Beatrice vragen?"
"Ja," antwoordde zij langzaam, "hij kwam naar Beatrice vragen, of
juister gezegd, hij heeft drie uur in den regen staan wachten om te
hooren of zij bijkwam."
"Drie uur in den regen gestaan," zeide de predikant verbaasd--"al
dien tijd heeft _Squire_ Davies buiten de deur gewacht! Waarom?"
"Omdat hij zoo ongerust over Beatrice was, en niet wilde binnenkomen,
denk ik."
"Zoo ongerust over Beatrice--ei, zoo ongerust over Beatrice! Zou je
denken, Elisabeth--hm--je weet, Beatrice ziet er goed uit--iedereen
zegt dat zij schoon is--"
"Daar weet ik niets van, vader," antwoordde zij, "en of Beatrice er
goed uitziet, dat hangt van den smaak af. Ik heb er mijn eigen gevoelen
over. En zouden we nu niet naar bed gaan? De dokters en Betty zullen
den heelen nacht bij mijnheer Bingham en Beatrice blijven."
"Ja, Elisabeth, wij zullen maar naar bed gaan, dat zal het best
zijn. Wij hebben veel reden om dankbaar te zijn. Welk een genadige
redding! En als Beatrice gestorven was, had het kerspel een andere
meesteres op de school moeten hebben, en wij zouden het salaris kwijt
zijn. Wij hebben veel reden om dankbaar te zijn, Elisabeth."
"Ja," zeide Elisabeth zeer bedaard, "dat hebben wij."
Hoofdstuk VI.
Owen Davies te huis.
Met een luchtig hart liep Owen Davies huiswaarts. De regen, die
hem in 't gelaat sloeg, en het loeien van den wind verstoorden zijn
gemoedsstemming in 't minst niet. Dat waren wel onaangenaamheden,
maar hij nam ze aan zooals hij het leven met al zijn ijdelheden aannam,
zonder zich er het hoofd mee te breken. Er zijn karakters, waarvan dit
een heerschende geestgesteldheid is. Wie met zulk een geestgesteldheid
begiftigd zijn, komen reeds vroeg in hun leven tot het besluit, dat
de wereld hun verstand te boven gaat. Zij doen dus ook maar geen
moeite meer om haar te begrijpen, en gevolgelijk zijn zij, op hun
stompzinnige wijze, tevreden en gelukkige stervelingen. Vraagstukken,
waarover menschen van een sterker verstand en een onderzoekenden geest
hun leven lang hun hersens vermoeien, verstoren hun kalmte niet; die
laten zij eenvoudig glippen. Zij zien de sterren, zij lezen van het
groote raadsel des heelals, van wereldbollen, altijd voortwentelend
in het grenzenloos ruim, en zij zijn niet verbaasd. In hun kindsheid
hebben zij geleerd, dat God de zon en de maan en de sterren geschapen
heeft om licht op aarde te geven; dat is hun genoeg. En zoo is
het met alles. Armoede en lijden, oorlog, pestilentie, de ongelijke
lotsbedeeling, waanzin, leven en dood, en de geestelijke wonderen, die
van alle kanten ons bestaan omringen, zijn zaken, die niet onderzocht,
maar aangenomen moeten worden. Dus nemen zij ze aan, zooals zij hun
middagmaal of een winkelierscirculaire aannemen.
In sommige gevallen spruit zulk een geestgesteldheid voort uit
eenvoudige en diepe godsdienstige overtuiging, en soms ook uit een
overwicht van gezond dierlijk instinct op het hoogere en lastiger
geestelijk element. De os, die in de frissche weide herkauwt,
denkt over geen verleden of toekomst, en de zeemeeuw, die als een
sneeuwvlokje tegen de ondergaande zon uitkomt, weet niets van den
luister van lucht en zee. Ook de wilde bekommert zich even weinig
over het scheppingsplan. Het begin is zijn eigen geboorte en het
einde is dat hij overgaat in het Onbekende, en voor 't overige zijn
er runderen en vrouwen, en vijanden om te overwinnen. Maar ossen en
zeemeeuwen hebben, zoover wij weten, geen last van een geestelijk
element, en in den wilde wordt zoo iets niet aangekweekt.
