wel wat strakke, beeldachtige type, dat mannen tot op vijf- of
zes-en-twintigjarigen leeftijd aantrekt, en dan begint te vervelen,
zoo niet tegen te staan. Daarbij was zij schrander en belezen,
en maakte aanspraak op poëtisch talent, zooals dames, die niet
bizonder door Apollo begunstigd zijn, soms doen--vóórdat zij getrouwd
zijn. Koel en afgemeten was zij altijd; niemand kon zeggen dat Lady
Honoria ooit de perken der striktste welvoeglijkheid overschreed;
maar Geoffrey schreef dit toe aan een zachte en gepaste zedigheid,
die mettertijd wel zou veranderen. Zij veinsde ook een onschuldige
onbekendheid met zoo iets prozaïsch als geldzaken, die hem zoowel
misleidde als bekoorde. Slechts eenmaal vóór hun trouwen, sprak zij
over hun middelen om huis van te houden, en dat was om te zeggen
dat zij blijde was dat zij zoo arm zouden zijn, totdat die lieve oom
Sir Robert stierf (hij had hun een jaargeld van vijftienhonderd pond
beloofd, en zij hadden te zamen nog zeven honderd) omdat zij daardoor
des te meer alles voor elkander zouden zijn.
Eindelijk was de gelukkige dag aangebroken, en die reine maagdelijke
ziel kwam in Geoffrey's bezit. Een week, of iets langer misschien,
ging het vrij goed, en toen begon de teleurstelling. Van lieverlede,
maar zeker, bespeurde hij dat zijn vrouw ijdel, zelfzuchtig en
verkwistend was, en, wat het ergste van alles was, dat zij zich
zeer weinig aan hem gelegen liet zijn. De eerste schok was toen hij,
vier of vijf dagen na hun trouwdag, toevallig ontdekte dat Honoria
nauwkeurig bekend was met elke bizonderheid van Sir Robert Bingham's
bezitting, en hoe jong zij ook was, reeds een plan had gemaakt om er
na den dood van den ouden man meer voordeel van te trekken.
Zij gingen in Londen wonen, en daar bleek het hem, dat Lady Honoria,
hoewel veel te koel en te voorzichtig om iets te doen waardoor zij in
't allerminst in opspraak kon komen, toch niet weinig op bewondering
gesteld was. Altijd was er een troep jongelieden om haar heen. Daar
waren er onder, die hij zeer gaarne mocht lijden; maar over 't
geheel zou hij toch liever ongetrouwd gebleven zijn en in zijn club
met hen omgegaan hebben. Dat leven in de gezelschapswereld ging ook
met zwaarder uitgaven gepaard dan hij bekostigen kon. En zoo vervloog
Geoffrey's droom van huwelijksgeluk allengs in rook. Maar gelukkig voor
hem bezat hij een zekere mate van beredeneerdheid en billijkheid. Hij
zag bijtijds in, dat de schuld niet geheel en al aan zijn vrouw lag,
die in haar soort niet slecht was. Maar haar soort was _zijn_ soort
niet. Zij was getrouwd om in een ruimer sfeer te leven, waar zij,
vrij kon voldoen aan de neigingen, die in haar aard lagen en door
opvoeding aangekweekt waren; en van haar kant meende zij dat hij haar
alleen ten huwelijk had gevraagd omdat zij de dochter van een pair was.
Lady Honoria was, evenals menige andere vrouw van haar stempel, de
vrucht der opvoeding van een overbeschaafde eeuw. Die oorspronkelijke
deugden en dat aangeboren gevoel, waarop haar echtgenoot vertrouwd had
het geluk van hun huwelijksleven te kunnen bouwen, bestonden eenvoudig
niet in haar. Gevoeligheid was door opvoeding in haar hart onderdrukt;
sedert vele geslachten, had men dit een lastige en verontrustende
eigenschap in een vrouw gevonden. Wat die oude deugden betrof,
zooals liefde voor kinderen en gewone huiselijke plichten, die vond
zij slechts vervelend. Over 't geheel, hoewel scherp van tong, werd
zij zelden driftig, want haar ondeugden waren, evenals haar deugden,
van negatieven aard; maar de toorn, waarin zij ontstak, toen zij de
zekerheid had dat zij moeder zou worden, was iets, dat haar echtgenoot
nimmer vergat en ook nimmer weder zou willen zien. Eindelijk werd
het kind geboren, waarvoor Geoffrey ten minste zeer dankbaar was.
