Het mag wel vermeld worden, dat Geoffrey's raad niet geheel in

den wind geslagen werd. Beatrice beproefde het vraagstuk nog eens

te onderzoeken, en hoewel het Geloof niet geheel en al bij haar

terugkwam, was de Hoop ten minste in haar hart ontwaakt, en "de meeste

van deze, die de Liefde is," had haar nooit verlaten. De Hoop kwam

langzaam terug, waarschijnlijk niet door redeneering, maar veeleer

door voorbeeld. In de zee van Twijfel zag zij een ander baken, al was

het ook maar op het wrakhout van het vergane schip. Dit moedigde haar

aan. Geoffrey geloofde, en zij--zij hechtte geloof aan het geloof van

Geoffrey. Is dit niet het geheim der filosofie van menige vrouw--zelfs

in zekere mate van zulk een vrouw als Beatrice? Haar geloofsleer

is het geloof van hem, dien zij vertrouwt. En Geoffrey was degene,

in wien Beatrice vertrouwen begon te stellen, des te meer omdat zij

vroeger nooit vertrouwen in iemand had gesteld. Wat zij er anders

ook bij mocht verliezen, dit won zij er ten minste bij, toen zij zijn

leven had gered.

Hoofdstuk XIV.

Voortgestuwd.

Op den dag na hun godsdienstige gedachtenwisseling, gebeurde er

iets, waarvan het gevolg was, dat Geoffrey en Beatrice meer dan

ooit in elkanders gezelschap waren. In de vorige week waren er twee

gevallen van roodvonk onder de schoolkinderen voorgekomen, en nu had de

epidemie zich zóó verspreid, dat de school gesloten moest worden. Dus

had Beatrice al haar tijd voor zichzelve. Dat had Geoffrey ook. Het

was zijn gewoonte, zich elken ochtend vóór het ontbijt te baden,

waarna hij het overige van den dag niets te doen had. Beatrice

ging met de kleine Effie ook vóór het ontbijt een bad nemen in de

dames-badplaats, op een kwartmijl afstands, en soms ontmoette hij

haar als hij terugkwam, met een blos van gezondheid en schoonheid

op haar gelaat, en haar half gedroogd haar in zware vlechten langs

haar rug golvend. Na het ontbijt brachten zij Effie naar het strand,

en daar gaf haar "tantetje," zooals zij Beatrice noemde, haar les,

totdat het kind vermoeid was, en wegliep, om in de zee te plassen of

tusschen de rotsen garnalen te zoeken.

