Intusschen liep Beatrice in een alles behalve geruste gemoedsstemming

huiswaarts. Haar hart was bezwaard. Zij had Owen Davies, wel is waar,

voor 't oogenblik afgescheept, maar zij wist wel dat hij de man niet

was om het er bij te laten. Het speet haar bijna, dat zij hem niet

dadelijk voor goed had afgewezen. Maar dan zou hij naar haar vader

gegaan zijn, waarvan een scène het onvermijdelijke gevolg geweest

zou zijn, en daar deinsde zij voor terug, vooral nu Bingham in

huis was. Zij kon zich zijn ontzetting, om niet te zeggen, zijne

woede voorstellen, als hij, die zoo op geld gesteld was, hoorde

dat zij Owen Davies, van Bryngelly Castle en al zijn rijkdom, had

afgewezen--werkelijk afgewezen.

En met Elisabeth moest zij ook rekening houden. Elisabeth zou haar

zeker het leven tot een last maken. Beatrice wist niet dat niets haar

zuster beter in de kaart gespeeld was. Als zij Bryngelly maar had

kunnen verlaten! Doch dat was ook onmogelijk. Zij had geen geld. Zij

zou, wel is waar, op een andere veraf gelegen plaats in Engeland

een betrekking als onderwijzeres kunnen krijgen, maar daar was ook

een onoverkomelijke hinderpaal tegen. Hier had zij een salaris van

vijf-en-zeventig pond 's jaars; daarvan behield zij vijftien pond,

met welke geringe som zij voor haar kleeding toekwam; het overige

gaf zij aan haar vader. Zij wist wel dat hij zijn hoofd niet boven

water kon houden zonder dezen steun, die, hoe gering ook, voor hun

huisgezin al het onderscheid tusschen armoede en werkelijk gebrek

uitmaakte. Als zij heenging, gesteld dat zij een even goede betrekking

vond, zou zij al dat geld voor haar eigen onderhoud noodig hebben,

en er niets van overhouden om naar huis te zenden. Het was een

betreurenswaardige toestand; zij, die zooeven een man met duizenden

's jaars had afgewezen, was niet in staat voor lastig aandringen uit

den weg te gaan, om het gemis van vijf-en-zeventig pond 's jaars,

per kwartaal betaald. Het eenige wat zij doen kon, was dus maar af

te wachten hoe het loopen zou. Maar op één punt was zij zeker: zij

zou _niet_ met Owen Davies trouwen. Dat mocht dwaas van haar zijn,

maar zij zou het niet doen. Zij had te veel achting voor zichzelve,

om met een man te trouwen, dien zij niet liefhad; een man, van wien

zij bepaald afkeerig was. "Neen, nooit!" riep zij, op het kiezelzand

aan den oever stampvoetende.

"Wat nooit?" zeide een stem op eenigen afstand.

Zij schrikte en zag rond. Daar, met zijn rug tegen een rots leunende,

en een pijp in zijn mond, een geopenden brief op zijn knie, en zijn

hoed bijna over zijn oogen getrokken, zat Geoffrey. Hij had Effie bij

Granger thuis gelaten, en was langs een afhelling van de rots naar

het strand gewandeld. De brief op zijn knie was van zijn vrouw. Die

was kort en er stond niets bizonders in. Effie's naam werd niet

eens genoemd. Het was om te zien of hij dat ook had overgeslagen,

dat hij den brief nog eens overlas. Neen, de inhoud had alleen

betrekking op Lady Honoria's veilige aankomst en de logeergasten,

die zij had aangetroffen--een lossen troep, zooals Geoffrey opmerkte,

onder anderen, een zekeren Dunstan, dien hij niet kon uitstaan--en het

aantal koppels patrijzen, dat op den vorigen dag geschoten was. Toen

kwam de verzekering dat Honoria zich uitstekend vermaakte, en dat de

nieuwe Fransche kok "perfect" was.

"Wat nooit, Miss Granger?" herhaalde hij zijn vraag, terwijl hij

langzaam den brief dichtsloeg.

"Dat komt er niet op aan," antwoordde zij, zich herstellende. "Wat

hebt ge mij verschrikt, mijnheer Bingham! Ik dacht niet dat er iemand

op het strand was."

