De toegesprokene beaamde dit, en de dikke man in een zwarten

mantel gehuld, die bij de draagbaar liep, zuchtte weder. Eenige

oogenblikken later kwamen zij door de groep pijnboomen aan de deur

der pastorie. Een groep menschen stond aan de deur. Het schijnsel

van een ganglantaarn viel op hen en deed hen scherp tegen de donkere

lucht uitkomen. Vooraan, met een lantaarn in de hand, stond een

man van ongeveer zestig jaar, met sneeuwwit haar, dat verward over

zijn gerimpeld voorhoofd hing. Hij was van middelbare lengte en min

of meer gebogen van houding. Hij had kleine, scherpe oogen en een

harden trek om den mond. Door zijn korte, grijze bakkebaarden en zijn

ruige wenkbrauwen liep nog een gele tint. Zijn gelaat had een roode,

gezonde kleur, en alleen aan zijn vuile witte das en zijn kale zwarte

jas was het te zien, dat hij niet was waar men hem voor gehouden zou

hebben en wat hij ook in zijn hart was, namelijk een ruwe boer. Kortom,

hij was Beatrice's vader en geen boer, hoewel hij al de eigenschappen

van een boer bezat, maar een predikant.

Naast hem stond Elisabeth, Beatrice's zuster, die vijf jaar ouder was

dan zij. Zij was een slechte copie van Beatrice, of, juister gezegd,

Beatrice was een prachteditie van Elisabeth. Beiden hadden zij bruin

haar, maar dat van Elisabeth was lichter van kleur en had niet dien

goudkleurigen glans. Elisabeth's oogen waren ook grijs, maar van

een koud, waterachtig grijs, als dat van een Februari-lucht. En

zoo was het met elken gelaatstrek en met de uitdrukking ook. De

uitdrukking van Beatrice's gelaat was open en edel, soms in haar

fierheid uitdagend. Men had haar slechts aan te zien, om te weten

dat zij eigenzinnig kon zijn en in haar eigenzinnigheid kon dwalen,

maar dat zij tot geen laagheid in staat was. Welk van de tien geboden

zij mocht overtreden, het gebod van geen valsche getuigenis te

spreken tegen zijn naaste zou het niet zijn. Dat kon ieder in haar

oogen lezen. Maar in die van haar zuster was, niettegenstaande zij

flauwer waren dan de hare, een zekere geslepenheid te bespeuren. Voor

't overige had Elisabeth een bevallige gestalte, maar zij miste de

bekoorlijke rondheid van vormen harer zuster, hoewel die twee zoo op

elkaar geleken, dat men op een afstand de een wel voor de andere had

kunnen aanzien. Men zou zich bijna kunnen verbeelden, dat de natuur

een proef met Elisabeth had genomen alvorens te besluiten Beatrice

voort te brengen, ten einde de juiste lijnen en evenredigheden te

verkrijgen. De oudere zuster was, in vergelijking met de andere,

wat het dof, onvoltooid model van klei is tegenover het glanzig beeld

van ivoor en goud.

"O, mijn God! mijn God!" jammerde de oude man; "zie, zij liggen op

de draagbaar. Zij zijn beiden dood. O, Beatrice! Beatrice! en van

ochtend nog heb ik haar harde woorden toegevoegd."

"Wees zoo gek niet, vader," zeide Elisabeth op scherpen toon. "Zij

zijn misschien alleen maar bewusteloos."

"Ja, jou kan het niet schelen," snauwde hij, "jij houdt niet van je

zuster. Je bent jaloersch op haar. Maar ik heb haar lief, al verstaan

we elkaar ook niet. Daar komen zij aan. Sta daar niet te kijken. Ga

zien of de dekens gewarmd zijn en al het noodige in gereedheid

is. Dokter, zeg mij, is zij dood?"

"Hoe kan ik dat zeggen, voordat ik haar gezien heb?" scheepte de

dokter hem ruw af, terwijl hij naar binnen ging.

