"En wij hebben zoo maar dadelijk geen ander," zeide de ongeruste

zaakwaarnemer. "Wat meer is, ik hoor niets van den Procureur-Generaal,

en zijn klerk schijnt niet te weten waar hij is. Gij moet verdaging

vragen, mijnheer Bingham; gij kunt de zaak niet alleen behandelen."

"Goed," zeide Geoffrey, en toen de zaak werd opgelezen, stond hij

op en deelde de omstandigheden aan het Gerechtshof mede. Maar de

president van de Rechtbank was in een brommige bui. Hij had den mist

in zijn geleerde keel, en zag geen reden tot verdaging. Bovendien

was de tegenpartij, die haar voordeel bespeurde, er sterk tegen. De

getuigen waren er met groote kosten gebracht; zijn Lordschap was er,

de gezworenen waren er; de zaak moest voortgang hebben.

Zijn Lordschap de president was van hetzelfde gevoelen, en voegde

Geoffrey op strengen toon toe, dat ieder advocaat in een zaak, zoodra

die voor de Rechtbank diende, elk oogenblik bereid behoorde te zijn,

als het noodig was, die zaak in te leiden; maar als hij, Geoffrey, het

Gerechtshof verklaarde daartoe ten eenenmale onvoorbereid te zijn, dat

er dan, natuurlijk, niets anders op zat dan een verdaging toe te staan.

"Ik ben volkomen bereid met de zaak voort te gaan, Mylord," antwoordde

Geoffrey bedaard.

"Goed," zeide de president, op een verzachten toon. "Ga dan maar

voort. Ik twijfel niet of de Procureur-Generaal zal aanstonds wel

komen."

De tegenpartij had er niets tegen, dat de inleiding was opgedragen

aan een onervaren man, die waarschijnlijk zijn partij meer kwaad

dan goed zou doen. Dus stond Geoffrey, eenigszins tot schrik van

de zaakwaarnemers, die met verlangen aan de welsprekendheid van den

Procureur-Generaal dachten, zonder vrees of aarzeling op, van zijn

kant hopende dat de Procureur-Generaal maar zou wegblijven. Hij had

een kans, waarop menig bekwaam man jaren lang moet wachten, en dat

wist hij, en daar was hij voornemens gebruik van te maken. Geoffrey

was een goed spreker, had niet, zooals menig goed spreker,

last van zenuwachtigheid, en bovendien was hij zijn zaak volkomen

meester. Binnen vijf minuten luisterden rechter, gezworenen en advocaat

aandachtig naar hem, en binnen tien minuten had hij hun de zaak klaar

en duidelijk uiteengezet. Om zijn onderstelling van het komediespel

der geestverschijning werd eerst geglimlacht, maar al spoedig lachte

de advocaat der tegenpartij niet meer en begon onrustig te zien. Als

hij kon bewijzen wat hij zeide, was het uit met de zaak. Toen hij

ongeveer twintig minuten gesproken had, werd hij door een aanmerking

van den advocaat der tegenpartij geïnterpelleerd, en op dat oogenblik

merkte hij op, dat de klerk van den Procureur-Generaal met een der

zaakwaarnemers sprak.

"Als hij maar niet komt," dacht Geoffrey.

Maar neen, de zaakwaarnemer boog zich naar hem toe, en verwittigde

hem dat de Procureur-Generaal door een gewichtige regeeringszaak

onvermijdelijk werd opgehouden en zijn akte teruggezonden had.

"Welnu, dan moeten wij zoo goed voortgaan als wij kunnen," zeide

Geoffrey.

"Als gij zoo voortgaat, kan het niet beter," fluisterde de

zaakwaarnemer, en nu wist Geoffrey dat hij het goed deed.

"Ja, mijnheer Bingham," zeide de president.

