Geoffrey was geen eerzuchtig man. Hij kende de dwaasheid van eerzucht

te goed, en het einde er van stond hem altijd voor oogen. Dikwijls

dacht hij, dat, als hij zijn lot had kunnen kiezen, hij gevraagd zou

hebben naar een landelijke woning met een goeden tuin, vijfhonderd

pond 's jaars, en iemand om lief te hebben. Maar misschien zou hij

zijn landelijke woning spoedig moede geweest zijn. Hij werkte om

zijn gedachten te smoren, en in zekere mate gelukte hem dat ook. Maar

hij had een gevoelig hart, en het verlangen naar sympathie, dat zijn

geheime zwakheid was, kon hij niet smoren, hoewel zijn trotschheid

niet gedoogde het te laten blijken. Wat gaf hij om zijn zegepralen,

als hij niemand had om ze met hem te deelen? Alles, wat hij er van

kon mededeelen, waren de vruchten, en die gaf hij mild genoeg. Voor

zijn eigen genoegen besteedde Geoffrey weinig. Een zeker deel van

zijn winst spaarde hij op, en het overige werd uitgegeven. In zijn

huis waren vroolijke partijen aan de orde van den dag, maar de heer

des huizes nam er weinig deel aan.

En wat was het geval? Hoe langer hij van Beatrice gescheiden bleef,

des te sterker verlangde hij naar haar gezelschap. Wat hij ook deed,

het baatte niet; hij kon dat lief gezichtje niet uit zijn gedachten

zetten; het trok hem aan als de magneet de naald. Zijn voorspoed bracht

hem geen geluk aan, behalve in dien zin dat hij geen geldzorgen had.

Menschen van een grover zedelijk gehalte kunnen ware voldoening smaken

in wereldsche zegepralen, en eten, drinken en vroolijk zijn, want

morgen sterven zij! Maar een man als Geoffrey leert spoedig, dat dit

ook ijdelheid is. Integendeel, hoe meer hij zijn geest inspande, des te

meer maakte weemoedigheid zich van hem meester. Als hij naar een dokter

gegaan was, zou deze hem misschien gezegd hebben, dat zijn lever niet

in orde was, en dat was ook wel mogelijk. Maar daar zou de zaak niet

mee verholpen zijn. "Welk een wereld!" zou hij uitgeroepen hebben,

"welk een wereld om in te leven, als iemands geluk van zijn lever

afhangt!" Hij had zich de ongelukkige gewoonte eigen gemaakt alles van

de zwartste zijde te zien; het verdrietige viel hem altijd in 't oog.

Het was geen vreemd geval. Groote geesten zijn zelden gelukkig. Dat

kunnen alleen eenvoudige, bekrompen zielen zijn. Maar een groote

geest ziet te ver, en raadt te veel naar wat hij niet ziet. Hij ziet

vooruit en aanschouwt het einde van zijn arbeid; hij ziet om zich heen,

en huivert van de ellende eener zwoegende en worstelende wereld; het

schouwspel van het beklagenswaardige bedelaarskind, dat op waggelende

voetjes om brood smeekt, doorboort hem het hart. Hij kan zich niet

troosten met de gedachte dat het kind maar niet geboren moest zijn,

of dat hij, door zijn laatsten shilling te geven, de klasse, die het

heeft voortgebracht, feitelijk toch niet zou helpen.

En boven het schitterend licht van aardsche vreugde en den donkeren

walm van aardsche ellende, ziet hij het plechtig uitspansel, dat de

toekomst van zijn geslacht bedekt houdt. Want voor zulk een man heeft

ook de godsdienst zijn verschrikking zoowel als zijn hoop, des te meer

naarmate het donkerder in zijn ziel wordt. Wat ligt daar achter dat

geheimzinnig gewelf, waarvan hij het einde met elken dag nader komt,

waarvan de poorten misschien nu reeds voor hem geopend worden? Honderd

stemmen antwoorden, maar geen twee zijn het eens. Honderd handen wijzen

honderd wegen van kennis aan--en halverwege verdwaalt hij er op. En

onveranderlijk blijft dat strak overwelvend geestelijk uitspansel,

waar geen lichtstraal door het nachtelijk duister heen dringt, en al

nader en nader brengen zijn vermoeide voeten hem tot den westelijken

gezichteinder.

