Daarna herinnerde hij zich niets anders dan een ruischend geluid

en een visioen van schuim. Hij huiverde een weinig als hij er aan

dacht, want zijn zenuwen waren geschokt; 't is niet aangenaam zoo

dicht bij het einde en het begin geweest te zijn; en met hernieuwde

dankbaarheid trok zijn hart naar het meisje, dat hem aan het leven

en licht en hoop had teruggegeven. Juist op dit oogenblik meende

hij een snikkend geluid buiten het venster te hooren. Hij luisterde;

het geluid hield aan. Hij beproefde op te staan, maar daar was hij

te stijf toe. Dus riep hij, als laatste toevlucht, den assistent.

"Wat scheelt er aan?" zeide de jongeling, met de vlugheid van

iemand, die gewoon is plotseling gewekt te worden, overeind

springende. "Gevoelt ge u niet goed?"

"Dat is het niet," antwoordde Geoffrey. "Er staat buiten iemand

te weenen."

De jonge dokter trok zijn jas aan, trad naar het venster en trok de

blinden open.

"Ja, zoo is 't," zeide hij. "Het is een klein meisje, met blond haar

en zonder hoed."

"Een klein meisje?" hernam Geoffrey. "Dat moet Effie, mijn dochtertje,

zijn. Laat haar, als 't u belieft, binnen."

"Goed. Dek u dicht, dan kan ik het door het venster doen; het is

geen vijf voet van den grond." Derhalve deed hij het venster open,

en vroeg het kleine meisje hoe zij heette.

"Effie," antwoordde zij snikkend, "Effie Bingham. Ik kom naar paatje

zien."

"Goed, liefje, huil maar niet zoo; uw paatje is hier. Kom, laat mij

u binnen tillen."

Nog een oogenblik, en door het open venster vertoonde zich het liefste

gezichtje, waarmede een kind van zes jaar begiftigd kon zijn. Want

dat gezichtje was rooskleurig en wit, en de donkere oogen leverden

een allerbevalligst contrast op met het blonde haar. Maar, ach, nu

waren de wangen met tranen bezoedeld, en om de donkere oogen waren

bijna even donkere kringen. Dat was alles nog niet. Haar jurkje was

scheef vastgehaakt, aan het eene voetje, doornat van den dauw, was

geen laarsje en op het blonde krulkopje geen hoed.

"O, paatje, paatje!" riep het kind, zoodra zij hem zag, en zich

losworstelende om in zijn armen te snellen, "u is niet dood, is u

wel, paatje?"

"Neen, mijn lieve, neen," antwoordde haar vader, haar kussende. "Waarom

dacht je dat ik dood was? Heeft je moeder je niet gezegd dat ik in

veiligheid ben?"

"O, paatje," antwoordde zij, "ze zeiden dat u verdronken was, en ik

huilde en wou dat ik ook verdronken was. Toen kwam moeder eindelijk

thuis, en ze zei dat u beter was, en ze was boos op me, omdat ik

nog huilde en naar u toe wilde. Maar ik bleef toch huilen. Ik heb

den heelen nacht gehuild, en toen het licht werd, heb ik mij zelf

aangekleed, maar mijn hoed en mijn éénen schoen kon ik niet vinden,

en ik ben het huis uitgeloopen, om u te zoeken."

"En hoe heb je mij gevonden, mijn arm, lief kind?"

"O, ik hoorde moeder zeggen dat u in de pastorie was; dus wachtte ik

totdat ik een man zag, en vroeg hem wat voor weg ik op moest, en hij

zei me dat ik langs de rots moest gaan totdat ik een lang, wit huis

zag, en toen hij zag dat ik maar één schoen aanhad, wilde hij mij

naar huis brengen, maar ik liep hard weg, totdat ik hier kwam. Maar

de luiken waren dicht, dus dacht ik dat u dood was, lieve paatje,

en ik huilde totdat die heer het venster opendeed."

Daarna begon Geoffrey haar te berispen dat zij weggeloopen was, maar

dat scheen zij zich niet zwaar aan te trekken, want zij zat op den

rand van het bed, met haar handjes op de zijne, allerliefst om te zien.

"Je moet weer naar huis gaan, Effie, en moeder zeggen waar je geweest

bent."