En Geoffrey ging met zijn uiteenzetting van de zaak voort. 't Is

onnoodig dit merkwaardig proces, dat twee dagen duurde en algemeen

de aandacht trok, in al zijn bizonderheden te volgen. Geoffrey won

het met glans. Zijn welsprekende aanspraak tot de gezworenen bleef

in de Gerechtshoven lang in herinnering. Weinigen, die het zagen,

vergaten ooit zijn bezield gelaat en gebiedende houding, toen hij

de zaak van zijn tegenpartij als een eierdop verbrijzelde en daarop

met kalme, overstelpende kracht van taal de vrouw beschuldigde, die

met haar minnaar het wreede plan gesmeed had, dat haar oom van het

leven en haar neef en nicht van hun rechtmatig eigendom beroofd had,

totdat hij haar eindelijk, met uitgestrekte hand naar haar wijzende,

voor de jury als een moordenares brandmerkte.

Weinigen in die volle rechtzaal vergaten het tragisch tooneel, dat

nu volgde, toen de bevende vrouw, uitgeput door langdurige spanning,

en verpletterd door de indrukwekkende woorden van haar beschuldiger,

van haar plaats opstond en uitriep:

"Wij hebben het gedaan--'t is waar, wij hebben het gedaan om het geld

te krijgen, maar het was onze bedoeling niet dat hij van schrik zou

sterven," en bezwijmd viel zij op den grond.

"Mylords en heeren gezworenen," zeide Geoffrey, op kalmen toon,

"ik geloof niet dat het noodig is mijn zaak verder te bepleiten."

Er volgde geen applaudissement, daartoe was de gelegenheid te

dramatisch plechtig, maar de indruk, op het Gerechtshof en het publiek

gemaakt, was diep en blijvend.

Geoffrey misleidde zichzelven niet, noch door zich op zijn zegepraal

te verhoovaardigen, noch door valsche nederigheid. Als een verstandig

man, beschouwde hij den staat van zaken uit het juiste oogpunt--met

dankbaarheid, maar zonder verbazing. Hij had eindelijk zijn kans

gehad, en was er voor berekend geweest. Dat was het eenige. De meeste

menschen hebben in den een of anderen vorm zulke kansen, en weten er

geen gebruik van te maken. Geoffrey was een van de uitzonderingen,

zooals Beatrice gezegd had; hij was geboren om te slagen. Hij wist nu,

dat hij het in zijn vak ver kon brengen.

Toen hij dien avond naar huis ging, nadat hem van alle kanten

gelukwenschingen waren toegestroomd, gevoelde hij toch een zekere

trotschheid.

Wat Geoffrey dien avond gevoelde, zal ieder gevoeld hebben, die

lang met bijna overstelpende tegenspoeden te kampen heeft gehad,

in zijn hart wetende dat hij geboren is om te leiden en niet om te

volgen; en die eindelijk, door een enkele geestinspanning, zonder

een vriendenhand om hem te helpen, of een vriendenstem om hem te

leiden, er in geslaagd is zich door alle moeilijkheden heen een weg

te banen en zich eensklaps in staat ziet alle mededinging het hoofd

te bieden. Daar zal hij niet al te trotsch op zijn; het zal hem

slechts een kleinigheid toeschijnen--iets, dat nog vol gebreken en

onvolkomenheden is en nog lang niet aan zijn ideaal beantwoordt. Hij

zal zelfs niet veel gewicht hechten aan die eerste zegepraal, omdat

hij, in al zijn glorie, bedenkt dat anderen op zijn eigen terrein

tegen hem zijn opgewassen, en ook dat alle aardsche voorspoed,

evenals de schoonste bloem, de kiem van verval in zich draagt. Maar

met bescheiden zelfvoldoening zal hij terugzien op die jaren van

geduldig streven, dat hem eindelijk op een hoogte heeft gebracht,

van waar hij al hooger en hooger kan opklimmen, totdat eindelijk,

als hij uitgeput is, de tijd voor hem komt om te vallen.

Zoo dacht en gevoelde Geoffrey. Hij had zich van de taak, die hem was

opgedragen, gekweten. Honoria zou nu geld hebben; zij zou hem niet

langer hun armoede voor de voeten kunnen werpen. En--dat was een nog

betere gedachte--het zou Beatrice verheugen zijn zegepraal te vernemen.

