gepreekt, maar daar wil ik nog een enkel woord bijvoegen, om de liefde
tot den naaste toe te passen op de liefde tot zichzelf. Ik heb wel
honderd pond aan achterstallige tienden in te vorderen, en daar zijn
er bij, die al over meer dan twee jaar loopen. Als die tienden mij
niet betaald worden, zal ik bij eenigen uwer beslag moeten leggen,
en ik heb gemeend beter te doen de gelegenheid waar te nemen om het
u te zeggen." Toen sprak hij den zegen uit.
Het contrast tusschen dit praktisch slot en de schoone taal, die
het was voorafgegaan, was zóó bespottelijk, dat Geoffrey bijna in
lachen uitbarstte en Beatrice er om moest glimlachen. Dat deden de
andere toehoorders ook, behalve een paar, die tienden schuldig waren,
en Owen Davies, die aan heel wat anders dacht.
Toen zij over het kerkhof gingen, merkte Geoffrey iets op. Beatrice
was eenige schreden vooruit, met Effie aan de hand. Daar liep Davies
hem voorbij, zonder dat hij hem scheen te zien, en groette Beatrice,
die met een lichte buiging zijn groet beantwoordde. Hij liep een eind
voort zonder te spreken, maar aan het hek van het kerkhof hoorde
Geoffrey hem zeggen: "Dus van middag om vier uur." Weder boog zij,
en hij keerde zich om en ging heen. Geoffrey wist niet wat dit alles
beteekende: was zij met hem geëngageerd of niet?
Aan het middagmaal was geen van allen spraakzaam. Granger dacht over
zijn tienden en ook over een zieke koe. Elisabeth's gedachten dwaalden
in een juist niet aangename richting, naar de uitdrukking van haar
gelaat te oordeelen. Beatrice zag bleek en verdrietig; zelfs Effie's
aardig gekeuvel deed haar niet meer dan glimlachen. Wat Geoffrey
betrof, die was nieuwsgierig wat er om vier uur gebeuren zou.
"Wat is iedereen stil!" zeide Effie eindelijk.
"Op Zondag behoort men stil te zijn, Effie," antwoordde Beatrice. "Dat
geloof ik, ten minste."
Elisabeth, die streng godsdienstig was, fronste bij dit gezegde het
voorhoofd. Zij wist dat haar zuster het niet meende.
"Wat ga je van middag doen, Beatrice?" vroeg zij. Zij had gezien
dat Owen Davies met haar zuster gesproken had, en hoewel zij niet
dichtbij genoeg was geweest om de woorden te verstaan, vermoedde zij
er de beteekenis wel van.
Beatrice kleurde even, iets wat zoomin de opmerkzaamheid van haar
zuster als van Geoffrey ontsnapte.
"Ik ga Jane Llewellyn bezoeken," antwoordde zij. Jane Llewellyn was
het krankzinnige kleine meisje, waarvan melding gemaakt is. Tot op
dit oogenblik had Beatrice er niet aan gedacht haar te bezoeken,
maar zij wist, dat haar zuster haar daarheen niet zou volgen, omdat
het kind Elisabeth niet kon uitstaan.
"O, ik dacht, dat je misschien uit wandelen ging."
"Later ga ik misschien wandelen," antwoordde Beatrice kortaf.
"Dat beteekent wat," dacht Elisabeth, en haar koele oogen teekenden
een vluchtige uitdrukking, alsof er een licht voor haar opging.
Kort na het middagmaal, zette Beatrice haar hoed op en ging uit.
Tien minuten later deed Elisabeth hetzelfde. Toen kondigde Granger
aan, dat hij naar de boerderij ging (vóór zes uur was er geen dienst)
om naar de zieke koe te zien, en vroeg Geoffrey of hij hem wilde
vergezellen. Hij zeide dat hij dit wel doen kon, als Effie mee mocht,
en na zijn pijp opgestoken te hebben, gingen zij heen.
Intusschen was Beatrice naar het krankzinnige kind gegaan. Dat was
dien dag niet heftig, en kende haar nauwelijks. Voordat zij tien
minuten in huis was geweest, werd de sluier, die over den stand van
zaken hing, opgeheven.