"Dat kan ik niet, paatje, ik heb maar één schoen aan," antwoordde

zij pruilend.

"Maar je bent toch op één schoen gekomen."

"Ja, paatje, maar ik wou graag komen, en ik wil niet graag weer naar

huis gaan. Vertel mij hoe u verdronken is."

Hij lachte om haar logica en gaf haar toe, want dat dochtertje lag hem

na aan het hart, nader dan iets anders op de wereld. Dus vertelde hij

haar hoe hij "verdronken" was en hoe een dame hem het leven had gered.

Effie luisterde met wijdgeopende oogen, en zeide, dat zij die dame

graag zou willen zien, wat later ook gebeurde. Op dit oogenblik werd er

aan de deur geklopt, en Granger, vergezeld van den dokter, trad binnen.

"Hoe gaat het, mijnheer?" zeide eerstgenoemde. "Ik moet mij aan u

voorstellen, want gij weet waarschijnlijk niet wie ik ben. Toen ik

u het laatst zag, zaagt gij er uit alsof gij zoo dood waart als een

haai op het strand. Ik ben Granger, dominé Granger, de predikant van

Bryngelly, een van de slechtste predikantsplaatsen hier op de kust,

en dat zegt veel."

"Ik ben u veel dankbaarheid verschuldigd voor uw gastvrijheid,

mijnheer Granger, en uw dochter nog meer, maar ik hoop haar persoonlijk

te danken."

"Spreek er niet van," zeide de predikant. "Warm water en het warmen

van dekens kost niet veel, en den _brandy_ en den dokter zult gij

zelf moeten betalen. Hoe is 't met hem, dokter?"

"Het gaat heel goed met hem, mijnheer Granger. Maar gij zult u wel

stijf gevoelen, mijnheer Bingham. Ik zie dat gij leelijke builen aan

't hoofd hebt."

"Ja," antwoordde hij lachend, "en mijn lichaam is ook bont en

blauw. Zou ik in staat zijn vandaag naar huis te gaan?"

"Ik geloof het wel," antwoordde de dokter, "maar niet vóór van

avond. Tot zoo lang doet gij beter u rustig te houden. Het zal

u genoegen doen dat het met Miss Beatrice goed gaat. Dat is de

wonderdadigste herstelling, die ik ooit gezien heb. Ik had haar al

opgegeven, hoewel ik de behandeling toch nog een uur volgehouden zou

hebben. Ge moogt Miss Beatrice wel dankbaar zijn. Zonder haar zoudt

gij hier niet geweest zijn."

"Ik ben haar ten hoogste dankbaar," antwoordde hij ernstig. "Kan ik

haar vandaag nog zien?"

"Ja, ik geloof het wel, na den middag, zeggen wij om drie uur. Is

dat uw dochtertje? Een lief kind. Nu, tegen twaalf uur kom ik nog

eens naar u zien. Het eenige, wat gij nu noodig hebt, is uw rust te

houden en inwrijving met _arnica_."

Een uur later bracht de dienstmaagd Geoffrey een ontbijt van thee

en geroosterd brood. Hij had honger, maar toen het er op aankwam,

kon hij niet veel eten. Aan Effie was het echter beter besteed;

zij at al het geroosterd brood op en nog een paar boterhammetjes

toe. Nauwelijks had zij gedaan, of haar vader bespeurde een zweem

van ongerustheid op haar gezichtje.

"Wat is 't, Effie?" vroeg hij.

"Ik geloof," antwoordde Effie, met merkbaren schrik, "dat ik moeder

en Anne ook buiten hoor."

"Welnu, die komen om naar mij te zien."

"Ja, en om mij te beknorren omdat ik ben weggeloopen," en het kind

schoof dichter naar haar vader toe, op een wijze, die het voor ieder

toeschouwer duidelijk gemaakt zou hebben, dat de betrekking tusschen

haar en haar moeder eenigszins gespannen was.

Effie had gelijk. Het duurde niet lang of er werd aan de deur geklopt,

en Lady Honoria trad binnen, zoo bedaard en bleek en elegant als

ooit. Zij werd gevolgd door een Fransche _bonne_, met een paar brutale

zwarte oogen, die, zoodra zij zich in de deur vertoonde, haar handen

omhoog sloeg, met den uitroep: "_Mon Dieu!_"

"Ik dacht het wel," zeide Lady Honoria, de _bonne_ in het Fransch

toesprekende. "Daar is zij," en zij wees met haar parasol naar de

weggeloopen Effie.