"Neem het weg. Ik wil het niet zien," zeide Lady Honoria tot de
geërgerde baker, toen het kleine schepseltje haar gebracht werd.
"Geef het mij maar, baker--ik wil het wel zien," zeide haar echtgenoot.
Van dat oogenblik af schonk Geoffrey al de liefde van zijn gekrenkt
hart aan zijn dochtertje, en met het verloopen der jaren werden zij
elkander zeer dierbaar. Maar een kind kan niet het eenige gezelschap
van een naar geest en lichaam krachtig man zijn. Waarschijnlijk
zou dit Geoffrey mettertijd gebleken zijn, en zou hij misschien
een andere, minder wenschelijke leefwijze aangenomen hebben, als een
onverwachte gebeurtenis dit niet voorkomen had. Op zijn ouden dag werd
Geoffrey's oom, Sir Robert Bingham, het slachtoffer van de listen eener
gelukzoekster en trouwde met haar. Kort daarna stierf hij, en acht
maanden later werd er een zoon na het overlijden van den vader geboren.
Daardoor was Geoffrey geruïneerd.
Zijn jaargeld hield op, en weg waren zijn vooruitzichten. Hij hield
echter het hoofd omhoog, zooals een moedig man onder zulk een slag
doet, gaf zijn vrouw te verstaan, dat hij nu moest werken om den kost
te verdienen, en verzocht haar den slagboom, die tusschen hen was, op
te heffen en hem haar hulp en sympathie te schenken. Zij beantwoordde
dit met tranen en verwijtingen. Het eenige, wat haar diep trof, het
eenige, wat zij vreesde en haatte, was de armoede, en alles wat armoede
voor vrouwen van haar rang en haar aard beteekende. Maar er was niet
aan te verhelpen; het fraaie huis in Bolton Street moest verwisseld
worden met een bovenverdieping bij Edgware Rood. Lady Honoria gevoelde
zich ongelukkig; ja, als zij niet veel meer of minder voorname familie
had bezeten, waar zij soms weken of maanden achtereen uit logeeren
kon gaan, zou haar veranderd leven bijna niet om uit te houden voor
haar geweest zijn.
Maar, wat zonderling was, Geoffrey gevoelde zich gelukkiger dan
hij sedert zijn huwelijk geweest was. Hij ging moedig aan 't werk,
en voor ieder man, die geestkracht bezit, is werken een bron van
geluk. 't Is wel geen bizonder aangename bezigheid, den geheelen dag
in gerechtshoven door te brengen, en menigen nacht met bijna vergeten
rechtsgeleerde studiën en het uitpluizen van de ingewikkeldheden der
rechtspleging. Maar zijn vader, een jongere broeder van Sir Robert, was
zaakwaarnemer geweest, en hoewel hij dood was en alle rechtstreeksche
betrekking met de firma had opgehouden, was er nog een andere oom in,
en de compagnons vergaten Geoffrey niet in zijn moeilijkheden.
Zij zonden hem zooveel werk als zij konden, zonder hun vasten advocaat
voor 't hoofd te stooten, en hij deed het goed. Toen kreeg hij allengs
een algemeene geoefendheid door het opstellen van akten voor advocaten,
die een zaak in handen hadden. Dat gaf wel geen voordeel, maar elke
zaak gaf vermeerdering van kennis, en, wat meer is, bekendheid,
en zoo kwam het dat binnen twee jaar na zijn finantieelen tegenslag
Geoffrey Bingham in de gerechtshoven een niet onopgemerkt persoon was.
"Wie is dat toch, dien wij hier zoo dikwijls zien?" vroeg een voornaam
lid van de rechtbank aan een ander, toen hij, op den laatsten dag
der zitting, die het begin van deze geschiedenis voorafging, Geoffrey
door de gang zag loopen.
