van, dat wij elkaar weer zullen ontmoeten, en het zal mij verheugen u
weder te zien, mijnheer Bingham," voegde zij er op een eigenaardigen
toon bij.
Een oogenblik later had hij de pastorie verlaten, en liep, met Beatrice
naast zich, naar het station.
"_Scheiden thut weh_" zeide hij, nadat zij een poos stilzwijgend
voortgeloopen hadden.
"Er is altijd iets weemoedigs in afscheidnemen," antwoordde zij--"òf
voor dengene, die heengaat, òf voor de achterblijvenden."
"Of voor beiden," zeide hij.
Daarop bewaarden zij weder het stilzwijgen, dat hij het eerst afbrak.
"Miss Beatrice, mag ik u schrijven?"
"Zeker, als gij wilt."
"En zult ge mijn brieven beantwoorden?"
"Ja, ik zal ze beantwoorden."
"Als ik dan mijn zin had, zoudt ge vrij wat tijd aan schrijven
besteden," zeide hij. "Ge weet niet," liet hij er ernstig op volgen,
"hoe aangenaam het mij geweest is, dat ik u heb leeren kennen. Ik
heb nooit in mijn leven grooter genoegen gehad."
"Dat verheugt mij," antwoordde Beatrice kortaf.
"Ik moet u eens iets vragen," hernam hij. "Ge zijt een ware vraagbaak
als het op citaten aankomt. In de laatste twaalf uur heeft mij een
gedicht door 't hoofd gespeeld, en ik kan mij maar niet herinneren
van wien het is."
"Hoe is het dan?" vroeg zij, opziende, en Geoffrey meende een
zonderling vreesachtige uitdrukking in haar oogen te bespeuren.
"_Dit_ kwam er, onder anderen, in," zeide hij, en hij haalde eenige
van de dichtregelen aan, die hem het meest getroffen hadden.
Beatrice luisterde--en hoorde dezelfde regelen, die den vorigen nacht
op haar lippen waren geweest. Zij onthutste hevig, werd doodsbleek,
en haar knieën knikten. Met een krachtige poging herstelde zij zich.
"Mij dunkt, gij moet dat vers wel kennen, mijnheer Bingham," zeide zij,
met een flauwe stem. "'t Is van Browning, en getiteld: '_De laatste
woorden eener Vrouw_'."
Geoffrey zeide hierop niets; wat zou hij zeggen? Een poos liepen zij
stilzwijgend voort. Zij waren nu dicht bij het station. Het oogenblik
van scheiding voor altijd was gekomen. Een onweerstaanbaar verlangen
om de waarheid te weten, maakte zich van hem meester.
"Miss Beatrice," sprak hij weder, "ge ziet bleek. Hebt ge van nacht
niet goed geslapen?"
"Neen, mijnheer Bingham."
"Hebt ge zonderlinge droomen gehad?"
"Ja," antwoordde zij, recht voor zich uit ziende.
Hij verbleekte min of meer. Het was dus waar!
"Beatrice," vroeg hij, half fluisterend, "wat zouden die droomen
beteekenen?"
"Zooveel of zoo weinig als alle andere droomen," antwoordde zij.
"Wat moet men doen, als men zulke droomen heeft?" vroeg hij, weder
op denzelfden gedempten toon.
"Ze vergeten," fluisterde zij.
"En als zij terugkomen?"
"Ze weer vergeten."
"En als zij niet vergeten willen zijn?"
Zij wendde zich tot hem en zag hem strak in de oogen.
"Sterven," antwoordde zij, "dan zullen zij vergeten zijn, of--"
"Of wat, Beatrice?"
"Hier zijn wij aan het station," zeide Beatrice, "en Betty is aan
't kibbelen met den koetsier."
Vijf minuten later was Geoffrey vertrokken.
Hoofdstuk XVI.
De eerste verdieping bij Edgware Road.