Maar misschien ontstaat deze gesteldheid, zoo noodzakelijk voor een
kalmen vorm van geluk, meestal uit een vereeniging van physieke en
godsdienstige ontwikkeling. Zoo tenminste was het met den rijken
man, die daar in den wind en den regen voortzwoegde. Hij was zoowel
van aard als door opvoeding een man van even eenvoudige en sterke
godsdienstige beginselen, als hij van een benijdenswaardig sterk,
gezond en kalm lichaamsgestel was. Nu zal men misschien wel zeggen,
dat het met tienduizend pond 's jaars niet moeilijk is godsdienstig
en kalm te zijn, maar Owen Davies had zich niet altijd in het genot
van tienduizend pond 's jaars en het bezit van een der fraaiste en
meeste romantische buitenverblijven in Wales kunnen verheugen. Van zijn
zeventiende jaar af, toen hij door den dood zijner moeder ouderloos
was geworden, totdat hij den dertigjarigen leeftijd had bereikt, een
jaar of zes voor het begin van dit verhaal, had hij een zoo hard leven
gehad als het lot iemand maar kan toebedeelen. Men heeft misschien
weleens gehoord van koopvaardijbrikken, die tusschen Engeland en
West-Indië varen, en kolen uit- en suiker invoeren.
Aan boord van een van die schepen werkte Owen Davies dertien jaar
lang. Hij deed zijn werk goed, maar hij maakte zich geen vrienden
en bleef altijd dezelfde beschroomde, stille en vrome man. Toen
stierf er plotseling een oom van hem zonder testament, en hij zag
zich erfgenaam van Bryngelly Castle met al zijn inkomsten. Hij had
dien oom nooit gezien, en nooit gedroomd, dat die groote bezitting
op hem zou overgaan. Maar hij nam het goede aan zooals hij het kwade
had aangenomen en zeide niets. De eenige menschen, die hem kenden,
waren zijn scheepskameraden, en ook van hen kon het nauwelijks gezegd
worden, dat zij hem kenden. Zij kenden hem van gezicht, zij kenden
het geluid van zijn stem en zijn manier van zijn werk te doen. Zij
wisten ook, hoewel hij nooit over godsdienst sprak, dat hij elken
avond een hoofdstuk uit den Bijbel las, en zoo dikwijls zij een
haven aandeden, naar de kerk ging. Maar van zijn innerlijk karakter
wisten zij niets. Dit belette echter niet, dat zij voorspelden dat
Davies een "slimmerd" was, die, nu hij "de moppen" had, ook wel den
"banjer zou uithangen."
Maar Davies was er de man niet naar om "den banjer uit te hangen." Het
nieuws van het geluk, dat hem ten deel was gevallen, vernam hij juist,
toen de brik, waarmee hij als eerste stuurman onder zeil zou gaan,
haar lading voor West-Indië innam.
Hij had zijn contract voor de reis geteekend, en tot verbazing van
den zaakwaarnemer, die de bezitting administreerde, verklaarde hij,
dat hij zich er aan houden zou. Te vergeefs zocht de man van zaken zijn
cliënt te beduiden dat hij door middel van een _check_ van _£_100 de
zaak in tien minuten voor hem kon afmaken. Davies antwoordde slechts,
dat de bezitting kon wachten, en dat hij de reis zou doen en dan stil
gaan leven. De zaakwaarnemer sloeg de handen in de lucht en bedacht
toen opeens, dat er in West-Indië zoowel vrouwen zijn als in andere
wereldstreken. Zijn zonderlinge cliënt had zeker een doel met zijn
reis. Maar hij had het totaal mis. Owen Davies had nooit in zijn
leven een teeder woord met een vrouw gewisseld; hij was een man van
_routine_, en een deel van zijn _routine_ was, zich aan de letter
van een eenmaal gesloten overeenkomst te houden. Dat was het eenige.
Als laatste toevlucht deed de zaakwaarnemer het voorstel, dat Davies
een testament zou maken.