De pastorie van Bryngelly was een zeer eenvoudig gebouwd huis. Bij

het binnenkomen bevond men zich in een gang met deuren rechts en

links. Rechts was de deur van de huiskamer en links die van de

eetkamer, en beide waren lang, laag en smal. Aan het einde van de

gang kwam men aan een andere, die rechthoekig met den eerste door de

breedte van het huis liep, met eenige deuren van slaapkamers aan de

zijde het verst van den ingang af. De kamer aan het einde rechts was

de slaapkamer van Beatrice en haar zuster; die daarnaast was ledig,

de derde was van Granger en de vierde was de logeerkamer. Behalve nog

de keuken en een slaapplaats voor de dienstbode, achter de eetkamer,

was dit de geheele inrichting van het huis.

In beide de voornaamste kamers was vuur aangelegd. Geoffrey werd naar

de eetkamer gebracht en door den assistent van den dokter behandeld,

en Beatrice naar de huiskamer waar de dokter zelf zijn zorgen aan haar

wijdde. Binnen weinige oogenblikken was de kamer van allen behalve de

helpers ontruimd, en begon het werk. De dokter zag naar Beatrice's van

koude ineengekrompen gestalte en naar het schuim op haar lippen. Hij

lichtte een ooglid op en hield een licht voor den samengetrokken

oogappel. Toen schudde hij het hoofd en ging met allen ijver aan het

werk. Wij behoeven hem in den loop van die akelige werkzaamheden,

waarmede de meeste menschen wel min of meer bekend zijn, niet te

volgen. Hoe hopeloos zij ook schenen, ging hij er uur op uur mee voort.

Intusschen bewezen de assistent-geneeskundige en eenigen, die hem

hielpen, Geoffrey Bingham denzelfden dienst, en van tijd tot tijd

kwam de dokter, een schraal man van een schrander voorkomen, even

zijn voorschriften geven en zien hoe de zaken stonden. Hoewel nu

Geoffrey het langst in het water was geweest, was hij er verreweg

het best aan toe, want toen hij zonk, was hij reeds bewusteloos,

en in dien toestand vindt iemand niet zoo licht zijn dood in het

water als wie ademt en spartelt en al zijn krachten tot levensbehoud

inspant. Zoo kwam het dus, dat na omstreeks twintig minuten wrijven

met warme doeken en het aanwenden van de kunstmatige ademhaling,

Geoffrey eensklaps een vinger boog. De assistent van den dokter, een

levendig jongeling, die pas zijn arts-examen gedaan had, deed een kreet

van blijdschap hooren en wreef met verdubbelden ijver. Nu hoestte het

voorwerp, dat hij onder zijn behandeling had, en een oogenblik later,

toen de benauwdheid van het terugkeerend leven zich deed gevoelen,

ontsnapte den patiënt een krachtige vloek.

"'t Is in orde met hem!" kwam de assistent den dokter berichten. "Hij

vloekt al mooi!"

Dokter Chambers, die in de andere kamer met zijn treurige en weinig

belovende taak bezig was, glimlachte droevig, en riep den assistent

toe, dat hij maar met zijn behandeling moest voortgaan, wat hij dan

ook uit al zijn macht deed.

Allengs werden de levensgeesten weder in Geoffrey opgewekt, maar

hij leed nog zware benauwdheid. Het eerste, wat hij gewaar werd,

was de gedaante van een rijzige en elegante vrouw, die zich over

hem heen boog en er half verlegen, half verschrikt, uitzag. Hij had

nog geen besef wie dat zijn kon. Die rijzige gestalte en dat schoon,

maar koel gelaat kwamen hem zoo bekend voor, en toch kon hij zich den

naam niet herinneren. Niet voordat zij sprak, begreep zijn verdoofd

brein dat hij zijn vrouw zag.

"Wat ben ik blij dat ge weer beter zijt. Ge hebt me doodelijk

verschrikt. Ik dacht dat ge verdronken waart."

"Dank u, Honoria," zeide hij, met een flauwe stem, en meteen kermde

hij, door een nieuwe vlaag van hevige benauwdheid aangetast.

"Ik hoop dat niemand Effie er iets van gezegd heeft," zeide Geoffrey

een poos daarna.