Intusschen spraken Effie's vader en Beatrice--niet over godsdienst,

dit punt lieten zij rusten, en ook niet over Owen Davies, maar

over allerlei andere onderwerpen. Beatrice was vroolijk van aard,

en zij waren nooit om stof tot gesprek verlegen, want er was veel

overeenstemming tusschen hen. In boekenkennis won Beatrice het van hem,

want zij had niet alleen veel gelezen, maar zij onthield ook goed

wat zij gelezen had en wist het te pas te brengen. Zij had ook een

scherp onderzoekingsvermogen. Hij, daarentegen, had meer wereldkennis,

en in zijn rijke dagen had hij veel gereisd, en zoo wist de een den

ander altijd wat te vertellen. Geen oogenblik verveelden zij zich in

elkanders gezelschap. Zoo verliep de ochtend maar al te spoedig, en

als zij tegen het middagmaal thuis kwamen, werden zij door Elisabeth

met een koelen glimlach begroet, en met veel hartelijkheid door den

ouden man, die nooit aan iets buiten den kring van zijn eigen zaken

dacht. Na het middagmaal was 't weer hetzelfde. Of zij gingen wandelen,

om naar de varens en bloemen te zien, of Geoffrey nam zijn geweer,

en verschool zich achter de rotsen, om kemphanen te schieten, en zond

Beatrice, die de kust zoo goed kende, naar een landtong, om hen op te

jagen. Dan kwam zij terug, van rots tot rots naar hem toe springende,

en hurkte achter een naburigen, met zeewier begroeiden rotsklomp neder,

en dan spraken zij fluisterend, of in 't geheel niet, om de vogels,

die in de vlucht waren, niet te verschrikken. En Geoffrey zag eerst

naar de lucht, om kemphanen of wilde eenden in 't oog te krijgen, en

als hij die niet zag, liet hij zijn blik vallen op de reine schoonheid

van Beatrice's gelaat, en dan kwam de vraag bij hem op, waar zij toch

wel over dacht; totdat zij, eensklaps zijn blik gevoelende, zich met

een glimlach, zoo liefelijk als het eerste morgenrood op het water,

tot hem wendde en hem vroeg waar _hij_ over dacht. En dan lachte hij,

en antwoordde: "Aan u," waarop zij weder glimlachte en misschien een

weinig bloosde, verblijd in haar hart, zonder te weten waarom.

Dan kwam de tijd van theedrinken, wanneer zij voor het open venster

zaten en Geoffrey naar het ruischen van de zee en het suizen van de

avondkoelte door de pijnboomen luisterde. In den hoek zat Granger

in zijn armstoel te slapen, of misschien was hij voor goed naar

bed gegaan, want hij ging gaarne om half negen naar bed, zooals

zijn vader, de pachter uit Herefordshire, placht te doen; en aan

het andere einde der kamer zat Elisabeth, bij het licht van een

enkele kaars haar rekeningen opmakende, of als zij die niet had,

in een of ander stichtelijk boek lezende. Maar over den rand van het

boek heen, of van het blad met gekrabbelde berekeningen, sloeg zij

telkens de oogen op naar het paar voor het venster, en dan glimlachte

zij. Maar zij zagen die blikken niet, en merkten dien glimlach niet

op. Als Geoffrey naar dien kant zag, wat hij niet dikwijls deed, want

Elisabeth--de oude Elisabeth, zooals hij haar bij zichzelven altijd

noemde--had niets aantrekkelijks voor hem, zag hij niets anders dan

haar hoekige gestalte over haar werk gebogen en het licht van de

kaars op haar strookleurig haar en haar harde knokkels vallen.

En zoo verliep de dag, en kwam de tijd van ter ruste te gaan, met

zijn droomen, die wel achterwege hadden mogen blijven.

Geoffrey dacht van dit alles geen kwaad, zooals hij eigenlijk had

behooren te doen. Hij was niet de brieschende leeuw uit werken van

verdichting--zelden in het werkelijk leven ontmoet--rondgaande en

zoekende, wien hij zou kunnen verslinden. Hij legde het er volstrekt

niet op toe, Beatrice's liefde te winnen, evenmin als zij van haar

kant de zijne zocht, en dat eerste voorgevoel van kwaad was hij

vergeten. In de eerste dagen van hun vertrouwelijkheid kwam er,

wel is waar, een wroegend gevoel van twijfel bij hem, op, maar dat

zette hij als ongerijmd van zich. Hij geloofde niet aan de teedere

weerloosheid van volwassen vrouwen, want hij had bij ondervinding

dat zij volkomen in staat waren--en meestal meer dan in staat--voor

zichzelven te zorgen. Het scheen hem belachelijk toe, dat een meisje

als Beatrice, zoo bevoegd om zich over de gewichtige vraagstukken des

levens een gevoelen te vormen en te oordeelen, als een kind behandeld

moest worden, en dat hij zich uit Bryngelly zou moeten verwijderen,

uit vrees dat haar jeugdig hart verstrikt zou worden. Hij hield zich

verzekerd, dat haar gevoel nooit anders zou spreken dan met haar

volle toestemming.