"Dat acht ik niet noodig," was het langzaam en afgemeten antwoord. "De
bezitting is bij toeval aan mij gekomen. Als ik sterf, kan zij even
goed bij toeval op een ander overgaan."
De zaakwaarnemer zette groote oogen op. "Goed," zeide hij; "'t is
tegen mijn raad, maar gij moet doen wat gij zelf verkiest. Hebt gij
ook wat geld noodig?"
Owen dacht een oogenblik na.
"Ja," zeide hij, "ik zou wel tien pond willen hebben. Er wordt daar
een kerk gebouwd, en daar zou ik wel voor willen inteekenen."
De zaakwaarnemer gaf hem de tien pond, zonder een woord te zeggen; hij
was verstomd, en in dien toestand bleef hij totdat de deur achter zijn
cliënt dicht was. Toen sprong hij overeind met den enkelen uitroep:
"Gek, gek! even als zijn oudoom!"
Maar Owen Davies was volstrekt niet gek, ten minste toen niet; hij was
alleen maar een slaaf der gewoonte. Toen hij aan zijn contract voldaan
had, bracht hij zijn brik veilig uit West-Indië in de vaderlandsche
haven terug (want de kapitein was in een storm verdronken). Toen nam
hij een plaatskaartje tweede klasse naar Bryngelly, waar hij nog nooit
in zijn leven geweest was, en vroeg den weg naar het kasteel. Men
zeide hem, dat hij naar de zeekust moest gaan en dat hij het dan zien
zou. Dat deed hij, hij liet zijn zeekist achter, en daar, omstreeks
twee honderd passen van het land af en op een eenzame rotshoogte
gebouwd, zag hij een groot middeleeuwsch versterkt gebouw, met hooge
torens en door den gloed der ondergaande zon beschenen. Met verbazing
staarde hij er op. Kon het zijn, dat die sterkte hem toebehoorde,
en zoo ja, hoe ter wereld kwam men er dan? Een poos liep hij
verbaasd heen en weer, te beschroomd om in het dorp inlichtingen te
vragen. Intusschen, hoewel door hem niet opgemerkt, zat op een bank,
aan den voet van een rots, een slank, bevallig meisje, naar gissing
van vijftienjarigen leeftijd, dat hem met haar groote grijze oogen
lachend gadesloeg. Eindelijk stond zij op, en met de vrijmoedige
vertrouwelijkheid aan haar leeftijd eigen, kwam zij recht op hem af.
"Wilt gij het kasteel zien, mijnheer?" vroeg zij met een zachte,
welluidende stem, waarvan Owen Davies de klank nimmer vergat.
"Ja--o, neem mij niet kwalijk," toen hij zag, dat hij tot een jonge
dame sprak.
"Dan vrees ik dat gij te laat komt--juffrouw Thomas laat na vier
uur niemand meer het kasteel zien. Zij is daar de huishoudster,
moet gij weten."
"O, zoo--maar ik kom eigenlijk niet om het kasteel te zien. Ik kom
om er te wonen. Ik ben Owen Davies, en het is aan mij vermaakt."
Beatrice, want niemand anders dan zij was het, beschouwde hem met
verbazing. Dat was dus de geheimzinnige zeeman, over wien in Bryngelly
zooveel gesproken was.
"O," zeide zij, met een vrijmoedigheid, die hem verlegen maakte,
"wat is dat een rare manier om thuis te komen! 't Is hoog getij,
en gij zult een boot moeten nemen. Ik zal u wijzen waar gij er een
vinden kunt. De oude Eduard zal u voor een _sixpence_ overroeien,"
en zij ging hem voor naar een plaats op het strand, waar de oude
Eduard van den vroegen ochtend tot den avond in zijn boot zat te
wachten op iemand, die overgeroeid wilde worden.