't Is bedroevend en 't is verkeerd, maar het is niet geheel en al zijn

schuld; veeleer is het de schuld van de eeuw, van overbeschaving,

van een overdreven streven naar wijsheid. Kweek den onderzoekenden

geest aan, en zijn banden worden hem te eng. De geest wil een hooger

vlucht nemen, hij wil zien, maar het vleesch drukt hem neder, en

in alle vleesch is weinig licht. Soms echter, in een onnatuurlijk

hooge gedachtensfeer zwevende, meent hij een blik te slaan in een

beangstigende toekomst, of misschien in de hopelooze duisternis van

een oneindigen nacht.

O, benijdenswaardig is dat eenvoudig geloof, dat niet vraagt,

niet onderzoekt! Daardoor alleen is vrede te vinden, en voor hen,

die het dwazelijk vaarwel zeggen en er menschelijke wijsheid voor

in de plaats stellen, zal het menschelijk lot weldra een langdurige

vrees zijn. Wetenschappelijk ontwikkeld, en zwoegend onder den last

van kennis, zullen zij hun oude goden verwerpen, en geen positief

weten zal hun troost aanbrengen. De wetenschap, die hier en daar de

donkerheid van het lot met haar electrisch licht bestraalt, geeft zich

voor een leidstar uit. Maar zij is geen leidstar, zij is slechts een

flikkerlicht. Bidden wij om duisternis, meer duisternis, opdat voor

ons verblind gezicht haar licht niet slechts strekken moge om ons te

doen zien, wat de Hoop den doodsteek geeft.

Zoo zocht ook Geoffrey een toevlucht voor zijn geestelijke eenzaamheid,

maar zonder er een te vinden. De sympathie, waarnaar zijn hart

haakte, en die hij niet had kunnen vinden bij de vrouw, die zijn

levensgezellin geworden was, had hij gevonden bij Beatrice, nadat

hij door het huwelijk een onoverkomelijken scheidsmuur tusschen hen

had gesteld. En toch verlangde hij zoo sterk naar haar gezelschap,

dat het hem verontrustte. Hij had wel brieven van haar, maar wat

zijn brieven! Een aanraking van een geliefde hand is wel duizend

brieven waard. Te midden van al den roem, dien hij behaalde, was

Geoffrey in zijn hart ongelukkig; en evenwel scheen het hem toe,

dat, als hij Beatrice maar weer aan zijn zijde kon hebben, al was

't slechts als vriendin, hij rust en vergenoegdheid had kunnen vinden.

Wanneer iemand zijn hart zóó op één doel heeft gezet, is zijn verstand

spoedig overtuigd, dat het onschuldig, zelfs wenschelijk is, en meestal

zullen de omstandigheden ook wel meeloopen om hem gelegenheid te geven,

tot zijn ongeluk, dat zoo vurig begeerde doel te bereiken.

Hoofdstuk XIX.

Geoffrey krijgt bezoek.

En Beatrice--was het haar in al die maanden beter gegaan? Helaas,

geenszins. Zij had op dien herfstochtend van het afscheid-nemen met

een bedrukt hart het Bryngelly-station verlaten, en bedrukt van hart

was zij gebleven. Gedurende de lange wintermaanden waren droefheid en

bitterheid haar deel geweest, en de blijde lente-tijd had die niet

uit haar hart verdreven. Zij beminde hem, zij verlangde naar zijn

tegenwoordigheid, en die was haar ontzegd. Wel verre dat de tijd die

liefde deed uitslijten, scheen zij van week tot week toe te nemen. En

toch zou zij het niet anders gewenscht hebben. Liever wilde zij aldus

door haar geweten en hopeloosheid gekweld worden dan de oorzaak van

haar smart te missen.