De woning stond op twee derden van den weg in een onregelmatige straat,
die geheel ledig was, want Zondags na het eten sliep Bryngelly. Aan
het eene einde van die straat vertoonde zich Elisabeth, met een Bijbel
in de hand, alsof zij op district-bezoek uitging. Zij zag de straat
langs, maar toen zij niemand bespeurde, ging zij een wandelingetje
doen, en toen zij terugkwam, zag zij weer de straat langs. Nu zag
zij de deur van de woning der Llewellyns opengaan en Beatrice er
uit komen. Oogenblikkelijk week Elisabeth terug naar een plaats,
waar zij kon zien zonder gezien te worden, en wachtte besluiteloos
af wat er gebeuren zou. Beatrice sloeg den weg naar het strand in.
Nu was Elisabeth niet langer besluiteloos. Zij sloeg den weg naar de
rots in en liep zeer snel. Voorbij de pastorie kwam zij aan een punt,
waar het strand niet breeder dan vijftig meter was, en daar ging
zij zitten. Weldra zag zij langs het strand beneden haar een man met
snelle schreden aankomen. Het was Owen Davies. Zij wachtte en zat op
de loer. Zeven of acht minuten verliepen, en een vrouw in een witte
kleeding kwam voorbij. Het was Beatrice, die zeer langzaam liep.
"Ha!" zeide Elisabeth bij zichzelve, haar tanden op elkaar drukkende,
"zooals ik dacht!"
Zij stond op, vervolgde het pad over de rots, en bleef een paar
honderd meter vooruit, wat zij gemakkelijk doen kon door den korten
weg te nemen. Het was een verre wandeling, en Elisabeth, die niet van
loopen hield, werd er zeer vermoeid van. Maar als zij zich eenmaal
iets in 't hoofd had gezet was zij er niet licht af te brengen. Dus
stapte zij, bijna een uur lang, moedig voort, totdat zij eindelijk
aan een plek kwam, als het Amphitheater bekend. Dit Amphitheater,
bijna vlak over de Roode Rotsen, was een halve cirkel van rotswanden,
in 't midden waarvan een groote, platte steen was, bij hoog getij
onder den waterrand, waar men, op zekere gedeelten van de rots, van
bovenaf het gezicht op had, hoewel hij, van het strand af, door de
vooruitstekende rotswanden verborgen was. Elisabeth klom een eind
ver langs de helling van de rots af, en toen zag zij, met zijn rug
naar haar toe, Owen Davies zitten. Nog iets lager afdalende, naderde
Elisabeth langzaam, totdat zij eindelijk binnen vijftig passen van
hem af was. Hier verschanste zij zich achter een rotskloof en ging
ook zitten; dichterbij te komen was niet veilig; maar voor het geval
dat zij misschien van bovenaf werd opgemerkt, sloeg zij haar Bijbel op
haar knie open, alsof zij deze stille plek had uitgekozen om te lezen.
Eenige minuten verliepen, en nu kwam Beatrice om den vooruitstekenden
hoek van het Amphitheater te voorschijn, en liep langzaam naar
de plek waar Owen Davies zat. Hij stond op en stak de hand uit om
haar te begroeten, maar zij nam die niet aan; zij boog slechts en
nam ook op den grooten platten steen plaats, maar wel drie of vier
voet van Owen Davies af. Elisabeth boog haar bleek gelaat vooruit,
en spande haar ooren in om te luisteren, maar zij kon, helaas, geen
enkel woord verstaan.
"Ge hebt mij verzocht hier te komen, mijnheer Davies," zeide Beatrice,
het pijnlijk stilzwijgen afbrekende. "Daar ben ik."
"Ja," antwoordde hij; "ik heb u verzocht te komen, omdat ik u wilde
spreken."
"Ja?" zeide Beatrice, vragend opziende van haar bezigheid om met de
punt van haar parasol kuiltjes in het zand te graven. Haar gelaat
was kalm, maar haar hart klopte snel.
"Ik wilde u vragen," hernam hij, langzaam sprekende, "of ge mijn
vrouw wilt worden".