"Eduard," zeide de jonge dame, "hier is de nieuwe eigenaar van het
kasteel, mijnheer Owen Davies, die er heen geroeid wil worden." Eduard,
een echt type van een oud zeeman, met kleine oogen en een verweerd
gelaat, dat aan een van die rare gezichten deed denken, die men wel op
knoppen van wandelstokken ziet, zag haar met verbazing aan, en zeide,
met een wantrouwenden blik op fluisterenden toon:
"Heeft hij papieren bij zich, die bewijzen dat hij is, voor wien hij
zich uitgeeft?"
"Dat weet ik niet," antwoordde zij lachend. "Hij zegt dat hij mijnheer
Owen Davies is."
"Welnu, misschien is hij het, en misschien is hij het niet; in allen
gevalle gaat het mij niet aan, en een _sixpence_ is een _sixpence_."
Dit alles hoorde de ongelukkige Davies, en het bracht hem juist niet
meer op zijn gemak.
"Kom, mijnheer, als gij maar wilt," zeide Eduard, terwijl hij zijn
boot naar de branding trok. Een visioen van juffrouw Thomas schoot
Owen voor den geest. Als de schipper hem niet geloofde, wat had hij
dan voor kans bij de huishoudster? Hij had wel gewenscht, dat hij
den zaakwaarnemer medegebracht had, en toen wenschte hij dat hij maar
weer op de brik was.
"Kom mijnheer," herhaalde Eduard, op strengen toon, zijn aarzeling
aan het schuldbesef van een bedrieger toeschrijvende.
"Hm!" zeide Owen tot de jonge dame. "Ik vraag u wel verschooning. Ik
weet uw naam niet eens, en ik heb zeker geen recht om het te vragen,
maar zoudt gij er tegen hebben met mij mee te roeien? Het zou zoo
vriendelijk van u zijn; gij zoudt mij aan de huishoudster kunnen
voorstellen."
Weder lachte Beatrice met meisjesachtige vroolijkheid; zij was te
jong om er iets onbehoorlijks in te zien, en dat was er dan eigenlijk
ook niet in. Maar zij vond het grappig, en een niet onnatuurlijke
nieuwsgierigheid was bij haar gewekt om te zien, hoe het zou afloopen.
"O, jawel," antwoordde zij, "ik zal meegaan."
De boot werd afgestooten, en weldra waren zij aan de steenen kaai
van de haven bij het kasteel, in den omtrek waarvan allengs een klein
dorp van pachters ontstaan was. Eenige van die lieden waren, toen zij
de boot zagen aankomen, hun hutten uitgedrenteld, en meenende dat
een bezoeker, onder leiding van Miss Beatrice de oudheden van het
kasteel kwam bezichtigen, waren zij weer teruggedrenteld. Nu begon
het paar langs een slingerpad de rotshoogte te beklimmen, totdat zij
eindelijk voor het gebouw stonden, dat, hoe oud ook, toch geenszins
van de gemakken der hedendaagsche beschaving verstoken was, want het
water werd er bij voorbeeld aangebracht door buizen, onder de zee
door gelegd, van een bergtop op twee mijlen afstands op het vasteland.
"Is dat hier geen mooi gezicht?" zeide Beatrice, naar de
uitgestrektheid land en zee wijzende. "Ik geloof, mijnheer Davies, dat
gij de mooiste woonplaats op de heele wereld hebt. Uw oudoom, die hier
een jaar geleden gestorven is, heeft meer dan vijftigduizend pond aan
reparatiën besteed, zegt men. Hij heeft de groote gezelschapszaal, daar
waar de steenen een weinig lichter van kleur zijn, laten aanbouwen;
die is vijf-en-vijftig voet lang. Denk eens, vijftig duizend pond!"
"'t Is een groote som," zeide Owen, in zijn hart denkende wat ter
wereld hij toch met dat middeleeuwsch kasteel en zijn gezelschapszaal
van vijf-en-vijftig voet lang moest beginnen.
"Het schijnt niet veel indruk op hem te maken," dacht Beatrice, terwijl
zij aan de schel van de achterdeur trok, "hij is zeker dom. Hij ziet
er dom uit."
De deur werd geopend door een oude vrouw van een driftig voorkomen,
met een schelle stem.
"Juffrouw Thomas," dacht Owen; "zij is nog erger dan ik verwacht had."