Eén troost had Beatrice echter, en ook slechts één: zij wist dat

Geoffrey haar niet vergat. Dat zeiden haar zijn brieven. Die brieven

waren alles voor haar--een vrouw kan meer troost aan een brief

ontleenen dan een man. Bijna even aangenaam als ze te ontvangen,

was het haar ze te beantwoorden. Zij was een goede briefschrijfster,

maar dikwijls verscheurde zij wat zij geschreven had en begon weer

opnieuw. In Bryngelly was niet veel nieuws; het was moeilijk haar

brieven in een aangenamen toon te schrijven. In den geheelen aard

van de zaak was ook iets, dat haar scheen te verlammen. Het was

belachelijk zooveel te zeggen te hebben, en zoo weinig te _kunnen_

zeggen. Niet dat Beatrice er minnebrieven van had willen maken--dat

was nooit bij haar opgekomen, maar zij had willen schrijven, zooals

zij met elkander gesproken hadden. Als zij dit echter beproefde,

was de uitslag niet naar haar zin, de woorden zagen er op het papier

zoo vreemd uit--zij kon ze niet afzenden.

In Geoffrey's snellen vooruitgang op den weg tot roem en fortuin

stelde zij het levendigst belang, en zij verheugde zich er veel meer

over dan hijzelf. Zij getroostte zich de verveling van de kolommen

over de Parlementszittingen van het begin tot het einde te lezen,

alleen maar om kans te hebben er zijn naam in te zien voorkomen of

een redevoering, die hij gehouden had, vermeld te vinden. Ook in de

verslagen der terechtzittingen zocht zij zijn naam niet te vergeefs.

Maar het waren nare maanden, die zij had doorgebracht. 's Morgens

opstaan, de oude sleur van haar dagelijksche werkzaamheden, aan

Geoffrey denken, vermoeid thuis komen en haar toevlucht zoeken in

den slaap en van hem te droomen--zoo ging het den eenen dag voor,

den anderen na. Dan kwamen er nog andere verdrietelijkheden bij. Om

te beginnen, ging het in de pastorie van kwaad tot erger. De tienden

kwamen bijna in 't geheel niet in, en van dag tot dag werd hun armoede

knellender. Als Beatrice's salaris er niet bij was geweest, zou het

gezin niet geweten hebben, waarvan het langer moest bestaan. Zij gaf nu

bijna alles aan haar vader, en hield er slechts een kleine som af voor

haar noodzakelijke kleeding en zulke kleinigheden als postzegels en

postpapier. Maar toch bromde Elisabeth over haar verkwisting dat zij

nog maar voortging met een dagblad te koopen, en vroeg waar het toe

diende elke week een _sixpence_ aan zulk een weelde te besteden. Doch

Beatrice kon er niet toe besluiten van het blad, waarin zij nu en

dan van Geoffrey melding gemaakt vond, af te zien.

Owen Davies was ook een gestadig verdriet voor haar. Zijn verliefdheid

op haar werd in 't oogloopend; iedereen zag het, behalve haar

vader. Granger's geest was zoo vervuld van kwesties in verband

met tienden, dat hij, gelukkig voor Beatrice, aan niets anders kon

denken. Owen liep haar overal na; uren lang wachtte hij buiten de

school of aan het hek der pastorie, alleen om haar eenige woorden toe

te spreken. Soms, als zij eindelijk te voorschijn kwam, scheen hij

met stomheid geslagen; dan zeide hij niets, maar zag haar met doffe

oogen aan op een wijze, die haar ongerust maakte. Hij waagde het,

wel is waar, nooit haar over liefde te spreken, maar zijn gezicht

stond er naar alsof hij het doen wilde, wat bijna even erg was. Daar

kwam nog bij, dat hij jaloersch was geworden.

Het zaad, door Elisabeth in zijn ziel gestrooid, had rijkelijk vruchten

voortgebracht, hoewel Beatrice, natuurlijk, niet wist dat dit haar

zusters bedrijf was.

Denzelfden ochtend, toen Geoffrey vertrokken was, had Davies haar

ontmoet, toen zij van het station terugliep, en vroeg haar of mijnheer

Bingham weg was. Toen zij die vraag bevestigend had beantwoord, had

zij hem duidelijk hooren mompelen: "Goddank! Goddank!" Later ontdekte

zij ook, dat hij den brievengaarder had omgekocht om de brieven te

tellen, die zij aan Geoffrey zond en van hem ontving.