Beatrice opende haar lippen om te spreken, maar bespeurende dat
hij slechts had opgehouden omdat de woorden hem van aandoening in
de keel bleven steken, zweeg zij en ging weer voort met kuiltjes te
graven. Zij wilde niet antwoorden voordat zij de geheele toedracht
van de zaak wist, zooals een advocaat zou zeggen.
"Ik wilde u vragen," herhaalde hij, "of ge mijn vrouw wilt worden: dat
heb ik al eenige jaren geleden willen doen, maar ik heb er nog maar
niet toe kunnen komen. 't Is een groote stap, en mijn geluk hangt er
van af. Antwoord mij nog niet," ging hij voort, en zijn woorden wonnen
in kracht onder het spreken, "luister naar wat ik u te zeggen heb. Ik
ben mijn leven lang een eenzaam man geweest. Op zee was ik eenzaam,
en sedert ik in het bezit van dat vermogen ben gekomen, ben ik nog
eenzamer. Ik heb nooit iemand of iets liefgehad voordat ik u begon lief
te hebben. En toen kreeg ik u hoe langer hoe meer lief; zoodat ik nu
nog maar één gedachte heb, en dat is de gedachte aan u. Ik denk aan
u als ik waak, en als ik slaap, droom ik van u. Luister, Beatrice,
luister!--nooit heb ik een andere vrouw bemind, nauwelijks heb ik
met een gesproken--gij zijt de eenige, Beatrice. Ik kan u veel geven;
en alles zal het uwe zijn, maar ik zou zeer jaloersch op u wezen--ja,
zeer jaloersch!"
Zij zag hem aan. Zijn gelaat was uitwendig kalm, maar doodsbleek,
en in zijn blauwe oogen, doorgaans zoo dof, blonk een vuur, dat door
het contrast bijna akelig was.
"Mij dunkt dat gij genoeg gezegd hebt, mijnheer Davies," antwoordde
Beatrice. "Ik ben u zeer verplicht. Ik gevoel mij zelfs vereerd,
want in sommige opzichten ben ik uws gelijke niet, maar ik kan u
niet liefhebben, en ik kan niet met u trouwen, en ik geloof dat het
maar het best is u dit ronduit, eens en voor altijd, te zeggen,"
en werktuigelijk ging zij voort met kuiltjes te graven.
"O, zeg dat niet," riep hij bijna kermend uit. "Om Godswil, zeg dat
niet! Het zal mijn dood zijn, als ik u moet missen. Ik geloof dat
ik krankzinnig zou worden. Trouw met mij, en ge zult mij wel leeren
liefhebben."
Beatrice zag hem weder aan en gevoelde diep medelijden. Zij wist niet,
dat het zóó erg met hem gesteld was. Zij zag in dat zij, uit een
wereldsch oogpunt beschouwd, zeer dwaas deed. De man beminde haar en
was een aannemelijke partij. Hij vroeg haar niets anders dan wat de
meeste vrouwen, onder zulke gunstige omstandigheden voor haar welzijn,
bereid genoeg zijn te geven--haarzelve. Maar zij had nooit van hem
gehouden, hij had haar altijd tegengestaan, en zij was er het meisje
niet naar om met een man te trouwen van wien zij niet hield. In de
laatste week was die tegenzin nog sterker geworden. Waarom wist zij
zelve niet, en terwijl zij zich daarover verwonderde, viel haar oog op
de figuren, die zij werktuigelijk in het zand prikte. Zij hadden den
vorm van letters aangenomen, en die letters waren _GEOFFRE_--Groote
Hemel! Kon dat het antwoord zijn? Het bloed stroomde haar van schaamte
naar het gelaat en met haar voeten veegde zij de verklappende letters,
zooals zij meende, uit.
Owen zag de verzachte uitdrukking van haar oogen, en haar blos zag
hij ook, en aan beiden gaf hij een verkeerde uitlegging. Meenende dat
zij geneigd was toe te geven, wilde hij haar hand vatten. Met een ruk
van haar arm, zoo snel, dat zelfs Elisabeth, die zoo scherp tuurde,
de beweging niet zag, trok zij haar hand los.
"Raak mij niet aan," zeide zij op bitsen toon, "ge hebt het recht
niet mij aan te raken. Ik heb u geantwoord, mijnheer Davies."