"_Mon Dieu!_" zeide de vrouw weder. "_Vous voilà enfin, et moi

qui suis accablée de peur, et votre chère mère aussi; oh, mais que

c'est méchant; et regardez donc, avec un souli seulement. Mais c'est

affreux!_"

"Zwijg," zeide Geoffrey scherp, "Laat de jongejuffrouw Effie met

rust. Zij is naar mij komen zien."

Anne riep nog eens: "_Mon Dieu!_!" en zweeg toen.

"Waarlijk, Geoffrey," zeide zijn vrouw. "'t Is ergerlijk zooals ge

dat kind bederft. Zij is zoo eigenzinnig als 't maar zijn kan, en

gij maakt haar nog erger. 't Is zeer ondeugend van haar, zoo weg te

loopen en ons naar haar te laten zoeken. Hoe krijgen we haar thuis,

met maar één schoen aan?"

Haar echtgenoot beet zich op de lippen en fronste het voorhoofd. Het

was niet de eerste maal, dat het tusschen hem en Lady Honoria

tot woorden was gekomen over het kind, waarmede zijn vrouw niet

sympathiseerde. Zij had Effie eigenlijk nooit vergeven dat zij in

de wereld was gekomen. Lady Honoria was niet een van die vrouwen,

die het een vreugde achten moeder te zijn.

"Anne," zeide hij, "neem Effie op en draag haar, totdat je een ezel

hebt gevonden. Dan kan zij naar huis terugrijden." De kindermeid

mompelde in het Fransch zoo iets dat het kind zoo zwaar als lood was.

"Doe zooals ik je zeg," zeide hij, op scherpen toon in dezelfde

taal. "Effie, liefje, geef mij een kus en ga naar huis. 't Is lief

van je dat je naar mij bent komen zien."

Het kind gehoorzaamde en ging heen. Lady Honoria stond haar

stampvoetend na te zien, met een uitdrukking op haar schoon, maar

koel gelaat, die juist geen aangenamen indruk maakte.

Het was Geoffrey in den loop van zijn huwelijksleven weleens gebeurd,

dat hij weer thuis kwam met iets van die versterkte liefde, die men

zegt dat door afwezigheid gewekt wordt. Bij zulke gelegenheden was

hij altijd zoo ongelukkig te ondervinden dat Lady Honoria die spreuk

logenstrafte, dat zij hem met een overblijfsel van vroegere grieven

begroette, en, zoo mogelijk, strakker dan ooit was.

Zou dat nu ook weer zoo wezen, nu hij teruggekomen was na een

afwezigheid, die er bij af was geweest een altijddurende te zijn? Het

had er veel van. Hij bespeurde kenteekenen, waarmede hij maar al

te goed bekend was, en zoowel om hemzelven als om harentwil--want

boven alles had Geoffrey een afkeer van die bittere echtelijke

kibbelarijen--zocht hij iets vriendelijks te bedenken om te zeggen. Het

valt niet te ontkennen dat hij juist geen blijk van veel tact gaf

in het onderwerp, dat hij koos, hoewel het de sympathie van andere

vrouwen misschien gewekt zou hebben. 't Is zoo moeilijk altijd te

bedenken dat men met een Lady Honoria te doen heeft.

"Als wij er ooit nog een kind bij krijgen--" begon hij, op zachten

toon.

"Neem me niet kwalijk dat ik u in de rede val," zeide de dame, met een

vriendelijkheid, die juist geen hoog denkbeeld gaf van haar vreedzame

gemoedsgesteldheid, "maar ik moet u verzoeken niet in dien geest

voort te gaan. Aan één zoo'n lieveling heb ik ruimschoots genoeg."

"Welnu," hernam de ongelukkige Geoffrey, zich met moeite bedwingende,

"als ge dan zelve niet veel van het kind houdt, is het wel wat

onredelijk er tegen te zijn dat zij veel van _mij_ houdt en bedroefd

was toen zij dacht dat ik dood was. Waarlijk, Honoria, ik betwijfel

soms of ge wel een hart hebt. Waarom waart ge zoo knorrig omdat

Effie vroeg opgestaan is om naar mij te komen zien?--waarvan gij,

dit moet ik bekennen, haar het voorbeeld niet gegeven hebt. En wat

haar schoen betreft--" liet hij er glimlachend op volgen.

