rechtzaal en het Parlement zoo bekend werd, en zijn woorden wekten
een nieuw gevoel van genoegen in haar. In zijn oogen was zij meer
dan een schoon meisje, dat alleen om haar schoonheid bewonderd en
vereerd werd, en met fierheid gevoelde zij haar zedelijke zegepraal.
"Weet ge wel," zeide zij, de oogen tot hem opslaande, "dat ge mij
trotsch maakt," en zij stak hem de hand toe.
Hij vatte die, bukte zich er overheen en drukte er even zijn lippen
op. Het was niet mogelijk daar een verkeerde uitlegging aan te geven,
en hoewel zij een weinig kleurde--want geen man had nog ooit de toppen
harer vingers gekust--zag zij er dan ook niets anders dan een hulde in.
En zoo bezegelden zij hun verbond van zuivere vriendschap eens en
voor altijd.
Nu volgde er een oogenblik stilzwijgen, dat door Geoffrey werd
afgebroken.
"Miss Granger," zeide hij, "wilt ge mij vergunnen u een kleine
zedepreek te houden?"
"Ga uw gang" antwoordde zij.
"Goed. Als zij u niet bevalt, moet ge het mij niet kwalijk nemen, en
houd mij niet voor een wijsneus, als ik u zeg wat uw gebreken zijn,
zooals ik die in uw woorden lees. Gij zijt trotsch en eerzuchtig,
en de perken, waarbinnen gij u genoodzaakt ziet te leven, zijn u te
eng. Gij hebt geleden, en de les van het lijden--nederigheid--nog
niet geleerd. Gij hebt u tegen het Lot verzet, en het Lot drijft u
voort als het schuim der zee, dat door den storm wordt voortgezweept,
maar gij zwicht onwillig. In uw wrevel hebt gij uw toevlucht tot
studie genomen, en die heeft u den laatsten stoot gegeven, want die
heeft u er toe gebracht alles wat gij niet begrijpen kunt, als niet
bestaande te verwerpen. Omdat uw begrensd verstand het oneindige niet
kan begrijpen, omdat er op al uw gebeden geen antwoord is gekomen,
omdat gij ellende ziet en er het doel niet van kunt doorgronden,
omdat gij lijdt en geen rust gevonden hebt, hebt gij gezegd dat
er niets anders dan toeval is en zijt ge een atheïst geworden, als
zoovele anderen. Is dat niet waar?"
"Ga voort," antwoordde zij, haar hoofd op haar borst buigende, zoodat
haar lang, golvend haar bijna haar gelaat verborg.
"Het schijnt wel wat zonderling," hernam Geoffrey, met een korten
lach, "dat ik, met al mijn gebreken, mij verstout u een zedeles
te geven, maar gij zult zelve het best weten hoe nabij of hoe ver
van de waarheid ik ben. Dit wil ik u zeggen: Ik heb vijf-en-dertig
jaar geleefd, en veel gezien, en getracht er veel uit te leeren;
en ik weet, dat, als wij niet zelven de kans laten voorbijgaan, de
wereld ons mettertijd geeft wat ons toekomt--al is dat meestal ook
niet veel. Als gij geschikt zijt om te heerschen, zult gij eenmaal
heerschen; zijt gij het niet, dan moet gij uw ongeschiktheid erkennen
en tevreden zijn. Zooveel wat de tijdelijke dingen betreft. En wat nu
de geestelijke dingen betreft, ben ik zeker--hoewel men, natuurlijk,
niet gaarne veel over zulke zaken spreekt--dat als ge er maar lang
genoeg in den een of anderen vorm naar zoekt, gij ze zult vinden,
al is het ook niet zulk een vorm als meestal door een bizonderen
godsdienst erkend wordt. Maar opzettelijk een muur op te richten
tusschen onszelven en het ongeziene, en dan te klagen dat de weg
versperd is--dat is eenvoudig kinderachtig."
"En als die muur nu al opgericht is, mijnheer Bingham?"
"De meesten onzer hebben dat eenmaal gedaan," antwoordde hij,
"en een weg er om heen gevonden."
"En als hij zich uitstrekt van horizon tot horizon, en hooger is dan
de wolken, wat dan?"
