivere, innige

is, waarvoor een man of een vrouw zou willen leven of sterven; of

eenzaamheid, gemis van sympathie en dat het bestaand huwelijk maar

een huwelijk in naam is, als verschoonende omstandigheden te willen

laten gelden. Veel schandelijks en onzedelijks wordt, èn bij mannen

èn bij vrouwen, door de vingers gezien--maar _dit_ niet.

Zulke bedoelingen had Geoffrey echter geenszins. De meeste menschen

maken geen plannen van dien aard. Als zij vallen, is het wanneer de

stem van het geweten verloren gaat in den dwarrelwind der hartstochten,

en de waarschuwingen van het verstand overschreeuwd worden door de

drogredenen van het hart. Hun grootste misslag is dat de meesten

zich in toestanden laten brengen, die voor zulke heillooze invloeden

gunstig zijn. 't Is niet veilig in een kruitmagazijn cigarettes

te rooken. Als Geoffrey gedaan had wat hij had behooren te doen,

zou hij niet naar Bryngelly terug zijn gegaan, en dan zou er geen

geschiedenis te verhalen zijn, of, ten minste, niets bizonders.

Eindelijk kwam Granger met zijn gast te Bryngelly aan; er was niemand

om hen op te wachten, want niemand wist dat zij kwamen, dus liepen

zij naar de pastorie. Het wekte een zonderling gevoel in Geoffrey

tusschen die welbekende pijnboomen door, die kleine kerk voorbij

te gaan en dat lage, langwerpige huis te zien. Het kwam hem zoo

verwonderlijk voor dat alles nog juist zoo was als het geweest was,

dat er niet de minste verandering was te bespeuren terwijl hijzelf

zooveel gezien had. Daar was Beatrice's woning: waar was Beatrice?

Als in een droom, trad hij het huis binnen. Een oogenblik later

was hij in de huiskamer, waar hij zoo menig aangenaam uurtje had

doorgebracht, en Elisabeth begroette hem. Hij gaf haar de hand, en

terwijl hij dat deed, merkte hij op dat zij volstrekt niet veranderd

was. Haar strookleurig haar was nog op dezelfde wijze naar achteren

gestreken; om haar mond speelde nog dezelfde scherpe glimlach, haar

lichtgrijze oogen hadden nog dezelfde koele uitdrukking, zij droeg

zelfs nog hetzelfde bruine kleed. Maar het scheen haar veel genoegen

te doen hem te zien, en dat was ook zoo, want het spel stond goed

voor Elisabeth. Haar vader gaf haar een haastigen kus, en liep met

veel drift de kamer uit om zijn geleend geld weg te sluiten, zoodat

hij hen te samen alleen liet.

Zonderling dat Geoffrey, die anders zoo welbespraakt was, ditmaal

geen woorden wist te vinden om een gesprek aan te knoopen. Waar was

Beatrice? In de school kon zij niet zijn; het was vacantie. Zou zij

hier niet meer wonen?

Hij wist niets anders te zeggen dan op een afgetrokken toon de

aanmerking te maken dat alles te Bryngelly nog bij het oude gebleven

scheen te zijn.

"Gij zoekt Beatrice," zeide Elisabeth, meer op zijn gedachten dan op

zijn woorden antwoordende. "Zij is gaan wandelen, maar ik geloof dat

zij wel spoedig zal terugkomen. Neem mij niet kwalijk dat ik u alleen

laat, maar ik moet uw kamer in orde brengen."

Geoffrey draalde nog een weinig; toen stak hij een pijp op, en

wandelde langs het strand, in de heimelijke hoop van Beatrice te

ontmoeten. Hij ontmoette Beatrice echter niet, maar den ouden Eduard,

die hem terstond herkende.

"Wel, mijnheer," zeide hij, "het doet me pleizier u hier terug te zien,

vooral als ik bedenk hoe ik u voor het eerst zag, zoo goed als dood,

met Miss Beatrice, die u bij de haren hield. Het scheelde dien avond

al heel weinig of ge waart er om koud geweest. En zoo zijt ge dan

gespaard gebleven, om lid van het Parlement te worden, heb ik gehoord,

en daar kunt ge veel goeds doen--het zal u heel wat tijd kosten,

mijnheer. Kijk, ik zou wel op uw gezondheid willen drinken."

Geoffrey stak de hand in zijn zak en gaf den ouden man een

sovereign. Dat kon nu wel lijden.

"Gaat Miss Beatrice nog weleens uit roeien?" vroeg hij, terwijl Eduard

verbaasd zijn dank mompelde.

"Zoo nu en dan, mijnheer--dank u vriendelijk; het gebeurt me ook niet

alle dagen dat ik een sovereign krijg--maar ik wou liever dat zij

het niet deed. Ik zou dat wrakke oude ding wel aan spaanders willen

slaan--'t is gevaarlijk. Eenmaal gebeurt er weer een ongeluk mee,

en dan loopt het niet zoo goed af. Maar dat is nu zoo haar manier van

plezier hebben. Zij is een rare, die Miss Beatrice, en zij wordt hoe

langer hoe raarder, nu zij in de pastorie zoo krap zitten, zonder

tienden en zoo 't een en ander. Ik houd het er voor," ging hij op

een gewichtig fluisterenden toon voort, "dat de _Squire_ er wat mee

te maken heeft. Hij vrijt naar haar; hij is zoo tuk op haar als een

haai op een haring, en waarom zij geen ja zegt en met hem trouwt,

begrijp ik niet."

"Misschien houdt zij niet van hem," zeide Geoffrey koel.

"Dat kan wel wezen, de meisjes hebben zoo haar grillen, maar 't is

toch jammer. Hij is wel geen schrandere bol, dat is waar; maar hij

is een braaf man--geen meisje kan een braver man verlangen--hij heeft

altijd stil en bedaard geleefd, ziet ge, mijnheer, en wat meer is, hij

heeft geld, en in de pastorie is schraalhans keukenmeester. De meisjes

moeten soms haar malle grillen maar uit het hoofd zetten. Die gaan

er wel uit, als zij een paar kinderen hebben. Ik ben zeventig jaar,

en ik weet hoe ze zijn. Gij moest eens een woordje met haar spreken,

over vijf jaar zal ze er u dank voor weten. Daar zoudt gij haar een

goeden dienst mee doen, mijnheer, en--neem me niet kwalijk dat ik het

zeg, voor u zou het ook niet kwaad zijn, want dat zou het praatje tot

een leugen maken dat gij, een getrouwd man, verliefd op haar zijt; wat

juist zoo'n wonder niet zou wezen, want zij is wel een meisje om gek op

te worden--ik ben zelf al gek op haar geweest van haar zevende jaar af,

toen de oude mevrouw nog leefde, die acht jaar geleden gestorven is."

Beatrice was een van de weinige onderwerpen, die den ouden Eduard

in vuur konden brengen, en Geoffrey onttrok zich aan zijn verlegen

makende welsprekendheid. Hij wenschte hem haastig goeden avond,

en ging naar de pastorie terug, waar hij, op het hek leunende, het

daglicht in het westen zag verdwijnen.

Eensklaps kwam Beatrice, met een ruikertje wilde rozen in haar gordel,

uit de schemering te voorschijn, en stond van aangezicht tot aangezicht

voor hem.

Hoofdstuk XXI.

Driemaal er bij ingeroepen.

Beatrice(#24830) · 第 15 / 25 段