Dit alles was verontrustend voor Beatrice, maar het werd nog

erger. Davies begon haar geschenken te zenden, eerst zoo iets als

duiven en hoenders, die op een tentoonstelling van pluimgedierte

bekroond waren, en later kostbaarheden. De duiven en hoenders kon

zij niet terugzenden zonder dat het in 't oogvallend geweest zou

zijn, maar de kostbaarheden liet zij door een der schoolkinderen

terugbrengen. Eerst kwam er een armband, toen een medaillon met

zijn photographie er in, en eindelijk een kistje, dat, toen zij het

openmaakte, waartoe nieuwsgierigheid haar bewoog, haar bijna door den

glans van zijn inhoud verblindde. Het was een juweelen halssnoer, en

nooit had zij zulke diamanten gezien, maar naar de grootte en den glans

wist zij, dat elke steen wel honderd pond waard moest zijn. Beatrice

stak het in haar zak en hield het bij zich, totdat zij hem ontmoette,

wat, natuurlijk, in den loop van den namiddag het geval was.

"Mijnheer Davies," zeide zij, voordat hij spreken kon, en terwijl zij

hem het pakje overhandigde, "dit is mij bij vergissing gezonden. Wilt

gij zoo goed zijn het terug te nemen?"

Hij nam het verlegen aan.

"Mijnheer Davies," ging zij voort, hem strak in de oogen ziende, "ik

hoop dat zulke vergissingen niet meer zullen plaats hebben. Onthoud,

als 't u belieft, dat ik geen geschenken kan aannemen."

"Als mijnheer Bingham het u had gezonden, zoudt gij het wel aangenomen

hebben," mompelde hij wrevelig.

Beatrice wierp hem zulk een vlammenden blik toe, dat hij terugdeinsde

en haar verliet. Maar het was waar, en dat wist zij. Als Geoffrey

haar een _sixpence_ met een gaatje er in had gegeven, zou zij dien

hooger gewaardeerd hebben dan alle diamanten op de wereld. O, welk

een toestand voor haar! Zij had het recht niet den echtgenoot van

een andere vrouw te beminnen.

Maar recht of onrecht, het was toch maar de waarheid: zij beminde hem.

En het ergste was, zooals zij wel wist, dat vroeg of laat het

voorgevallene met Davies, haar vader ter oore moest komen, en wat

zou er dan gebeuren? Zooveel was zeker, dat hij in zijn armoedigen

toestand hemel en aarde bewogen zou hebben om haar huwelijk met dien

rijken man tot stand te brengen. Haar vader was nooit zeer nauwgezet

geweest, als het op geld aankwam, en nu het geldgebrek zoo nijpend

werd, zou hij het waarschijnlijk nog wel minder zijn.

Dat dit alles de jaloersche oogen van Elisabeth niet ontsnapte,

lijdt geen twijfel. Het zag er donker voor haar uit, maar zij was

niet voornemens daarom de kaarten neer te werpen. Doch het was tijd om

troef uit te spelen. Met andere woorden, Beatrice moest, in de oogen

van Owen Davies schandelijk tentoongesteld worden, als zij dit op de

een of andere wijze kon bewerken. Tot dusverre was alles goed gegaan

voor haar plannen. Beatrice en Geoffrey beminden elkander, daar was

Elisabeth zeker van. Maar het bestaan van die geheime, verborgen liefde

zou niet baten, zoolang er geen openlijke bewijzen van waren. Het

staat ieder vrij een geheime voorkeur te hebben, maar als er eenmaal

aan toegegeven is, als een vrouw eenmaal in opspraak is gekomen, dan

neemt de wereld de gelegenheid waar om haar te vertrappen. Welk man,

dacht Elisabeth, zou met een vrouw willen trouwen, op wier goeden naam

een smet kleefde? Als er een smet op Beatrice geworpen kon worden,

zou Owen Davies haar niet tot vrouw nemen--dus moest zij in opspraak

gebracht worden.