Geoffrey's reis naar de stad was niet van de aangenaamste. Om te
beginnen, deed Effie niet anders dan schreien omdat zij niet langer bij
"tantetje," zooals zij Beatrice noemde, mocht blijven, en wilde zich
niet laten troosten. Het vooruitzicht van weer naar haar moeder en
Anne te gaan, had voor Effie niets wat haar toelachte. Geoffrey zelf
had veel om over na te denken, en die gedachten waren juist niet van
opbeurenden aard. Hij haalde zich de gebeurtenissen van de laatste
weken voor den geest, hij herinnerde zich hoe hij Beatrice's gelaat
het eerst in den mist bij de Roode Rotsen had gezien, en hoe haar
schoonheid hem getroffen had. Toen dacht hij aan het avontuur van
hun schipbreuk en den wanhopigen moed, waarmede zij zijn leven had
gered, bijna ten koste van het hare. Hij dacht ook aan dat tooneel,
toen hij den volgenden dag in de kamer was gekomen, waar zij sliep,
toen die zonnestraal, die van haar borst op de zijne trilde, een
gevoel in hem had gewekt alsof voortaan zijn lot en dat van het
slapende meisje één waren, en zij ontwaakt was met die zonderlinge
begroeting op haar lippen. Terwijl Effie in den hoek tegenover hem
zich in slaap snikte, riep hij zich elke fase, elk tooneel van hun
toenemende vertrouwelijkheid te binnen, totdat het overzicht uitliep
op zijn raadselachtige ervaring van den vorigen nacht en de herinnering
aan Beatrice's afscheidswoorden.
Geoffrey was in 't minst niet bijgeloovig; van zijn jongelingsjaren
af, was hij bekend geweest als iemand van een gezond verstand en min
of meer tot ongeloovigheid geneigd. Maar aan verstand en scherpzinnig
doorzicht paarde hij verbeeldingskracht, wat eigenlijk ook niets anders
is dan een voorstellingsvermogen van het verstand. Had hij die niet
bezeten, dan zou hij waarschijnlijk, bij voorbeeld, op het punt van
godsdienst, een twijfelaar geweest zijn, en dat was hij niet. Wat nu
zijn ervaring in den vorigen nacht, en in 't algemeen die zonderlinge,
bijna onnatuurlijke sympathie met dat jonge meisje betrof zeide hem
zijn gezond verstand dat dit alles maar gekheid was--het gevolg van
dagelijkschen omgang met een lief gezichtje, en niets meer.
Maar hier kwamen zijn doorzicht en voorstellingsvermogen tusschenbeide
en hielden hem duidelijk voor, dat het geen gekheid was, dat hij
zich niet maar alleen als een zotskap had aangesteld tegenover een
hysterisch of misschien een minziek meisje. Zij zeiden hem, dat iets
wat raadselachtig is, daarom nog geen onwaarheid behoeft te zijn. Zij
wezen er op, dat er vele verborgenheden en krachten rondom en boven
ons zijn, onzichtbaar als een electrische stroom, ontastbaar als het
licht, maar toch bestaande, en in staat zich onder zeker zeldzame en
gunstige omstandigheden te openbaren.
En was het niet mogelijk, dat zulke toestanden zich vereenigden in
een meisje, wier lichamelijke schoonheid slechts door de schoonheid
harer ziel overtroffen werd? Het was geen antwoord, te zeggen dat de
meeste vrouwen zulk een meer dan aardsch gevoel, als in zijn hart
gewekt was, konden inboezemen, of dat de meeste mannen daar niet
vatbaar voor waren. Heeft de mensch geen vermogens en aandoeningen,
die het gedierte des velds ontzegd zijn, en kunnen er geen mannen en
vrouwen zijn, in dit opzicht even ver boven hun medemenschen verheven
als boven de dieren?
Maar het zwakke punt van zulke raadselachtige gevallen is, dat
zij nergens heen leiden en feitelijk aan de levensomstandigheden
niets veranderen. Men kan, bij voorbeeld, in een gerechtshof geen
raadselachtigheden aanvoeren; dus liet hij de bespiegelende beschouwing
van het vraagstuk varen, als boven zijn sfeer, en beschouwde het uit
een praktisch oogpunt, alleen om het even moeilijk te vinden.