"Bingham heet hij," was het antwoord. "Hij is pas sedert kort in de
praktijk, maar hij zal het ver brengen. Hij heeft een goed huwelijk
gedaan, met de dochter van den ouden Garsington, weet gij, een
knappe vrouw."
"Dat hij het ver zal brengen, is hem wel aan te zien," beaamde de
ander, en van nu af aan was dat het algemeen gevoelen.
Want, zooals Beatrice gezegd had, Geoffrey was een man, wien het op
zijn voorhoofd te lezen stond, dat hij naam zou maken. Het kon bijna
niet missen of hij moest slagen in alles wat hij ondernam.
Hoofdstuk IX.
Wat Beatrice gedroomd had.
Geoffrey lag op de sofa en zag naar den zonneschijn, en luisterde naar
het getik van de pendule, terwijl hij zich al die gebeurtenissen voor
den geest riep, totdat zij op het tooneel van dien ochtend uitliepen.
"'t Is niet langer te dulden," zeide hij eindelijk. "Zij maakt
mijn leven ellendig. Als het niet om Effie was, op mijn woord, ik
zou--Drommels, 't is drie uur; ik ga naar Miss Granger. Zij is in
allen gevalle een vrouw met een hart, hoewel een vrijgeest--wat zeer
dwaas van haar is," liet hij er op volgen, terwijl hij langzaam van
de sofa opstond.
Met moeite, want hij was stijf en pijnlijk, strompelde hij de lange,
smalle kamer door en de deur uit, die op een kier stond. De deur aan de
overzijde was ook open. Hij klopte zacht aan, en toen hij geen antwoord
kreeg, stiet hij die verder open en zag naar binnen, meenende dat hij
zich misschien in de kamer vergist had. Op een sofa, die omstreeks twee
derden van het vertrek in de lengte besloeg, lag Beatrice te slapen.
Zij was in een soort van _peignoir_ van een eenvoudige blauwe
stof gewikkeld, en haar krullend haar golfde langs haar borst en
schouders. Haar lief gelaat, waarvan de bleekheid nog des te meer
uitkwam door de schaduw van de lange, donkere wimpers, en tegen de
frissche roode kleur der lippen, was naar hem toegekeerd. Een der
blanke handen hing bijna tot op den grond neder, en onder den sluier
van het goudkleurig haar bewoog haar boezem zacht in haar slaap. Zóó
schoon was zij in haar rust, dat hij bijna met ontzag staan bleef, met
een gevoel alsof een aanwezige macht zijn hart in bedwang hield. 't
Is gevaarlijk zulk een stille schoonheid te aanschouwen en dat in
bedwang houden van het hart te gevoelen. Een waarlijk verstandig man,
die het gevoelt, zou gevlucht zijn, wetende dat het zaad, in zulke
oogenblikken gezaaid, kan ontkiemen om eenmaal bittere vruchten voort
te brengen. Maar Geoffrey was niet verstandig--wie zou het ook geweest
zijn? Hij bleef op die slapende schoonheid staren totdat haar beeld
zich zoo vast in zijn hart prentte, dat het door alle latere jaren,
met al hun verschillende gemoedsbewegingen, niet was uit te wisschen.
En terwijl hij daar in diepe stilte stond te staren, maakte een
angstig voorgevoel zich van hem meester.
De zonnestraal, die in de kamer viel, week voor de schaduw van een
voorbijtrekkende wolk. Een oogenblik trilde het zonlicht op zijn
borst, scheen terug op de hare, en verdween, en toen het wegstierf,
was het hem alsof hij wist dat voortaan, voor leven en dood, zijn
lot en dat van dat slapende meisje één waren. Het was slechts een
oogenblikkelijke aandoening, reeds verdwenen bijna voordat hij er de
dwaasheid van begrepen had. Maar in later dagen herinnerde hij zich
wat hij toen gevoeld had.
Juist op dat oogenblik opende Beatrice de oogen. Haar droomerige
blik viel op hem, meer alsof zij door hem heen en voorbij hem, dan
naar hem zag. Toen richtte zij zich een weinig op, en strekte beide
armen naar hem uit.
"Zoo zijt gij dan eindelijk bij mij gekomen," sprak zij. "Ik wist
wel dat gij komen zoudt en heb op u gewacht."