"Dan moet men vleugels vinden om er overheen te vliegen."
"En waar kan een aardsche vrouw zulke geestelijke vleugels
vinden?" vroeg zij, en, zij liet het hoofd nog dieper op haar borst
zinken om haar verlegenheid te verbergen. Want zij herinnerde zich wel
gehoord te hebben van zwervers op de donkere paden van menschelijken
hartstocht, die eensklaps in strijd met hun eigen ziel waren gekomen
en dat de wreede paden van aardsche liefde den voet, die ze betreedt,
nog naar de poorten des hemels kunnen leiden.
En terwijl zij zich deze schoone fabelen herinnerde, hoewel zij geen
ondervinding van liefde had en er weinig van wist, werd Beatrice
eensklaps stil. Geoffrey gaf haar ook geen antwoord, ofschoon hij
daarvoor niet had behoeven te schromen.
Zij bespraken immers een zuiver abstract vraagstuk!
Hoofdstuk X.
Lady Honoria maakt schikkingen.
Een oogenblik later kwam iemand de kamer binnen; het was Elisabeth. Zij
was van haar expeditie om tienden in te zamelen teruggekomen--met
de tienden. De deur van de huiskamer stond nog op een kier, en
Geoffrey zat met den rug er naar toe. Zoo kwam het dat geen van
beiden Elisabeth's min of meer katachtig sluipenden tred gehoord
had, en eenige oogenblikken stond zij in de kamer zonder gezien te
worden. Zij merkte op dat haar zuster het gelaat voorover had gebogen,
en vermoedde dat zij daar een reden voor had--waarschijnlijk omdat zij
het wilde verbergen. Zij bespeurde ook de uitdrukking van levendige
belangstelling op Geoffrey's gelaat, dat zij in den spiegel met
vergulde lijst, die boven den schoorsteenmantel hing, zien kon, en
dat beiden iets verlegens over zich hadden, ontsnapte haar scherpen
blik ook niet.
Toen zij de kamer binnenkwam, dacht Elisabeth aan Owen Davies en wat
er had kunnen gebeuren als zij den levensstroom niet weder door de
aderen harer zuster had zien vloeien. Zij had er den geheelen nacht van
gedroomd en den geheelen dag over gedacht; en zelfs onder de inspanning
om een onwilligen en vrij ruwen boer zijn tiende af te persen, was
zij het niet vergeten. De boer was een pachter van Owen Davies, en
toen hij haar, met kiesche toespeling op haar talent van afpersen, een
"bloedzuiger" had genoemd en meer dergelijke liefelijke uitdrukkingen
gebezigd had, dacht zij misschien niet onnatuurlijk, dat als zeker
iets--wat toch niet bepaald tot de onmogelijkheden behoorde--mocht
gebeuren, zij het dien pachter wel zou inpeperen. Want Elisabeth had
een sterk geheugen, zooals sommige menschen te hunnen koste ondervonden
hadden, en doorgaans betaalde zij vroeg of laat kapitaal en interest
als zij een oude schuld had af te rekenen. En terwijl zij nu ongezien
in de kamer stond en dit een en ander opmerkte, kwam er iets bij
haar op, in verband met het heerschend denkbeeld, dat evenals alle
denkbeelden van meer dan één zijde te beschouwen was. Althans was er
voor een oogenblik een opgeklaarde uitdrukking in haar fletse oogen,
als een flauwe zonnestraal in een Decembernevel; daarop trad zij
vooruit, en toen zij dicht achter Geoffrey was, sprak zij opeens.
"Waar denkt gij beiden aan?" zeide zij, met haar schelle stem;
"ge schijnt wel uitgepraat te zijn."
Met een uitroep sprong Geoffrey van zijn stoel op, wat hem in zijn
gekneusden toestand niet weinig pijn deed. Beatrice onthutste ook;
maar zij herstelde zich bijna oogenblikkelijk.
"Wat loop je stil, Elisabeth!" zeide zij.
"Niet stiller dan jij _zit_. Ik heb gewacht of een van beiden ook
iets zeggen zou, en dacht dat ge allebei in slaap waart gevallen."