"Ja, het kind wilde niet naar bed gaan, omdat ge niet terug waart

gekomen, en toen de veldwachter kwam, hoorde zij hem juffrouw Jones

vertellen, dat ge verdronken waart, en zij kreeg het bijna op haar

zenuwen. Zij moest tegengehouden worden, anders zou zij hierheen

geloopen zijn."

Geoffrey's bleek gelaat nam een uitdrukking van diepe treurigheid aan,

"Hoe hebt ge het kind zulk een schrik kunnen aanjagen?" zeide hij. "Ga

haar dadelijk zeggen dat ik wel ben."

"'t Was mijn schuld niet," hernam Lady Honoria, haar welgevormde

schouders ophalende, "Bovendien is er met Effie niets te beginnen. Zij

gaat aan als een razende over u."

"Ga het haar, als 't u belieft, zeggen, Honoria," herhaalde haar

echtgenoot.

"O, ja, ik zal gaan," antwoordde zij. "Het zal mij eigenlijk ook

niet spijten hier van daan te zijn; ik begin een gevoel te krijgen

alsof ik zelve verdronken was," en zij zag naar de dampende doeken,

en huiverde. "Adieu Geoffrey. 't Is een ontzaglijke verlichting voor

mij te weten dat ge er goed afgekomen zijt. Ik werd raar om mijn hart

van de boodschap, die de veldwachter mij bracht. Ik kan u, zoo laag als

ge daar ligt, geen kus geven, anders zou ik het doen. Tot weerziens,

mijn lieve."

"Adieu, Honoria," zeide haar echtgenoot, met een flauwen glimlach.

De assistent-geneeskundige zag een weinig verbaasd. Hij was, wel is

waar, nooit tegenwoordig geweest bij een ontmoeting tusschen man en

vrouw, als een van het paar ter nauwernood aan een plotselingen dood

ontkomen was; maar het kwam hem toch voor dat er iets was, wat zoo

niet behoorde. De dame scheen hem toe niet in haar rol te zijn van een

echtgenoote, die den Hemel dankte. Het was hem een raadsel. Misschien

liet zijn gelaat daarvan iets blijken. In allen gevalle meende Lady

Honoria, wie het niet aan scherpzinnigheid ontbrak, er zoo iets op

te lezen.

"Hij is nu behouden, niet waar?" vroeg zij. "Het zal er niet op

aankomen of ik heenga?"

"Neen, mevrouw," antwoordde de assistent, "hij is, geloof ik, buiten

gevaar. Gij kunt gerust heengaan."

Lady Honoria aarzelde een weinig: zij bleef in de gang staan. Toen

wierp zij een blik door de deur in de kamer aan de overzijde en zag

daar Beatrice's strakke gedaante en den dokter, die zich over haar

heen boog. Haar hoofd lag achterover, en haar glanzig, bruin haar,

dat nu bijna droog was, hing in weelderige vlechten over den grond,

terwijl haar gelaat den akeligen stempel des doods vertoonde.

Lady Honoria huiverde. Dat was voor haar niet om aan te zien. "Zou het

noodig zijn, dat ik van avond nog terugkwam?" vroeg zij den assistent.

"Ik geloof het niet," antwoordde hij, "tenzij gij mocht willen hooren

of Miss Granger bijkomt?"

"Dat hoor ik morgenochtend wel," zeide zij, "Arm meisje! Ik kan haar

toch niet helpen."

"Neen, Lady Honoria, gij kunt haar niet helpen. Zij heeft uw echtgenoot

het leven gered, zegt men."

"Zij moet een moedig meisje zijn. Zou zij weer bijkomen?"

De assistent schudde het hoofd.

"Misschien wel. Het heeft er nu nog niet veel van."

"Arm schepsel! Zoo jong en zoo schoon! Wat heeft ze een lief gezichtje,

en wat een arm!" En Lady Honoria huiverde weder en ging heen.

Buiten de deur stond nog een deelnemende groep, niettegenstaande het

vergevorderde uur en het slechte weer.

"Dat is zijn vrouw," zeide er een, en men maakte ruimte om haar door

te laten.