Hij kwam vrij laat thuis. Honoria zou bij een voorname nicht gaan

dineeren, en was reeds bezig zich te kleeden. Geoffrey had voor de

uitnoodiging bedankt, omdat hij niet verwacht had uit de rechtzaal

terug te zijn. In zijn geestdrift, ging hij echter naar de kamer

zijner vrouw, om haar den afloop te vertellen.

"Waar hebt ge al dien tijd gezeten?" zeide zij. "Ik dacht dat ge

afgesproken hadt met mij uit te gaan. Het staat niet goed dat ik

zooveel alleen uitga. O, ja, dat was ik vergeten; ge waart in die

zaak."

"Ja, juist--dat was het. Ik heb de zaak gewonnen. Hier vindt ge er

een verslag van in de _St. James Gazette_, als ge 't lezen wilt."

"Goede Hemel, Geoffrey! Hoe kunt ge verwachten dat ik al dat gezeur

zal lezen terwijl ik mij kleed?"

"Dat verwacht ik ook niet van u, Honoria, alleen, zooals ik zeg,

heb ik de zaak gewonnen en nu zal ik werk in overvloed krijgen."

"Zoo? Dat hoor ik met genoegen. Misschien kunnen we dan wel van

die nare eerste verdieping afgaan. Zie je wel, Anne! _Je vous l'ai

toujours dit, cette robe ne me va pas bien._" [1]

"_Mais, Milady, la robe va parfaitement_--"

"Dat mag jij vinden," bromde Lady Honoria, "maar dat vind ik niet. Maar

het moet nu maar zoo mee. Goeden avond, Geoffrey, ge zult zeker wel

al naar bed zijn als ik thuiskom;" en weg was zij.

Geoffrey nam met een zucht zijn _St. James Gazette_ op. Hij gevoelde

zich zwaar gekrenkt; hij had zoo dwaas niet moeten zijn sympathie van

Lady Honoria te verwachten--zij was geen sympathetische vrouw. Dat

had hij moeten bedenken, maar toch gevoelde hij zich gekrenkt. Hij

ging naar boven, en liet Effie haar gebedje opzeggen.

"Waar is u geweest, paatje?--naar de Rookerige Stad?" De Temple [2]

was bij Effie bekend als de Rookerige Stad.

"Ja, lieve."

"U gaat naar de Rookerige stad om den kost te verdienen, niet waar,

paatje?"

"Ja, lieve, om den kost te verdienen."

"En hebt u wat verdiend, paatje?"

"Ja, Effie, heel veel."

"Waar is het dan? In uw zak?"

"Neen, dat juist niet. Ik heb vandaag een groot proces gewonnen,

en daar krijg ik veel geld voor."

"O," hernam Effie nadenkend, "daar ben ik blij om. U wint graag,

niet waar, paatje?"

"Ja, lieve."

"Dan zal ik u een kus geven, paatje, omdat u gewonnen hebt," en zij

voegde de daad bij het woord.

Geoffrey verliet het kamertje met een verzacht hart, en ging alleen

zijn middagmaal gebruiken.

Toen zette hij zich er toe om een langen brief aan Beatrice te

schrijven, waarin hij haar alles van de terechtzitting en alle

bizonderheden van de taktiek en de bewijsgronden, die hij gebezigd

had, mededeelde.

En hoewel het een brief van vier bladzijden was, wist hij dat het

Beatrice niet zou vervelen hem te lezen.

Hoofdstuk XVIII.

De ster in 't opkomen.

Zooals wel te verwachten was, bleek de gedenkwaardige rechtzaak van

Parsons en Douse het keerpunt in Geoffrey's loopbaan te zijn, die

van nu aan glansrijk was. Reeds den volgenden ochtend, toen hij op

zijn kamers in de _Inns of Court_ kwam, vond hij daar twee akten,

die nog maar de voorloopers waren van een gestadigen toevloed van

winstgevende zaken. Nu oogstte Geoffrey de vruchten in van den ijver,

waarmede hij zich aan zijn rechtsgeleerde studiën had gewijd, sedert

hij geheel op zijn eigen wieken moest drijven, en die hem zoowel

tot een doorkneed wetgeleerde als een welsprekend advocaat hadden

gemaakt. Weldra had hij zooveel werk als hij maar af kon. Wanneer de

Fortuin eenmaal haar goede gaven schenkt, doet zij het met milde hand.