Beatrice dacht er over, hoelang haar zuster wel in de kamer geweest
zou zijn. Hun gesprek was onschuldig genoeg geweest, maar toch niet
van dien aard om er juist op gesteld te zijn dat Elisabeth het had
afgeluisterd. En Elisabeth had er den slag van om iets af te luisteren.
"Ziet ge, Miss Granger," redde Geoffrey haar uit de verlegenheid,
"onze hoofden zijn nog wat onklaar, en dan willen de woorden zoo
niet vloeien."
"Juist," zeide Elisabeth. "Lieve Beatrice, waarom bind je je haar niet
op? Ik weet niet wat je wel lijkt. Niet dat je geen mooi haar hebt,"
liet zij er critisch op volgen. "Zijt ge een bewonderaar van mooi haar,
mijnheer Bingham?"
"Natuurlijk," antwoordde hij galant, "maar zulk haar is zeldzaam."
Beatrice beet verlegen op haar lip. "Ik had mijn haar bijna vergeten,"
zeide zij; "ik moet mijn verontschuldigingen maken dat ik mij zóó
vertoond heb. Ik had het willen opmaken, maar ik was te stijf, en
terwijl ik op Betsy wachtte, viel ik in slaap."
"Ik geloof dat er in de lade een lint ligt. Ik zag het je gisteren er
in leggen," sprak hierop de oplettende Elisabeth. "Ja, daar is het. Als
je wilt, en als mijnheer Bingham het niet kwalijk neemt, zal ik het
voor je opbinden," en zonder antwoord af te wachten, liep zij achter
Beatrice om, en bond de dikke vlechten op zulk een wijze dat zij niet
voorover konden vallen, hoewel zij nog langs haar rug bleven golven.
Haar vader kwam nu ook van de boerderij terug. Hij was in een zeer
goede luim. De zeug had zichzelve overtroffen en het ditmaal tot het
verrassend getal van vijftien gebracht. Daarop haalde Elisabeth de twee
pond en eenige shillings, die zij den onwilligen boer had afgeperst,
voor den dag, en het gezicht van dat geld maakte den WelEerwaarden
heer nog vergenoegder.
"Wilt ge wel gelooven, mijnheer Bingham," zeide hij, "dat ik in
dit ellendig bezoldigde kerspel bijna honderd pond aan uitstaande
schuld heb, honderd pond aan tienden? Daar hebt ge den ouden
Jones, die bij de _Bell Rock_ woont; die is mij drie jaar tienden
schuldig--vier-en-dertig pond, elf shilling en vier _pence_. Hij kan
wel betalen, maar hij _wil_ niet betalen,--hij zegt dat hij Baptist
is, en geen kerklasten wil betalen--maar eigenlijk is die oude bierton
niets anders dan een heiden."
"Waarom doet gij hem geen proces aan, mijnheer Granger?"
"Dat heb ik gedaan. Ik heb vonnis tegen hem, en ik ben voornemens het
binnen eenige dagen ten uitvoer te laten leggen. Ik wil het niet langer
dulden," ging hij voort, zichzelf hoe langer hoe meer opwindende,
en met het hoofd schuddende, dat zijn dun wit haar voor zijn oogen
viel. "Ik zal hem gerechtelijk vervolgen, hem en de anderen ook. Gij
zijt een rechtsgeleerde en kunt mij helpen. Ik zeg u, hier heerscht
een geest, die hierop neerkomt: betaal al uw schulden, behalve den
predikant en den landheer. Maar er is nog recht, eer zij hier bij ons
dat Iersche spelletje beginnen te spelen!" En hij sloeg hard met zijn
vuist op de tafel.
Geoffrey hoorde dit inwendig lachend aan. Dat was dus het gevoelige
punt van den ouden man--het geld. Daar was hij blijkbaar zeer vurig
op--even vurig als Lady Honoria, maar met meer reden. Elisabeth
luisterde met merkbare goedkeuring, maar Beatrice zag verdrietig.
"Wees niet boos, vader," zeide zij, "misschien betaalt hij nog wel. 't
Is niet goed gerechtelijk te vervolgen als gij het in der minne kunt
schikken--dat zet maar kwaad bloed."
