mijnheer Bingham, zooals gij van middag wel gezien zult hebben. Zoudt
ge er niet liever nog eens over nadenken?"
"Als gij bedoelt dat ge liever niet hebt dat ik kom, zal ik het niet
doen," antwoorde hij, min of meer plomp, en terstond gevoelde hij
dat hij een flater gemaakt had.
"Ik!" zeide Beatrice, groote oogen opzettende, "'t Is hier de vraag
niet wat ik liever heb of niet. Wij zijn arm en verhuren kamers--daar
komt het op neer. Als gij meent, dat zij u zullen bevallen, hebt gij
gelijk dat gij ze neemt."
Geoffrey kleurde. Hij was een man, die niet dulden kon, dat hij zich
de minste berisping van een vrouw op den hals had gehaald, en nu had
hij dit gedaan. Beatrice zag het en werd daardoor verzacht.
"Natuurlijk, mijnheer Bingham," hernam zij, "wat mij betreft, ben
ik de winnende partij als gij komt. Ik ontmoet te weinig menschen,
met wie ik gaarne omga en van wie ik kan leeren, dan dat ik een kans
zou willen vergooien."
"Ik geloof dat ge mij een weinig verkeerd begrepen hebt," zeide
hij. "Ik bedoelde alleen maar of Effie niet te lastig voor u zou zijn,
Miss Granger."
Zij lachte. "Wel, ik houd veel van kinderen. Het zal een genoegen
voor mij zijn voor haar te zorgen, in zooverre als ik tijd heb."
Nu kwamen de anderen terug, en hun gesprek was uit.
"Het zijn alleraardigste ouderwetsche kamers, Geoffrey," zeide Lady
Honoria. "Ik benijd u werkelijk." (Niets was er wat Lady Honoria
zoo leelijk vond als een ouderwetsche kamer.) "En nu moeten wij
heengaan. O, arm schepsel, ik vergat dat ge zoo bont en blauw gestooten
zijt. Mijnheer Granger zal u zijn arm wel willen geven."
Granger strompelde vooruit, en nadat Geoffrey afscheid genomen en
een hoed van den predikant geleend had, werd hij naar de vigilante
gebracht.
En zoo eindigde Geoffrey's eerste dag in de pastorie van Bryngelly.
Hoofdstuk XI.
Beatrice maakt een afspraak.
Lady Honoria leunde in de vigilante achterover en slaakte een zucht
van verlichting.
"Dat is een uitmuntend plan," zeide zij. "Ik dacht er al over
welke schikkingen ik voor de eerste drie weken zou moeten maken. 't
Is belachelijk alleen voor u en Effie drie guinjes in de week te
betalen. De oude heer verlangt dat voor kost en inwoning samen,
want ik heb het hem gevraagd."
"Dat zal dan zeker ook wel genoeg zijn," zeide Geoffrey. "Wanneer
verhuizen wij?"
"Morgen, in tijds voor het middagmaal, of liever het avondeten;
dat onbeschaafde volk eet 's avonds ook, zooals ge weet. Ik vertrek
met den ochtendtrein, ziet ge, dan kom ik tegen het theedrinken bij
Garsington aan. Ge zult het hier wel wat stil vinden, maar ge houdt
veel van stilte. De oude predikant is een man van een lagen stempel,
en vervelend, en de oudste dochter, Elisabeth, is al te vinnig--zij
doet mij aan een rat denken. Maar Beatrice is een mooi meisje,
hoewel ik haar naar vind. Ge zult u met haar moeten vergenoegen,
en ik geloof dat ge elkaar wel zult bevallen."
"Waarom vindt ge haar naar, Honoria?"
"Och, dat weet ik niet; ze is knap en zonderling, en ik houd niet van
zonderlinge vrouwen. Waarom kan zij niet zijn zooals anderen? Denk eens
dat zij sterk genoeg was om uw leven te redden. Ze moet de spieren van
een Amazone hebben--dat is bepaald onvrouwelijk. Maar haar schoonheid
is boven allen twijfel. Ik heb zelden zoo'n mooi meisje gezien, hoewel
zij wel wat over zich heeft, dat al te vrij is. Als ik zoo'n dochter
als zij had, kreeg niemand haar onder de twintig duizend pond. Zij
is veel te goed voor den Welschen _Squire_, met wien zij geëngageerd
is--dien man, die op het kasteel woont--hoewel men zegt dat hij heel
rijk is."