Beschaamd, met het hoofd op de borst gezonken, zat Owen een oogenblik
stil, als het beeld der wanhoop. Niets kon de strakke kalmte van
zijn gelaat verstoren, maar de hevigheid zijner aandoening was te
zien aan het beven van zijn beenen en zijn korte, snelle ademhaling.
"Kunt ge mij geen hoop geven?" zeide hij eindelijk, met een doffe
stem. "Om Godswil, denk na voordat gij antwoordt--gij weet niet wat
het voor mij te beteekenen heeft. Voor u is het niets--gij hebt er
geen gevoel van. Ik gevoel, en uw woorden snijden als een mes. Ik
weet wel dat ik dom en vervelend ben, maar ik heb een gevoel alsof
ge mij een doodsteek hadt gegeven. Gij hebt een hart van steen."
Weder werd Beatrice een weinig verzacht. Zij was getroffen en
gevleid. Welke vrouw zou dat niet geweest zijn?
"Wat kan ik u zeggen, mijnheer Davies?" zeide zij, op vriendelijken
toon. "Ik kan niet met u trouwen. Hoe kan ik dat, als ik geen liefde
voor u gevoel?"
"Er trouwen zooveel vrouwen met mannen, voor wie zij geen liefde
gevoelen."
"Dan zijn het slechte vrouwen," antwoordde Beatrice, met vuur.
"Zoo denkt de wereld er niet over," hernam hij; "de wereld noemt
zulke vrouwen slecht, die liefde gevoelen voor mannen, met wie zij
niet kunnen trouwen, en de wereld heeft altijd gelijk. Het huwelijk
wettigt alles."
Beatrice lachte bitter. "Denkt gij er zoo over?" zeide zij. "Ik
niet. Ik vind, dat trouwen zonder liefde de schandelijkste van onze
instellingen is, en dat is veel gezegd. Gesteld dat ik op uw aanzoek
'ja' zeide, gesteld dat ik met u trouwde, zonder liefde voor u te
gevoelen, waar zou het dan om zijn? Om uw geld en uw stand, en om een
getrouwde vrouw genoemd te kunnen worden; en wat zoudt gij denken, dat
ik dan in mijn hart van mijzelve dacht? Neen, neen, ik ben misschien
slecht, maar zóó laag ben ik niet gezonken. Zoek een andere vrouw,
mijnheer Davies; de wereld is groot, en er zijn vrouwen genoeg, die
u om uzelven zullen liefhebben, of het in allen gevalle zoo nauw niet
zullen nemen. Vergeet mij, en laat mij mijn eigen weg gaan--dat is _uw_
weg niet."
"U uw eigen weg laten gaan," antwoordde hij, op hartstochtelijken
toon--"dat wil zeggen, u aan een anderen man overlaten. O, daar kan ik
niet aan denken. Ik ben jaloersch op elken man, die in uw nabijheid
komt. Weet gij wel hoe schoon gij zijt? Gij zijt al te schoon--elke
man moet verliefd op u worden zooals ik het ben. O, als gij een ander
naamt, ik geloof dat ik hem zou dooden."
"Spreek zoo niet, mijnheer Davies, of ik ga heen."
Eensklaps hield hij op. "Ga niet heen," zeide hij
smeekend. "Luister. Ge zeidet dat ge niet met mij wilt trouwen
omdat gij geen liefde voor mij gevoelt. Gesteld dat ge mij leerdet
liefhebben, zeggen wij over een jaar. Beatrice, zoudt ge dan met met
mij willen trouwen?"
"Ik zou met ieder man willen trouwen, als ik hem liefhad," antwoordde
zij.
"Dus, als ge mij leert liefhebben, wilt ge met mij trouwen?"
"O, dat is belachelijk," zeide zij. "'t Is niet waarschijnlijk,
het is nauwelijks mogelijk, dat zoo iets zou kunnen gebeuren. Als
het had kunnen gebeuren, zou het al vroeger geweest zijn."
"Het kan nog komen," hernam hij; "uw hart kan nog jegens mij verteederd
worden. O, zeg daar ja op. Het is een klein verzoek, het kost u
niets, en het geeft mij hoop, zonder welke ik niet kan leven. Zeg
dat ik u nog eens vragen mag, en dat gij dan, als ge mij liefhebt,
met mij wilt trouwen."