"Gekheid, Beatrice," viel haar zuster scherp in. "Vader heeft groot
gelijk. Beslag leggen is het eenige wat met hem te beginnen is. Ik
geloof dat je op het punt van eigendom al evenzoo een socialist bent
als op al het andere. Je zoudt wel alles 't onderste boven willen
keeren, van de Koningin af tot de wet op het huwelijk, alles tot
welzijn van het menschdom, en ik zeg je dat die begrippen je ongeluk
zullen zijn. Trotseer het gebruik, en het zal u verpletteren. Je
loopt met je hoofd tegen een steenen muur aan, en eenmaal zul je
ondervinden wie het hardst is."
Beatrice bloosde, maar antwoordde op den uitval harer zuster, die
des te scherper was, omdat er wel een zweem van waarheid doorliep:
"Zulke begrippen heb ik nooit te kennen gegeven, Elisabeth, dus zie
ik niet in waarom je mij die toeschrijft. Ik heb alleen gezegd, dat
gerechtelijke vervolging kwaad bloed in het kerspel zet, en dat is
ook zoo."
"Ik heb ook niet gezegd dat je ze te kennen hebt gegeven," hernam
Elisabeth, die zich niet licht van haar stuk liet brengen, "maar je
geeft er bewijzen van, ze zijn uit al je woorden op te maken. Iedereen
weet, dat je een radicaal en een vrijgeest bent, en zoo al meer,
dat slecht en dwaas is, en in strijd met den levensstand, waarin het
God behaagd heeft je te plaatsen. Het zal er nog op uitloopen dat
je als onderwijzeres op de school je ontslag krijgt--en ik geloof
dat het voor vader en mij heel hard is dat je door je rare manieren
en onzedelijke begrippen schande over ons brengt, en nu kun je het
opvatten zooals je verkiest."
"Het ware te wenschen dat alle radicalen zoo waren als Miss Beatrice,"
zeide Geoffrey, die kriegel werd, met een zwakke poging om te
schertsen. Doch niemand scheen hem te hooren. In woede ontstoken,
stond Elisabeth tegenover haar schoone zuster; een blos van toorn had
haar bleeke wangen gekleurd, haar lichtgrijze oogen fonkelden en haar
magere vingers waren samengeklemd. Maar Geoffrey, die haar gadesloeg,
kon gemakkelijk zien dat het niet de begrippen van haar zuster waren,
die zij aanviel, maar dat het haar zuster zelve was. Het was die
zachte bekoorlijkheid van dat gelaat; het was die grootheid van ziel,
die juist door haar kracht dwaalde, en dat helder verstand, dat dien
krachtigen geest verlichtte; het was die kennis en die macht, die,
als zij vrij spel hadden, een wereld in vuur en vlam zouden zetten,
evenals zij het hart van dien eenzaam levenden _Squire_, dien Elisabeth
voor zich begeerde, ontgloeid hadden--dat was het wat Elisabeth haatte
en wat zij met bitterheid aanviel.
Geoffrey, die gewoon was op te merken, bespeurde dit dadelijk en
toen zag hij naar den vader. De oude man was blijkbaar bang voor
Elisabeth en vreesde dat er een scène zou komen. Hij schoof met zijn
voeten gedurig heen en weer, en zocht iets om te zeggen, terwijl hij
ongerust naar zijn oudste dochter keek.
Nu zag Geoffrey naar Beatrice, die waarlijk wel waard was dat men naar
haar zag. Haar gelaat was doodsbleek, en haar heldere grijze oogen
glinsterden onder haar donkere wimpers uit. Zij was opgestaan, richtte
zich in haar volle lengte op, wat haar welgeëvenredigde gestalte nog
des te meer deed uitkomen, en zag haar zuster aan. Zij sprak slecht
één woord, maar dat was genoeg:
"Elisabeth!"
Haar zuster opende de lippen, om nog iets te zeggen, maar zij bedacht
zich. In Beatrice's toon en houding was iets, dat haar in bedwang
hield.
"Je moest me ook niet zoo ergeren, Beatrice," zeide zij eindelijk.
Beatrice gaf hierop geen antwoord. Zij wendde zich slechts tot
Geoffrey, en zeide op vriendelijken toon: "Mijnheer Bingham zal ons
deze scène wel willen vergeven. Wij hebben van nacht allen slecht
geslapen, en daar zijn onze humeuren niet beter op geworden."