Toen dacht hij er in 't geheel niet meer over. Er lag dan ook

alleen reeds in het denkbeeld van zoo iets een vooronderstelling,

die slechts aannemelijk geweest zou zijn voor een man, die met

zichzelven ingenomen was--namelijk, de mogelijkheid, dat die

jonge dame verliefd op hem werd. Welk recht had hij om zoo iets te

vooronderstellen? Dat was een onbeschaamde verwaandheid. Dat er een

andere mogelijkheid bestond--namelijk, dat hij zich meer aan haar zou

hechten dan wenschelijk was--kwam hem echter eens of tweemaal in de

gedachten. Maar daar haalde hij de schouders voor op. Daar had _hij_

in allen gevalle op te passen, en het kon _haar_ geen kwaad. Doch

weldra verdwenen al zulke verontrustende opkomende gedachten. Zij

losten zich op in het heldere licht der vriendschap. Later, als

vriendschap haar tijd had gehad, zouden zij zich misschien onder een

anderen naam weder doen gelden en een strenger aanzien vertoonen.

Het was toch al te belachelijk dat hij, op zijn leeftijd, verliefd zou

worden als een jongen; hij gevoelde niet anders dan dankbaarheid en

belangstelling--en zij niet anders dan genoegen in zijn gezelschap. Wat

hun vertrouwelijkheid betrof--dien vertrouwelijken omgang, waardoor zij

reeds bijna elkanders gedachten konden raden, waardoor zij zich naar

elkanders stemming wisten te voegen, waardoor zij denzelfden smaak voor

het schoone hadden, en zelfs harmonie van ziel in de tegenstrijdigste

gevoelens konden ontdekken--dat was immers niet meer dan natuurlijk

tusschen twee menschen, die te zamen een verschrikkelijk gevaar hadden

uitgestaan. Dus namen zij het goede, dat hun te genieten was gegeven,

aan, en lieten zich door het lot zacht voortstuwen, waarheen vroegen

zij niet.

Op zekeren dag viel er echter iets voor, dat beiden de oogen had

moeten openen. Zij hadden beiden afgesproken, of liever, het was een

stilzwijgende overeenkomst, dat zij dien namiddag, als naar gewoonte,

zouden uitgaan. Geoffrey zou zijn geweer meenemen, en Beatrice een

boek; maar het toeval wilde dat Beatrice, toen zij, even vóór het

middagmaal, uit het dorp, waar zij garen had gekocht om Effie's

kleeren te verstellen, terugkwam, Owen Davies van aangezicht tot

aangezicht ontmoette. Het was hun eerste ontmoeting zonder getuigen

sedert dien Zondag, waarvan de gebeurtenissen beschreven zijn, en

dus was er, natuurlijk, iets gedwongens in. Owen bleef staan, zoodat

zij hem niet met een enkele buiging kon voorbijloopen, keerde zich

om en liep met haar mede. Na een paar aanmerkingen over het weer,

was de stof tot gesprek uitgeput.

"Ge herinnert u wel dat ge dezen namiddag op het kasteel zult

komen?" zeide hij eindelijk.

"Op het kasteel!" antwoordde zij. "Neen, daar heb ik niets van

gehoord."

"Heeft uw zuster u dan niet gezegd dat zij dit, reeds langer dan

een week geleden, voor zichzelve en u heeft afgesproken? Gij zoudt

het kleine meisje meebrengen; zij wil zoo gaarne het gezicht zien,

dat men boven van den toren heeft."

Nu schoot het Beatrice te binnen. Elisabeth had het haar gezegd,

en zij had het maar het best geacht zich er in te schikken. Het was

haar geheel uit de gedachten gegaan.

"O, neem me niet kwalijk! Ja, nu herinner ik mij, maar het ik heb

een ander plan gemaakt--hoe dom, dat ik het vergeten was!"

"Gij waart het vergeten," zeide hij, met zijn zware stem; "vergeet

gij dan zoo licht iets, waarnaar ik de heele week zoo verlangend heb

uitgezien? Wat is uw plan--zeker met mijnheer Bingham uit wandelen

te gaan?"

"Ja," antwoordde Beatrice, "met mijnheer Bingham uit te gaan."

"Gij gaat tegenwoordig elken dag met mijnheer Bingham uit."