"Waarom blijft zij niet bij hem?" vroeg een vrouw, op hoorbaren

toon. "Als het _mijn_ man was, zou ik een uur lang bij hem gebleven

zijn om hem te omhelzen."

"Ja, je zoudt hem met je omhelzingen gesmoord hebben." gaf iemand

haar ten antwoord.

Lady Honoria liep door. Opeens kwam een dik man uit de schaduw van

de pijnboomen te voorschijn. Zij kon zijn gelaat niet zien, maar hij

was in een wijden mantel gehuld.

"Neem mij niet kwalijk," zeide hij met de heesche stem van iemand,

die met aandoeningen kampt, welke hij niet kan bedwingen, "maar gij

kunt het mij zeker wel zeggen. Leeft zij nog?"

"Bedoelt gij Miss Granger?" vroeg zij.

"Ja, natuurlijk. Beatrice--Miss Granger."

"Zij weten het nog niet, maar zij denken--"

"Ja, ja--zij denken--"

"Dat zij dood is."

De man zeide geen woord meer. Hij liet het hoofd op de borst zinken,

keerde zich, om en verdween weder in de schaduw van de pijnboomen.

"Hoe zonderling!" dacht Lady Honoria, terwijl zij zich naar haar woning

spoedde. "Die man is zeker verliefd op haar. Nu, dat verwondert mij ook

niet. Ik heb nooit zulk een lief gezichtje en zoo'n arm gezien. Wat zou

er van dat tooneel een schilderij te maken zijn. Zij redde Geoffrey

het leven en nu is zij dood. Als hij _haar_ het leven had gered,

zou het mij niet verwonderd hebben. 't Is iets uit een roman."

Men ziet hieruit dat Lady Honoria niet van zekere romaneske begrippen

en kunstgevoel ontbloot was.

Hoofdstuk V.

Elisabeth is dankbaar.

Geoffrey, die voor het vuur lag, pas aan den dood ontsnapt, had iets

van het gesprek tusschen zijn vrouw en den assistent, die hem in het

leven had teruggeroepen, opgevangen. Zij was dus dood, dat moedige,

schoone, atheïstische meisje--zij was daarheen gegaan, waar de waarheid

aan het licht zou komen. En zij had zijn leven gered!

De assistent had zich eenige minuten verwijderd. Hij hielp in de

andere kamer. Eindelijk kwam hij weer binnen.

"Wat hebt gij tegen Lady Honoria gezegd?" vroeg Geoffrey, met een

zwakke stem. "Hebt gij gezegd, dat Miss Granger mij gered heeft?"

"Ja, mijnheer Bingham; dat heeft men mij ten minste verteld. In allen

gevalle, toen men haar uit het water ophaalde, heeft men u tegelijk

met haar opgehaald. Zij had u bij het haar vast."

"Groote Hemel!" kermde hij, "en mijn zwaarte moet haar naar beneden

getrokken hebben. Is zij dan dood?"

"Dat kunnen wij nog niet met zekerheid zeggen. Wij gelooven het wel."

"De Hemel geve, dat zij niet dood is," zeide hij, meer bij zich zelf

dan tot den ander. En overluid liet hij er op volgen: "Verlaat mij,

ik ben nu weer in orde. Ga haar helpen. Maar wacht, kom mij nu en

dan zeggen hoe het met haar gaat."

"Goed. Ik zal een vrouw bij u zenden, om u verder op te passen,"

en hij ging heen.

Inmiddels ging in de andere kamer de behandeling van de drenkeling

langzaam voort. Twee uren waren verloopen, en nog gaf Beatrice

geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Het hart klopte niet,

er was volstrekt geen polsslag, maar, zooals de dokter wist, er

was misschien nog leven in de weefsels. Langzaam, zeer langzaam,

werd het lichaam heen en weer gekeerd, zoodat het hoofd zwaaide en

het lange haar nu aan deze, dan aan gene zijde viel, maar nog was er

geen spoor van leven. Elk hulpmiddel van de geneeskunde, warme lucht,

wrijving, kunstmatige ademhaling, electriciteit, alles werd aangewend,

maar te vergeefs.