Beatrice dacht een oogenblik na. Zulk een belofte kon geen kwaad,
en in den loop van zes maanden of een jaar zou hij misschien gewend
zijn aan het denkbeeld van zonder haar te leven. Ook zou het een
scène voorkomen. Het was zwak van haar, maar zij was bevreesd voor
de uitbarsting, als het haar vader ter oore kwam dat zij Owen Davies
had afgewezen.
"Als ge dat wenscht, mijnheer Davies," zeide zij, "zoo zij het
dan. Maar ik verzoek u wel te begrijpen, dat dit mij tot niets
verbindt. Ik geef u volstrekt geen hoop dat, als gij over een jaar of
zoo uw aanzoek hernieuwt, mijn antwoord anders zal zijn dan nu. Ik
geloof niet dat daarvoor de minste waarschijnlijkheid is. Ook moet
gij wel weten, dat ge er mijn vader niets van moogt zeggen, of mij
op eenigerlei wijze lastig vallen. Stemt gij daarin toe?"
"Ja," was zijn antwoord. "Ik stem toe. Ik heb mij op genade of ongenade
aan u overgegeven."
"Goed. En nu, mijnheer Davies, adieu. Gij moet niet met mij terug
wandelen. Ik wil liever alleen gaan. Maar dit wil ik u nog zeggen:
Het spijt mij dat het hiertoe gekomen is. Ik had wel gewenscht dat
het niet gebeurd was. Ik heb het niet aangemoedigd, en wasch mijn
handen in onschuld. Maar het spijt mij bovenmate, en ik herhaal wat
ik gezegd heb--zoek een andere vrouw en trouw met haar."
"Dat is nog het wreedste van alles wat ge mij gezegd hebt," antwoordde
hij.
"Het was mijn bedoeling niet wreed te zijn, mijnheer Davies, maar
ik geloof dat de waarheid dikwijls hard klinkt. En nu, adieu," en
Beatrice stak hem haar hand toe.
Hij raakte die even aan, en zij wendde zich van hem af en ging
heen. Maar Owen ging niet heen. Hij bleef, met gebogen hoofd,
diep neerslachtig op den steen zitten. Al zijn hoop had hij op
dit meisje gevestigd. Zij was voor hem het eenige begeerlijke,
de eenige ster in zijn eenigszins grauwe lucht, en nu was die ster
verduisterd. Haar woorden waren vrij ondubbelzinnig, zij gaven hem
weinig hoop. Integendeel, zij had een vastheid over zich, die hem
vrees aanjoeg. Wat kon daar de reden van zijn? Hoe kwam het dat zij
hem, en alles wat hij haar had aan te bieden, zoo beslist afwees? Zij
was toch een meisje van geen hoogen stand. Zij kon haar oogen niet tot
een betere partij opslaan. Er moest een reden voor zijn. Misschien een
medeminnaar. De een of andere vijand was er de oorzaak van. Maar wie?
Op dit oogenblik ging de schaduw van een vrouwengedaante langs hem.
"O, zijt ge teruggekomen?" riep hij uit, overeind springende.
"Als gij Beatrice bedoelt," antwoordde een stem--het was de stem van
Elisabeth--"die liep tien minuten geleden langs het strand. Ik was
toevallig op de rots, en ik zag haar."
"O, ik vraag u verschooning, Miss Granger," zeide hij. "Ik zag niet
wie het was."
Elisabeth zette zich op den platten steen neder, op dezelfde plaats,
waar haar zuster gezeten had, en de gaatjes in het strand ziende,
begon zij onwillekeurig met haar voet het zand, dat Beatrice er
overheen had gestreken, er af te schuiven, zoodat de vrij diep
ingeprikte letters weer bijna geheel te voorschijn kwamen.
"Ge hebt een gesprek met Beatrice gehad, mijnheer Davies?"
"Ja," antwoordde hij kortaf.
Elisabeth bewaarde een oogenblik het stilzwijgen. Toen vatte zij de
koe bij de horens.
"Gaat ge met Beatrice trouwen, mijnheer Davies?" vroeg zij.