"Geëngageerd," zeide Geoffrey, "hoe weet ge dat zij geëngageerd is?"
"O, ik weet het niet, maar ik vooronderstel het. Als zij het niet is,
zal zij het wel spoedig wezen, want een meisje in haar positie zal
zoo'n kans niet licht vergooien. In allen gevalle is hij smoorlijk op
haar verliefd. Dat heb ik gisterenavond gezien. Hij stond uren lang
in den regen buiten de deur te wachten, met een gezicht als een geest,
totdat hij wist of zij dood of levend was, en hij is er van ochtend al
tweemaal geweest om naar haar te vragen. Dat heeft mijnheer Granger
mij gezegd. Maar zij zou wel beter partij kunnen doen, als zij er
maar in de gelegenheid toe werd gesteld."
Geoffrey's levendige belangstelling in Beatrice verflauwde aanmerkelijk
toen hij dit vernam. Het ging hem, natuurlijk, niet aan; hij was zelfs
blijde te hooren dat zij in de gelegenheid was zulk een goede partij
te doen, maar ongelukkig is het een waarheid dat men niet zooveel
belang kan stellen in een bekoorlijke, jonge dame, die een "suffigen
Welschen landheer" toebehoort, als wanneer zij nog geheel vrij is.
De oude Adam leeft nog in de meeste mannen, hoe rechtschapen zij ook
zijn mogen, en dit is een van de wijzen, waarop hij zich laat gelden.
"Welnu," zeide hij, "het verheugt mij, dat zij zulk een goed
vooruitzicht heeft; dat verdient zij. De Welsche landheer mag van
geluk spreken; Miss Granger is een bizonder lief meisje."
"Veel te bizonder," zeide Lady Honoria droog. "Hier zijn wij er,
en daar komt Effie met allerlei malle bokkesprongen aanhuppelen,
Dat kind lijkt wel gek."
Den volgenden ochtend--het was Vrijdag--vertrok Lady Honoria in de
beste luim, van Anne vergezeld. In de eerste drie weken zou zij in
allen gevalle bevrijd zijn van de ergernissen, die met bekrompen
middelen gepaard gaan--vrij om de weelde en de verfijnde genoegens,
waaraan zij gewoon was, te genieten, en waarnaar haar ziel gehaakt
had met een verlangen, dat voor een eenvoudiger gemoed onbegrijpelijk
geweest zou zijn. Iedereen heeft zijn ideaal van geluk, als men het
maar altijd kon begrijpen. Sommigen zouden een verheven geestelijk
genot verkiezen, en gelukkig zijn door al de beste boeken over de
planeten te lezen; anderen, een modelstaat, met zichzelf als president,
waarin (door hun weldadig streven) de laatste radicale begrippen tot
ieders tevredenheid van toepassing werden gebracht; weer anderen, een
gunstig jachtterrein, waar het wild evenveel pret had als zijzelven;
en zoo voort, tot in het oneindige.
Lady Honoria was bescheidener. Als zij maar een, in alle opzichten,
welingericht huis in de stad en een dito landhuis had, eenige lakeien,
rijtuigen naar keus en andere noodzakelijkheden, met inbegrip,
natuurlijk, van toegang tot de voornaamste gezelschapskringen, zou
zij niets meer verlangen. Hopen wij, dat zij het eenmaal krijgen
zal. Het zou niemand kwaad doen, en in deze wereld zou zij naar alle
waarschijnlijkheid menigeen vinden, die van dezelfde denkwijze was
als zij.
Zij omhelsde Effie met veel vertoon van hartelijkheid, en haar
echtgenoot met kuische warmte, en ging heen met een vrome bede op
haar lippen dat zij Bryngelly nooit mocht wederzien.