Drie weken na het rechtsgeding van Parsons en Douse, stierf Geoffrey's

oom, de zaakwaarnemer, en liet hem, tot zijn verrassing, twintig

duizend pond na, "meenende," zooals hij in zijn testament zeide,

dat drie dagen voor den dood van den erflater gemaakt was, "dat die

som hem helpen zou om in zijn vak vooruit te komen."

Nu zij eenmaal tot het besef was gekomen, dat haar echtgenoot een

man was, wien het in de wereld voorspoedig kon gaan, nam Honoria

een geheel anderen toon jegens hem aan. Zij werd zelfs vriendelijk,

en een paar malen bijna teeder. Toen Geoffrey haar van de twintig

duizend pond vertelde, straalde haar gelaat van genoegen.

"Dan zullen wij nu weer in Bolton Street kunnen wonen," zeide zij,

"en het treft juist zoo gelukkig dat het huis te huur staat. Dat heb

ik gezien."

"Ja," antwoordde hij, "daar kunnen we weer gaan wonen, zoodra ge

maar wilt."

"En kunnen we rijtuig houden?"

"Neen, nog niet; daar verdien ik nog niet genoeg voor. Het volgend

jaar, als ik het beleef, zult ge een rijtuig kunnen krijgen. Begin nu

niet weer ontevreden te worden, Honoria. Ik heb £ 150 te missen, en

als ge met mij mee naar een juwelier wilt gaan, kunt ge die besteden

zooals ge wilt."

"O, wat vind ik u lief!" zeide zijn vrouw.

Dus gingen zij naar den juwelier, en Lady Honoria kocht sieraden

voor een bedrag van £ 150, nam ze mee naar huis, en bewonderde ze

met een teedere verrukking, zooals een vrouw van een ander soort

haar eerstgeboren kind bewonderd zou hebben. Zoo dikwijls hij een

som geld had, die hij kon missen, ging Geoffrey aldus met haar naar

den juwelier of de modiste, en stond er onverschillig bij, terwijl

zij voor dat bedrag kocht. Lady Honoria was recht in haar schik. Het

kwam niet bij haar op dat hij in zekeren zin wraak op haar nam, en dat

zij door elk blijk van vreugde, die zij bij zulke gelegenheden gaf,

zich des te meer zijn verachting op den hals haalde.

Dat waren gelukkige dagen voor Honoria! Zij verheugde zich over dien

hernieuwden rijkdom als een schooljongen over het ingaan van zijn

vacantie, of een verkleumd zwerver over den zonneschijn. In dien nacht

van armoede, had zij zich zoo ongelukkig gevoeld als haar koele aard

slechts vergunde, en nu was zij weer gelukkig, volgens haar begrip

van geluk. Want opvoeding, beschaving--wat gij maar wilt--alles was

bij Honoria vervangen door den afgodsdienst van rijkdom, of liever,

van al datgene wat rijkdom geeft. Dat was haar genot; haar schoonheid,

die aan het verwelken was, kwam terug; zij zag er vijf jaar jonger

uit. En intusschen sloeg Geoffrey haar met toenemende verachting gade.