"Dat weet ik niet," gaf hij langzaam ten antwoord, en zonder dat deze
vraag hem verraste. Het scheen hem zoo natuurlijk toe dat zij dezelfde
gedachte had, waarvan zijn geest geheel vervuld was. "Ik zou niets
liever wenschen dan met haar te trouwen, want ik heb haar innig lief."
"Heeft zij u dan afgewezen?"
"Ja."
Elisabeth haalde ruimer adem.
"Maar ik kan haar weer vragen."
Elisabeth fronste het voorhoofd. Wat kon dat beteekenen? Het was geen
bepaalde afwijzing. Daar moest Beatrice iets mee voor hebben.
"Waarom heeft zij u uitgesteld, mijnheer Davies? Meen niet dat ik het
uit nieuwsgierigheid vraag. Ik vraag het alleen omdat ik u misschien
zal kunnen helpen."
"Dat weet ik; gij zijt zeer goed. Help mij, en ik zal u altijd
dankbaar zijn. Ik weet het niet--ik zou het er haast voor houden,
dat er iemand anders moest zijn, maar ik weet niet wie het wezen kan."
"O, zoo!" zeide Elisabeth, die oplettend naar de weer te voorschijn
gebrachte gaatjes in het zand had gekeken. "Dat is wel mogelijk,
Beatrice is zoo'n zonderling meisje. Wat zijn dat voor letters,
mijnheer Davies?"
Hij zag er onverschillig naar. "Iets wat uw zuster met de punt van
haar parasol schreef, terwijl ik tegen haar sprak. Ik herinner mij
dat ik het haar heb zien doen."
"G E O F F R--wel, dat moet Geoffrey beteekenen. Ja, zeker is het
mogelijk dat er iemand anders is, mijnheer Davies. Geoffrey!--hoe
zonderling!"
"Wat is zonderling, Miss Granger? Wie is Geoffrey?"
Elisabeth deed een onaangenaam lachje hooren, dat Owen's aandacht
meer trok dan haar woorden.
"Hoe zou ik dat weten? Het moet zeker de een of andere vriend van
Beatrice zijn, en wel een, aan wien zij veel denkt, anders zou zij
niet onwillekeurig zijn naam in het zand geschreven hebben. De eenige
Geoffrey, dien ik ken, is mijnheer Geoffrey Bingham, de advocaat, die
in de pastorie logeert, en wien Beatrice het leven heeft gered." Zij
hield een oogenblik op, om te zien welke uitwerking haar woorden
hadden. "Maar, natuurlijk," ging zij voort, "kan zij niet aan mijnheer
Bingham gedacht hebben, want die is een getrouwd man."
"Getrouwd?" zeide Owen; "ja, maar hij is toch een man, en een heel
knap man ook."
"Ja, een knap man mag hij wel genoemd worden," hernam Elisabeth;
"maar, zooals Beatrice onlangs zeide, het meest boeit hij, door zijn
gesprekken en zijn verstand. Hij is een merkwaardig man, en de wereld
zal eenmaal nog van hem hooren. Maar dat komt hier nu eigenlijk
niet bij te pas. Beatrice is een raar meisje, en heeft wonderlijke
begrippen, maar ik houd mij verzekerd, dat zij het nooit met een
getrouwd man zou willen aanleggen."
"Maar het zou wel kunnen zijn, dat hij het met haar wilde aanleggen,
Miss Elisabeth."
Zij lachte. "Denkt ge werkelijk, dat een man als mijnheer Bingham
zonder aanmoediging zou beproeven een minnarijtje met een meisje aan te
knoopen? Zulke mannen zijn even trotsch als vrouwen, en nog trotscher:
de dame moet altijd den eersten stap doen. Maar waar dient het toe er
over te spreken? Het is allemaal onzin; Beatrice moet aan een anderen
Geoffrey gedacht hebben--of het was alleen maar toevallig. Wel,
mijnheer Davies, als ge een oogenblik werkelijk hadt kunnen denken
dat die lieve Beatrice zich aan zoo iets schandelijks als een minnarij
met een getrouwd man schuldig zou hebben gemaakt, zoudt gij haar dan
ten huwelijk gevraagd hebben? Zoudt gij er nog aan denken zulk een
meisje als zij dan zijn moest te vragen uw vrouw te worden?"