Dat klinkt slecht en onnatuurlijk. "'t Is onmogelijk dat de eene

zuster de andere zoo zou behandelen," zullen de lezeressen van dit

verhaal misschien zeggen, aan haar eigen zuster en haar hartelijke en

rechtgeaarde omgeving denkende. Maar het is niet onmogelijk. Als gij,

die twijfelt, de verslagen van de terechtzittingen wilt lezen--wat

juist geen aangename lectuur voor u is--zult gij zien dat zoo iets

wel mogelijk is. De menschelijke natuur kan tot een zeldzame hoogte

stijgen, maar zij kan ook tot een laagte zinken, die beneden uw

peil is. Omdat iets in uw eigen ondervinding zonder weerga is, volgt

daaruit niet dat het niet waar kan zijn.

Elisabeth was onmeedoogend; ja, wat meer is, zij werd door de

krachtige drijfveeren van hartstocht en hebzucht bewogen. Maar bij

haar onmeedoogendheid paarde zij een groote mate van slimheid, of

liever beredeneerdheid. Als zij een wilde was geweest, zou zij haar

zuster wel spoedig uit den weg geruimd hebben; maar nu zij was wàt

zij was, trachtte zij hetzelfde doel te bereiken door een middel,

dat niet strafbaar voor de wet was, kortom, door haar goeden naam te

vermoorden. Zou _zij_ er verantwoordelijk voor zijn, als haar zuster

den verkeerden weg opging en aldus geschandvlekt was in de oogen van

den man, die haar tot vrouw wenschte te hebben, en met wien Elisabeth

wilde trouwen? Natuurlijk niet, dat was Beatrice's zaak. Maar zij

kon haar alle gelegenheid geven om in verzoeking te komen, en dat

was haar vast voornemen.

De omstandigheden gaven haar daartoe spoedig gelegenheid. Het

geldgebrek in de pastorie werd hoe langer hoe nijpender. Er was

letterlijk niet meer genoeg om van te leven. Allen, die tienden

moesten betalen, weigerden hardnekkig aan hun verplichtingen te

voldoen. Toevallig was het er niet toe gekomen dat Jones, de man,

die den afslager had doodgeschoten, terecht had gestaan. Kort na zijn

inhechtenisneming stierf hij in een vlaag van _delirium tremens_,

en zoo werd er een voorbeeld gemist, dat, als hij behoorlijk was

opgehangen, anderen wel van gewelddadig verzet tegen de wet afgeschrikt

zou hebben. Granger was nu te arm om verder gerechtelijke vervolgingen

in te stellen, waarvan, bij de gesteldheid der gemoederen in Wales,

de uitslag toch twijfelachtig geweest zou zijn; hij kon zich slechts

onderwerpen, en onderwerping was armoede. Hij was reeds bijna tot den

bedelstaf gebracht. In dezen wanhopigen staat van zaken raadpleegde hij

met Elisabeth, en hield haar voor, dat zij geld moesten zien te krijgen

of van gebrek omkomen. De eenige mogelijke kans om geld te krijgen,

was het leenen, en Granger sloeg voor bij Owen Davies aan te kloppen,

die genoeg had. Dat zou hij reeds lang gedaan hebben als de _Squire_

niet den naam had gehad van vrekkig te zijn.

Maar die voorslag was geheel buiten Elisabeth's boekje. Haar hoofddoel

was geweest voor haar vader verborgen te houden dat Davies het oog

op Beatrice had geslagen, en elken dag vreesde zij, dat hij het uit

een andere bron zou vernemen. Zij wist zeer goed, dat als haar vader

naar het kasteel ging om geld te leenen, het hem geleend, of liever,

vrijwillig genoeg gegeven zou worden; maar zij wist ook, dat de

geldschieter deze gunstige gelegenheid zeker zou waarnemen om voor

zijn wenschen betreffende de dochter van den leener uit te komen. Het

eene zou natuurlijk tot het andere leiden, en de belofte van zijn

aanzoek te ondersteunen zou een bewijs van erkentelijkheid voor het

ontvangen geld zijn. Hoe gaarne die steun verleend zou worden, was ook

in 't oogspringend voor haar; en aan de eene zijde door haar vader,

en aan de andere door Owen Davies gedrongen, hoe kon Elisabeth dan

zeker zijn dat zij niet zou toegeven? Beatrice zou juist een meisje

zijn om door een begrip van plicht overgehaald te worden. Haar vader

zou haar zeggen, dat hij het geld op die voorwaarde gekregen had,

en het was zeer mogelijk, dat haar trots haar er toe brengen zou om

een aldus gegeven belofte te vervullen, hoe het haar persoonlijk ook

tegenstond. Neen, haar vader moest tot elken prijs verhinderd worden

hulp bij Owen Davies te zoeken. En toch moest het geld ergens van

daan komen, of zij waren geruïneerd.