Hoe zonderling het moge schijnen, Geoffrey wist tot op dit oogenblik
niet recht, welke plaats hij in Beatrice's hart, of zij in het zijne,
bekleedde. Hij was niet verliefd op haar, ten minste, niet op zulk
een wijze als hij dit, over 't geheel lastige, gevoel had leeren
kennen. In allen gevalle, ging hij van de stelling uit, dat hij het
niet was. Dit wilde hij in het daglicht niet erkennen, hoewel hij
het in de wakend doorgebrachte uren van den nacht ten volle erkend
had. Maar hij kon niet loochenen, dat zij zich zoo met zijn leven
vereenzelvigd had, dat er toen, en nog maanden naderhand, behalve
als hij sliep, of in uren van sterke geestinspanning geen enkel half
uur verliep zonder dat hij aan Beatrice dacht. Alles wat schoon,
of grootsch, of verheven was, herinnerde hem aan haar--en was dat
niet het grootste compliment, dat hij haar maken kon? Als hij naar
heerlijke muziek luisterde, sprak de stem van Beatrice uit de tonen;
als een schoon dichtstuk of een goed geschreven roman hem trof, was
Beatrice er in zijn geest bij, om het genot met hem te deelen. Dat
alles was voorzeker lief en aardig, maar onder onze maatschappelijke
instellingen niet anders dan lastig voor een getrouwd man.
En nu was hij van Beatrice gescheiden, en moest weder aan zijn
dagelijkschen arbeid gaan, veraangenaamd door Honoria's klachten
over hun armoede. Dit denkbeeld was smartelijk voor Geoffrey's hart,
maar zijn verstand zeide hem, dat het zoo het best was. Er stak dan
ook eigenlijk geen kwaad in, er waren geen liefdestooneelen geweest,
geen kussen, geen woorden, die niet herroepen konden worden; wat er
was, lag onder de oppervlakte verborgen, en zoolang de schijn maar
opgehouden werd, was alles goed. Ongetwijfeld was dat huichelarij,
maar huichelarij is een der steunpilaren van de beschaving, en wat
komt het er op aan wat het hart zegt, als de lippen maar zwijgen?
Sterven door droomen! Neen, daar zou Beatrice wel niet van sterven,
en hij zeker ook niet. Waarschijnlijk zou zij ten slotte met dien
vleeschklomp, Owen Davies, trouwen. Het was wel niet aangenaam
daaraan te denken, het was zelfs verschrikkelijk, maar als zij hem
zijn gevoelen vroeg, zou hij, "als vriend," haar zeggen dat dit het
beste was, wat zij doen kon. Dat was, natuurlijk, ook weer huichelarij;
de lippen zouden zeggen wat het hart niet meende; maar als het hart in
opstand komt tegen het verstand, moet het onderdrukt worden. Ongelukkig
is het hart zoo sterk!
Eindelijk kwamen zij te Londen aan, en volgens afspraak, wachtte
Anne, de Fransche _bonne_, hen aan het station op, om Effie naar
huis te brengen. Geoffrey merkte op, dat zij er zwieriger en minder
dan ooit naar zijn smaak uitzag. Zij omhelsde Effie echter met een
vertoon van hartelijkheid, die door het kind nauwelijks beantwoord
werd, en gaf intusschen knipoogjes aan den conducteur, die met het
afnemen der kaartjes belast was. Hoewel het nog vroeg in het jaar was
voor zwaren mist, was Londen toch in duisternis gehuld. Het was dien
ochtend te Bryngelly mistig weer geweest, en dat was verder op den
dag erger geworden; maar in Londen was het zoo donker als de nacht,
hoewel het pas vier uur was. Gelukkig is Edgware Road, waar Geoffrey
woonde, niet ver van het Paddington-station, en na persoonlijk den
_cab_-voerman het adres opgegeven te hebben, liet hij de zorg voor
Effie en de bagage aan Anne over, en ging met een gerust hart langs
den spoorweg door den Tunnel naar de _Inns of Court_.
Kort nadat hij op zijn kamers was aangekomen, meldde zich daar niet,
volgens afspraak, zijn oom aan--die, zooals hij, vernam, ongesteld
was geworden--maar een der compagnons. Tot zijn groot genoegen,
bleek hem toen dat Beatrice het aan het rechte einde had gehad met te
vooronderstellen dat er een geestverschijning vertoond was; de jongen,
die een lid van zijn teen miste, was gevonden, en had het geheele
akelige komediespel door een reet van de jaloezie gezien; bovendien
was de waarheid hem ontwrongen, en hij zou bij de terechtzitting als
getuige opkomen--ja hij had reeds een voorloopige verklaring afgelegd.
