"Ik heb, ten minste, iets gevonden," antwoordde zij. "Of 't het rechte

is, weet ik niet. Ziet ge, de oude man was bijgeloovig; zij hebben

hem bang gemaakt, door een stem, die uit het graf heette te komen,

of zoo iets, om hem zoodoende te dwingen het testament te teekenen,

en hem, nadat hij het geteekend had, zulk een angst aangejaagd, dat

hij van schrik gestorven is. De procureursklerk heeft het testament

opgesteld--hij wist wel hoe dat gedaan moest worden. Toen werd hij in

de kamer onder het ledekant, of ergens anders verborgen, misschien

als een spook verkleed. Dat de nicht den zoon had laten roepen, was

maar om verdenking af te weren. Wat men heeft zien wegloopen, was

een jongen--dat zijn de voetstappen van een jongen. Ik heb er zooveel

duizenden op het strand gezien, dat ik er op zou kunnen zweren. Hij

werd van den weg af naar het huis aangetrokken doordat hij iets

ongewoons door de jaloezieën zag; de akte zegt dat er geen gordijnen

of luiken voor het venster waren. Zie nu de photographieën van de

voetstappen. Op No. 1 zijn de teenen diep in het slijk gedrukt. De

jongen heeft op de teenen gestaan, om beter te kunnen zien. Maar op

No. 2, die gevonden zijn in de nabijheid van de plek, waar de zoon

meende iemand te zien loopen, zijn de teenen wijd uiteen. Dat zijn

de voetstappen van iemand, die groote haast had. Nu is het toch niet

waarschijnlijk, dat een jongen van de straat iets met den dood van den

testateur te maken had. Waarom liep die jongen dan zoo hard? Dat zal ik

u zeggen: omdat hij geschrikt is van iets, dat hij door de jaloezieën

gezien heeft. Zoo verschrikt was hij, dat hij niet te voorschijn zal

komen op advertentiën of nasporingen. Zie in het dorp een jongen te

vinden, die een lid van den derden teen aan zijn rechtervoet mist,

en spoedig zult gij er alles van weten."

"Drommels!" zeide Geoffrey, "wat zoudt gij een knap advocaat

aan het Hof van crimineele zaken zijn! Ik geloof, dat ge het

hebt. Maar hoe vinden wij dien jongen met het vermiste lid aan den

derden teen? Alle mogelijk onderzoek is reeds ingesteld geworden

en vruchteloos geweest. Niemand heeft zulk een jongen gezien, wiens

gebrek waarschijnlijk toch wel bij zijn ouders of schoolmakkers bekend

zou zijn."

"Ja," hernam Beatrice, "het is mislukt omdat de jongen schoenen is

gaan dragen, wat hij trouwens op school altijd had moeten doen. Zijn

ouders, als hij die heeft, wilden misschien niet over zijn gebrek

spreken, en misschien weet niemand anders er van, vooral niet als

hij pas in de buurt was komen wonen. 't Is ook zeer wel mogelijk,

dat hij zijn laarzen heeft uitgetrokken, om beter tegen het venster

te kunnen opklimmen. En u zal ik nu zeggen hoe ik te werk zou gaan om

hem te vinden. Ik zou elke plaats in de rivier, waar gebaad wordt--er

loopt een rivier door het dorp--nauwkeurig door _detectives_ laten

onderzoeken. In dit weer (het was een bizonder warme herfst) plassen

jongens van die klasse met hun voeten in de rivier, en baden er soms

in. Als zij maar scherp genoeg opletten, zullen zij onder die jongens

er waarschijnlijk wel een vinden, die een lid van zijn teen mist."

"Welk een goede inval!" zeide Geoffrey. "Ik zal dadelijk den

zaakwaarnemers telegrafeeren. Ik geloof zeker dat ge den draad hebt."

En zoo bleek het ook; haar vooronderstellingen waren in bijna elke

bizonderheid juist. De jongen was de zoon van een marskramer, die

eerst onlangs in het dorp was gekomen, en werd in de rivier wadende

gevonden, en door een behendigen streek, die niet vermeld behoeft te

worden, er toe gebracht om uit bevreesdheid de waarheid te zeggen,

evenals hij vroeger uit bevreesdheid zijn mond had gehouden. Hij

had zelfs, zooals Beatrice gegist had, zijn laarzen uitgetrokken om

naar het venster op te klimmen, en toen hij in zijn angst wegliep,

had hij ze in een sloot geworpen. Daar werden zij gevonden, en zij

brachten er veel toe bij om de gezworenen van de waarheid zijner

verklaring te overtuigen. Zoo had Beatrice's scherpzinnigheid den

grondslag gelegd tot Geoffrey's latere vermaardheid.