Nu volgde er een poos stilte, waarvan Granger snel en vrij onwaardig
gebruik maakte.
"Ehem!" zeide hij. "A propos, Beatrice, wat wilde ik ook weer zeggen? O
ja, ik weet het--heb je die preek voor aanstaanden Zondag geschreven,
ik bedoel voor mij afgeschreven? Mijn dochter," legde hij Geoffrey
uit, "schrijft mijn preeken voor mij over. Zij schrijft een zeer
goede hand--"
Geoffrey, die zich herinnerde hoe Beatrice hem in vertrouwen had
medegedeeld dat het preeken maken tot haar functiën behoorde, vond
de naïeve wijze, waarop haar vader dit beschreef, vermakelijk, en
Beatrice glimlachte ook even, terwijl zij antwoordde dat de preek
klaar was. Op dit oogenblik hoorde men het geratel van wielen, en de
eenige vigilante, waarop Bryngelly kon roemen, hield voor de deur stil.
"Daar is de vigilante voor u, mijnheer Bingham," zeide Granger--"en
zoo waar ik leef, haar Ladyschap is meegekomen. Elisabeth, zet spoedig
thee," en de oude heer, die al de traditioneele voorliefde van den
Engelschman uit de middelklasse voor een titel bezat, haastte zich om
"haar Ladyschap" te begroeten.
Lady Honoria trad de kamer binnen, met een vriendelijken, zij het
dan ook een gekunstelden glimlach op haar schoon gelaat, en met een
bevalligheid van houding en manieren, die uitstekend bij haar rijzige
gestalte paste. Want om Lady Honoria recht te doen wedervaren, moet
gezegd worden dat zij, wat persoonlijk voorkomen betrof, een echte
dame was, een waardig type van de klasse, waartoe zij behoorde.
Geoffrey bespeurde dat de kwade bui klaarblijkelijk voorbij was,
en daar was hij blijde om. Dat was ook niet te verwonderen, want hoe
aristocratischer een dame in haar manieren is, des te onaangenamer
is zij, wanneer zij in een slechte luim is.
"Ge ziet, Geoffrey," zeide zij, "dat ik u kom halen. Ik had besloten
er voor te zorgen, dat ge niet voor de tweede maal op uw terugweg
naar huis zoudt verdrinken. Hoe gaat het u nu?--maar dat behoef ik
niet te vragen, ge ziet er weer goed uit."
"Dat is zeer vriendelijk van u, Honoria," was het eenige wat haar
echtgenoot hierop zeide, maar het valt te betwijfelen of zij hem
hoorde, want op dat oogenblik was zij bezig met Beatrice vorschend
aan te zien, met een zoo doorborenden blik als waarmede die jonge
dame nooit vereerd was geworden. Er was niets lomps in dien blik,
daartoe was hij te snel, maar Beatrice gevoelde, dat die enkele blik
haar van top tot teen had opgenomen. Dat had zij ook niet mis.
"Het lijdt geen twijfel," dacht Lady Honoria, "zij is bekoorlijk,
recht bekoorlijk. 't Was slim bedacht dat zij het haar niet heeft
opgemaakt en het maar zoo los heeft laten hangen; dat doet den vorm
van haar hoofd des te beter uitkomen. De blauwe _peignoir_ staat
haar ook goed. Weinige vrouwen kunnen op zulk een gestalte als de
hare roemen. Zij bevalt mij niet; zij is anders dan de meeste andere
vrouwen; juist zoo'n meisje voor mannen om mee te dwepen, en voor
vrouwen om te haten."
Dit alles ging in haar geest om, terwijl haar oogen die van Beatrice
ontmoetten; en in die heldere oogen, te oprecht dan dat opkomende
gedachten zich er niet in afspiegelden, las zij dat zij Beatrice
evenmin beviel als Beatrice haar.
"Valsch, koel en onverschillig," dacht Beatrice. "Hoe kan een man
als hij met haar getrouwd zijn; zou hij veel van haar houden?"
Zoo hadden die twee vrouwen elkander met een enkelen blik gemeten,
en elk van beiden vond dat de andere niet naar haar smaak was. En
van dat haastig gevormd oordeel kwamen zij ook nooit terug.