Ook was, uit vergelijking met andere stukken, door den voormaligen
procureursklerk geschreven, gebleken dat die van dezelfde hand waren
als het testament. Het eenige bezwaar was dat de Procureur-Generaal
en Mr. Candleton, de President van het Kanselarij-Gerechtshof,
geen van beiden in de stad waren, zoodat dien avond geen conferentie
mogelijk was. Beiden werden echter nog dienzelfden avond laat terug
verwacht, de Procureur-Generaal uit Devonshire en Mr. Candleton van
het Vasteland; dus werd bepaald, daar de zaak de eerste op de rol was,
dat de conferentie den volgenden ochtend te tien uur zou plaats hebben.
Thuis gekomen, vernam Geoffrey dat Lady Honoria zich kleedde,
en de boodschap had gelaten dat hij dit ook spoedig moest doen,
omdat er een heer bij hen kwam dineeren. Derhalve ging hij naar zijn
kamer, aan het andere einde der eerste verdieping--om van kleeding
te verwisselen. Alvorens zich naar de eetkamer te begeven, ging hij
echter Effie--die wel reeds naar bed was, maar nog niet sliep--goeden
nacht zeggen, en vroeg haar hoe laat zij thuis gekomen was.
"Twintig minuten over vijven, paatje," zeide Effie fluks.
"Twintig minuten over vijven! Je wilt toch niet zeggen dat je over
dat kleine eind een uur onderweg bent geweest? Moest de _cab_ dan
stilhouden om den mist?"
"Neen, paatje maar--"
"Maar wat, lieve?"
"Anne heeft me gezegd dat ik het niet mocht vertellen."
"Stoor je er maar niet aan wat Anne gezegd heeft,--ik zeg je dat je
het wel vertellen moet."
"Anne heeft nog een heelen tijd staan praten met den man, die de
kaartjes aannam."
"O, zoo!" zeide hij.
Op dit oogenblik kwam de kamermeid binnen, om te zeggen dat Lady
Honoria en de "heer" hem aan tafel wachtten. Geoffrey vroeg haar zoo
ter loops hoe laat de jongejuffrouw Effie was thuisgekomen.
"Zoo wat half zes, mijnheer. Anne zei dat de _cab_ niet voort kon,
door den mist."
"Goed. Zeg mevrouw dat ik dadelijk kom."
"Paatje," zeide het kind, "ik heb mijn gebedje nog niet
opgezegd. Moeder kwam niet, en Anne zei dat bidden maar allemaal
gekheid was. Tantetje liet mij altijd mijn gebedje opzeggen."
"Ja, lieve, en dat zal ik ook doen. Kom, ga op mijn schoot op je
knietjes liggen, en zeg het op."
Te midden van haar gebedje--dat Effie zich niet zoo goed meer
herinnerde als zij wel had kunnen doen--kwam de kamermeid terug.
"Met uw verlof, mijnheer, haar Ladyschap--"
"Zeg haar Ladyschap dat ik kom, en dat zij maar beginnen moet, als
zij zoo'n haast heeft! Ga voort, lieve."
Toen kuste hij haar, en legde haar weder te bed.
"Paatje," zeide Effie, toen hij heenging, "zal ik tantetje Beatrice
nooit weerzien?"
"Ik hoop van ja, lieve."
"En zult u nooit weer van haar hooren? U verlangt zeker ook wel haar
te zien? Zij hield zooveel van u."
Geoffrey kon het niet langer uithouden. De waarheid is altijd scherper
als zij uit een kindermond komt. Met een haastig goeden nacht snelde
hij de kamer uit.
In de kleine gezelschapskamer vond hij Lady Honoria, zeer net
gekleed, en ook haar vriend, die Dunstan heette. Geoffrey kende
hem terstond als een zeer rijk man, van geringe geboorte en van
nog minder opvoeding, maar een schitterend licht in de kliek der
Garsingtons. Dunstan wilde zich in hoogere kringen dringen, en hij
meende dat Lady Honoria, ondanks haar bekrompen middelen, hem daartoe
behulpzaam kon zijn. Daarom was hij dien avond bij haar.