"Ge moogt om haar schoen lachen, Geoffrey," viel zij hem in rede,

"maar ge vergeet, dat zelfs zulke kleinigheden tegenwoordig voor ons

geen zaken om te lachen zijn. De schoenen van het kind houden mij

soms 's nachts uit den slaap. Defoy is in, ik weet niet hoe lang,

niet betaald. Ik had wel lust haar klompen te laten dragen. En wat

hart betreft--"

"Welnu," viel Geoffrey in, bedenkende dat de gevoelskwestie, hoewel

erg genoeg, toch beter was dan de geldkwestie--"wat 'hart' betreft?"

"Daar mocht gij wel van zwijgen. Hoeveel van uw hart hebt ge _mij_

gegeven?"

"Waarlijk, Honoria--" begon hij levendig en in de grootste

verbazing. Was het mogelijk dat zijn vrouw een soort van _besoin

d'amour_ gevoelde, en zich iets aan zijn zijn hart gelegen liet

zijn? Zoo ja, dan was het vreemd, want nog nooit had zij de minste

belangstelling daarin laten blijken.

"Ja," ging zij snel en met toenemende heftigheid voort, "ge spreekt van

uw hart"--wat hij niet gedaan had--"en ge weet toch even goed als ik

dat ge mij dat hart, waarvan gij zooveel ophef maakt, niet aangeboden

zoudt hebben, als ik geen meisje van stand was geweest. Of waart ge zóó

verliefd, dat ge dacht van rozengeur en maneschijn te kunnen leven? Dan

zou _ik_ wat minder hart en wat meer gezond verstand verkozen hebben."

Geoffrey gevoelde den steek. Want het was waar dat verliefdheid

bij zijn aanzoek de grootste rol niet had gespeeld, en ook dat Lady

Honoria en hij even arm waren alsof het werkelijk een huwelijk uit

liefde was geweest.

"'t Is niet billijk het verleden weer op te halen en er zoo over

te spreken," zeide hij, "al had uw positie er iets mee te maken;

want ge moet in 't oog houden dat de mijne, toen wij trouwden, niet

verwerpelijk was. Tweeduizend pond 's jaars om mee te beginnen, en een

baronetschap en acht duizend pond 's jaars in 't vooruitzicht--maar ik

spreek niet gaarne over zoo iets. Waarom dwingt ge mij er toe? Niemand

kon weten dat mijn oom, die er zoo op gesteld was dat ik met u trouwen

zou, op zijn leeftijd zelf nog zou trouwen en een zoon en erfgenaam

zou krijgen. Dat was mijn schuld niet, Honoria. Als ge dat hadt kunnen

voorzien, zoudt ge misschien mijn aanzoek niet aangenomen hebben."

"Zeer waarschijnlijk niet," antwoordde zij kalm, "en 't is

_mijn_ schuld niet dat ik niet geleerd heb vergenoegd te leven van

zevenhonderd pond 's jaars. 't Was al moeilijk genoeg van twee duizend

te bestaan totdat uw oom stierf, en nu--"

"En nu, Honoria, als gij nog maar een weinig geduld wilt hebben en

u in de omstandigheden wilt schikken zooals ze zijn, zult ge rijk

genoeg worden; ik zal geld voor u verdienen, zooveel geld als ge

noodig hebt. Ik heb vele vrienden. Ik heb dit jaar aan de balie geen

slechte zaken gemaakt.

"Twee honderd pond, negentien shillings en zeven _pence_, minus

zeven-en-negentig pond aan kamerhuur en klerk," zeide Lady Honoria,

met een smadelijken nadruk op de zeven _pence_.

"Die som zal ik het volgende jaar verdubbelen, en het daarop volgende

weer, en zoo gaat het voort. Ik werk van den ochtend tot den avond,

om vooruit te komen, zoodat gij alles kunt krijgen--waar ge voor

leeft," voegde hij er met bitterheid bij.