"Ga alsjeblieft weer heen," begon de geduchte huishoudster op haar
schelsten toon, "'t is te laat om het kasteel te laten zien. Wel,
Miss Beatrice, zijt gij het, met een vreemden man! Wat komt gij doen?"
Beatrice zag haar metgezel aan, als een wenk dat hij de reden van
zijn komst verklaren zou, maar hij zeide niets.
"Dat is de nieuwe eigenaar van het kasteel," zeide zij, niet zonder
zekere trotschheid. "Ik vond hem aan het strand omdwalen. Hij wist
niet hoe hij hier zou komen, daarom heb ik hem hier gebracht."
"Mijn Hemel, Miss Beatrice, hoe weet gij dat hij dat is?" riep juffrouw
Thomas uit. "Hij kan wel een inbreker zijn."
"O, neen, dat is hij zeker niet," antwoordde Beatrice, en bij zichzelve
zeide zij: "Daar is hij niet slim genoeg voor."
Nu volgde er een lange beraadslaging. Juffrouw Thomas weigerde stijf
en sterk den vreemdeling binnen te laten zonder bewijzen van zijn
identiteit, en Beatrice, die partij voor hem trok, drong even sterk op
zijn aanspraken aan. Wat de wettige eigenaar zelven betrof, die wendde
nu en dan zwakke pogingen aan, om te bewijzen dat hij zichzelf was,
maar juffrouw Thomas bleef onverbiddelijk. Er was niets aan te doen.
"Ga maar liever naar het logement terug, mijnheer," zeide juffrouw
Thomas, met scherpe spotternij, "en kom morgen met uw bagage en
bewijzen."
"Hebt gij geen brieven bij u?" opperde Beatrice, als een laatst
hulpmiddel.
Toevallig had Owen een brief van den zaakwaarnemer aan hem over de
bezitting, en waarin de naam van juffrouw Thomas als huishoudster op
het kasteel genoemd werd. Daar had hij niet aan gedacht, maar nu werd
de brief te voorschijn gehaald en door Beatrice voorgelezen. Juffrouw
Thomas nam dien brief aan, en na hem oplettend door haar bril met
hoornen montuur wantrouwend bekeken te hebben, was zij wel genoodzaakt
de echtheid er van te erkennen.
"Ik vraag u wel verschooning, mijnheer," zeide zij, met half
twijfelachtige beleefdheid en juist niet veel tact, "maar men kan niet
te voorzichtig zijn, met al die landloopers, die hier omzwerven. Naar
uw uiterlijk te oordeelen, mijnheer, zou ik niet gezegd hebben dat
gij de eigenaar waart."
Dit mocht oprecht zijn, maar vleiend was het niet, en op echte
schoolmeisjesmanier, kon Beatrice niet nalaten er achter haar zakdoek
om te giegelen. Intusschen gingen zij naar binnen en werden door
juffrouw Thomas plechtig door groote en kleine portalen al de kamers,
de met eikenhouten beschoten boekerij en de groote gezelschapszaal
rondgeleid, in welke laatstgenoemde de witte hoofden van marmeren
beelden spookachtig uit de bruin linnen zakken, waarin zij gehuld
waren, staken.
Eindelijk kwamen zij aan een kleine, langwerpige kamer, die op het
zuiden lag, en van waar men een heerlijk uitzicht op land en zee
had. Die kamer werd het _boudoir_ genoemd en grensde aan een andere,
van omstreeks dezelfde grootte, die in den tijd van den vroegeren
eigenaar als rookkamer gebruikt werd.
"Als gij er niets tegen hebt, juffrouw," zeide de eigenaar van al
die pracht, "zou ik hier wel willen blijven; ik ben vermoeid van het
loopen." En hier bleef hij ook vele jaren. Het overige van het kasteel
werd gesloten: hij kwam er bijna nooit, dan alleen om te zien of de
kamers behoorlijk gelucht werden, want hij was een geregeld man.