"Dat is toch voor iedereen vrij, niet waar?" zeide hij, opstaande. "Ik

dacht dat ge mij in het kiezelzand wildet trappen. 't Is om er bang

voor te worden, als men op een Zondagnamiddag rustig zit, een jonge

dame te zien aankomen, die eensklaps staan blijft, stampvoet, en dan

zegt: 'Neen, nooit!' Gelukkig wist ik dat gij uit waart, anders zou

ik er van ontsteld zijn."

"Hoe wist ge dat ik uit was?" vroeg Beatrice, een weinig uitdagend. Hij

behoefde haar gangen niet na te gaan.

"Op tweeërlei manieren. Zie!" zeide hij, naar een strook wit zand

wijzende. "Dat zijn, geloof ik, uw voetstappen."

"En wat zou dat?" vroeg Beatrice, met een lachje.

"Niets bizonders, alleen dat het uw voetstappen zijn," antwoordde

hij. "Toen ontmoette ik toevallig den ouden Eduard, die aan 't wandelen

was, en hij zeide mij dat hij u en mijnheer Davies naar het strand

had zien gaan; daar is zijn voetstap--van Davies bedoel ik--maar gij

schijnt niet zeer gezellig geweest te zijn, want de uwe is er een

heel eind van af."

"Waarom hebt ge u de moeite gegeven dat zoo nauwkeurig op te

merken?" vroeg zij, half lachend en half toornig.

"Dat weet ik niet--waarschijnlijk een gewoonte, die ik mij heb eigen

gemaakt omdat ik aan de rechtbank ben. Uit die voetstappen op het

zand, en wat er de gevolgen van hadden kunnen zijn, zou men een roman

kunnen maken. Maar gij hebt mijn treffend verhaal nog niet ten einde

gehoord. De oude Eduard heeft mij ook verteld, dat hij uw zuster langs

de rots heeft zien loopen, bijna op gelijke hoogte met u, waaruit hij

opmaakte dat gij er over hadt geredetwist wat de kortste weg naar de

Roode Rotsen was, en er de proef van naamt."

"Elisabeth," zeide Beatrice, min of meer verbleekende; "waarom zou

zij dat gedaan hebben?"

"Ik denk om lichaamsbeweging te nemen, evenals gij. Welnu dan, ik

ging, mijn pijp rookende, in de schaduw van die rots zitten, toen ik

eensklaps mijnheer Davies, den kant van Bryngelly op, zag aankomen,

loopende alsof hij een wedloop hield, met zijn hoed achterop zijn

hoofd. Hij liep letterlijk over mijn beenen heen, zonder mij te

zien. Toen volgdet gij, en riept: 'Neen, nooit!'--en daar is mijn

verhaal mee uit. Vergunt ge mij met u mee te loopen, of stoor ik de

ontwikkeling van het plan?"

"Er is geen plan, en zooals gij zooeven gezegd hebt, het strand is

voor iedereen vrij," antwoordde Beatrice wrevelig.

Zij liepen een eindweegs voort, en toen sprak hij op een anderen

toon--doelende op hetgeen hij aan het hek van het kerkhof had gehoord.

"Ik geloof dat ik u mag feliciteeren, Miss Granger," zeide hij,

"en dat doe ik van harte. Niet iedereen is zoo gelukkig.--"

"Wat wilt ge daarmee zeggen, mijnheer Bingham?" viel Beatrice hem in

de rede, stilstaande en zich naar hem toe wendende.

"Wat ik daarmee zeggen wil? Och, niets bizonders; niets anders dan

dat ik u gelukwensch met uw engagement."

"Mijn engagement! Wat voor engagement?"

"Het schijnt dat er een misverstand is," zeide hij, op een toon van

verlichting, hoeveel moeite hij ook deed om het te verbergen. "Ik

had begrepen dat het tusschen u en Owen Davies tot een engagement

was gekomen. Als ik het mis heb, vraag ik u wel verschooning."

"Ge hebt het totaal mis, mijnheer Bingham; ik weet niet hoe ge u dat in

't hoofd hebt gehaald, maar er is niets van aan."