Wij behoeven Lady Honoria niet op haar reis te volgen. Dien
namiddag hadden Effie en haar vader groote pret. Zij waren aan het
inpakken. Geoffrey die spoedig van zijn stijfheid bekomen was, stopte
alles in de koffers, en Effie danste er op. Wat er niet in kon ging
in een pak los in de vigilante, totdat het rijtuig er uitzag als een
oude-kleerenwinkel. Toen, omdat er voor hen geen ruimte meer in was,
gingen zij te voet langs het strand naar de pastorie, een afstand
van omstreeks drie kwartmijl, en hielden onderweg stil, om het fraaie
kasteel te bewonderen, waar Owen Davies als een kluizenaar woonde.
"O, paatje," zeide het kind, "ik wou dat u zoo'n huis kocht om in te
wonen. Waarom doet u dat niet, paatje?"
"Daar heb ik geen geld genoeg voor, lieve," antwoordde hij.
"Zult u er nooit geld genoeg voor hebben, paatje?"
"Dat weet ik niet--eenmaal misschien wel--als ik te oud ben om er
genot van te hebben," liet hij er bij zichzelven op volgen.
"Het zal zeker wel veel kosten zoo'n huis te koopen, nietwaar,
paatje?" merkte Effie wijs aan.
"Ja, lieve, meer dan jij kunt tellen," antwoordde hij, en daar was
het gesprek mee uit.
Nu kwamen zij aan een schuitenhuis. Hier was een man--de oude
Eduard--bezig een bootje te kalfateren.
Geoffrey zag er naar, en herkende het bootje van Beatrice.
"Kijk, Effie," zeide hij, "dat is de boot, waaruit ik in het water
ben gevallen." Effie zette groote oogen op en staarde op het broze
vaartuigje.
"'t Is een leelijk schuitje," zeide zij, "ik wil er niet naar zien."
"U hebt wel gelijk, jongejuffrouw," sprak de oude Eduard, zijn pet
aanrakende. "'t Is niet veilig, en eenmaal zal er iemand nog mee
verdrinken. Ik wou dat het maar naar den kelder was gegaan, maar Miss
Beatrice is zoo eigenzinnig, dat er niets met haar te beginnen is."
"Mij dunkt, dat zij nu wel een les gehad zal hebben," zeide Geoffrey.
"Dat kan wel wezen, en misschien ook niet," bromde de oude man; "'t
is zoo moeilijk vrouwen iets aan 't verstand te brengen; ze leeren
niets voordat het te laat is, en als er niets meer aan te doen is,
dan is het aan tranen geen gebrek; maar wat helpt dat?"
Intusschen werd, op niet verder dan een mijl afstands, een ander
gesprek gevoerd. Op de kruin van de rots stond het dorp Bryngelly, en
achter het dorp was een school, een eenvoudig gebouw met gepleisterde
muren, dat, hoewel voldoende voor de behoeften van de plaats,
een ergernis was in de oogen der schoolopzieners, die van tijd
tot tijd zich verwaardigden te Bryngelly te komen om te vitten. Zij
verlangden er een gebouw van rood baksteen te zien, met al de laatste
verbeteringen, opgericht ten koste van de belastingbetalenden,
maar tot dusverre verlangden zij te vergeefs. De school werd door
vrijwillige bijdragen onderhouden, en dank zij Beatrice's ijver en
goed onderricht, was zij niet in handen gevallen van de gevreesde
schoolcommissie, met haar vitterijen en op onkosten jagen.
Beatrice had dien namiddag haar werkzaamheden weer opgevat, want
de nachtrust had haar sterk, jeugdig gestel al zijn veerkracht
teruggegeven. Zij was met gejuich door de kinderen ontvangen,
die allen veel van haar hielden, en dat mochten zij ook wel,
want zij ging zeer zacht en lief met hen om, hoewel weinigen haar
ongehoorzaam durfden zijn. Bovendien, maakte haar schoonheid indruk
op hen, al wisten zij dat zelven ook niet. Schoonheid van een zekere
soort maakt misschien het meest indruk op kinderen, hoe onachtzaam
en zelfzuchtig zij dikwijls ook schijnen te zijn. Zij gevoelen haar
macht; zij is een zichtbare uitdrukking van de droomen en gedachten,
die in hun onwetende harten opkomen, en in zekeren zin vermengd met
hun begrippen van God en den Hemel.