"Ik weet het niet; ik geloof het niet," antwoordde hij twijfelachtig.
"Gij _gelooft_ het niet? Dan ken ik u beter dan gij uzelven kent. Ge
zoudt liever nooit trouwen, dan een vrouw te nemen zooals zij dan
gebleken was te zijn. Maar genoeg van dat dwaas gepraat. Als gij een
medeminnaar hebt, kunt ge er zeker van zijn, dat het een ongetrouwde
is."
In zijn hart dacht Owen dat hij toch eigenlijk liever gehad zou hebben
dat het maar een getrouwd man was, omdat een getrouwd man, in allen
gevalle, Beatrice niet wettig kon bezitten. Maar hij had ontzag voor
Elisabeth's strenge zedelijkheid, en dus zeide hij dat niet.
"Ik gevoel mij een weinig van streek, Miss Elisabeth," zeide hij. "Ik
wil maar liever heengaan. A propos, ik heb beloofd er uw vader niets
van te zeggen. Ik hoop dat gij het ook niet doen zult."
"Zeker niet," antwoordde Elisabeth, en dat zou ook wel het laatste
geweest zijn wat zij had willen doen. "Adieu dan, mijnheer Davies. Wees
niet neerslachtig; alles zal nog wel terecht komen. Bedenk dat ge
mij altijd hebt om u te helpen."
"Dank u, dank u," zeide hij ernstig, en ging heen.
Elisabeth zag hem, tot om den rotswand, met een koelen en hatelijken
glimlach na.
"Gek!" dacht zij, "gek! _Mij_ te zeggen dat je haar zoo innig
liefhebt en met haar wilt trouwen! Je wilt dat lieve gezichtje hebben,
niet waar? Dat krijg je nooit; ik zal het wel voor je bederven! Die
lieve Beatrice, zij is niet in staat een liefdeshistorietje met een
getrouwd man te hebben--o, zeker niet! Wel, zij is al verliefd op hem,
en hij meer dan half op haar. Als zij het niet was, zou zij Owen dan
afgescheept hebben? Wel neen! Laat hun den tijd maar, en we zullen
zien. Zij zullen elkaar in 't ongeluk storten--dat moeten zij wel;
het is geen kinderspel als twee zooals zij verliefd worden. Zij
zullen het niet bij zuchten laten. Het was een goede inval hem in
huis te nemen. En als ik haar zoo met dat kind Effie zie, alsof zij
haar moeder was--'t is om te lachen. O, Beatrice, met al je wijsheid
ben je een onnoozel schaap. En op een goeden dag, lieve meid, zal
ik het genoegen hebben je voor Owen ten toon te stellen, dan zal de
afgod ontsluierd worden, en dan is het met je kansen bij hem uit,
want daarna kan hij niet met je trouwen. En dan komt mijn beurt. 't
Is een kwestie van tijd--alleen maar een kwestie van tijd."
Zoo peinsde Elisabeth, met een hart vol nijd en jaloezie. Zij hield
veel van Owen Davies, zooveel als zij in staat was voor iemand
genegenheid te gevoelen, ten minste, zij hield veel van den rijkdom
en stand, waarvan hij het zichtbaar middelpunt was, en zij haatte haar
zuster, die hij begeerde. Als zij die zuster maar in een slechten naam
kon brengen en bewijzen dat zij zich aan misplaatste, ongewettigde
liefde schuldig had gemaakt--in de oogen der wereld de zwaarste
misdaad eener vrouw--zou Owen wel niet meer van haar willen weten.
Zij vergiste zich. Zij wist niet, dat hij Beatrice volstrekt tot vrouw
wilde hebben; zij kon zich niet voorstellen hoe vergevensgezind een
man, die zich dit ten doel stelt, kan zijn. Alleen over de vrouw,
die zij reeds moede zijn, vellen de mannen maar al te spoedig een
streng vonnis, maar niet over haar, die hun nog niet toebehoort,
en naar wier bezit zij dag en nacht verlangen. Voor dezulken zijn
zij zeer toegevend.
Hoofdstuk XIII.
Geoffrey houdt een sermoen.