Dit nam echter niet weg dat Lady Honoria, na dat ééne oogenblik,
met uitgestoken hand en haar vriendelijksten glimlach naar Beatrice
toe trad.
"Miss Granger," zeide zij, "wat ik u verschuldigd ben, kan ik u nooit
vergelden--het leven van mijn geliefden echtgenoot. Ik heb er alles
van gehoord hoe ge hem gered hebt. Ik weet niet hoe ge het hebt kunnen
doen. Ik wenschte dat ik half zoo moedig en sterk was."
"Och, spreek er niet van, Lady Honoria," zeide Beatrice. "Ik ben er
al meer dan genoeg voor bedankt dat ik niets anders gedaan heb dan
wat mijn plicht was te doen. Als ik mijnheer Bingham had losgelaten,
zoolang ik nog de kracht had om hem vast te houden, zou ik vandaag
een gevoel gehad hebben alsof ik een moordenares was. Zeg er, wat ik
u bidden mag, niets meer van."
"Men vindt niet dikwijls zooveel bescheidenheid met zooveel moed
gepaard, en als ge 't mij vergunt te zeggen, met zooveel schoonheid,"
hernam Lady Honoria vriendelijk. "Welnu, ik zal doen zooals gij
wenscht, maar ik waarschuw u dat de Faam u wel vinden zal. Ik heb
gehoord dat er in de nieuwsbladen van vandaag een verslag van het
heele avontuur komt, getiteld: 'Een Welsche Heldin.'"
"Hoe hebt ge dat gehoord, Honoria?" vroeg haar echtgenoot.
"Och, ik heb een telegram van Garsington ontvangen, en hij maakt er
melding van," antwoordde zij onverschillig.
"Een telegram van Garsington! Daarom glimlacht zij zoo vriendelijk"
dacht hij, "zij gaat morgen zeker heen."
"Ik heb nog wat nieuws voor u, Miss Granger," ging Lady Honoria
voort. "Uw bootje is aan land gespoeld, zeer weinig beschadigd. De
oude schipper--Eduard, heet hij, geloof ik--heeft het gevonden;
en uw geweer was er ook in, Geoffrey. Het was ergens onder de bank
blijven steken. Maar ik geloof dat gij beiden vooreerst wel genoeg
van het roeien zult hebben."
"Dat weet ik niet, Lady Honoria," antwoordde Beatrice. "Zoo'n
weer als gisterenavond is het niet dikwijls, en het roeien is zoo
aangenaam. Ge weet, geen lief zonder leed; of met andere woorden,
omslaan kan men altijd."
Op dit oogenblik kwam Betsy, de plompe Welsche dienstmaagd, met
een voorarm bijna zoo dik als de achterpoot van een olifant en
een onaangename gewoonte van onder het loopen hoorbaar den neus op
te halen, met het theegoed binnenschommelen. Achter haar aan kwam
Elisabeth, die aan Lady Honoria werd voorgesteld.
Daarna verflauwde het gesprek een weinig, totdat Lady Honoria het
weder aan den gang bracht.
"Wat hebt gij hier uit het venster een mooi uitzicht op de zee," zeide
zij, met haar welluidende stem. "Ik ben blijde dat ik het gezien heb,
want morgen ga ik heen, moet gij weten."
Beatrice zag levendig op.
"Mijn man gaat niet mee," vervolgde zij, als tot antwoord op een
onuitgesproken vraag. "Ik speel de rol van een ontrouwe vrouw, en
loop voor drie weken van hem weg. Dat is heel slecht van mij, niet
waar? Maar ik heb een afspraak, en die moet ik houden. 't Is lastig."
Geoffrey, die zijn thee dronk, grimlachte bitter achter zijn
kopje. "Zij doet het bizonder goed," dacht hij.
"Gaat uw dochtertje met u mee, Lady Honoria?" vroeg Elisabeth.
"Neen, ik geloof niet dat ik haar zal meenemen. Het valt mij hard
van haar te scheiden--gij kunt begrijpen hoe hard het is als men maar
één kind heeft. Maar zij zou zich zoo vervelen waar ik ga logeeren,
want daar zijn geen kinderen, en zij houdt ook zooveel van de zee. Dus
zal ik haar maar hier aan de teedere zorg van haar vader overlaten,
het lieve kind."