Deze Maandag was een afrekeningsdag op de pastorie. Jones was

onwillig gebleven; geen macht op aarde kon hem bewegen de £ 34.11

shilling 4 _pence_, wegens verschuldigde tienden, te betalen. Derhalve

had Granger, krachtens een wettig verkregen vonnis, zijn voornemen

aangekondigd om het hooi en het vee van Jones te verkoopen. Jones had

daarop met brutale trotseering geantwoord. Als er een deurwaarder,

of afslager, of een van dat volk kwam om zijn hooi te verkoopen,

zou hij hem dooden.

Dat had Jones gezegd, en hij riep zijn aanhangers op, waarvan velen

tienden schuldig waren, en die geen van allen wilden betalen,

om voor zijn zaak te strijden. Van zijn kant had Granger een

afslager van erkenden moed aangenomen, die dienzelfden middag,

gesteund door zes politie-agenten, zou aankomen om de verkooping te

houden. Beatrice was over de geheele zaak ongerust, maar Elisabeth

was zeer vastberaden, en de oude predikant was nu eens aan het

zwetsen en dan weder neerslachtig. De afslager kwam met den trein

van één uur. Hij was een rijzig, kloekgebouwd man, en had in zijn

voorkomen wel iets van Geoffrey, zoodat men op een afstand den een

licht voor den ander had kunnen aanzien. De verkooping was bepaald op

half drie, en Johnson--zoo heette de afslager--ging naar de herberg,

om zijn middagmaal te gebruiken alvorens aan de zaken te gaan. Hij was

onderricht van de vijandige houding, die tegenover hem aangenomen zou

worden, en dat een lid van het Parlement opzettelijk was overgekomen,

om zich aan het hoofd van de weerspannigen te stellen; maar, als een

moedig man, bekommerde hij zich daar niet over.

"Zij blaffen wel, maar zij bijten niet, mijnheer," zeide hij tot

Geoffrey; "ik ben voor dat volk niet bang. Als niemand er op bieden

wil, koop ik den boel zelf in."

"Heel goed," zeide Geoffrey, "maar ik raad u toch op uw hoede te

zijn. Ik geloof dat die oude man een ruwe klant is."

Toen ging Geoffrey dineeren.

Terwijl zij aan tafel zaten, zagen zij door een gaping in de

pijnboomen, dat de groote meerderheid der bevolking van Bryngelly

naar de hoeve van Jones stroomde, sommigen om op te ruien, anderen

om de grap te zien.

"Aanstonds begint de verkooping," zeide Geoffrey. "Gaat gij er heen,

mijnheer Granger?"

"Ik had er plan op," antwoordde de oude heer, "maar Elisabeth vindt

beter dat ik maar wegblijf. En een predikant moet zich ook niet

te veel met zulke aardsche zaken bemoeien," liet hij er luchtig op

volgen. "Neen, ik moet over het koopen van eenige varkens gaan spreken,

heel aan het andere einde van het kerspel, en ik geloof dat ik deze

gelegenheid maar zal waarnemen."

"Gij gaat er toch niet heen, mijnheer Bingham?" vroeg Beatrice,

op een toon, die haar bezorgdheid verried.

"O, ja," antwoordde hij, "zeker ga ik er heen. Ik zou die kans

niet gaarne willen missen. Wel, Beecham Bones zal er zijn, het

Parlementslid, dat pas zijn zes maanden heeft uitgezeten wegens

opruiing tot geweldpleging. Wij zijn oude bekenden; ik heb met hem

schoolgegaan. De arme vent was toen ook al zoo'n dolleman, en ik moet

hooren wat voor onzin hij nu weer uitkraamt."

"Ik geloof dat gij beter doet niet te gaan, mijnheer Bingham," hernam

Beatrice; "'t is een ruwe troep."

"Iedereen is zoo lafhartig niet als jij bent," viel Elisabeth in. "Ik

ga er in allen gevalle heen."