"En wat zou dat?" zeide Beatrice, met levendigheid. "Ik zal toch wel

het recht hebben, mijnheer Davies, om uit te gaan met wien ik verkies?"

"Ja, natuurlijk; maar de afspraak om op het kasteel te komen was het

eerst gemaakt; zult gij die niet houden?"

"Natuurlijk zal ik die houden; ik houd altijd een afspraak, die ik

gemaakt heb."

"Goed, ik verwacht u dan te drie uur."

Beatrice ging in een zonderling geprikkelde gemoedsstemming naar

huis. Natuurlijk wilde zij niet gaarne naar het kasteel gaan, en

zij wilde wèl gaarne met Geoffrey uitgaan. Er was echter niets tegen

te doen.

Toen zij thuis kwam, vond zij Geoffrey daar niet. Hij was bij dokter

Chambers, dien hij op het strand ontmoet had, het _luncheon_ gaan

gebruiken. Eer hij terugkwam, waren zij alle drie naar het kasteel

gegaan; Beatrice had Betty de boodschap gegeven dit te zeggen.

Omstreeks een kwartier later, kwam Geoffrey terug, om zijn geweer

en Beatrice te halen, maar Beatrice was niet thuis, en het eenige,

wat hij van Betty kon te weten komen, was dat zij mijnheer Davies

was gaan bezoeken.

Hij was letterlijk woedend, ofschoon hij wist hoe onredelijk zijn toorn

was. Maar de teleurstelling was voor hem te zwaar om er bedaard onder

te blijven. In zijn kwade luim ging hij nu maar alleen uit, om een

allerverdrietigsten namiddag door te brengen. Bij elken stap scheen

hij Beatrice meer te missen, en hij werd hoe langer hoe toorniger

om hetgeen hij haar "lompheid" noemde. Het kwam, natuurlijk, niet

bij hem op dat hij eigenlijk wrevelig was, omdat zij Davies was gaan

bezoeken, of dat haar gezelschap zoo onmisbaar voor hem was geworden

dat het een verdriet voor hem was er zelfs een enkelen namiddag van

beroofd te zijn. Tot overmaat van ramp, had hij dien namiddag maar

drie schoten, die hij alle drie miste, en dat maakte hem nog knorriger.

Intusschen vermaakte Beatrice zich evenmin op het kasteel als Geoffrey

op het strand. Owen Davies liet zijn bezoeksters de groote ongebruikte

kamers en de schilderijen zien, maar die had zij reeds vroeger gezien,

en hoewel er eenige zeer fraaie onder waren, was zij er niet op gesteld

ze nog eens te zien--ten minste, dien namiddag niet. Maar Elisabeth

beschouwde ze met gretige oogen, en berekende inwendig wat zij wel

waard zouden zijn--benieuwd of zij ooit haar eigendom zouden worden.

"Wat is dat voor een schilderij?" vroeg zij, naar een fraai portret

van een Hollandschen Burgemeester, van Rembrandt, wijzende.

"Dat," antwoordde Owen, die volstrekt geen verstand van schilderkunst

had, en er nog minder om gaf, "dat is een Velasquez, op £ 3000

geschat--neen," de catalogus inziende en lezende, "ik vergis mij,

die daarnaast is een Velasquez; 't is een Rembrandt, een van de

beste stukken van dien meester, dat al zijn meesterschap over licht

en schaduw doet uitkomen. Het is geschat op 4000 guinjes."

"Vier duizend guinjes!" riep Elisabeth uit. "Een waarde van vier

duizend guinjes hangt zoo maar aan den wand!"