Hij gaf geen antwoord; hij wist niet wat hij zeggen zou; hij dacht
eigenlijk dat zij droomde. Een poos staarde Beatrice hem nog even
afgetrokken aan, totdat zij eensklaps schrikte en het bloed haar naar
het voorhoofd stroomde.
"Wel, mijnheer Bingham," zeide zij, "zijt gij het werkelijk? Wat
heb ik gezegd? O, vergeef het mij, wat het ook was. Ik heb geslapen,
en zoo'n zonderlingen droom gehad, en in mijn slaap gesproken."
"Maak u niet ongerust, Miss Granger," antwoordde hij, zich eensklaps
herstellende; "gij hebt niets verschrikkelijks gezegd, alleen dat
gij blij waart mij te zien. Waar hebt ge van gedroomd?" Zij zag hem
twijfelachtig aan; misschien klonken zijn woorden niet volkomen waar.
"Het zal, geloof ik, beter zijn dat ik het u vertel, nu ik u
reeds zooveel gezegd heb," hernam zij. "Bovendien was het een zeer
zonderlinge droom, en als ik aan droomen geloofde, zou hij mij bang
gemaakt hebben, maar dat doe ik gelukkig niet. Ga zitten, dan zal ik
't u vertellen, eer ik het vergeten ben. 't Is geen lang verhaal."
Hij nam den stoel, dien zij hem aanwees, en zij begon op den toon
van iemand, nog geheel onder den indruk der herinnering van wat hij
gedroomd heeft.
"Ik droomde dat ik in een ruimte stond. Ver rechts van mij af, was
een groote lichtbol, en links was een andere bol, en ik wist dat die
bollen Leven en Dood waren. Van den bol rechts, naar den bol links,
heen en terug, werd gestadig een gouden schietspoel geschoten, waarin
twee oogen gezet waren, en ik wist dat dit de schietspoel was, waarmede
het Noodlot het lot der menschen weeft. Daar vloog de schietspoel
weer, en liet een langen zilveren draad na, en de oogen in de spoel
waren uw oogen. Weer vloog de schietspoel door de ruimte, en ditmaal
waren haar oogen als mijn oogen en de draad, dien zij achterliet,
was van vrouwenhaar gevlochten. Halverwege tusschen de bollen van
Leven en Dood brak mijn levensdraad af, maar de schietspoel vloog
door en verdween. Een oogenblik hing de draad in de lucht, en toen
stak er een wind op en blies hem weg, zoodat hij als de draad van een
spinneweb zweefde, totdat hij op uw zilveren levensdraad stiet en,
zich er omheen begon te winden. Onder dat omwinden werd hij grooter
en zwaarder, en eindelijk was hij zoo dik als een groote haarvlecht,
en begon de zilveren draad onder zijn zwaarte te buigen, zoodat ik zag
dat die spoedig moest breken. Terwijl ik in verbazing afwachtte wat er
gebeuren zou, gleed een witte hand, die een mes hield, langzaam langs
den zilveren draad neder en sneed de omwindsels van vrouwenhaar af,
die langzaam wegzweefden als, een door het zonlicht bestraald wolkje,
totdat zij zich in het duister verloren. Maar de zilveren draad, die
uw levensdraad was, sprong trillend op, en maakte een zuchtend geluid.
"Nu scheen ik te slapen, en toen ik wakker werd, dreef ik op zulk
een mistige zee als wij gisterenavond gezien hebben. Ik had het land
geheel uit het gezicht verloren, en ik kon mij niet herinneren hoe
de sterren er uitzagen, of hoe ik had leeren sturen, of begrijpen
waar ik heen moest. Ik riep de zee aan en vroeg haar naar de sterren,
en de zee antwoordde:
"'De hoop heeft haar gewaad verscheurd, en er zijn geen sterren meer.'
"Ik riep weder, en vroeg het land waarheen ik gaan moest, en het land
gaf geen antwoord, maar de zee antwoordde ten tweede male:
"'Kind van den nevel, zwerf in den nevel om, en zoek in duisternis
licht.'