Ha, zij had er iets op gevonden!--Geoffrey Bingham moest het geld

leenen! Hij kon het nu wel missen, en zij vermoedde wel, dat het hem

niet van zijn hart gescheurd zou worden als hij dacht dat hij, door het

te geven, middellijk of onmiddellijk Beatrice kon helpen. Haar vader

moest zelf naar Londen gaan om hem te spreken, geen brief schrijven;

men weet nooit hoe een brief gelezen kan worden. Hij moest Bingham

spreken, en hem, zoo mogelijk, in Bringelly medebrengen. In een

oogenblik was elke bizonderheid van het plan Elisabeth duidelijk,

en toen kwam zij er mee voor den dag.

"Ge moet niet naar mijnheer Davies gaan, vader," zeide zij, "hij

is vrekkig en zou u weigeren, en dat zou u maar in een valsche

positie brengen; gij moet naar mijnheer Bingham gaan. Luister: hij

is nu rijk, en hij houdt veel van u en van Beatrice. Hij zal u wel

dadelijk honderd pond leenen. Morgen, met den eersten trein, moet

gij naar Londen gaan, regelrecht naar zijn kamers rijden en hem te

spreken vragen. Heen en terug zal twee pond kosten maar dat is niet

te verhelpen; 't is veiliger dan schrijven, en ik ben zeker dat gij

geen vergeefsche reis zult doen. En weet gij wat gij doen moet, vader:

ge moet mijnheer Bingham meebrengen als gij kunt, om hier eenige dagen

te logeeren. Dat zal een kleine vergelding voor zijn goedheid zijn, en

ik weet dat hij niet wèl is. Beatrice heeft een brief van hem gehad,

waarin hij zeide, dat hij zich overwerkt had en wat rust zou moeten

nemen. Breng hem hier, om de Pinksterdagen door te brengen."

Granger aarzelde, maakte bedenkingen, en gaf eindelijk toe. De zwakke,

ontevreden, oude boer-predikant, uitgeput door dagelijksche zorgen,

en zonder door zedelijke kracht ondersteund te worden, was niets

anders dan een werktuig in Elisabeth's handen. Hij zag er wel niets

vernederends in, te beproeven of hij geld te leen kon krijgen, want

zoo fijn van gevoel was hij niet, en geldzorgen hadden hem ook niet

al te kiesch gemaakt; maar hij had geen zin in de reis naar Londen,

waar hij in geen twintig jaar geweest was, en de kosten, die er mede

gepaard gingen. Hij liet zich evenwel door Elisabeth raden, zelfs om

den tocht voor Beatrice geheim te houden. Beatrice was, zooals haar

zuster verklaarde, zoo trotsch als Lucifer, en zou misschien bezwaren

opperen als hij naar Londen ging om geld van mijnheer Bingham te

leenen. Dat zou zij dan ook zeker gedaan hebben.

Den volgenden namiddag--het was de Vrijdag voor Pinkster en de

laatste dag van de Voorjaars-assises--zat Geoffrey op zijn bureau,

in een neerslachtige stemming, totaal uitgeput door overspanning. Hij

stond een cliënt te woord, een stijfhoofdigen Norfolkschen pachter,

die zijn eigen landheer, wegens een klein verschil, een proces wilde

aandoen, en met zijn zaakwaarnemer bij hem was gekomen om hem daarover

te raadplegen. Geoffrey had hem met eenige korte, duidelijke woorden

de ongerijmdheid van de geheele zaak aangetoond en hem sterk een

minnelijke schikking aangeraden. Maar de pachter was daarmede niet

voldaan, en de zaakwaarnemer beproefde nu het zuivere licht der wet

in de donkerheid van zijn gekrenkte ziel te laten schijnen.