En zoo ging het voort. Elisabeth deed vragen, en Owen beantwoordde ze

met behulp van den catalogus, totdat zij eindelijk al de schilderijen

gezien hadden. Toen dronken zij thee in de kleine huiskamer van den

eigenaar van al die pracht. Tot haar ergernis, zat Owen tegenover

Beatrice, en had zijn oogen niet van haar af, terwijl zij met Effie

op haar schoot zat, en Elisabeth, die dit opmerkte, beet zich van

jaloerschheid op de lippen. Zij had goedgevonden haar zuster hier

te brengen; Davies moest niet denken dat zij Beatrice voor hem uit

den weg hield, maar die stilzwijgende afgodische vereering ergerde

haar. Na het theedrinken klommen zij naar den top van den toren, en

Effie juichte over het gezicht, dat men van daar had, en dat werkelijk

zeer schoon was. Hier had Owen een kort gesprek met Elisabeth.

"Uw zuster schijnt over iets uit haar humeur te zijn," zeide hij.

"Dat lijkt wel," antwoordde zij onverschillig. "Beatrice heeft zoo

haar nukken. Ik geloof dat zij van middag met mijnheer Bingham op de

jacht had willen gaan."

Als Owen een minder godsdienstig man was geweest, zou hij gevloekt

hebben; nu zeide hij alleen maar: "Mijnheer Bingham--'t is altijd

mijnheer Bingham, van den ochtend tot den avond! Wanneer gaat hij

heen?"

"De volgende week, geloof ik. Het zal Beatrice wel spijten; zij is

zoo op zijn gezelschap gesteld. En nu geloof ik, dat wij naar huis

moeten gaan;" en toen zij heenging, liet zij dezen vergiftigden pijl

in zijn borst achter.

Toen zij op de pastorie terug waren, en nadat zij Effie haar gebedje

had laten opzeggen en haar in haar bedje had gelegd, ging zij naar

het hek, om nog een rustig poosje voor zichzelve te hebben eer het

tijd voor het avondeten was. Geoffrey was nog niet thuis gekomen.

Het was een liefelijke herfstavond; de zee scheen te slapen, en de

lichte wolkjes, waardoor de gloed der ondergaande zon verbleekt

was, zweefden als een kronkelende dunne rook langs het blauwe

uitspansel. Waarom was Bingham nog niet terug? dacht zij; hij zou

nauwelijks tijd hebben om van kleeding te verwisselen. Als hem eens

een ongeluk overkomen was? Gekheid! wat voor ongeluk zou hem gebeurd

kunnen zijn? Hij was zoo forsch en zoo sterk, hij scheen ongelukken

te trotseeren; en toch had hij het aan haar te danken dat hij nog

die krachtige man was. Hoe verheugde het haar dat zij in staat was

geweest hem van den dood te redden! Daar kwam in de verte zijn forsche

gestalte uit den avondnevel te voorschijn.

Naast het hek, waarop zij leunde, was een zijhekje. Daar liep Geoffrey

recht op aan, alsof hij haar niet zag; hij zag haar wel, maar hij

was misnoegd op haar.

Zij liet hem het hek doorgaan, dat hij langzaam sloot, misschien

om haar gelegenheid te geven om te spreken, als zij het wilde; toen

zeide zij, meenende dat hij haar niet gezien had, op haar zachten,

welwillenden toon:

"Hebt gij een goede jacht gehad, mijnheer Bingham?"

"Neen," gaf hij kortaf ten antwoord: "ik heb weinig gezien, en het

weinige, wat ik zag, gemist."

"Dat spijt mij, behalve voor de vogels. Ik vind het zoo naar, dat

die arme vogels geschoten worden. Hebt ge mij in dat witte kleed niet

gezien? Ik zag u al op vijftig meter afstands."

"Ja, Miss Granger," antwoordde hij, "ik heb u wel gezien."

"En gij gingt voorbij, zonder mij toe te spreken; dat was zeer lomp

van u--wat scheelt er aan?"

"Niet zoo lomp als het van u was, met mij af te spreken om te gaan

wandelen, en in plaats daarvan mijnheer Davies een bezoek te brengen."

"Dat kon ik niet helpen, mijnheer Bingham; het was een oude afspraak,

die ik vergeten was."

"Juist, dames hebben altijd een verontschuldiging om te doen wat zij

gaarne willen."