"Veroorloof mij dan u geluk te wenschen dat het niet waar is. Ziet ge,

dat is in negen van de tien gevallen, waar sprake van een huwelijk

is, juist het mooie--zij hebben twee of meer zijden. Als het er toe

komt, kan de vriendelijke en belangelooze opmerker de lichtzijde

zien--zooals in dit geval, veel geld, een romantisch kasteel aan

zee, een man van een onberispelijk verleden, enz. enz. enz. Als het

er daarentegen niet toe komt, kan er ook weer reden tot dankbaarheid

voor gevonden worden--de dame kon toch eigenlijk wel beter partij doen,

het kasteel aan zee is in het voorjaar wel wat tochtig, de man is zeer

achtenswaardig, maar misschien een weinig vervelend, en zoo al meer."

In den toon, waarop hij sprak, was iets spotachtigs, dat Beatrice

ergerde. Zulk een toon was zij van Bingham niet gewoon. Het was zelfs

de toon niet, waarop een beschaafd man over zulk een onderwerp tot

een dame behoorde te spreken. Dit wist hij even goed als zij, en

heimelijk schaamde hij zich er over. Maar, om de waarheid te zeggen,

was Geoffrey, hoewel hij het zichzelven niet eens wilde bekennen,

hevig jaloersch, en jaloersche menschen hebben geen goede manieren. Het

was echter van Beatrice niet te verwachten dat zij dit wist, en dus

was zij natuurlijk geraakt.

"Ik begrijp niet recht waar ge het over hebt, mijnheer Bingham,"

zeide zij, met een uitdrukking van beleedigde waardigheid in blik

en toon. "Ge hebt een ongegrond praatje gehoord, en nu maakt ge er

gebruik van om mij te bespotten en op mijnheer Davies te schimpen. Dat

is zeer onaardig."

"O, neen; wat de aanleiding tot mijn vergissing geweest is, Miss

Granger, waren de voetstappen, _en_ het praatje _en_ de afspraak die

gij op het kerkhof gemaakt hebt, en die ik, zonder het te willen,

gehoord heb--niet het praatje alleen. Natuurlijk moet ik er nu mijn

verontschuldigingen over maken."

Weder stampvoette Beatrice. Zij zag dat hij haar bespotte, en gevoelde

dat hij haar niet geloofde.

"Ziedaar!" ging hij voort, door zijn jaloerschheid tot onheuschheid

geprikkeld, want zij had gelijk--hij geloofde haar verklaring

dat zij niet geëngageerd was eigenlijk nog niet. "Wat ben ik

toch ongelukkig--nu heb ik alweer iets gezegd, waar gij boos

om wordt. Waarom zijt ge niet met mijnheer Davies samen terug

gewandeld? Dan hadt gij aangenamer gezelschap gehad, en zou ik mij

niet schuldig gemaakt hebben aan aanmerkingen, die mij zoo kwalijk

genomen worden. Ge wilt met mij twisten; welnu, waarover zal het

zijn? Er zijn vele punten, waarop wij lijnrecht tegenover elkander

staan; laten we daar een van opwerpen."

Dat was te veel; want hoewel zijn woorden niets beteekenden, gaf de

toon, waarop hij sprak, er iets stekeligs aan. Beatrice, reeds in

geen kalme gemoedsstemming gebracht door het tooneel met Owen Davies,

en vervuld van een zeker beangstigend gevoel, waarvan zij zich geen

verklaring kon geven, verloor ditmaal haar gewone zelfbeheersching en

werd zenuwachtig. Tranen schoten haar in de oogen, en haar mond trok,

alsof zij op het punt was van in weenen uit te barsten.

"Dat is zeer onaardig van u," zeide zij, met een gesmoorden

snik. "Als gij wist hoeveel ik te verdragen heb, zoudt ge zoo niet

spreken. Ik weet dat ge mij niet gelooft; om 't even, ik zal u de

waarheid zeggen. Ja, hoewel ik dat niet behoef te doen, en gij

't in minst niet het recht hebt het van mij te vergen, zal ik u

toch de geheele waarheid zeggen, omdat ik niet kan dulden dat ge

mij niet gelooft. Mijnheer Davies heeft mij ten huwelijk gevraagd,

en ik heb hem afgewezen. Ik heb hem uitgesteld; dat heb ik gedaan,

omdat hij anders naar mijn vader gegaan zou zijn. Dat was lafhartig

van mij, maar mijn vader zou mijn leven ondragelijk gemaakt hebben--"

en weder kwam er een gesmoorde snik.