"Hoe gaat het u, Geoffrey?" zeide zijn vrouw, naar hem toe tredende,
om hem met den vredekus te begroeten. "Ge ziet er goed uit. Maar
wat hebt ge ontzagelijk lang werk gehad om u te kleeden. Die arme
mijnheer Dunstan rammelt van den honger. Ge kent mijnheer Dunstan,
geloof ik, wel. Doe maar op, Mary."
Geoffrey maakte zijn verontschuldigingen dat hij zoo laat kwam,
en gaf mijnheer Dunstan--St. Dunstan, zooals hij algemeen genoemd
werd--beleefd de hand. Zoo was hij betiteld wegens zijn eenigszins
clericaal voorkomen, en als een spottende toespeling op zijn niet
geheel vlekkeloozen naam. Toen gingen zij aan tafel.
"Jammer dat er geen dame voor u is, Geoffrey, maar het heeft u
in den laatsten tijd niet aan gezelschap van dames ontbroken. A
propos, hoe vaart Miss--Miss Granger? Zoudt gij het wel gelooven,
mijnheer Dunstan? mijn ergerlijke heer gemaal heeft de laatste maand
doorgebracht in het gezelschap van een der bekoorlijkste meisjes, die
ik ooit gezien heb. En knap dat zij is! Zij kent Latijn, en weet van
de rechtsgeleerdheid en van alles. Zij begon met zijn leven te redden;
ge moet weten dat zij samen met een bootje omgeslagen zijn. Is dat
niet romantisch?"
St. Dunstan vond het een gepaste aardigheid hierop te zeggen dat
mijnheer Bingham een geluksvogel was, die van zulk een buitenkansje
dan ook zeker wel gebruik had weten te maken; en met een diepen zucht,
liet hij er op volgen dat nog nooit een mooi meisje zijn leven had
gered, zoodat hij voortaan voor _haar_ zou leven enz. enz.
Geoffrey, die niet kon aanhooren dat Beatrice het onderwerp van zulke
flauwe scherts was, viel zonder veel complimenten in.
"Zeg, lieve," sprak hij zijn vrouw toe, "wat hebt _gij_ al dien
tijd gedaan?"
"Om u getreurd, Geoffrey, en mij intusschen uitstekend vermaakt. Wij
hebben een heerlijken tijd gehad, niet waar, mijnheer Dunstan? Ge
moet weten dat mijnheer Dunstan ook bij de familie gelogeerd heeft."
"Hoe kon dat anders, _gij_ waart er immers, Lady Honoria?" zeide de
Sint, op zijn manier van galant zijn, die, om de waarheid te zeggen,
stuitend was voor haar, wie het gold, want zij was toch in allen
gevalle een beschaafde vrouw.
"De Garsingtons hebben de groote zaal en hun gezelschapskamer opnieuw
laten meubileeren," ging zij voort. "Het kost achttien honderd pond,
maar 't is dan ook allerkeurigst geworden."
"Zoo!" antwoordde Geoffrey, die van meening was dat Lord Garsington
wel wat van zijn schulden had mogen betalen, eer hij achttien honderd
pond aan nieuwe meubelen besteedde.
Nu begonnen de Sint en Lady Honoria een levendig en langdurig gesprek
te voeren over de andere logeergasten, waar Geoffrey nauwelijks naar
luisterde. Hij vond het aan tafel zitten zeer vervelend, en droeg
van zijn kant weinig tot de gezelligheid bij.
Toen zijn vrouw de kamer verlaten had, moest hij toch wat zeggen, dus
spraken zij over het jagen. De Sint was min of meer een _sportman_,
en hij beschreef Geoffrey een paar geweren van een nieuw model,
die hij voor de geringe som van honderd veertig guinjes gekocht had,
en die hij hem bizonder aanbeval.
"Ja," antwoordde Geoffrey, "die zullen wel zeer goed zijn, maar,
ziet ge, ze zijn mij te duur. Ik kan zooveel geld niet uitgeven voor
een paar geweren."