"Ik zal wel zestig jaar zijn voordat die gelukkige tijd komt en ik aan

niets meer behoefte heb dan aan oude-wijvenpraatjes en een badstoel. Ik

weet wel hoe het aan de balie gaat," hernam zij scherp. "Ge droomt,

ge maakt u voorstellingen zooals ge het zoudt willen hebben, maar het

komt verkeerd uit en ge misleidt uzelf en mij. Het wordt weer zooals

de geschiedenis van Sir Robert Bingham's bezitting. Wij blijven ons

leven lang arm. Ik zeg u, Geoffrey, gij hadt het recht niet met mij

te trouwen."

Nu verloor hij eindelijk zijn geduld. Het was niet de eerste van

zulke scènes--zij hadden in den laatsten tijd dikwijls plaats.

"Geen recht?" zeide hij, "en als ik vragen mag, welk recht hadt

gij om met mij te trouwen, daar ge zelfs niet voorgeeft ooit van

mij gehouden te hebben, maar mijn aanzoek alleen hebt aangenomen

zooals ge dat van ieder ander man, die een tamelijk goede partij

was, aangenomen zoudt hebben? Ik stem u toe, dat ik er het eerst aan

gedacht heb u ten huwelijk te vragen omdat mijn oom het wenschte,

maar al was ik niet verliefd op u, was ik toch voornemens een goed

echtgenoot voor u te zijn, en ik zou u lief gehad hebben, als ge het

mij maar mogelijk hadt gemaakt. Maar ge zijt koel en zelfzuchtig; ge

beschouwt het huwelijk alleen als een stap tot weelde; ge hebt nooit

iemand liefgehad dan uzelve. Als ik gisterenavond gestorven was,

geloof ik dat ge het u meer aangetrokken zoudt hebben in den rouw

te moeten gaan dan dat ge mij verloren hadt. Toen ge binnenkwaamt,

deedt ge niet meer gevoel voor mij blijken dan alsof ik een vreemde

was--ja, niet eens zooveel als sommige vrouwen voor vreemden zouden

hebben. Ik betwijfel soms of ge in 't geheel wel gevoel hebt. Ik zou

meenen dat ge mij zoo behandelt als ge doet, omdat ge niet van mij,

maar wel van een ander houdt, als ik niet wist dat ge niet in staat

zijt van iemand te houden. Wilt gij dat ik u ga haten, Honoria?"

De toon, waarop Geoffrey sprak, zeide zijn vrouw, die hem met een zweem

van glimlach op haar lippen gadesloeg, hoe diep hij bewogen was. Hij

had zijn zelfbedwang verloren, en zijn hart voor haar opengelegd--iets

wat hij zelden deed, en dat was op zichzelf reeds een zegepraal,

die zij op dit oogenblik niet wilde voortzetten. Geoffrey was de man

niet om hem ver te drijven.

"Als ge hebt uitgesproken, Geoffrey, zou ik wel willen zeggen--"

"Vervloekt!" viel hij in.

"Zoo?" zeide zij kalm en op vragenden toon, en zij wachtte even;

maar dewijl die uitroep niets of niemand in 't bizonder gold, ging

zij voort: "Als ge met die bloemrijke taal gedaan hebt, is wat ik te

zeggen heb, dit: Ik ben niet voornemens in dit akelig nest langer

te blijven. Morgen ga ik naar mijn broeder Garsington. Wij zijn er

beiden genoodigd, zooals ge u wel zult herinneren, maar om redenen,

die gij zelf het best weet, wildet gij er niet heen gaan."

"Ge weet mijn redenen zeer goed, Honoria."

"Met uw verlof, ik weet volstrekt niet wat zij waren," zeide Lady

Honoria met overtuiging. "Mag ik ze hooren?"

"Als ge het dan weten wilt, ik wil niet logeeren bij een man

die--welnu, die mijn club op zoo'n manier verlaten heeft als

Garsington, en die, zonder mijn tusschenkomst, er zelfs op een nog

onaangenamer en meer in 't oog loopende wijze uitgegaan zou zijn. En

zijn vrouw is nog erger dan hij."