"Ik heb wel hoop, dat Effie het overleven zal," zeide Geoffrey lachend.
"Dan blijft mijnheer Bingham zeker bij juffrouw Jones?" zeide de
predikant.
"Dat weet ik waarlijk niet. Wat zult ge doen, Geoffrey? De kamers bij
juffrouw Jones zijn nogal duur. En zij zal zeker ook niet voor Effie
kunnen zorgen. Denk eens, het arme mensch heeft zelve acht kinderen. En
ik moet Anne meenemen--dat is Effie's Fransche kindermeid, weet gij,
een ware schat. Ik ga in een groot huis logeeren, en mijn ondervinding
van groote huizen is dat men niet bediend wordt als men geen eigen
kamenier heeft. Ik weet niet hoe ge het met het kind zult maken,
Geoffrey; zij vereischt zoo ontzaglijk veel zorg."
"Wees daar niet ongerust over, Honoria," antwoordde hij; "Effie en
ik zullen wel goed met elkaar terecht kunnen."
Nu was het Elisabeth aan te zien dat zij op een inval kwam. Zij zat
naast haar vader, en fluisterde hem iets toe. Beatrice zag het, en
maakte een beweging alsof zij tusschenbeide wilde komen, maar eer
zij dat kon doen, sprak Granger:
"Hoor eens, mijnheer Bingham, als gij toch voornemens zijt te
verhuizen, zoudt ge dan een kamer hier willen hebben? De voorwaarden
zijn zeer billijk, maar voor niemendal zou ik u niet in huis kunnen
hebben. Gij zult het voor lief moeten nemen zooals het is; maar er is
een kleedkamer naast mijn kamer, waar uw kleine meid zou kunnen slapen,
en mijn dochters zullen gaarne gezamelijk zorg voor haar dragen."
Weder opende Beatrice haar lippen, alsof zij iets zeggen wilde, maar
sloot ze weder zonder te spreken. Zoo laten wij willens en wetens de
gelegenheid voorbijgaan.
Instinctmatig had Geoffrey naar Beatrice gezien. Hij wist niet of dit
plan haar aangenaam was. Hij wist dat zij veel werk had, en wilde
haar ongaarne nog meer moeite veroorzaken, want hij vermoedde dat
de last om voor Effie te zorgen wel op _haar_ zou neerkomen. Maar
de uitdrukking van haar gelaat zeide hem niets; het was volkomen
lijdelijk, en oogenschijnlijk onverschillig.
"'t Is zeer vriendelijk van u aangeboden, mijnheer Granger," zeide
hij aarzelend. "Ik zou Bryngelly nog niet gaarne verlaten, en in
sommige opzichten zou het een goed plan zijn, als het maar niet te
lastig voor uw dochter is."
"'t Is een uitmuntend plan," viel Lady Honoria in, vreezende dat er
misschien zwarigheden tegen geopperd zouden worden dat zij Anne in
beslag had genomen; "hoe gelukkig dat ik er toevallig van sprak! Met
het opzeggen van de kamers bij juffrouw Jones zullen wij geen moeite
hebben, want ik weet dat zij er al iemand voor heeft."
"Goed," zeide Geoffrey, die geen bezwaar wilde maken tegen een zoo
openlijk goedgekeurd plan, hoewel hij liever tijd tot beraad had willen
hebben. Het was alsof een geheime stem hem waarschuwde dat de pastorie
van Bryngelly een noodlottig verblijf voor hem zou zijn. Toen stond
Elisabeth op, en vroeg Lady Honoria of zij de kamers, die door haar
echtgenoot en Effie betrokken zouden worden, niet eens wilde zien.
Zij antwoordde dat zij dit zeer gaarne wilde, en ging met Elisabeth
mede, door Granger gevolgd.
"Denkt gij niet dat gij het hier wel wat vervelend zult vinden,
mijnheer Bingham?" vroeg Beatrice.
"Integendeel," antwoordde hij. "Waarom zou ik mij hier vervelen? Het
kan zoo vervelend niet zijn dan wanneer ik alleen was."