"Toen weende ik, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd had
en ik in duisternis licht moest zoeken. En terwijl ik nog weende,
zag ik _u_ uit de zee oprijzen, en gij kwaamt naast mij in de boot
zitten. Ik had u vroeger nooit gezien, en toch gevoelde ik dat ik u
altijd gekend had. Gij spraakt niet, en ik sprak ook niet, maar ge
zaagt in mijn hart, en daar zaagt ge mijn droefheid. Toen zag ik in
_uw_ hart, en las wat daarin geschreven stond. Het was dit:
"'Vrouw, die ik gekend heb voordat het verleden begon, en die ik zal
kennen, wanneer de toekomst geëindigd is, waarom weent gij?'
"En ik antwoordde: 'Ik ween omdat ik op de wateren der aarde
verdwaald ben, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd heeft,
en ik in eeuwigdurende duisternis moet zoeken naar licht, dat er
niet is.' Toen zeide uw hart: '_Ik_ zal u het licht laten zien,'
en gij boogt u voorover en raaktet mijn borst aan.
"En eensklaps gevoelde ik een doodsbenauwdheid, en daarop was de lucht
vol engelen met groote vleugels, die den mist oprolden als een laken
en den sluier van den nacht wegtrokken, en daar, met haar voeten op
den bol en haar met sterren omringd hoofd in het firmament, stond de
hoop en ademde vrede en schoonheid. Zij zag naar het noorden en het
zuiden en het oosten en het westen, en zij zag naar omhoog door het
hemelgewelf, en waar zij haar oogen wendde, verdween de duisternis,
hield de droefheid op en uit het verdorvene ontstond het reine. Terwijl
ik aanbiddend op dit heerlijk schouwspel staarde, sprak de zee weer,
ditmaal ongevraagd:
"'in duisternis hebt gij licht gevonden, zoek wijsheid in den dood.'
"Toen verscheurde de hoop weder haar sterrenkleed, en de engelen
trokken den sluier over de oogen van den nacht neder, en de
zee verzwolg mij, en ik zonk tot in den diepsten afgrond van den
lichamelijken dood. En daar, in de gewelven des doods, bleef ik, eeuw
op eeuw, totdat ik eindelijk u zag komen, en op uw lippen was het
woord van wijsheid, dat alle dingen helder maakt, maar wat het was,
kan ik mij niet herinneren. Toen strekte ik mijn hand naar u uit,
om u te begroeten, en ontwaakte, en dat is nu mijn geheele droom."
Zij hield op, met wijdgeopende oogen, alsof zij dit geestelijk
visioen nog op de aarde zocht; haar borst zwoegde en haar lippen
waren half geopend.
"Groote Hemel!" riep hij uit, "wat moet gij een verbeelding hebben,
om zoo iets te droomen!"
"Verbeelding;" zeide zij, op haar natuurlijken toon, "heb ik niet,
mijnheer Bingham. Die placht ik te hebben, maar ik heb ze verloren,
toen ik--alles verloor. Kunt gij mijn droom uitleggen? Dat kunt ge,
natuurlijk niet; 't is niets anders dan onzin--zooals alle droomen
zijn."
"Het moge onzin wezen, en dat is het ook wel, maar 't is schoone
onzin," antwoordde hij.
"Nu ja, droomend is men misschien verstandiger dan wakend, en onzin is
mogelijk beter dan geleerde gesprekken, voor zooverre wij weten. Maar
genoeg daarvan. Ik weet niet waarom ik u eigenlijk dien droom verteld
heb; maar hij kwam mij zóó als werkelijk voor, dat ik er door ontroerd
was. Dat komt er van als men uit zijn gewone sleur gaat door drie
kwart verdronken te zijn. Op den bodem der zee vindt men rare dingen,
zooals gij weet. Intusschen hoop ik, dat gij spoedig geheel hersteld
zult zijn. Ik geloof niet dat ge lust zult hebben weer met mij uit
varen te gaan, mijnheer Bingham."
Dit gaf hem, als 't ware, in den mond haar iets galants te zeggen,
maar Geoffrey gevoelde dat, als hij het deed, het te ernstig zou zijn,
dus weerstond hij de verzoeking.