Zoo was er in Bryngelly een meisje van tien jaar, een schrander
en prikkelbaar kind, Jane Llewellyn genaamd, wier ouders streng
Calvinistische begrippen hadden. Nu wilde het geval, dat eenige
maanden vóór het begin van dit verhaal, een als redenaar vermaard
prediker van den ouden Puriteinschen stempel het dorp had bezocht en
zijn toehoorders op een levendige voorstelling van de verschrikkingen
der hel onthaald had.
In de voorste rij, zat, met groote, angstig starende oogen, dat arme
kind tusschen haar ouders, die met genot naar den predikant luisterden,
en een weinig achteraan zat Beatrice, die uit nieuwsgierigheid
gekomen was.
Na genoeg over ontzettende algemeenheden uitgeweid te hebben, ging
de prediker over tot ophelderende voorbeelden, voor de hand gegrepen,
want zijn preek was geheel improvisatie. "Aanschouwt dat kind," zeide
hij, op het kleine meisje wijzende; "zij ziet er onschuldig uit,
niet waar? Maar ik zeg u, mijn broederen, als zij geen verlossing
vindt, is zij verdoemd. Als zij dezen nacht sterft zonder verlossing
gevonden te hebben, gaat zij naar de _Hel_. Haar teer lichaampje zal
van eeuwigheid tot eeuwigheid gefolterd worden."
Hier viel het ongelukkige kind met een gil voorover.
"Ge moest u schamen, mijnheer," zeide Beatrice overluid.
Zij had met toenemende verontwaardiging naar dien bombast geluisterd,
en nu vergat zij in haar opgewondenheid geheel, dat zij in een
plaats van godsvereering was. Toen snelde zij vooruit naar het kind,
dat bewusteloos was. De arme kleine kwam haar schrik nooit weer te
boven. Toen zij uit haar bezwijming de oogen weer opsloeg, bleek het
dat haar gevoelige hersens niet tegen den schok bestand waren geweest,
en zij verviel tot een staat van onnoozelheid. Maar zij was niet
altijd een lijdende idioot. Zij had soms vlagen van hevigen angst. Dan
riep zij, dat de duivelen haar kwamen halen om gefolterd te worden,
en wierp zich akelig gillend tegen den muur. In zulke oogenblikken
was er maar één middel om haar tot bedaren te brengen: en dat was,
Beatrice te laten roepen. En dan kwam Beatrice, nam die arme twee
handjes in de hare en zag met haar kalme, doordringende oogen in dat
vermagerd, van angst verwrongen gezichtje, totdat het kind weer stil
werd, huiverde, en zich aan haar borst in slaap snikte.
En zoo was het met al de kinderen; zij had een bijna onbeperkte nacht
over hen. Zij hadden haar lief, evenals zij hen.
De lessen waren voor dien dag afgeloopen. Het was Beatrice's gewoonte
de kinderen vóór het uitgaan der school een eenvoudig lied te laten
zingen. Zij stond voor hen, en gaf de maat aan, terwijl zij zongen,
en het was aardig haar daar zoo te zien staan. Op dezen namiddag werd,
juist toen het eerste vers uit was, de deur van het schoolvertrek
geopend, en Owen Davies trad binnen, Beatrice zag hem en trapte de
maat in een min of meer versneld tempo.
De kinderen zongen er helder op los. Owen Davies kwam al nader en
nader, totdat hij eindelijk vlak bij Beatrice stond, met half geopende
lippen en de oogen op haar bevallige gestalte gevestigd, als iemand,
die droomt, terwijl zijn geesteloos gelaat flauw verhelderd was door
den glans van sterke aandoening.
Toen het lied uit was, defileerden de kinderen op een woord van hun
meesteres haar voorbij, door de kweekelingen geleid, en daarna grepen
zij met gejuich hun hoeden en petten, en stormden naar buiten in de
vrije lucht, waar zij zich in alle richtingen verstrooiden. Toen zij
allen weg waren, en ook eerst toen, zag Beatrice eensklaps om.