"Ik geloof, dat ge u vergist," hernam Lady Honoria koel, en als iemand,

die de deur van een kamer dichtdoet, waarin hij niet zien wil: "En in

allen gevalle is dat jaren geleden gebeurd en al lang overgewaaid. Maar

ik zie de noodzakelijkheid niet in om er verder over te spreken. Wij

zullen elkander aan het diner zeker wel ontmoeten. Ik ga morgenochtend

met den eersten trein."

"Doe zooals ge wilt, Honoria. Misschien zoudt gij liever in 't geheel

niet terugkomen."

"Dank u, neen. Ik wil mij niet aan dwaze aantijgingen blootstellen. In

Londen kom ik bij u terug, en dan zal ik mij maar weer in mijn lot

zien te schikken. Ik heb, Goddank, geleerd, mijn ongeluk te dragen,"

en met dezen laatsten schimpscheut verliet zij de kamer.

Eenige oogenblikken had haar echtgenoot een gevoel alsof hij haar

bijna haatte. Toen verborg hij kermend zijn gelaat in het kussen.

"Zij heeft gelijk," zeide hij bij zichzelven; "wij moeten ons in ons

lot zien te schikken. Maar ik heb mijn leven bedorven. En toch heb

ik haar eenmaal liefgehad--een maand of twee."

Dat was geen aangenaam tooneel, en men zal wel zeggen dat Lady Honoria

voor een dame van haar stand al vrij "ordinair" was. Maar zelfs

het voorrecht van "op de knieën van markiezinnen" grootgebracht te

zijn, is geen voorbehoedmiddel tegen het "ordinaire," als een vrouw

ongelukkig haar hart, of wat er van over is, op niets anders dan

"ordinaire" dingen gezet heeft.

Hoofdstuk VIII.

Uitleggingen.

Omstreeks twee uur stond Geoffrey op, en kwam met eenige hulp van

zijn WelEerwaarden gastheer in zijn kleeren. Toen gebruikte hij een

_luncheon_, en terwijl hij dat deed, stortte Granger zijn hart voor

hem uit.

"Mijn vader was een pachter in Herefordshire, mijnheer Bingham,"

zeide hij, "en in dien stand werd ik opgevoed. Mijn vader maakte

goede zaken, zooals in die dagen een vlijtig man doen kon. Wat meer

is, hij won wat geld als veekooper, en ik geloof dat dit zijn hoofd

een weinig op hol bracht; ten minste, hij wilde 'een heer van mij

maken,' zooals hij het noemde. Dus werd ik, toen ik achttien jaar was,

weggestuurd om predikant te worden, of ik er lust in had of niet. Goed,

ik werd predikant, en vier jaar lang had ik een hulppredikersplaats

in een dorp, Kington genaamd, in Herefordshire, geen slecht

plaatsje--misschien kent gij het wel. Terwijl ik daar was, ging mijn

vader, die buiten zichzelven geraakte, aan 't speculeeren. Hij liet

een rij villa's te Leominster bouwen, ten minste, hij leende een

zaakwaarnemer het geld om ze te bouwen, en toen ze gebouwd waren,

wilde niemand ze huren. Die villa's hadden mijn vader geruïneerd. Ik

heb na dien tijd geen villa kunnen zien zonder er van te griezelen,

mijnheer Bingham. En kort daarop stierf hij, een bankroet zoo nabij

als iemands neus dichtbij zijn mond is.

"Daarna werd mij deze predikantsplaats aangeboden van niet meer dan £

150, en als een gek nam ik die aan. De oude predikant, mijn voorganger,

was door de geringe bezoldiging geruïneerd, evenals zij mij ruïneert,

en had een eenige dochter nagelaten. Met die dochter trouwde ik, en

zij was een lieve vrouw; zij had veel van mijn Beatrice, maar zij was

niet zoo verstandig. Ik weet niet waar Beatrice's verstand van daan

komt,--van mij niet, daar geef ik mij niet voor uit. Mijn vrouw was

van goede geboorte, van een oude Cornwallsche familie, maar zij had

nergens een heenkomen, en ik geloof, dat zij maar met mij trouwde,

omdat zij niet wist wat zij anders beginnen moest, en omdat zij aan

de oude plaats gehecht was. Zij nam mij, als 't ware, op den koop toe,

om er te blijven. Nu, het ging alles vrij goed, tot elf jaar geleden,

toen onze zoon geboren werd, hoewel ik niet geloof dat wij elkander

ooit recht verstonden. Na dien tijd kreeg zij haar gezondheid niet

terug, en zeven jaar geleden is zij gestorven. Ik herinner mij,

dat het op een avond was, die bizonder veel overeenkomst had met

gisterenavond--eerst mist en toen storm. Het knaapje stierf eenige

jaren later. Ik dacht dat het Beatrice's hart gebroken zou hebben,

zij is nooit weer hetzelfde meisje geweest, maar altijd vol rare

begrippen, waarmee ik mij niet kan vereenigen.