"Dat is goed, Miss Elisabeth," zeide Geoffrey; "dan zullen wij elkaar

tegen de revolutionnaire volkswoede beschermen. Kom, 't is tijd om

te gaan."

En zoo gingen zij te zamen heen, en lieten Beatrice ter prooi aan

bange voorgevoelens achter.

Zij wachtte bijna een uur in huis, en zocht afleiding onder den schijn

van met Effie te spelen. Toen kreeg haar ongerustheid de overhand,

zij zette haar hoed op en liep de deur uit, Effie aan de zorg van de

dienstmaagd overlatende.

Beatrice liep snel langs de rots, totdat zij de hoeve van Jones in 't

gezicht kreeg. Van de plaats waar zij stond, kon zij een opeengedrongen

menigte zien, en zelfs, als de wind naar haar toe was, geschreeuw en

rumoer hooren. Opeens hoorde zij een knal als een geweerschot, zag

de menigte in groote verwarring uiteen stuiven en daarna in dichte

groepen weer bij elkander staan.

"Wat zou dat beteekenen?" dacht Beatrice.

Een oogenblik later zag zij twee mannen, zoo snel loopende als zij

konden, naar haar toe komen, gevolgd door een vrouw. Nog drie minuten,

en zij herkende in die vrouw Elisabeth.

De mannen liepen haar nu voorbij.

"Wat is 't?" riep zij.

"Moord!" antwoordden zij beiden tegelijk, en spoedden zich voort

naar Bryngelly.

Een oogenblik na hen kwam Elisabeth; ontzetting stond op haar bleek

gelaat te lezen.

Beatrice greep haar bij den arm. "Wie is het?" riep zij.

"Mijnheer Bingham," bracht haar zuster hijgend uit. "Hij is

doodgeschoten!" En meteen was zij ook weg.

Beatrice's knieën knikten, haar tong kleefde aan haar verhemelte;

alles draaide om haar heen. Geoffrey vermoord! O, wat moest zij

doen? Waar moest zij zichzelve en haar droefheid verbergen?

Een eind ver van het pad stond een geknotte boom, met een grooten

platten steen bij den wortel. Daar waggelde Beatrice heen, en op dien

steen zonk zij neder, terwijl alles nog om haar heen draaide.

Van lieverlede ging die geestbedwelmende duizeling voorbij, en een nog

heviger smart doorvlijmde haar ziel. Eerst was zij verdoofd geweest,

nu gevoelde zij.

Maar misschien was het niet waar, dacht zij; misschien had Elisabeth

zich vergist of het alleen maar gezegd om haar te plagen.

Zij stond op. Zij viel op de knieën, en bad, voor de eerste maal

sedert vele jaren; uit den grond van haar hart bad zij: "O, God, als

gij bestaat, spaar zijn leven, en bespaar mij die verschrikkelijke

smart!" Zoo werd in haar zielsfoltering haar geloof herboren, en

evenals alle stervelingen in de ure van zielsangst, gevoelde Beatrice

haar afhankelijkheid van den Ongeziene. Zij stond op, en nog door

aandoening overstelpt, zonk zij weer op den steen neder. Nu stroomde

de naar het dorp terugkeerende menigte haar voorbij, opgewonden met

elkaar sprekende. Iemand trad naar haar toe, en stond tegenover haar.

O, Hemel, het was Geoffrey!

"Zijt gij het?" stamelde zij. "Elisabeth zeide, dat ge dood waart."

"Neen, ik ben niet dood, 't is die arme Johnson, de afslager. Jones

heeft hem doodgeschoten. Ik stond naast hem. Uw zuster heeft zeker

gedacht dat ik het was, dien zij zag vallen. Hij geleek wel wat op mij,

de arme vent!"

Beatrice zag hem aan; zij werd beurtelings rood en bleek, en toen

barstte zij in een stroom van tranen uit.

Een zonderlinge aandoening greep hem aan, doortrilde zijn hart en

schokte hem tot in het diepst zijner ziel. Waarom was dat meisje zoo

ontroerd? Kon het zijn dat--? Gekheid; hij smoorde dit denkbeeld,

zoodra het bij hem opkwam.