"Hoe vaart gij, mijnheer Davies?" zeide zij.
Hij onthutste zichtbaar. "Ik wist niet, dat ge mij gezien hadt,"
antwoordde hij.
"O, ja, ik heb u wel gezien, mijnheer Davies, maar ik kon het zingen
niet laten ophouden om u toe te spreken. Ik moet u nog bedanken,
dat ge naar mij zijt komen vragen."
"Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet, het was een
verschrikkelijk ongeluk. Ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik ben--ik
weet er geen woorden voor te vinden."
"Gij zijt wel goed, dat gij zooveel belang in mij stelt," hernam
Beatrice.
"Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet. Wie zou in u geen
belang stellen? Ik heb een boek voor u meegebracht--het leven van
Darwin--twee deelen. Ik meen u te hebben hooren zeggen, dat Darwin
u interesseert?"
"Ja, ik dank u zeer. Hebt gij het gelezen?"
"Neen, maar ik heb het opengesneden. Ik heb met Darwin niet veel op,
zooals ge weet. Zijn richting houd ik niet voor de juiste. Mag ik de
boeken voor u naar huis dragen?"
"Zeer vriendelijk van u, maar ik ga niet rechtstreeks naar huis; ik
ga naar het schuitenhuis van den ouden Eduard, om naar mijn bootje
te zien."
Feitelijk was dit wel zoo, maar het was haar op dit oogenblik eerst
ingevallen. Beatrice had naar huis willen gaan, om te zien of alles
voor Geoffrey en zijn dochtertje in gereedheid was gebracht. Maar om
aan de pastorie te komen, moest zij langs de rots gaan, waar weinig
menschen waren, en dat wilde zij nu liever niet. Ronduit gezegd,
was zij bang dat Davies van de gelegenheid gebruik zou maken om haar
zijn hart en zijn hand aan te bieden, wat haar nachtmerrie was. De
weg naar Eduard's schuitenhuis liep door het dorp, en zij wist wel,
dat hij daar zijn aanzoek niet zou doen.
Het was voorzeker zeer dwaas van haar dat zij aldus den kwaden dag
zocht te verschuiven; maar de verstandigste vrouwen hebben haar zwakke
punten, en dit was er een van Beatrice. Zij hield niet van scènes, en
zij wist dat als het er toe kwam, het een scène zou geven. Niet dat
zij een oogenblik wankelde in haar besluit om den man af te wijzen;
maar het zou toch onaangenaam zijn, en eindelijk moest het haar vader
en Elisabeth ter oore komen, dat zij Owen Davies een blauwtje had
laten loopen, en wat zou zij dan voor een leven hebben?
Nooit had zij vermoed, het zou nooit bij haar opgekomen zijn te
vermoeden, dat, hoewel haar vader het haar ten hoogste kwalijk
zou nemen, niets ter wereld het hart van Elisabeth zoo had kunnen
verblijden.
Na haar hoed opgezet te hebben, verliet Beatrice het schoolgebouw,
vergezeld door haar bewonderaar, die het Leven van Darwin onder
zijn arm droeg. Zij liepen zwijgend voort, Beatrice een weinig
vooruit. Zij maakte eenige aanmerkingen over het weer, maar Owen
gaf geen antwoord; hij was in gepeins; hij wilde iets zeggen, maar
wist niet hoe. Zij waren nu aan de rots, en als hij wilde spreken,
moest hij het spoedig doen.
"Miss Beatrice," begon hij, op een eenigszins gedwongen toon.
"Ja, mijnheer Davies--o, zie die zeemeeuw eens; zij sloeg bijna mijn
hoed af."
Maar hij was niet met de zeemeeuw af te schepen. "Miss Beatrice,"
zeide hij weder, "gaat gij Zondagnamiddag wandelen?"
"Hoe weet ik dat vooraf, mijnheer Davies? Het kan wel regenen."