Veel is er gezegd en geschreven over de uitwerking, die het op de

mannen heeft als zij een vrouw in tranen zien, of op de grens van

tranen, en het lijdt geen twijfel of die uitwerking is sterk. Een

rechtgeaard man wordt door zulk een schouwspel diep getroffen,

en hij schrikt er ook van, omdat hij bevreesd is dat er eene scène

op zal volgen. De meeste mannen nu zouden liever tien mijlen ver op

hun pantoffels loopen, dan met een jonge dame, die het op de zenuwen

krijgt, te doen te hebben. De bizondere omstandigheden van het geval

ter zijde stellende, was Geoffrey geen uitzondering op den regel. Met

Beatrice te schermutselen was alles goed en wel; zij kon zich in een

woordenstrijd wel met hem meten, en wist met gelijke munt te betalen;

maar te zien dat zij zich op genade of ongenade overgaf was geheel

iets anders. Hij schaamde zich over zichzelven.

"Kom, kom--dat niet," zeide hij. Hij wilde ongaarne zeggen, ween

niet. "'t Was maar scherts--maar ik had zoo niet moeten spreken. Geloof

mij, ik wilde mij niet in uw vertrouwen dringen. Dat is mij niet in

de gedachten gekomen. Ik heb er spijt van."

Zijn berouw was blijkbaar oprecht, en Beatrice gevoelde zich eenigszins

bevredigd. Misschien was het haar niet geheel onaangenaam dat zij

hem spijt kon doen gevoelen.

"Gij hebt u niet in mijn vertrouwen gedrongen," zeide zij fier,

vergetende dat zij hem een oogenblik te voren verweten had haar aan

't spreken gebracht te hebben.

"Ik zeide het u, omdat ik niet verkoos dat ge zoudt denken dat ik de

waarheid niet sprak. En laten we er nu verder maar van zwijgen." Zij

legde hem geen geheimhouding op, zij wist dat dit niet noodig was. Het

geheim zou tusschen hen beiden blijven--alweer een gevaarlijke band.

Beatrice had haar bedaardheid terugverkregen en zij liepen langzaam

voort.

"Zeg mij eens, mijnheer Bingham," begon zij nu, "hoe kan een meisje

den kost verdienen--ik bedoel een meisje zooals ik, zonder eenige

bizondere talenten? Sommigen kunnen het wel."

"Dat hangt van het meisje zelve af," antwoordde hij. "Wat voor soort

van kostwinning bedoelt gij? Gij hebt er immers een."

"Ja, maar ik denk weleens dat, als ik er raad op wist, ik hier wel

van daan zou willen gaan, om een ander vak bij de hand te nemen,

iets grooters. Ik geloof niet dat het er ooit toe komen zal, maar ik

denk er toch weleens over."

"Ik weet maar twee wegen, die voor een vrouw openstaan," zeide hij;

"het tooneel en de litteratuur. In uw geval is, natuurlijk, van het

eerste geen sprake," liet hij er snel op volgen.

"En van het andere, vrees ik, ook niet," hernam zij, het hoofd

schuddende, "ten minste, als gij door litteratuur werken van

verdichting verstaat, en dat is, geloof ik, de eenige kans om naam

te maken. Zooals ik u gezegd heb, mijn verbeeldingskracht heb ik

verloren--oprecht gesproken, tegelijk met mijn geloof. Er is een

tijd geweest dat ik een levendige verbeelding had en veel geloof ook,

maar het een is met het ander weggegaan, ik begrijp niet hoe."