"Ween niet," zeide Geoffrey, "de menschen zullen naar u zien,

Beatrice," (voor de eerste maal noemde hij haar bij haar doopnaam);

"kom, ween niet. Dat kan ik niet aanzien. Gij zijt ontsteld, en dat

is niet te verwonderen. Die Beecham Bones moest opgehangen worden,

en dat heb ik hem ook gezegd. 't Is alles _zijn_ schuld, hoewel hij

niet bedoeld had het zoo ver te laten komen. Hij is nu bang genoeg,

dat kan ik u verzekeren."

Beatrice bedwong zich door een krachtige poging.

"Onder het naar huis gaan," zeide hij, "zal ik u vertellen wat

er gebeurd is. Neen, ga niet naar de hoeve. 't Is geen aangenaam

schouwspel den armen vent te zien. Toen ik daar kwam, stond Beecham

Bones, met heftige gesticulaties, waarbij zijn lang haar om zijn

hoofd zwierde, te oreeren, om de menigte op te ruien tot verzet tegen

wetten, door onmenschelijke landheeren, van het zweet en bloed der

armen levende, gemaakt, en al zulke bombastische uitdrukkingen meer;

verzekerende dat zij bij een sterke partij in het Parlement steun

zou vinden, enz. enz. Het volk nam het echter nogal luchtig op. Men

had een pop, die uw vader moest verbeelden, aan een paal gehangen,

met een plakkaat op de borst, waarop geschreven was: 'De dief,

die weduwen en weezen besteelt,' en men zong Welsche liederen. Maar

ik zag dat Jones meer dan half dronken was, en hij vloekte in het

Welsch en Engelsch. Toen de afslager begon te verkoopen, ging Jones

in huis, en Bones ging met hem mee. Nadat er genoeg verkocht was om

de schuld te betalen, en terwijl de menigte nog lachte en juichte,

werd eensklaps de achterdeur van het huis geopend en stormde Jones er

uit, nu geheel dronken, met een geweer in de hand, en door Bones bij

de panden van zijn jas vastgehouden. Ik sprak met den afslager, en ik

geloof dat de schurk mij voor Johnson aanzag. Althans, hij legde zijn

geweer aan en schoot op mij. Het schot ging echter langs mijn hoofd,

raakte Johnson vlak in 't gelaat, en hij viel dood neder. Dat is de

geheele geschiedenis."

"En meer dan genoeg ook," zeide Beatrice, met een huivering. "Welk

een tijd beleven wij! 't Is afschuwelijk!"

Aan het avondeten zat men treurig bij elkander. De oude Granger was

geheel van streek, en zelfs Elisabeth's ijzeren zenuwen waren geschokt.

"Het kon niet erger zijn," jammerde de oude man, van tafel opstaande,

en de kamer op en neer loopende.

"Dat kon het wel, vader," sprak de praktische Elisabeth. "Hij had

doodgeschoten kunnen worden, voordat hij het hooi verkocht had,

en dan zoudt gij uw tienden niet gehad hebben."

Geoffrey moest om haar inval, van de zaak uit dit oogpunt te

beschouwen, glimlachen, maar haar vader scheen er toch eenigen troost

uit te putten. Door er gestadig over te denken, zoowel als door den

dagelijkschen drang der noodzakelijkheid, ging geld bij den ouden

man boven alles op de wereld.

Nauwelijks was het avondeten afgeloopen, of er kwamen drie

verslaggevers, om Geoffrey's verklaring van het gebeurde te hooren

ten einde er in de bladen melding van te maken, en Beatrice ging

voor het inpakken van Effie's kleeren zorgen. Den volgenden ochtend,

met den trein van negen uur, zou Geoffrey met haar vertrekken. Toen

Beatrice weer binnenkwam, was het half elf, en in zijn geprikkelde

gemoedsstemming stond Granger er op, dat zij allen naar bed zouden

gaan. Elisabeth gaf Geoffrey de hand, wenschte hem geluk dat hij er

zoo goed afgekomen was, en ging dadelijk heen, maar Beatrice draalde

even. Eindelijk trad zij vooruit en stak hem de hand toe.

"Goeden nacht, mijnheer Bingham," zeide zij.

"Goeden nacht. Ik hoop dat het niet vaarwel ook is," liet hij er met

eenige ongerustheid op volgen.

"Natuurlijk niet," viel Granger in. "Beatrice zal u naar den trein

brengen. Ik kan het niet doen, ik moet den lijkschouwer afwachten,

en Elisabeth heeft het altijd druk met het huishouden. Gelukkig zullen

zij u niet noodig hebben, er waren getuigen genoeg bij."