"Maar als het niet regent--zeg het mij, als 't u belieft. Gewoonlijk
gaat ge Zondags op het strand wandelen. Miss Beatrice, ik moet u
spreken. Ik hoop dat ge 't mij wel zult vergunnen."
Toen nam zij plotseling een besluit. Zoo was het onverdragelijk;
het was maar beter er einde aan te maken. Zich zoo snel om wendende
dat Owen er van schrikte, zeide zij:
"Als ge mij dan volstrekt spreken wilt, mijnheer Davies, zal ik
Zondagnamiddag om vier uur op het Amphitheater, die hoogte tegenover
de Roode Rotsen, zijn, maar ik had veel liever dat ge niet kwaamt. Meer
kan ik niet zeggen."
"Ik zal komen," antwoordde hij op stroeven toon, en nu waren zij bij
het schuitenhuis.
"O, kijk, paatje," zeide Effie, "daar komt die dame aan, die met u
verdronken is; zij heeft een heer bij zich," en tot Beatrice's groote
verlichting, snelde het kind haar te gemoet.
"O, dat is de man, met wien Honoria zegt dat zij geëngageerd is," dacht
Geoffrey. "Ik moet zeggen, dat ik geen hoogen dunk van haar smaak heb."
Een oogenblik later waren zij bij hem. Geoffrey gaf Beatrice de hand
en werd aan Owen Davies voorgesteld, die daarop iets mompelde en
spoedig heenging.
Zij bezichtigden te zamen het bootje, en liepen langzaam naar de
pastorie terug, Effie aan de hand van Beatrice. Tegenover de zandbank
bleven zij even stilstaan.
"Daar is de Tafelrots, waar wij op geworpen zijn, mijnheer Bingham,"
zeide Beatrice, "en hier hebben zij ons aan land gebracht. De zee
ziet er van avond niet uit alsof ze iemand zou laten verdrinken,
niet waar? Zie!"--en zij wierp er een steen in--"het geeft niet meer
kabbeling dan in een vijver."
Zij sprak luchtig, en Geoffrey antwoordde haar ook luchtig, want geen
van beiden dachten zij aan hun woorden. Veeleer dachten zij aan het
zonderling toeval, dat hen in een uur van levensgevaar bij elkander had
gebracht, en hen nu in een kalm uur te samen liet. Misschien kwam de
vraag bij hen op, waar dit alles op moest uitloopen. Want twijfelaars
atheïsten of geloovigen, zijn wij niet allen in ons hart fatalisten?
Hoofdstuk XII.
De letters in het zand.
Geoffrey kon zich in zijn commensaalsleven in de pastorie zeer goed
schikken, en Effie vond het er "heel prettig." Beatrice zorgde voor
haar, bracht haar 's avonds naar bed, hielp haar 's morgens aankleeden,
en beviel haar vrij wat beter dan Anne. Toen Geoffrey dit bemerkte,
kwam hij er tegenop, zeggende dat hij volstrekt niet verwacht had dat
zij voor kindermeid zou spelen, maar zij gaf daarop ten antwoord,
dat het een genoegen voor haar was, en dat was de waarheid. In
andere opzichten ook was het er alles wat hij wenschte. Hij hield
niet van Elisabeth, maar hij zag haar weinig, en de oude predikant,
die eigenlijk meer een boer was dan een geestelijke, was op zijn wijze
vermakelijk, met zijn eindeloos gepraat over tienden en oogst en de
ongerechtigheden van den onwilligen Jones, tegen wien hij vonnis had.
In de eerste paar dagen sprak Geoffrey Beatrice niet. Den meesten tijd
was zij op school, en den Zaterdagnamiddag ging hij naar de Roode
Rotsen, om kemphanen te schieten. Eerst dacht hij er over haar te
vragen om mede te gaan, maar toen viel het hem in, dat zij misschien
liever met Owen Davies zou uitgaan, met wien hij nog meende dat zij
geëngageerd was. Het ging hem niet aan, maar toch was hij blijde,
toen hij terugkwam, te vernemen dat zij met Effie uit was geweest,
en niet met Davies.