Beatrice ging, nog bij zichzelve lachend, naar huis, waar Elisabeth
haar streng de les las over haar "ongepaste vrijmoedigheid." Maar
Owen Davies vergat nooit de dankbaarheid, die hij haar verschuldigd
was. In zijn hart gevoelde hij zich overtuigd dat, als zij er niet
bij was geweest, hij voor juffrouw Thomas de vlucht zou genomen
hebben, om nooit terug te komen. Het geval was echter, dat hij,
hoe jong Beatrice ook was, op staanden voet verliefd op haar was
geworden, en dat die verliefdheid met het verloopen der jaren al
dieper en dieper wortel had geschoten. Hij sprak er nooit van, hij
liet nauwelijks van zijn hopeloozen toestand iets blijken, hoewel
Beatrice er, natuurlijk, wel iets van vermoedde, toen zij tot jaren
van onderscheid was gekomen. Maar in het hart van den eenzamen Owen
was een sterke, alles overheerschende begeerte ontstaan om dat meisje
met haar grijze oogen tot zijn vrouw te hebben. Hij berekende den
tijd naar de tusschenpoozen dat hij haar zag. Die twee jaren, die
zij in het opleidings-instituut doorbracht, waren het ongelukkigste
tijdperk van zijn leven. Hij was een zeer lijdelijk minnaar, ten
minste dreef zijn toenemende liefde hem niet tot uitersten. Tot een
liefdesverklaring kon hij maar niet besluiten. Den beker had hij in
zijn hand, maar hij waagde het niet de teerling te werpen.
Hij zocht echter zooveel haar bijzijn als hij durfde. Eens gaf hij
Beatrice een bloem--toen was zij zeventien jaar--en op een plompe
wijze gaf hij daarbij de hoop te kennen, dat zij die om zijnentwil
zou dragen. Dat gezegde was niet veel, en de bloem was ook niet veel,
maar er was een uitdrukking in zijn blik en in den toon zijner stem,
die het scherpzinnig meisje genoeg zeide. Daarna bemerkte hij dat
zij hem vermeed, en bitter betreurde hij zijn stoutmoedigheid. Want
Beatrice hield niet van hem op die wijze zooals hij het wenschte. Voor
een meisje van haar stempel beteekende zijn rijkdom niets. Zij begeerde
geen rijkdom, zij begeerde onafhankelijkheid, en was verstandig genoeg
om wel te weten dat een huwelijk met zulk een man haar die niet zou
aanbrengen. Een kooi blijft altijd een kooi, of de tralies van ijzer
of van goud zijn. Hij verveelde haar, en zij verachtte hem, om zijn
gebrek aan schranderheid en ondernemingszucht. Dat een man met al dien
rijkdom en zooveel gelegenheid om zich te onderscheiden, op zulk een
wijze zijn leven doorbracht, vond zij onverdragelijk. Als zij maar
half zooveel kans had, zou zij haar naam van het eene einde van Europa
tot het andere doen weergalmen. Kortom, Beatrice verachtte Owen even
diep als hij bij Elisabeth, uit een ander gezichtspunt beschouwd, in
hooge achting stond. En nooit zou Beatrice willen trouwen met een man,
dien zij verachtte. Daarvoor bezat zij te veel gevoel van eigenwaarde.
Owen Davies zag dit alles met verdriet, en op zijn manier zocht hij
naar een middel tot toenadering. Hij had opgemerkt, dat Beatrice
hartstochtelijk veel van degelijke lectuur hield, en ook dat zij de
middelen niet bezat om zich de noodige boeken aan te schaffen. Dus
zette hij zijn bibliotheek voor haar open; het was een der beste
in Wales. Hij deed nog meer: hij gaf een Londensch boekverkooper
order, hem elk nieuw boek van beteekenis, dat in zekere soort van
litteratuur in 't licht verscheen, te zenden, en al die boeken
stelde hij tot haar beschikking, na eerst eigenhandig, de bladen
opengesneden te hebben. Dit was een lokaas, dat Beatrice niet kon
weerstaan. Al vermeed zij Davies, ja, al verfoeide zij hem ook,
op zijn boeken was zij zeer gesteld, en als zij in onmin met hem
was, zou haar bron van kennis opdrogen, want er waren te Bryngelly
geen leesbibliotheken. Dus bleef zij op een goeden voet met hem, en
glimlachte zelfs, als hij vruchtelooze pogingen deed om haar in haar
studie bij te houden. Die arme man! lezen was zijn zaak niet; bladen
opensnijden kon hij beter. Hij las de _Times_ en zekere godsdienstige
boeken, dat was alles. Maar hij worstelde dapper door menig verfoeid
boekdeel heen, om in staat te zijn er tegen Beatrice iets van te
zeggen; en het ergste er van was dat Beatrice dit altijd doorzag,
en het hem liet blijken ook. Dat was misschien niet vriendelijk,
maar de jeugd is soms wreed.