"Niet? Ik meen het wel te begrijpen. Een ziel zonder godsdienstig

gevoel is als een ster zonder atmosfeer, helderder dan andere

sterren, maar niet zoo aangenaam om te zien. Godsdienst, poëzie,

muziek, verbeelding en de edelste gevoelens van het hart bloeien

in denzelfden grond, en zijn, naar mijn meening, verschillende

openbaringen van hetzelfde. Weet ge wel dat het belachelijk is u te

hooren zeggen dat ge uw geloof verloren hebt--want dat houd ik voor een

onwaarheid. Ten ergste genomen, sluimert het, en eenmaal zal het weer

ontwaken. Misschien zult gij geen bizonderen vorm van geloof aannemen,

maar ik zeg u ronduit dat het niets anders dan geestelijke ijdelheid

in haar leelijksten vorm is, allen godsdienst te verwerpen, omdat men

er met zijn verstand niet bij kan. Uw verstand is u te sterk geweest,

Miss Granger: het is met u op hol gegaan, maar het heeft zijn grenzen

en verder gaat het niet. En nu zijt ge misschien weer boos op mij."

"Neen, waarom zou ik boos zijn? Ge hebt zeker wel gelijk, en ik hoop

dat ik eenmaal weer zal kunnen gelooven. Ik zal u zeggen hoe ik mijn

geloof verloren heb. Ik had een broertje, dat ik boven alles op

de wereld liefhad, en na den dood van mijn moeder was hij ook het

eenige wat ik had om lief te hebben, want mijn vader houdt, geloof

ik, meer van Elisabeth dan van mij, omdat zij zooveel praktischer

is, en Elisabeth en ik kunnen niet goed te zamen overweg. Het kan

wel aan mij liggen, maar het is zoo--wij zijn zusters, maar geen

vriendinnen. Mijn broertje werd door een zware koorts aangetast,

en lang lag hij tusschen leven en dood, en ik bad voor hem, zooals

ik nooit te voren voor iemand of om iets gebeden had--ja, ik bad

dat ik in zijne plaats mocht sterven. Hij stond de crisis door en

werd beter, en ik dankte God, meenende dat mijn gebeden verhoord

waren. O, wat was ik tien dagen lang gelukkig! Maar wat gebeurde er

toen? Mijn broertje vatte kou, stortte weer in, en binnen drie dagen

was hij dood. De laatste woorden, die hij tot mij sprak, waren: 'Och,

laat mij niet dood gaan, Bee!'--hij noemde mij altijd Bee--'Laat mij

alsjeblieft niet dood gaan, lieve Bee!' Maar hij stierf--hij stierf

in mijn armen, en toen het met hem gedaan was, stond ik van zijn

zijde op, met een gevoel alsof mijn hart ook dood was. Daarna heb ik

nooit weer gebeden. Het scheen mij toe alsof met mijn gebeden de spot

was gedreven, alsof hij mij slechts voor een poos was teruggegeven,

om den slag, wanneer hij viel, des te verpletterender te maken."

"Vindt ge niet dat het wel wat dwaas van u was het zoo op te

vatten?" zeide Geoffrey. "Hebt gij niet weleens moeten glimlachen als

ge van de eerste Christenen laast?--hoe het lood den martelaar niet

wilde koken, of de leeuw hem niet wilde verslinden, of de regen uit een

blauwe lucht het vuur bluschte, en hoe de heidensche koning eensklaps

bekeerd werd en onmiddellijk een menigte moeilijke leerstellingen

aannam. De Athanasiaansche Geloofsleer was niet noodwendig waar,

omdat het vuur niet wilde branden, of het zwaard niet wilde snijden,

en evenmin, houd mij ten goede, was al uw vroeger geloof onwaar, omdat

uw gebed niet verhoord werd. 't Is een oude geschiedenis, dat wij niet

weten of het verhooren van onze gebeden goed of kwaad voor ons is. Ik

weet, natuurlijk, van zoo iets niets af, maar het komt mij onbezonnen

voor, te meenen dat de Voorzienigheid de werking van eeuwige wetten

zal veranderen, alleen om aan de voorbijgaande wenschen van enkele

personen te voldoen--wenschen, die, wanneer zij vervuld werden, in

vele gevallen onvoorzien leed teweeg zouden brengen. Bovendien is

het arme kind zeker gelukkiger nu het dood is dan wanneer het was

blijven leven. 't Is voor de meesten onzer zoo heel aangenaam niet

op de wereld."