"'t Is geen verontschuldiging, mijnheer Bingham," hernam Beatrice,

met waardigheid; "ik behoef mijn gangen tegenover u niet te

verontschuldigen."

"Natuurlijk niet, Miss Granger; maar een andermaal zal het toch

beleefder zijn het mij te zeggen, als gij van plan verandert, weet

ge. Ik twijfel echter niet of het kasteel zal veel aantrekkelijks

voor u hebben."

Zij wierp hem een vlammenden blik toe, en wilde heengaan; maar toen

zij zich omkeerde, werd zijn hart verzacht en schaamde hij zich.

"Miss Granger, ga niet heen; vergeef mij. Ik weet niet hoe ik zoo

onbeleefd heb kunnen zijn; ik had zoo niet moeten spreken. Het geval

is eigenlijk dat ik zeer teleurgesteld was omdat ge niet kwaamt. Om

u de waarheid te zeggen, heb ik u schrikkelijk gemist."

"Ge hebt mij gemist? Dat is heel aardig van u; men heeft wel gaarne

dat ons gemis gevoeld wordt. Maar als ge mij voor een enkelen namiddag

zoo gemist hebt, hoe zult ge het dan wel over een week maken, als ge

weg zijt en mij heelemaal moet missen?"

Beatrice sprak op een schertsenden toon en lachte, maar haar lach

liep uit op iets, dat veel van een zucht had. Hij zag haar aan,

totdat zij de oogen nedersloeg.

"Dat weet de Hemel!" antwoordde hij droevig.

"Laten we naar binnen gaan," zeide Beatrice, op een gedwongen toon,

"de avondlucht is kil geworden."

Hoofdstuk XV.

Alleen maar goeden nacht.

Nog vijf dagen verliepen, maar al te snel, en Maandagochtend was weder

gekomen. Het was de 22ste October, en de najaarszittingen begonnen

den 24sten. Den volgenden dag, Dinsdag, zou Geoffrey naar Londen

terugkeeren, om Lady Honoria te ontmoeten en op zijn bureau aan 't

werk gaan. Dien Maandagochtend was hem een akte gezonden--de grootste,

die hij nog ooit ontvangen had--met een brief van zijn klerk er bij,

dat de zaak verwacht werd den eersten dag van de zitting op de rol te

komen, en dat zijn klerk een afspraak met de zaakwaarnemers voor hem

had gemaakt voor Dinsdag 5.15. De akte kwam van de firma van zijn

oom, en achterop stond genoteerd: "Met u de Procureur-generaal en

de President van het Kanselarij Hof." Nog hooit had Geoffrey zich

achterop een akte in zulk achtbaar gezelschap bevonden, en hij was

er niet weinig verrukt over.