Elisabeth, die er met een strak en bleek gelaat bij stond, gaf alles

aan wat er noodig was. Zij hield niet veel van haar zuster; haar

belangen waren met elkander in strijd, of ten minste zoo dacht zij,

maar die plotselinge dood was akelig. In een hoek zat, erbarmelijk om

te zien, jammerend en biddend, de oude predikant, en zijn wit haar hing

over zijn oogen. Hij was een zwak, knorrig man, maar op zijn manier

had hij zijn schoone en knappe dochter lief, en haar zoo te zien,

was een foltering voor zijn ziel, zooals hij in geen jaren gekend had.

"Zij is dood," zei hij gestadig, "zij is dood; de wil des Heeren

geschiede. Nu moet er een andere meesteres op de school zijn. Zeventig

pond 's jaars zal zij kosten--Zeventig pond 's jaars!"

"Wees bedaard, vader," zeide Elisabeth scherp.

"Ja, jij hebt goed praten dat ik bedaard moet zijn. Je bent bedaard,

omdat het je niet kan schelen. Je hebt nooit veel van je zuster

gehouden. Maar _ik_ heb haar liefgehad sedert zij een klein blondkopje

was, en je goede moeder ook. 'Beatrice,' was het laatste woord,

dat zij sprak."

"Wees bedaard, vader," hernam Elisabeth op nog scherper toon. De oude

man gaf geen antwoord, verzonk in een halve verdooving en wiegde zich

op zijn stoel heen en weer.

Intusschen werd het werk zonder tusschenpoozing voortgezet.

"Het baat niet," zeide de assistent eindelijk, terwijl hij zijn

vermoeid lichaam uitrekte en het zweet van zijn voorhoofd wischte. "Zij

moet dood zijn; wij zijn nu drie uur met haar bezig geweest."

"Geduld," antwoordde de dokter. "Als het noodig is, zal ik het vier

uur volhouden--of totdat ik er bij neerval," liet hij er op volgen.

Nog tien minuten verliepen. Iedereen wist, dat het een hopelooze taak

was, maar toch hoopte men.

"Groote Hemel!" riep de assistent opeens uit, terugdeinzende en op

Beatrice's gelaat wijzende. "Zaagt gij dat?"

Elisabeth en Granger sprongen overeind, roepende: "Wat? Wat?"

"Blijft zitten," zeide de dokter, hen terug wenkende. En zich tot

zijn assistent wendende, sprak hij met gedempte stem: "Ge bedoelt

dat ge het rechterooglid hebt zien bewegen, Williams? Dat heb ik ook

gezien. Leg de batterij aan."

Williams deed het.

"Nu met volle kracht," hernam de dokter, "'t Is nu dood of leven."

De electrische schok werd eenige seconden zonder gevolg

aangebracht. Maar plotseling ging er een huivering door de leden en

een hand bewoog. Het volgend oogenblik gingen de oogen open, en met

een benauwde ademhaling keerde het leven in Beatrice terug. Nog tien

minuten, en zij was door de poorten des doods tot de levende wereld

wedergekeerd.

"Laat mij sterven," bracht zij hijgend, met een zwakke stem uit. "Ik

kan het niet verdragen. O, laat mij sterven!"

"Stil," zeide de dokter; "aanstonds zijt ge beter."

Nog tien minuten verliepen, en toen zag de dokter aan haar oogen,

dat Beatrice iets wilde zeggen. Hij boog zijn hoofd naar haar toe,

totdat het bijna haar lippen aanraakte.

"Dokter Chambers," fluisterde zij, "is hij verdronken?"

"Neen, hij is behouden; wij hebben hem bijgebracht."

Zij zuchtte. Het was een diepe zucht, half van smart, half van

verlichting, Toen sprak zij weder:

"Is hij aan land gespoeld?"

"Neen. Gij hebt zijn leven gered. Gij hadt hem vast, toen men u uit

het water haalde. Drink dit nu, en ga slapen."

Een zachte glimlach speelde over Beatrice's gelaat, maar zij zeide

niets. Toen dronk zij van den drank zooveel als zij kon, en kort

daarna volgde zij ook den laatsten wenk op, en viel in slaap.