Eens kwam het tot een uitbarsting. Het huis in Bolton Street was

gemeubileerd; hij had haar daarvoor vijftien honderd pond gegeven,

en met wat zij bezaten, kon zij het daar zeer goed mee doen. Zij

verhuisden er heen, en Honoria had, nu zij in haar vorige stand

hersteld was, zich een genoegzamen voorraad daarbij passende toiletten

en kostbaarheden aangeschaft. Op zekeren dag viel het haar in 't oog,

dat Effie eigenlijk een mooi kind was, en dat zij, behoorlijk gekleed,

in de gezelschapskamer wel een aardig figuur zou maken. Dus bestelde

zij een "lief" costuum voor haar--hoe het was, zullen mijn lezeressen

zich misschien beter kunnen voorstellen dan ik het beschrijven kan,

maar het bestond voornamelijk uit fluweel en kant. Geoffrey had daar

niets van gehoord, maar op zekeren Zaterdagnamiddag wat vroeger dan

gewoonlijk thuiskomende, vond hij het kind tentoongesteld voor een

kamer vol gezelschap, en gekleed in een allerwonderlijkst costuum,

dat haar, wat niet onnatuurlijk was, bizonder beviel. Hij zeide op dat

oogenblik niets, maar toen eindelijk het gezelschap vertrokken was,

vroeg hij wie Effie zóó had opgeschikt.

"Dat heb _ik_ gedaan," antwoordde Lady Honoria, "en het heeft aardig

geld gekost, dat kan ik u verzekeren. Maar ik kan niet hebben dat

het kind zoo eenvoudig voor den dag komt, dat staat niet goed."

"Dan moet zij maar boven blijven," zeide Geoffrey gemelijk.

"Hoe bedoelt ge dat?"

"Ik bedoel dat ik haar niet zoo opgedrild wil zien. Dat past niet

voor haar leeftijd. Zij heeft nog tijd genoeg om ijdel te worden."

"Ik begrijp u waarlijk niet, Geoffrey. Waarom zou het kind niet fraai

gekleed gaan?"

"Waarom niet? Groote Hemel! Honoria, denkt ge dat ik Effie wil zien

opgroeien om zoo te worden als gij?--om een beuzelachtig leven van

niets anders dan het vermaak najagen te leiden, en een afgod van weelde

te maken? Ik zou haar liever"--hij wilde er bijvoegen, "dood zien,"

maar bedwong zich, en zeide--"voor haar brood zien werken. Kleed

uzelve zoo zwierig als ge wilt, maar laat het kind met vrede."

Lady Honoria was woedend, maar zij was ook een weinig bevreesd. Nooit

had zij haar echtgenoot zoo hooren spreken, en in zijn toon was

iets, wat zij niet recht begreep. Nog minder begreep zij hem, toen

hij haar den daaropvolgenden Maandag zeide, dat hij vijftig pond te

missen had, die zij kon besteden zooals zij verkoos, haar toen naar

een modewinkel vergezelde, en koel glimlachte terwijl zij voor die

som kant en borduursels kocht. Honoria dacht, dat het een vergoeding

voor zijn scherpe woorden was, en een vergoeding was het ook, maar

voor hemzelven, en in een andere beteekenis. Telkens gaf hij haar

op die wijze geld. Geoffrey had daarbij een gevoel als een man, die

een schuld van eer aflost. Zij had hem gedurig hun armoede verweten,

en voor elk verwijt wilde hij haar overstelpen met alles, wat haar

ziel verrukte. Hij wilde haar rijkdom laten zwelgen, evenals Koningin

Tomyris, in de ure harer zegepraal, den dooden Cyrus menschenbloed

deed zwelgen.

Het was een zonderlinge wijze van wraakneming, waar Lady Honoria

niets tegen had; maar hoewel zij er niets van gevoelde, had Geoffrey

er toch veel heimelijke voldoening van. Hij was ook nieuwsgierig om

te zien of de zucht naar weelde van zulk een vrouw geen grenzen had,

of zij niet eindelijk oververzadigd zou worden. Maar voor zulk een

proefneming was Lady Honoria al zeer slecht geschikt. Zij gaf niet

het minste blijk dat zij oververzadigd was, hetzij van opschik en

kostbaarheden, of van vermaken. Een weelderig leven was haar element,

en dat werd zij evenmin moede als men zou kunnen verwachten dat een

visch het water, of een arend het luchtruim moede werd.