"Ja, mijnheer Bingham, dat weet ik, en ik zou den schok ook wel

mettertijd te boven gekomen zijn, als ik daarna niet was begonnen te

lezen. Ik las de geschiedenis der godsdiensten, en vergeleek ze met

elkaar, en ik las de werken van de schrijvers, die opgestaan zijn om ze

aan te vallen. Ik vond--althans zoo meende ik--in alle dezelfde bronnen

van bijgeloof--een bijgeloof uit oorspronkelijk natuurlijke oorzaken

ontstaan, en met verschillende wijzigingen van het eene geslacht op

het andere, door alle tijden heen, overgebracht. In sommige vond ik

dezelfde geschiedenis, slechts met een kleine verandering in den

uiterlijken vorm, en bovendien leerde ik, dat het eene geloof het

andere loochende en voor zichzelf alleen aanspraak maakte het ware

te zijn.

"Daarna ging ik naar het opleidings-instituut, en daar trof ik een dame

aan, een der onderwijzeressen, de kundigste vrouw, die ik ooit gekend

heb, en op haar wijze een brave vrouw ook, maar die het er voor hield,

dat de godsdienst de vloek der wereld was, en al haar vrijen tijd

besteedde om hem in den een of anderen vorm aan te vallen. Zij is nu

al lang dood. En zoo, door al die oorzaken, en het gestadig schouwspel

van menschelijke ellende voor oogen, dat voor mijn gevoel in strijd

is met het denkbeeld van een barmhartige en wakende Voorzienigheid,

is eindelijk het eenige altaar, dat in mijn tempel is overgebleven,

een altaar aan den 'Onbekenden God' gewijd."

Evenals de meeste mannen, die over zulke zaken nagedacht hebben, sprak

Geoffrey er niet gaarne veel over, inzonderheid niet met vrouwen. Hij

wist ook dat hij een neiging had om er minder eerbiedig over te spreken

dan hij er over dacht. Maar hij was Beatrice's kerk der Duisternis

niet binnengetreden; hij had die voor altijd den rug toe gekeerd,

hoewel hij, zooals de meeste menschen, in verschillende tijdperken

van zijn vroeger leven een uur in haar voorportaal vertoefd had. Dus

waagde hij een tegenwerping.

"Ik ben geen godgeleerde," sprak hij, "en ik houd niet van twistredenen

op zulk een gebied. Maar er zijn een paar aanmerkingen, die ik wel zou

willen maken. Naar mijn gevoelen, is het bestaan van kwaad en ongeluk

onder het menschdom niet als een bewijsgrond aan te voeren dat er

geen barmhartige hoogere Macht bestaat; want wat zijn de menschen,

dat er zoo iets niet onder hen zou zijn? De mensch moet ook een

meester erkennen. Als hij twijfelingen heeft, laat hij de oogen dan

opslaan tot den sterrenhemel, en dan zullen zij verdwijnen."

"Neen," zeide Beatrice, "ik vrees van neen. Kant heeft dat gezegd, maar

vroeger heeft Molière dezen bewijsgrond een gek in den mond gelegd. De

sterrenhemel bewijst niets meer dan de regendruppels, die langs de

vensterruiten druipen. 't Is geen kwestie van grootte en hoeveelheid."

"Ik kan dat beeld wel aannemen," hervatte Geoffrey; "het eene voorbeeld

van wet is voor mijn bedoeling even goed als het andere. Ik zie in

alles de werking van een levenden Wil, maar dat is, natuurlijk, _mijn_

zienswijze, niet de uwe."