"Wat zal ik u daarop antwoorden, Miss Granger?" zeide hij. "Hoe kan een
man woorden vinden, om een dame, die den vorigen avond zijn leven heeft
gered, bijna ten koste van het hare, te zeggen wat er in hem omgaat?"
"Het was niets," hernam zij kleurende, "ik hield u vast, anders niet,
meer uit instinct dan om eenige beweegreden. Ik dacht, geloof ik,
dat ge zoudt blijven drijven en ik op u een steunpunt zou hebben."
"De zaak is te ernstig, Miss Granger, voor beleefde jokkernij. Ik weet,
dat gij mijn leven gered hebt. Ik weet niet hoe ik u daarvoor genoeg
kan danken."
"Bedank mij dan in 't geheel maar niet, mijnheer Bingham. Waarom
zoudt ge mij bedanken? Ik deed niets anders dan wat ik wel verplicht
was te doen. Ik zou veel liever sterven dan een makker in den nood
te verlaten; sterven moeten wij allen, maar beschaamd te sterven
zou verschrikkelijk zijn. Gij weet, het spreekwoord zegt, dat, als
men iemand uit het water haalt, men hem later kwaad doet; men zegt
het ook wel andersom. Maar ik zal u niet licht kwaad doen, dus maak
ik mij daar niet ongerust over. Het was een akelige gewaarwording;
gij waart bewusteloos, dus kunt gij niet weten welk een zonderling
gevoel het was op die glibberige rots te liggen en die groote witte
golven in de duisternis op ons af te zien bruisen, met niets anders
dan de zwarte lucht boven ons en de zee om ons heen, en daartusschen
de dood. Ik ben vele jaren eenzaam geweest, maar ik geloof dat ik
vroeger nooit begrepen heb wat eenzaamheid eigenlijk was. Ziet gij,"
liet zij er op volgen, "ik dacht dat ge dood waart, en aan een lijk
heeft men niet veel gezelschap."
"Het zou toch nog akeliger eenzaam geweest zijn, als wij verdronken
waren," zeide hij.
"Zoudt gij dat denken?" hernam zij vragend. "Ik zie niet recht in,
hoe gij dat bewijst. Als gij gelooft wat ons geleerd is, zooals gij,
meen ik, doet, dan zoudt gij, waar gij u ook bevondt, gezelschap in
overvloed vinden, en als gij, zooals ik, aan niets gelooft, welnu,
dan zoudt gij geslapen hebben, en in den slaap heeft men aan niets
behoefte."
"Geloofdet gij aan niets, toen ge daar op de rots laagt te wachten
om te verdrinken, Miss Granger?"
"Aan niets!" antwoordde zij; "het zijn alleen zwakke menschen, die
in den uitersten nood openbaring vinden. Als de openbaring ooit komt,
dan moet zij uit het hart ontstaan en niet uit vrees. Ik geloofde aan
niets, en ik was voor niets bevreesd dan alleen voor de benauwdheid
van den doodstrijd. Waarom zou ik bevreesd zijn? Gesteld dat ik dwaal,
en dat er hiernamaals iets is, kan ik het dan helpen dat ik niet
geloof? Wat heb ik gedaan, om bevreesd te zijn? Zoover ik weet, heb
ik nooit opzettelijk iemand leed gedaan, en als ik _kon_ gelooven,
zou ik het doen. Ik wenschte dat ik maar gestorven was," ging zij
hartstochtelijk voort; "dan was nu alles uit. Ik ben de wereld moede,
ik ben het werken en afhankelijkheid en al de kleine kwellingen,
die het leven zoo vervelend maken, moede. Ik ben hier niet noodig,
ik heb niets waarvoor ik leef, en ik zou maar liever dood willen zijn."
"Eenmaal zult ge er anders over denken, Miss Granger. Er is veel,
waar een vrouw zooals gij voor leven kan--in allen gevalle hebt gij
uw werk."