"Dus is 't alleen maar goeden nacht," zeide Beatrice.

Zij ging naar haar kamer. Elisabeth, die in dezelfde kamer met haar

sliep, lag reeds te bed en scheen te slapen. Nu ontkleedde Beatrice

zich en legde zich ter ruste--maar rusten kon zij niet. Het was "alleen

maar goeden nacht," een laatst "goeden nacht." Hij ging heen--terug

naar zijn vrouw, terug naar de woelige groote wereld en naar het leven,

waaraan zij geen deel had. Weldra zou hij haar vergeten zijn. Andere

belangen zouden zich opdoen; andere vrouwen zouden zijn vriendinnen

worden, en hij zou niet meer denken aan het Welsche meisje, dat hem

voor een poos had aangetrokken, of zich harer slechts herinneren

als de deelgenoote van een levensgevaarlijk avontuur. Wat beteekende

dat? Waarom was haar hart zoo bekneld? Waarom had zij zich te moede

gevoeld alsof zij gestorven zou zijn, als men haar gezegd had dat

hij dood was?

Toen rees het antwoord in haar binnenste op. Zij beminde hem; de

waarheid was niet te loochenen--zij beminde hem met hart en ziel. Zij

was de zijne, en de zijne alleen--heden, morgen en voor altijd. Hij

mocht uit haar gezicht gaan, zij mocht hem nimmer wederzien, maar

beminnen moest zij hem altijd. En hij was gehuwd!

Dat was haar ongeluk; maar het kon de ernstige waarheid niet

wegnemen. Wat moest zij dan doen--wat was het leven voor haar,

wanneer haar oogen de zijne niet meer zagen en haar ooren zijn stem

niet meer hoorden? Zij zag de toekomst voor zich opengesteld als in

een visioen. Zij zag zich vergeten door dien man, dien zij beminde,

of zich slechts met een flauw gevoel van leedwezen herinnerd. Zij

zag zich langzamerhand oud worden, haar schoonheid van jaar tot jaar

verwelken, slechts samengaande met de liefde, die niet oud wordt. O,

het was bitter, zeer bitter! en toch zou zij het niet anders gewenscht

hebben. In al haar smart gevoelde zij geen leedwezen die innige,

maar verderfelijke vreugde te hebben gevonden, met haar eigen hart

geworsteld te hebben en overwonnen te zijn, liever dan zijn gelaat

nooit aanschouwd te hebben. Had zij slechts geweten dat, wat zij gaf,

teruggegeven werd, dat hij haar beminde zooals zij hem, dan zou zij

tevreden geweest zijn. Zij was onschuldig, zij had nooit beproefd

hem tot zich aan te trekken; zij had nooit een van die vrouwelijke

kunstgrepen gebezigd, die haar schoonheid te harer beschikking

stelden. Nooit was hun omgang met elkander door woord of blik anders

geweest dan gul vriendschappelijk, als tusschen man en man. Zij wist,

dat hij niet van zijn vrouw hield, en dat zijn vrouw niet van hem

hield--dat kon zij zien. Maar zij had nooit beproefd hem van haar af

te lokken, en hoewel zij in gedachten zondigde, hoewel zij schuldig

in haar hart was, waren haar handen rein.

Haar onrustigheid overmeesterde haar. Zij kon niet langer in bed

blijven liggen. Elisabeth, die haar, onder voorwendsel van te slapen,

bespiedde, zag Beatrice opstaan, een _peignoir_ aandoen en naar

het venster gaan, dat zij wijd opensloeg. Eerst meende Elisabeth

tusschenbeide te komen, want zij was voorzichtig, en bang voor tocht;

maar zij was nieuwsgierig wat haar zuster ging doen, en daarom liet zij

haar begaan. Beatrice leunde met haar arm op de vensterbank en zag in

den stillen nacht uit. Wat teekenden die pijnboomen zich donker tegen

de lucht af; hoe zacht ruischte de zee, en hoe helder flonkerden de

sterren aan het uitspansel.