De winter ging voorbij en maakte plaats voor de lente. Op zekeren dag

in April gaf Geoffrey, die uit overtuiging een gematigd liberaal was,

te kennen, dat hij zich candidaat voor het Parlement wilde stellen,

in het belang der Unionisten. Er was een zetel open gekomen voor

de vertegenwoordiging van een der districten onder het gebied van de

hoofdstad. Toevallig kende hij den leider der Unionistische partij zeer

goed. Zij waren vrienden geweest sedert zij samen hadden schoolgegaan,

en toen dit Parlementslid een schitterende redevoering van Geoffrey

in het Gerechtshof had gehoord, was hij op den inval gekomen, dat

zijn oude schoolmakker juist de man was, in wien een zwakke partij

een krachtigen steun zou vinden.

Het gevolg was dat Geoffrey verzocht werd of hij zich candidaat

wilde stellen, en hij antwoordde dat hij het twee dagen in bedenking

moest nemen. Die twee dagen wilde hij eigenlijk hebben om Beatrice

te schrijven en antwoord van haar te ontvangen. Hij stelde een bijna

bijgeloovig vertrouwen in haar oordeel, en wilde niet gaarne handelen

zonder haar gevoelen gevraagd te hebben. Na het voor en tegen gewogen

te hebben, was zijn eigen meening dat hij wèl zou doen zich candidaat

te stellen. Waarschijnlijk zouden er wel niet genoeg stemmen op hem

uitgebracht worden, en het zou hem vijf honderd pond kosten. Maar

daarentegen zou het zijn naam zeker bekend maken als politicus,

en hij was nu op weg om zulk een ruim inkomen te verdienen, dat hij

die som er wel aan kon wagen. Het eenige groote bezwaar, dat hij zag,

was, dat als hij verkozen werd, hij den geheelen dag en 's nachts ook

zou moeten werken. Welnu, hij was sterk, en hoe meer werk hij had,

des te beter--dat zou zijn gedachten afleiding geven.

Beatrice's antwoord kwam. Haar zienswijze kwam met de zijne overeen;

zij ried hem aan de gelegenheid te baat te nemen, en wees hem er op,

dat er, met zijn toenemende vermaardheid als rechtsgeleerde, geen

staatspost was, waarnaar hij niet kon dingen, als hij eenmaal bewezen

had een bekwaam Parlementslid te zijn. Geoffrey las dien brief door,

en schreef zijn vriend onmiddellijk, dat hij de candidatuur aannam.

De volgende veertien dagen waren een zware tijd voor hem, maar Geoffrey

was een even goed spreker op de tribune als in het Gerechtshof,

en bovendien had hij er den onwaardeerbaren slag van, zich naar

zijn toehoorders te kunnen voegen. Bij de stemwerving voor hem

bleek het, dat de zaak der partij niet zoo hopeloos stond als men

gedacht had. Zoowel de Unionisten als de Separatisten betoonden veel

belangstelling in de verkiezing; van weerszijden werd beweerd, dat de

stemming in hun voordeel zou uitvallen, en de _Home Rule_-partij spande

al haar krachten tegen hem in. Brieven van groote autoriteiten werden

gedrukt en verspreid. Iersche Parlementsleden, pas uit de gevangenis

ontslagen, traden te voorschijn om hun grieven op te sommen. Er werd

zelfs van gesproken, dat een hunner zich in de gevangeniskleeding op de

tribune zou vertoonen--kortom, elke verkiezingsmachine bij de politieke

wetenschap bekend, werd door alle partijen in werking gebracht.

Lady Honoria was eerst vrij onverschillig geweest, maar nu het eenmaal

zoover gekomen was, zag zij in spanning den uitslag te gemoet. In dien

verkiezingsstrijd was iets, dat haar persoonlijk een streelend gevoel

van gewicht gaf. Op den dag der stemopneming reed zij den geheelen

dag in een open rijtuig, onder een lichtblauwe parasol, met Effie

(die zich niet weinig verveelde) naast zich, en twee edele Lords op

de voorste bank. Het gevolg daarvan was, dat een zekere afdeeling

van de pers verklaarde, dat de uitslag alleen te danken was aan de

kuiperijen van een voorname en schoone vrouw. Men zeide zelfs, dat

zij, evenals een andere dame van rang uit vroeger tijd, een slager

gekust had, om zijn stem te winnen. Maar wie dat beweerden, kenden

Lady Honoria niet; zij was niet in staat een slager, of wien ook,

te kussen. Zoo iets viel niet in haar smaak.