"En wat ik hier voor een leven heb, mijnheer Bingham, als ik u dat

vertelde, zoudt gij het niet gelooven. Niet alleen dat de bezoldiging

zoo schraal is, maar er zijn hier zooveel _Dissenters_, en tienden

zijn er niet te krijgen. Als ik niet zoo wat aan de boerderij

deed, wat ook niet veel geeft, en het salaris van Beatrice als

onderwijzeres, waarvoor zij een akte heeft, er bij had, zou ik al

lang in het armenhuis zijn, en soms denk ik, dat het daar toch wel

op zal uitloopen. Ik heb aleens een commensaal moeten nemen om toch

maar rond te komen, en dat zal ik wel weer moeten doen.

"En nu moet ik naar mijn boerderij terug: de oude zeug moet jongen,

en ik wil eens zien hoe het met haar gaat. God geve dat zij er weer

dertien krijgt! Ik zal de vigilante bestellen om hier tegen vijf uur

te wezen, ofschoon ik vóór dien tijd terug zal zijn--dat wil zeggen,

ik heb Elisabeth gezegd, dat zij het doen zou. Zij is uitgegaan, om

eenige bezoeken voor mij af te leggen en te zien of zij niet een paar

pond kan innen van de tienden, die mij sinds drie maanden verschuldigd

zijn. Als iemand die kan binnenkrijgen, is het Elisabeth. Adieu, als

ge met Beatrice wilt spreken, die is opgestaan en daarbinnen. Gij

zult elkaar wel bevallen. Zij is een raar meisje, die Beatrice;

haar begrippen gaan mijn verstand te boven, en het was kluchtig

dat zij u zoo vasthield, maar dat was zeker een beschikking van de

Voorzienigheid. Tot weerziens, mijnheer Bingham," en dit zonderling

exemplaar van een predikant verdween, na Geoffrey de ooren doof

gepraat te hebben.

Het was half drie, en de dokter had gezegd dat hij Miss Granger om

drie uur kon spreken. Hij wenschte dat het al drie uur was, want

hij was zijn eigen gedachten en gezelschap moede, en natuurlijk

verlangend om de kennis met het zonderlinge meisje, dat zulk een

diepen indruk op hem had gemaakt en ten slotte zijn leven gered had,

te hernieuwen. Het was doodstil in huis; Betty, de dienstmaagd, was

in de keuken bezig, de dokters waren beiden weg, en Elisabeth en haar

vader waren uit. Het weer had uitgeraasd; er was dien dag geen wind,

en de zonnestralen, die door het open venster schoten, deden Geoffrey

verlangen in de vrije lucht te zijn. Hij had geen boek om te lezen,

en telkens kwam die echtelijke twist hem weder in de gedachten.

Dat hij zulke scènes te verduren had, viel Geoffrey hard. Hij

kon voor zichzelven niet langer de waarheid verhelen--hij had op

zijn huwelijksdag zijn geluk begraven. Als hij op vroegere jaren

terugzag, herinnerde hij zich welk een geheel ander leven hij zich

had voorgesteld. In die dagen was hij de kromme sprongen der jeugd

moede; zelfs de gunst, die een knap, geestig en aangenaam jonkman,

met groote verwachtingen, gewoonlijk bij de dames vindt, had op

zes-en-twintigjarigen leeftijd niets aantrekkelijks meer voor hem. Dus

had hij er wel ooren naar, toen zijn oom, Sir Robert Bingham, die

naar de zeventig liep, een wenk gaf dat het voor Geoffrey wel goed

zou zijn zich te vestigen, en hem aan Lady Honoria voorstelde.

Beatrice(#24830) · 第 4 / 25 段