Wat was haar liefde dan? Was het een louter aardsche hartstocht? Neen,

het was meer. Het was iets grootschers, iets reiners, iets diepers,

iets onsterfelijks. Van waar kwam die liefde dan? Was zijzelve, zooals

zij meende, niets anders dan een kind dezer aarde, van waar kwam dan

dat sterk verlangen, dat niet van deze aarde was? Had zij ongelijk

gehad, had zij een ziel--iets, dat met de zinnen en door de zinnen

en boven de zinnen kon beminnen--iets, waarvan het lichaam slechts

het omhulsel of het werktuig was? O, nu scheen het Beatrice toe,

dat het zoo was, en dat, door haar liefde in wezen geroepen, zij

en haar ziel moesten erkennen één te zijn. Eenmaal had zij gedacht

dat dit verbeelding was; dat zulk een geestelijke hoop slechts het

uitvloeisel van een onvoldaan hart was; dat, wanneer de liefde ons

op aarde ontsnapt, wij in onze wanhoop zweren, dat zij onsterfelijk

is en dat wij haar in den hemel zullen vinden. Nu geloofde Beatrice

dit niet meer. De liefde had haar wakker gekust, en haar ontwaakte

geest zag een visioen van de waarheid.

Ja, zij beminde hem, en moest hem altijd beminnen! Maar nooit zou zij

op aarde kunnen weten dat hij de hare was, en als zij een ziel had,

die na eenige jaren van de banden des lichaams bevrijd werd, zou _zijn_

ziel dan in dat verre hiernamaals de hare niet vergeten zijn?

Zij liet het hoofd op haar arm zinken en snikte zacht. Wat kon zij

anders doen dan snikken--totdat haar hart brak?

Elisabeth, die met gespitste ooren lag, hoorde haar snikken. Zij zag,

door het maanlicht turende, de gestalte harer zuster stuipachtig

trillen, en glimlachte boosaardig.

"Zij weent omdat die man heengaat," dacht zij. "Ween maar niet,

Beatrice, ween maar niet! Wees gerust: je krijgt je lieveling wel

terug. Hij is even gek op jou als jij op hem bent."

Er was iets kwaadaardigs, bijna iets duivelachtigs in dit tooneel

van de eene vrouw, die de andere bespiedde, den draad had van haar

geheime zielesmart, en intusschen een plan smeedde om die in haar

eigen voordeel en tot verderf van het onschuldig voorwerp harer

bittere jaloezie aan te wenden.

Eensklaps hield Beatrice met snikken op. Een plotselinge aandrift deed

haar het hoofd opheffen, en in eenige hartstochtelijke dichtregelen,

die haar invielen, alsof zij uit haar eigen hart opwelden, gaf zij

in een opgewonden gefluister haar overstelpt gemoed lucht.

Op dit oogenblik droomde Geoffrey, die gerust sliep, dat hij Beatrice

aan het venster zag zitten, en dat haar oogen op hem gericht waren,

met een blik, die door elken aardschen scheidsmuur heen drong. Zij

sprak, haar lippen bewogen zich, maar hoewel hij haar stem niet kon

hooren, was het alsof zijn hart de woorden, die zij sprak, opving.

Teedere, aandoenlijke woorden waren het. Tegelijk toen zij ophielden,

verdween het visioen van Beatrice, en eensklaps ontwaakte hij.

O, wat was die bruischende vloed van onweerstaanbare gedachten,

die zijn ziel overstelpten? Dat was geen droom, geen verbeelding;

dat was werkelijkheid; zij was aanwezig, hoewel zij persoonlijk niet

bij hem was; haar geest was in gemeenschap met den zijnen. Zijn hart

bonsde, zijn leden trilden, hij trachtte te begrijpen wat dat was,

maar kon het niet. Doch in die raadselachtige gemeenschap, nam de

hartstocht, dien hij onderdrukt had en niet had willen erkennen,

leven en vorm in hem aan. Op dat oogenblik werd het hem duidelijk:

hij wist dat hij haar beminde, en wetende wat zulk een liefde moest

beteekenen, zonk Geoffrey kermend achterover.