"Neen, vrees ik," antwoordde Beatrice; "al die redeneering, uit

stoffelijke dingen geput, treft mij niet. Zoo maakten de Heidenen

hun godsdienst. Zij leidden het Inwendige af van het Uitwendige, het

geestelijke van het stoffelijke. Dat kan niet; als het Christendom waar

is, moet het op een geestelijken voet staan en met een geestelijke

stem spreken, niet in donder, maar in de harten der menschen. Het

bestaan van een Scheppende Macht bewijst niet het bestaan van een

Verlosser; veeleer strekt het om dat te loochenen, want de macht,

die schept, is ook de macht, die vernietigt. Wat mij echter treft,

is hoe de groote menigte over den Dood denkt. _Dat_ is het, waarover

wij ons bekommeren, niet over een Eeuwige Macht, altijd scheppend

en vernietigend. Denk eens aan al die zielen van vroegere, sinds

duizenden jaren niet meer bestaande menschenrassen, die niet veel

meer dan dieren waren. Zoudt ge denken, dat de ziel van een neger,

die in den tijd van Mozes stierf, nu ergens was?"

"Er was op aarde voor allen plaats," antwoordde Geoffrey; "het

heelal is groot. Er zijn zooveel raadselen in onze natuur, de natuur,

die wij meenen te kennen--zullen er dan geene zijn in het voor ons

onbekende? Werelden gaan te niet, om weer bewoond te worden, als na

millioenen eeuwen de toestanden weer gunstig zijn om te leven, en

waarom zou het met den mensch ook niet zoo zijn? Wij zijn schepselen

op deze wereld en _van_ deze wereld, Waarom zou ons lot dan niet

als het hare zijn? Zij moge veranderen van gas in chaos, van chaos

tot werkzaam leven, van werkzaam leven tot schijnbaren dood. Dan kan

zij weer tot haar elementen overgaan, en van die elementen tot een

samengesteld geheel, en zoo altijd door, altijd veranderend, maar

altijd dezelfde. Tot zoover de natuur tot zinnebeeld genomen. 't Is

geen volkomen analogie, want de mensch is iets, van al het andere

afgescheiden; het moge slechts een wenk of een type zijn, maar het

is toch iets.

"Om nu op de kwestie van onzen godsdienst te komen. Ik moet bekennen,

dat ik uit uw gegevens een geheel andere gevolgtrekking maak. Gij

zegt, dat ge in alle godsdiensten dezelfde bijgeloovigheden bespeurt,

en dat dezelfde geestelijke mythe in den een of anderen vorm in

bijna alle gevonden wordt. Welnu, duidt dat niet aan dat dezelfde

groote _waarheid_ aan elken ten grondslag ligt en van tijd tot tijd

den vorm aanneemt, die het best geschikt is voor de geestelijke

ontwikkeling zijner belijders? Elke nieuwe groote godsdienst is beter

dan voorafgaande. Gij kunt het Osirianisme niet vergelijken met het

Buddhisme, of het Buddhisme met het Christendom, of het Mahomedanisme

met den Arabischen afgodendienst. Neem het oude beeld--houd een stuk

kristal in de zon, en gij zult er verschillende kleuren uit zien

stralen. Zij schijnen verschillend, maar zij zijn alle uit hetzelfde

groote licht ontstaan; zij zijn alle hetzelfde licht. Kan het zoo ook

niet met de godsdiensten zijn? Laat uw altaar aan den 'Onbekenden God'

gewijd zijn, zoo gij wilt--want wie kan aan de Macht boven ons een

onveranderlijke gelijkenis geven?--maar haal uw altaar niet omver.

"Maak er staat op, Miss Granger, niettegenstaande alles wat het

tegendeel aanduidt, er is een wakende Voorzienigheid boven ons, zonder

wier wil wij niet kunnen leven, en als wij die Voorzienigheid verwerpen

en ons verstand er voor in de plaats stellen, zullen wij er ons niets

dan verdriet door berokkenen. Ik wenschte dat ge wildet beproeven het

vraagstuk uit een ander, een hooger gezichtspunt te beschouwen. Ge

zult, geloof ik, ondervinden, dat het voor veel onderzoek vatbaar

is, en tot het besluit komen, dat de beslissende uitspraak van een

wijshoofd, die zegt dat er niets is, omdat hij niets ziet, niet

noodwendig de ware is. Ziedaar, dat is alles, wat ik wilde zeggen,

en ik wenschte dat ik het beter zeggen kon."

"Dank u," sprak Beatrice, "ik zal het in gedachten houden. Hier zijn

wij al thuis; ik moet Effie naar bed brengen."

Beatrice(#24830) · 第 9 / 25 段