Intusschen had het gerucht van die wonderbare herstelling zich buiten

het huis verspreid, totdat het eindelijk ook den eenzamen man in de

schaduw van de pijnboomen ter oore kwam.

Niet zoodra hoorde hij het, of in de hevigste ontroering liep hij

met snelle schreden naar de deur van de pastorie. Hier scheen zijn

moed hem te begeven, want hij aarzelde.

"Klop aan, _Squire_, klop aan, en vraag of het waar is," zeide

een vrouw, dezelfde, die verklaard had, dat zij haar man door haar

omhelzingen in het leven teruggeroepen zou hebben.

Dit gezegde scheen hem aan te moedigen, althans hij klopte aan. De

deur werd geopend door Elisabeth.

"Ga heen," beet zij hem toe: "er moet stilte in huis zijn."

"Ik vraag u verschooning, Miss Granger," zeide de bezoeker, op een

allernederigsten toon. "Ik wilde alleen maar weten of het waar is

dat Miss Beatrice leeft."

"Wel, zijt gij het, mijnheer Davies?" hernam Elisabeth, met

schrik. "Dat kon ik niet denken. Kom binnen, en ik zal de deur

dichtdoen. Zoo! Hoe lang hebt gij buiten gestaan?"

"O, sedert zij hier gebracht zijn. Maar is het waar?"

"Ja, ja, 't is waar. Zij zal nu wel herstellen. En al dien tijd

hebt gij in dat weer buiten gestaan. Beatrice mag zich wel gevleid

gevoelen."

"Volstrekt niet. Ik vond het zoo akelig, en--ik stel zooveel belang--"

en eensklaps brak hij af.

"Zooveel belang in Beatrice," zeide Elisabeth, den volzin

aanvullende. "Ja, dat schijnt wel zoo," en eensklaps, als toevallig,

hield zij den blaker, dien zij in de hand hand, zoo, dat het volle

schijnsel van het licht op Owen Davies' gelaat viel. Het was een vrij

dom gezicht, maar anders niet leelijk. De kleur was frisch als die

van een kind, de oogen waren groot, blauw en zacht, en het golvende

bruine haar was voor menige vrouw om te benijden. Ja, als niet een

korte, maar volle baard daarmede in tegenspraak was geweest, zou men

het eer voor het gelaat van een negentienjarig jongeling dan van een

man over de dertig gehouden hebben. Tijd noch zorg had er een enkelen

trek op gegrift; het getuigde van volkomen en sterke gezondheid en

had nog al den bloei der eerste jeugd. 't Was het gelaat van een

man, die wel honderd jaar kon worden en er dan nog jong zou uitzien,

en de gestalte was er mede in overeenkomst.

Davies bloosde tot over zijn ooren onder Elisabeth's vorschenden blik.

"Natuurlijk stel ik belang in het lot van een mijner buren," zeide hij,

op zijn langzamen bedaarden toon. "Zij is dus buiten alle gevaar?"

"Ik geloof het wel," antwoordde Elisabeth.

"Goddank!" zeide hij, of liever, dat scheen hem in een zucht van

verlichting te ontsnappen. "Hoe kwam het dat die heer, mijnheer

Bingham, bij haar werd gevonden?"

"Hoe zou ik dat weten?" gaf zij schouderophalend ten

antwoord. "Beatrice heeft zijn leven gered, zij hield hem nog vast

nadat zij bewusteloos was."

"'t Is verwonderlijk. Ik heb nooit zoo iets gehoord. Wat is hij

voor iemand?"

"Hij is een van de knapste mannen, die ik ooit gezien heb," antwoordde

Elisabeth, hem nog steeds vorschend gadeslaande.

"Zoo! Maar hij is, meen ik, getrouwd, Miss Granger?"

"O, ja, hij is getrouwd met de dochter van een pair--hij weet maar

al te goed dat hij getrouwd is, geloof ik."

"Ik begrijp u niet, Miss Granger."

"Niet, mijnheer Davies? Gebruik dan uw oogen, als gij hen bij

elkander ziet."