Ten slotte werd Geoffrey verkozen met een meerderheid van tien

stemmen. Den volgenden avond nam hij in het Lagerhuis zitting, onder

luide toejuiching der Unionisten. In den loop der avond-debatten

zinspeelde een regeeringslid op zijn verkiezing als een bewijs van de

zegepraal der Unionistische beginselen. Daarop antwoordde een lid der

Separatistische oppositie dat dit volstrekt het geval niet was, dat

het "van algemeene bekendheid was dat de verkiezing van het geëerde

lid was toe te schrijven aan de buitengewone bekwaamheid, door hem

in den loop der stemwerving aan den dag gelegd, als 't ware, geholpen

door behendig aangewenden aristocratischen vrouwelijken invloed." Dit

was een kiesche zinspeling op Lady Honoria en haar blauwe parasol.

Toen Geoffrey en zijn vrouw, na den uitslag der stemopneming, naar

Bolton Street terugreden, had er een klein voorval plaats. Geoffrey

beval den koetsier aan het eerste telegraafkantoor stil te houden;

daar stapte hij uit en telegrafeerde aan Beatrice: "Verkozen met

tien stemmen."

"Aan wie hebt ge geseind, Geoffrey?" vroeg Lady Honoria.

"Aan Miss Granger," antwoordde hij.

"Ei! Ge houdt dus nog correspondentie met dat schooljuffertje?"

"Ja, dat doe ik. Ik wenschte dat ik meer zulke correspondenten had."

"Zoo! Ge zijt gemakkelijk te voldoen. Ik vond haar een van de

onaangenaamste meisjes, die ik ooit ontmoet heb."

"Dat bewijst dan niet veel voor uw smaak, Honoria."

Zijn vrouw zeide verder niets, maar zij had er haar eigen gedachten

over. Het lag niet in Honoria's karakter jaloersch te zijn; daartoe

was zij te koel en te onverschillig. Maar het beviel haar niet, dat

een andere vrouw invloed had op haar echtgenoot, die, zooals zij nu

begon te erkennen, een der uitstekendste mannen van zijn tijd was,

en ook wel een van de rijkste en machtigste zou kunnen worden. Zij

alleen had recht op hem, geen andere vrouw. Zij was niet gek, en zij

zag wel, dat er tusschen die twee een groote vertrouwelijkheid moest

bestaan. Anders zou hij er niet aan gedacht hebben, Beatrice op zulk

een oogenblik te telegrafeeren.

Binnen een week na zijn verkiezing hield Geoffrey een redevoering. Het

was geen lange, en ook niet over een zeer gewichtig punt; maar zij

was zeer goed in haar soort, goed genoeg dat er woordelijk een verslag

van werd gegeven, en wie er naar geluisterd hadden, erkenden dat zij

te doen hadden met een nieuw man, die eenmaal een groot man zou worden.

De nu volgende maanden werkte Geoffrey zoo hard als iemand zelden

werkt. Den geheelen dag was hij op zijn kamers of in het Gerechtshof,

en 's avonds zat hij in het Lagerhuis. Maar hoe weinig tijd hij ook

voor zijn akten beschikbaar had, de belangen zijner cliënten verzuimde

hij niet, en ook vond hij nog tijd om aan Beatrice te schrijven. Hij

ging zelden uit, en behalve wanneer het voor zaken was, ging hij met

weinigen om. Hij werd al meer en meer stil en teruggetrokken, zoodat

hij eindelijk den naam kreeg van koel en stuursch te zijn. Maar dat

was hij toch niet. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn werk,

met het vast besluit het tot den hoogsten trap te brengen. Hij wist,

dat hij er weinig om geven zou als hij dien bereikt had, maar in het

streven daarnaar vond hij een aangenamen prikkel.

Beatrice(#24830) · 第 13 / 25 段