"O, is het anders niet," hernam zijn gast, "dan wil ik u deze wel
verkoopen, en ge kunt ze betalen wanneer het u schikt. Maar wat kan
het mij ook schelen, ik heb geweren genoeg. Ik wil royaal zijn en ze
u cadeau geven. Als _ik_ niet royaal kan zijn, zou ik niet weten wie!"
"Ik dank u, mijnheer Dunstan," antwoordde Geoffrey koel, "maar ik
ben niet gewoon zulke geschenken van mijn vr---- van mijn bekenden
aan te nemen. Wilt gij een glas sherry?--niet? Zullen wij dan maar
weer naar Lady Honoria gaan?"
Dit gezegde sloeg den plompen Sint, die het echter niet kwaad gemeend
had, geheel ter neder; en een oogenblik later had Geoffrey er spijt
van. Maar hij was in een verdrietige en wrevelige luim. Waarom bracht
zijn vrouw zulke menschen in zijn huis? Kort daarna nam hun gast
afscheid. Hij vond Bingham een verwaanden kwast, en gevoelde dat hij
niet tegen hem bestand was. "En ik geloof dat hij geen duizend pond
's jaars heeft," redeneerde hij bij zichzelven, "en zijn vrouw alleen
heeft een titel, hij niet. Daarom is hij zeker met haar getrouwd. Zij
is een veel beter soort dan hij, maar ik kan uit haar toch ook niet
recht wijs worden--men kan niet heel ver met haar komen. Maar zij
is de dochter van een Pair, en wel waard de kennis met haar aan te
houden, doch als ik weet dat Bingham thuis is, kom ik niet."
"Wat hebt ge mijnheer Dunstan toch gezegd, dat hij zoo spoedig
heengegaan is?" vroeg Lady Honoria.
"Wat ik hem gezegd heb? och, dat weet ik niet. Hij bood mij een paar
geweren aan, en toen heb ik gezegd dat ik geen geschenken van mijn
bekenden aannam. Waarlijk, Honoria, ik laat u in uw leefwijze geheel
vrij, maar ik begrijp niet hoe ge met zoo iemand als dien mijnheer
Dunstan kunt omgaan."
"Denkt ge dat ik met hem omga?" zeide zijn vrouw. "Denkt ge dat ik
niet weet wat dat voor een man is? Maar wie arm is, moet niet te
kieskeurig zijn. Al is hij een vlegel, hij heeft toch dertig duizend
pond 's jaars, en een bekende, die zoo'n inkomen heeft, is niet te
versmaden. 't Is te erg van u, Geoffrey," ging zij, met toenemende
wreveligheid, voort, "als ge weet, dat ik mij in ons ellendig, armoedig
leven moet schikken, dat ge elke gelegenheid waarneemt om u onaangenaam
te maken bij de menschen, die ik raadzaam acht bij ons te noodigen. Pas
ben ik uit een aangename omgeving in deze nare woning terug, of het
eerste wat ge doet, is twist te zoeken. Mijnheer Dunstan heeft loges
in verscheidene van de beste schouwburgen, en hij heeft er mij een
aangeboden zoo dikwijls ik er gebruik van wilde maken--en nu is dat,
natuurlijk, uit. 't Is te erg van u, zeg ik!"
"'t Is werkelijk zonderling, Honoria," hernam haar echtgenoot, "te
zien welke verplichtingen ge maakt, uit zucht naar vermaakt. 't Is
vernederend voor u, van dien man loges aan te nemen."
"Gekheid. Ik maak er volstrekt geen verplichting door. Als hij mij
een loge geeft, stelt hij er een eer in, mij in die loge te komen
aanspreken, en dan zijn vrienden te zeggen dat hij met Lady Honoria
Bingham sprak. 't Is een ruil: ik wil naar den schouwburg gaan;
hij wil in goede gezelschappen komen--daar hebt ge 't precies. Zoo
iets gebeurt dagelijks. Als ge dan het ware van de zaak wilt weten,
Geoffrey," ging zij voort, met een gezicht alsof zij op het punt was
in tranen van toorn uit te barsten, "ik kan niet als de vrouw van een
kantoorklerk leven. Ik _moet_ wat vermaak, iets tot veraangenaming
van mijn leven hebben, eer ik een oude vrouw word. Als dat u niet
bevalt, waarom hebt ge mij dan tot dit ellendig huwelijk verlokt,
eer ik oud genoeg was om beter te weten, of waarom verdient ge geen
geld genoeg om mij in staat te stellen mijn stand op te houden?"