Maar toen hij de zaak inzag, werd zijn vreugde wel wat getemperd,

want het was een van de moeilijkste en ingewikkeldste zaken, die

hem ooit waren voorgekomen. Zij betrof een betwist testament van

een geldschieter uit Yorkshire, beschikkende over een nalatenschap,

ter waarde van over de £ 80.000, en ter legalisatie aangeboden

door een nicht van den testateur, die, toen hij stierf, zoo al niet

werkelijk zwak van geestvermogens, toch suf was, en bijgeloovig bij

krankzinnig af. De nicht, wie het geheele vermogen vermaakt was,

met uitsluiting van den zoon en dochter van den overledene, beiden

gehuwd en op een andere plaats woonachtig--woonde bij den testateur

en paste hem op. Kort vóór zijn dood had hij met zijn nicht een

hevigen twist gehad, wegens een liefdesbetrekking, die zij met een

getrouwd man van een slechten naam, een ontslagen procureursklerk,

had aangeknoopt. Zoo ernstig was de twist geweest, dat de testateur,

drie dagen vóór zijn dood, zijn zaakwaarnemer had ontboden en in allen

vorm, door middel van een codicil, een legaat van £2000, dat hij aan

zijn nicht vermaakt had (al het overige van zijn vermogen was tusschen

zijn zoon en dochter verdeeld) herriep. Den derden dag echter maakte

hij een nieuw testament, in het bijzijn van twee dienstboden als

getuigen, waarbij hij zijn geheele vermogen aan zijn nicht naliet,

met uitsluiting van zijn eigen kinderen. Dit testament, hoewel kort,

was in den behoorlijken vorm, en geschreven door niemand wist wien. De

dienstboden verklaarden dat de testateur, alvorens het testament

te teekenen, volkomen met den inhoud bekend was, want de nicht had

het hem in hun bijzijn laten voorlezen. Zij verklaarden echter ook,

dat hij verschrikkelijk bang scheen te zijn en tweemaal gezegd had:

"Het is achter mij; het is achter mij!"

Nog geen uur na het teekenen van het testament, werd de testateur

dood gevonden, klaarblijkelijk ten gevolge van een schrik, maar

de nicht was op het oogenblik van zijn dood niet in de kamer. Een

andere opmerkelijke omstandigheid was dat men dienzelfden avond,

toen de testateur te tien uur gestorven was, den in een kwaad

gerucht staanden minnaar in de schemering om het huis had zien

sluipen. Er kwam nog iets bij. Toen de zoon een boodschap van de

nicht had ontvangen dat zijn vader zooveel erger was geworden, en met

buitengewonen spoed naar het huis was gegaan, had hij iemand of iets

ontmoet--hij wist niet wat--dat van het venster der ziekenkamer, die op

de benedenverdieping was, scheen weg te loopen; en later vond men onder

dat venster voetstappen. Van die voetstappen waren twee afgietsels

gemaakt, waarvan bij de akte photographieën werden gezonden. Het

waren de afdruksels van kleine bloote voeten, waaraan een lid van

den derden teen aan den rechtervoet scheen te ontbreken. Maar alle

pogingen om de voeten, die deze afdruksels gemaakt hadden, te vinden,

waren tot dusverre te vergeefs geweest. Het testament werd betwist

door de naaste bloedverwanten, voor wie Geoffrey een der advocaten

was, op de gewone gronden van onwettigen invloed en bedrog, maar,

naar het scheen, met weinig vooruitzicht op welslagen, want hoewel

de omstandigheden verdacht waren, was er van geen van beide eenig

bewijs. Dit zonderling geval, dat hier kortelijk beschreven is, legde

den grondslag tot Geoffrey's latere uitgebreide praktijk en den naam,

dien hij aan de rechtbank maakte.

Hij las de akte tweemaal over, dacht er rijpelijk over na, en wist

er weinig van te maken. Dat er valsch spel was gespeeld, was in 't

oogspringend, maar hij kon geen gegevens vinden om naar te werk te

gaan. Was de persoon, die weggeloopen was, in de zaak betrokken? Zoo

ja, waren die voetstappen van hem? Natuurlijk had de voormalige

procureursklerk er iets mede te maken, maar wat? Te vergeefs pijnigde

Geoffrey zijn hersens; elk denkbeeld, dat hem inviel, stuitte op het

een of ander.

"Wij zullen het verliezen," riep hij in wanhoop uit, "verdachte

omstandigheden zijn niet genoeg om een testament ongeldig te maken;"

en zich tot Beatrice, die aan de tafel zat te werken, wendende,

zeide hij hij--

"Daar, Miss Granger, gij hebt eenige rechtsgeleerde kennis, zie of

gij daar uit wijs kunt worden," en hij schoof haar de akte toe.

Beatrice nam die lachend aan, en zat drie kwartier lang met een aardig

gefronst voorhoofd. Eindelijk sloeg zij de akte dicht. "Laat mij de

photographieën eens zien," zeide zij.

Geoffrey overhandigde haar die. Zij bezag ze oplettend één voor één,

en terwijl zij dat deed, scheen er een licht voor haar op te gaan.

"Welnu, hebt ge het gevonden?" vroeg hij.

Beatrice(#24830) · 第 10 / 25 段