En Beatrice? Opeens hield zij op met bij zichzelve te spreken; zij

gevoelde dat haar gedachten in een andere ziel dezelfde snaar hadden

doen trillen. Zij had door den aardschen scheidsmuur heen gebroken;

de electrische vonk, die het gevoel van haar hart had overgebracht,

was op gelijke wijze beantwoord door hem, dien zij beminde. Maar in

welke taal was dat antwoord? Ach, zij kon het niet lezen, evenmin

als hij haar boodschap had kunnen lezen. Eerst twijfelde zij: het was

voorzeker verbeelding. Toen herinnerde zij zich gehoord te hebben van

stervenden, die een visioen van zichzelven aan anderen konden zenden;

en als dat zoo was, waarom _dit_ dan niet? Ja, het was een waarheid,

een ernstige waarheid; zij wist dat hij haar gedachten gevoelde,

dat zijn leven van invloed was op het hare. O, onverklaarbaar mocht

het zijn, maar het gaf hoop. Als de blinde kracht harer menschelijke

liefde zóó de grenzen van het stoffelijk bestaan kon overschrijden, en

zich louter door de macht van haar wil boven alle aardsche hinderpalen

verhief, wat had zij dan te vreezen van afstand, van scheiding, van

den dood zelven? Zij had den draad gegrepen, die er eenmaal toe kon

leiden om wonderbare geheimen voor haar blik open te leggen. Zij had

een gefluister gehoord in een onbekende taal, die zij nog moest leeren,

en die op den wanhoopskreet des levens met een zegelied antwoordde. Als

hij haar slechts beminde, zou eenmaal alles goed zijn. Eenmaal zouden

de scheidsmuren omvallen, en de ziel, van haar vleeschelijk omhulsel

bevrijd, zou de aan haar verwante ziel zoeken. En dan, als zij haar

liefde gevonden had, wat was er dan nog meer te zoeken? Welk ander

antwoord verlangde zij op al de vraagstukken van haar leven dan deze

eindelijk verkregen eenheid--eenheid verkregen in den dood!

En indien hij haar niet beminde, hoe had hij haar dan kunnen

antwoorden? Dat antwoord kon immers niet anders tot haar komen dan

langs den gouden snaar der liefde, die haar zoetsten klank doet hooren,

wanneer de vinger des weemoeds haar tokkelt.

De geestvervoering ging voorbij, de ziel verheffende gedachten

werden al nauwer en flauwer, als de wegstervende echo's van een harp,

en eindelijk, door de hevigheid harer aandoeningen uitgeput, legde

Beatrice zich te bed en viel weldra in slaap.

Toen Geoffrey den volgenden ochtend ontwaakte, kwam hij, na een weinig

nadenken, tot het besluit dat hij een zonderlingen en treffenden droom

had gehad, die het gevolg was van opgewondenheid door de gebeurtenissen

van den vorigen dag, of van verdriet dat hij vertrekken moest. Hij

stond op, pakte zijn reistasch--al het overige was gereed--en ging

ontbijten. Beatrice kwam niet te voorschijn, voordat het ontbijt reeds

half afgeloopen was. Zij zag zeer bleek, en zeide dat het pakken van

Effie's goed haar had opgehouden. Geoffrey merkte op, dat zij zijn

vingers nauwelijks aanraakte, toen hij opstond om haar de hand te

geven, en dat zij zijn blik zorgvuldig vermeed. Toen kwam de vraag

bij hem op of _zij_ misschien ook een zonderlingen droom had gehad.

Nu kwam de drukte van het vertrek. Effie werd in de vigilante met

de bagage weggezonden, onder toezicht van Betty, de dikke Welsche

dienstmaagd. Beatrice en Geoffrey zouden te voet naar het station gaan.

"'t Is tijd om afscheid te nemen, mijnheer Bingham," zeide

Granger. "Vaarwel, vaarwel! God zegene u. Ik heb nooit zoo'n aangenamen

commensaal gehad. Ik hoop dat gij nog eens terug zult komen. A propos,

bij het verhoor van dien schurk Jones zult gij zeker wel als getuige

opgeroepen worden."

"Vaarwel, mijnheer Granger," antwoordde Geoffrey: "ge moet mij in

stad eens komen bezoeken. Verandering is goed voor u."

"Ja, dat doe ik misschien wel. Ik heb in geen vijf-en-twintig jaar

verandering gehad. Ik heb het nooit kunnen bekostigen. Gaat gij

Elisabeth niet vaarwel zeggen?"

"Vaarwel, Miss Granger," zeide Geoffrey beleefd. "Veel dank voor al

uw vriendelijkheid. Ik hoop dat wij elkander eens zullen ontmoeten."

Beatrice(#24830) · 第 11 / 25 段