Zondagochtend gingen zij allen naar de kerk, Beatrice ook. Het was
een zeer eenvoudig kerkje, en de gemeente was klein. Granger leidde
de godsdienstoefening volgens de kerkelijke voorschriften in de sleur
voort, zoo omtrent als een paard, dat in den molen loopt. Alles ging op
denzelfden druiligen toon, zoodat Geoffrey, in plaats van te luisteren,
liever naar Beatrice zag. Hij merkte op dat haar gelaat, gewoonlijk
ernstig wanneer het in rust was, ditmaal een bizonder ernstige, ja,
zelfs verdrietige uitdrukking teekende. Waarom zou dat zijn? Een paar
malen zag hij haar een blik op Davies werpen, die alleen in een groote
bank tegenover haar zat, en hij meende een zekere onrustigheid in haar
blik te bespeuren. Maar Davies beantwoordde dien blik niet. Naar zijn
voorkomen te oordeelen, werd zijn gemoedsrust door niets verstoord.
Geoffrey, die hem gadesloeg, vond dat hij nog nooit iemand gezien
had, die er zoo osachtig en zoo volkomen rustig uitzag. En toch had
hij het totaal mis. De man mocht er koel en stroef uitzien, maar zijn
binnenste was in gloed als een vulkaan. Al het tot dusverre sluimerende
vuur van zijn hart had zich vereenigd in zijn liefde voor het meisje,
dat zoo nabij en toch zoo ver was. Hoe zonderling en ongewoon het moge
schijnen, zij was de eerste, wier blik of stem ooit hartstocht in hem
gewekt had. Langzamerhand was die liefde van jaar tot jaar toegenomen,
sedert hij dat lieve aankomende meisje, met die heldere, grijze oogen,
had ontmoet, dat hem naar zijn kasteel had gebracht.
Het was niet een van die vluchtige neigingen, die even spoedig
weer verdwijnen als zij opgekomen zijn. Daartoe had Owen te weinig
verbeeldingskracht--dien bodem, waaruit liefde ontspruit als een welige
tropische plant, om bij de eerste koude stormvlaag te verwelken. Zijn
liefde was een onveranderlijk feit. Zij was in zijn hart vastgeworteld
en geheel zijn wezen was er mede vereenzelvigd.
Sedert jaren had hij nu aan weinig anders gedacht dan aan Beatrice. Om
haar te verwerven, zou hij al zijn rijkdom, ja, driemaal zooveel,
als dat mogelijk was, gegeven hebben. Haar te bezitten, te weten,
dat zij rechtens de zijne, de zijne alleen was, ach, dat zou een
hemel op aarde zijn! Zijn bloed tintelde en zijn hoofd duizelde, als
hij er aan dacht. Wat zou dat niet voor hem zijn, haar zoo te zien,
als hij haar nu zag, en te weten dat zij zijn vrouw was!
In de hevigheid van zulk een vorm van hartstocht als de zijne, is
iets vreeselijks.
De godsdienstoefening ging voort. De tekst van Granger's preek was:
"Maar de meeste van deze drie is de liefde." Geoffrey merkte op, dat
hij bij sommige woorden haperde, maar eensklaps herinnerde hij zich,
dat Beatrice hem gezegd had, dat zij de preek geschreven had, en nu was
hij geheel aandacht. Hij was ook niet teleurgesteld. Niettegenstaande
Granger slecht las, en de gewoonte had bij het slot van elken
volzin zijn stem te laten dalen, kwam de schoonheid van gedachten en
voorstelling toch uit. Het was eigenlijk een redevoering, die even
goed in een Mahomedaansche of Buddhistische plaats van Godsvereering
gehouden had kunnen worden; er was niets bepaald Christelijks in,
het was alleen een opwekking van het goede in de menschelijke
natuur. Maar noch de prediker noch zijn toehoorders schenen dit er
uit te begrijpen; trouwens, bijna niemand luisterde er naar. De preek
was kort en eindigde met een schoone, kernachtige spreuk--of liever,
daar was zij niet mee geëindigd, want toen Granger het manuscript had
dichtgeslagen, volgde er nog een kleine improvisatie van hemzelven op.