Geoffrey liet zich in zijn stoel achterover zakken, streek het

haar van zijn voorhoofd, en hield zich alsof hij luisterde. Maar

in een oogenblik was zijn geest ver afgedwaald. Hemel, wat was hij

vermoeid! Nu, hij zou voor eenige dagen rust hebben--tot Donderdag,

wanneer hem een gewichtige zaak wachtte. Wat zou hij in dien

tusschentijd doen om zich te verpoozen? Honoria wenschte bij haar

broeder, Lord Garsington, te gaan logeeren, en--wat wonder was--zij

wilde Effie meenemen. Dat beviel hem wel niet, maar hij begreep dat

hij toch maar moest toestemmen. In allen gevalle, ging _hij_ niet

mee. Hij kon Garsington, Dunstan en hun heele kliek niet dulden. Zou

hij naar Bryngelly gaan? De verzoeking was zeer sterk; dat zou een waar

genoegen voor hem zijn; maar zijn verstand kwam er tegen op. Neen,

het was beter dat hij daar niet heen ging. Als Beatrice wenschte dat

hij kwam, zou zij het wel geschreven hebben, en zij had er zelfs nooit

een wenk van gegeven, en al had zij dat gedaan, geloofde hij dat hij

toch niet gegaan zou zijn. Maar hij had geen lust ergens anders heen

te gaan. Hij zou maar in stad blijven, zijn rust nemen en een roman

lezen, want daar achtte Geoffrey zich niet boven verheven, als hij den

tijd had. Misschien zou hij wel in staat geweest zijn er zelf een te

schrijven. Op dit oogenblik kwam zijn klerk binnen en overhandigde hem

een strookje papier, waarop eenige woorden geschreven waren. Hij las:

"Dominé Granger om u te spreken. Ik heb hem gezegd dat gij bezig waart,

maar hij zeide dat hij dan wel zou wachten."

Geoffrey onthutste hevig--zoo hevig, dat de zaakwaarnemer en de

stijfhoofdige pachter beiden opzagen.

"Zeg dien heer dat ik hem dadelijk zal ontvangen," zeide hij tot

den klerk, die zich verwijderde, en toen voegde hij den pachter toe:

"Welnu, goede vriend, ik heb u alles gezegd wat ik te zeggen heb.

"Ik kan u niet raden deze actie door te zetten. Als gij dat doen wilt,

moet gij een anderen advocaat nemen, want ik wil geen deel hebben aan

iets, wat niet anders dan geld verspillen kan zijn. Goeden middag,"

en hij stond op.

De pachter ging brommend heen. Een oogenblik later kwam Granger

binnen, in een vrij kale zwarte jas gekleed, en zijn dun wit haar,

als gewoonlijk, over zijn oogen hangende. Geoffrey beschouwde hem

met ongerustheid, en merkte op dat hij in de laatste zeven maanden

niet weinig verouderd was. Kwam hij hem slecht nieuws van Beatrice

vertellen--dat zij ziek of dood was, of dat zij trouwen ging?

"Hoe gaat het u, mijnheer Granger?" zeide hij, hem de hand toestekende,

en zijn stem zoo goed als hij kon bedwingende. "Hoe gaat het? Dat is

een onverwacht genoegen."

"Hoe vaart gij, mijnheer Bingham?" sprak de oude man, terwijl hij

zenuwachtig op een stoel plaats nam, en met bevende hand zijn hoed

op den vloer naast zich zette. "Ja, dank u, ik ben redelijk wel,

niet al te best--ik verga van zorg en kommer."

"Ik hoop toch dat Miss Elisabeth en Be--dat uw dochters ook wèl

zijn?" zeide Geoffrey, niet in staat zijn ongerustheid te bedwingen.

"Ja, ja, dank u, mijnheer Bingham. Elisabeth is ook niet al te best;

zij klaagt over pijn in de maag, wat hinder van de gal misschien--zij

heeft in het voorjaar altijd hinder van de gal."

"En Miss Beatrice?"

Beatrice(#24830) · 第 14 / 25 段