"Daar hebben wij het al dikwijls over gehad, Honoria," zeide Geoffrey,
met moeite zijn bedaardheid behoudende; "en nu is er iets anders,
waarover ik u wensch te spreken. Weet ge wel, dat Anne van avond
langer dan een half uur aan het Paddington station gebleven is, om
met een van de spoorwegbeambten te staan vrijen, in plaats van Effie
naar huis te brengen, zooals ik haar bevolen had? Dat neem ik haar
zeer kwalijk. Zij is niet te vertrouwen; door haar onachtzaamheid zal
het kind eenmaal een ongeluk krijgen. Kunt ge haar niet wegzenden en
een andere kindermeid nemen?"
"Neen, dat kan ik niet. Zij is het eenige gemak, dat ik heb. Waar vind
ik een andere vrouw, die zoo goed japonnen kan maken als zij?--ze wint
mij wel honderd pond in het jaar uit--en het kan me niet schelen,
al vrijde zij met vijftig spoorwegbeambten. Gij hebt dat praatje
zeker van Effie gehoord; het kind moest een pak slaag hebben voor
haar verklikken--en het zal wel niet eens waar zijn."
"Effie zal voorzeker geen pak slaag krijgen," antwoordde Geoffrey,
op strengen toon. "Ik waarschuw u, dat het ieder, die haar met een
vinger aanraakt, slecht zal bekomen."
"O, heel goed, bederf het kind maar. Ga uw eigen gang maar,
Geoffrey! In allen gevalle, blijf ik niet langer om beleedigende taal
aan te hooren. Goeden nacht," en zij ging heen.
Geoffrey stak een cigarette op. "Een aangename tehuiskomst!" dacht
hij. "Honoria zal zooveel geld hebben als zij maar kan uitgeven--al
zou ik mij doodwerken, zij zal het hebben. Welk een leven, welk een
leven! Zou Beatrice haar man ook zoo behandelen, als zij er een had?"
Hij lachte om de ongerijmdheid van dit denkbeeld, wierp met een
wrevelig gebaar zijn cigarette in het vuur, en ging naar zijn kamer,
om te beproeven of hij slapen kon, want hij was zwaar vermoeid.
Hoofdstuk XVII.
Geoffrey wint zijn zaak.
Den volgend ochtend vóór tienen, was Geoffrey, na reeds twee uren
aan zijn akte besteed te hebben, die hij nu volkomen meester was,
op zijn kamers, waar hij niet zonder moeite gekomen was, wegens den
dikken mist, die nog over Londen en over geheel Engeland hing.
Tot zijn verbazing vernam hij, dat men van den Procureur-Generaal
noch van den President van het Kanselarij-Gerechtshof iets gehoord
had. De zaakwaarnemers waren wanhopig, maar hij troostte hen, door
te zeggen dat één van beiden nog wel bijtijds zou komen opdagen,
en dat eenige woorden voldoende zouden zijn, om het meerdere licht,
dat over de zaak verspreid was, uit te leggen. Hij besteedde echter
nog een half uur, om eenige ruwe aanteekeningen te maken, ten einde
een richtsnoer te hebben in het wel onwaarschijnlijk maar mogelijk
geval dat hij de zaak zou moeten inleiden, en ging toen naar het
Gerechtshof. Het was de eerste zaak op de rol, en de tegenpartij had
ook haar advocaat. Juist toen de rechter zijn plaats had ingenomen,
overhandigde de zaakwaarnemer, met een uitdrukking van schrik op zijn
gelaat, Geoffrey een telegram, dat op dit oogenblik van Mr. Candleton
gekomen was. Het was uit Calais gedateerd, en luidde: "Niet in staat
over te steken, wegens den dikken mist. Benoem een ander in Parsons
en Douse."