En zoo verliep jaar op jaar, totdat Beatrice eindelijk wist dat er een
crisis ophanden was. Zelfs de traagste en beschroomdste minnaar moet
er eindelijk voor uitkomen, als hij het ernstig meent, en Owen Davies
meende het zeer ernstig. Onlangs was hij, tot haar schrik, zoo ver
uit zijn schelp gekomen, dat hij zich tot lid van de schoolcommissie
had laten benoemen. Zij wist, natuurlijk, dat dit alleen was om meer
gelegenheden te hebben haar te zien. Als lid van de schoolcommissie
kon hij de school, waar zij onderwijs gaf, zoo dikwijls bezoeken als
hij verkoos, en al spoedig stelde hij dan ook het levendigst belang in
de opvoeding der dorpsjeugd. Tweemaal in de week kwam hij binnenloopen,
juist als de school uitging, en dan bood hij aan haar thuis te brengen,
om een gunstige gelegenheid voor zijn aanzoek te hebben. Tot dusverre
had zij dit laatste nog altijd weten af te wenden, maar zij wist dat
het er toe komen moest.
Niet dat zij bevreesd voor den man zelf was, daartoe was _hij_ te
bevreesd voor _haar_. Wat zij vreesde, was de uitbarsting van toorn
van haar vader en haar zuster, als zij hoorden dat zij Owen Davies
had afgewezen. Het kwam volstrekt niet bij haar op, dat Elisabeth
weleens haar eigen kaart zou kunnen spelen.
Uit dit alles zal duidelijk blijken, als het niet reeds gebleken
is, dat Beatrice Granger een vrij eigenzinnige jonge dame was,
geboren om zichzelve en allen, die met haar in betrekking stonden,
last aan te doen. Als het anders geweest was, zou zij haar geluk niet
vergooid hebben en met Owen Davies getrouwd zijn, in welk geval haar
geschiedenis niet geschreven had behoeven te worden.
Hoofdstuk VII.
Een echtelijk praatje.
Voordat Geoffrey Bingham, op dien gewichtigen avond van den storm,
in een onrustigen slaap viel, vernam hij dat het meisje, dat zijn
leven had gered, bijna ten koste van het hare, buiten gevaar was,
en op zijn meer bedaarde wijze dankte hij de Voorzienigheid even
innig als Owen Davies het gedaan had. Daarna ging hij slapen.
Toen hij, met een pijnlijk gevoel en zoo stijf dat hij zich nauwelijks
kon verroeren, ontwaakte, scheen het heldere daglicht reeds door de
blinden. Het was volkomen stil in de kamer, want de assistent van den
dokter, die hem tot het leven had teruggeroepen en op een sofa aan het
andere einde van de kamer lag, sliep den rustigen slaap der jeugd en
totale uitgeputheid. Alleen een pendule op den schoorsteenmantel tikte
eentonig, met dien plechtigen indruk, welken pendules in de stilte op
ons maken. Geoffrey spande zijn oogen in, om te zien hoe laat het was,
en ontdekte dat het eenige minuten vóór zessen was. Toen begon hij er
over te denken hoe het met Miss Granger zou zijn, en zich elk tooneel
van hun avontuur voor den geest te halen, tot het laatste, toen zij uit
het bootje geslingerd en door die schuimende golf verzwolgen werden.