Zij lachte bitter. "Mijn werk! Als gij wist hoe dat was, zoudt ge er
mij niet over spreken. Elken dag rol ik mijn steen den heuvel op,
en elken nacht schijnt hij weer naar beneden te rollen. Maar gij
hebt nooit onderwijs gegeven op een dorpsschool. Hoe kunt gij er
van weten? Ik werk den geheelen dag, en 's avonds moet ik misschien
tafellakens verstellen, of--wat denkt ge wel?--mijn vaders preeken
schrijven. Het klinkt zonderling, niet waar, dat ik preeken moet
schrijven? Maar het is toch zoo. Nu schrijf ik er weer een voor
aanstaanden Zondag. Het maakt voor hem weinig verschil hoe de preek
is, als hij ze maar lezen kan, en natuurlijk zeg ik er niets in,
wat iemand aanstoot kan geven, en ik geloof ook niet, dat men er veel
naar luistert. In Bryngelly gaan weinig menschen naar de kerk."
"Hebt ge dan nooit tijd voor uzelve?"
"O, ja, soms wel, en dan ga ik in mijn bootje varen, of ik lees,
en dan gevoel ik mij bijna gelukkig. 't Is eigenlijk zeer verkeerd en
ondankbaar van mij dat ik zoo spreek. Ik heb meer voorrechten dan negen
tienden van de wereld, en die behoorde ik mij ten nutte te maken. Ik
weet niet waarom ik zoo gesproken heb, en dat wel tegen u, dien ik
gisteren voor 't eerst gezien heb. Met geen levende ziel heb ik ooit
zoo gesproken, dat verzeker ik u. 't Is evenals de geschiedenis van den
man met de tooverroede, die hier verleden jaar geweest is. Op de rots
staat een huisje--het behoort aan mijnheer Davies, die op het kasteel
woont. Er is geen drinkwater in de nabijheid, en een nieuwe huurder
maakte er veel beweging over. Dus zette mijnheer Davies mannen aan
't werk, die dag in dag uit aan het graven waren, maar zij konden
geen water vinden. Eindelijk haalde de huurder een oud man uit een
ver afgelegen kerspel, die zeide dat hij met een tooverroede water kon
vinden. Hij was een raar oud man, met een kruk, en hij kwam met zijn
tooverroede, en strompelde voort, totdat de roede eindelijk vanzelf
in den grond stak, vlak bij de achterdeur van den bewoner--tenminste,
zooals de zoogenaamde toovenaar zeide. In allen gevalle gingen zij
daar graven, en binnen tien minuten stieten zij op een bron, die zoo
sterk opborrelde dat het huis er door overstroomd werd. En wat denkt
ge dat het was? Niets anders dan brak water. Gij zijt de man met de
tooverroede, mijnheer Bingham; gij hebt mij aan het spreken gebracht,
en ik heb veel te veel gezegd, en wat alles behalve aardig was. Gij
moet mij wel voor een naar en slecht meisje houden, en dat ben ik
ook. Maar 't is zoo'n verlichting zijn hart eens uit te storten. Ik
hoop, mijnheer Bingham, dat ge zult inzien--kortom, dat ge mij niet
verkeerd begrijpen zult."
"Miss Granger," antwoordde hij, "er bestaat tusschen ons iets, dat
ons altijd aanspraak geeft op wederzijdsche achting en vertrouwen--de
band van leven en dood. Zonder u, zou ik hier nu niet zitten om uw
vertrouwelijke mededeelingen aan te hooren. Ge moogt mij zeggen,
dat een niet meer dan natuurlijke aandrift u bewogen heeft om te
doen wat gij gedaan hebt. Ik weet beter. Het was uw wil, die uw
natuurlijke aandrift tot zelfbehoud overwon. Maar ik zal er niets
meer van zeggen dan alleen dit: Als ooit een man door banden van
dankbaarheid en achting aan een vrouw gebonden was, dan ben ik het aan
u. Ge behoeft niet te vreezen dat ik uw vertrouwen zal misbruiken of
er een verkeerde uitlegging aan zal geven." Dit zeggende, stond hij
op, en boog voor haar. "Miss Granger, ik beschouw het als eer, welke
mij is aangedaan door iemand, die ik voortaan boven alle vrouwen moet
vereeren. Het leven, dat ge mij teruggegeven hebt, en het verstand,
waardoor het geleid wordt, ben ik aan u verschuldigd, en die schuld
zal ik niet vergeten."