"Ik zou niets zien. Ik ben zoo slim niet als gij."

"Hoe zult gij van avond naar het kasteel teruggaan, mijnheer Davies? In

dien wind kunt gij niet roeien, en de zee zal den straatweg overstroomd

hebben."

"O, ik zal er wel komen. Ik ben toch al nat; wat meer of minder zal

mij niet hinderen, en ik heb een ketting laten spannen, om te voorkomen

dat iemand weggespoeld wordt. En nu moet ik weg. Goeden avond."

"Goeden avond, mijnheer Davies." Hij aarzelde een oogenblik en

zeide toen: "Zoudt gij--zoudt gij zoo goed willen zijn uw zuster te

zeggen--ik bedoel, natuurlijk, als zij sterker is--dat ik naar haar

ben komen vragen?"

"Mij dunkt, dat gij dat zelf wel kunt doen, mijnheer Davies," zeide

Elisabeth bijna lomp. "Ik bedoel, dan zal het meer gewaardeerd worden,"

en zij keerde zich om.

Owen Davies waagde het niet iets meer te zeggen. Hij gevoelde, dat

Elisabeth's toon wel wat scherp was, en hij was een weinig bang voor

haar. "Zij vindt zeker, dat ik niet goed genoeg ben om haar zuster

oplettendheden te bewijzen," dacht hij, terwijl hij in de duisternis

en den regen heenliep. "Zij heeft gelijk--ik ben niet goed genoeg

om haar schoenen te poetsen. O, God, ik dank U dat Gij haar leven

gered hebt! Ik dank U!--ik dank U!" gaf hij zijn hart lucht. "Als

zij gestorven was, geloof ik dat ik ook gestorven zou zijn. O, God,

ik dank U!'"

Het denkbeeld dat Owen Davies, Esq. van Bryngelly Castle, eigenaar

van die kleine badplaats in haar opkomst en van een der grootste

lei-mijnen in Wales, en een jaarlijksch inkomen van tusschen de zeven

en tien duizend pond bezittende, niet goed genoeg was om de laarsjes

van haar schoone zuster te poetsen, was nooit bij Elisabeth Granger

opgekomen. En als het ooit bij haar opgekomen was, zou zij er om

gelachen hebben, want Elisabeth had een praktisch verstand.

Wat wel bij haar opkwam, toen zij de welgedane gestalte van den

rijken grondbezitter in de duisternis zag verdwijnen, was een

zeker gevoel van iets meer dan nieuwsgierigheid. Gesteld dat zij

die huivering van terugkeerend leven niet door die blanke leden

had zien gaan; gesteld dat die al kouder en kouder waren geworden,

totdat eindelijk de dood zich zoo vast in dat stille hart gezeteld

had, dat alle menschelijke kunde voor zijn heerschappij had moeten

zwichten? Wat dan? Owen Davies beminde haar zuster; dat wist zij,

en dat had zij sinds jaren geweten. Maar zou hij het mettertijd niet

te boven gekomen zijn? Zou hij niet mettertijd door zijn gevoel van

eenzaamheid overstelpt zijn geworden en zijn hand, zoo niet zijn

hart, aan een andere vrouw geschonken hebben? En zou zij, die zijn

hand bezat, ook zijn hart niet kunnen winnen? En aan wie zou die hand

geschonken worden--en alles wat met die hand geschonken werd? Welke

vrouw zou die kluizenaar, zonder familie of vrienden, anders gekozen

hebben dan haar--Elisabeth--die zooveel van hem hield als zij van

iemand houden kon, wat misschien juist niet veel gezegd was, maar

die in allen gevalle gaarne zijn vrouw zou willen worden? Zou dat

alles niet gebeurd zijn, als zij dat ooglid niet had zien trillen,

als die lichte huivering niet door haar zusters leden was gegaan? Ja,

dat zou het, dat wist zij.

Over dit alles dacht Elisabeth, terwijl zij in de gang stond, en een

begeerig licht straalde uit haar fletse oogen en verhelderde haar bleek

gelaat. Maar zij drong die gedachten terug; zij was niet zoo slecht om

te wenschen dat haar zuster niet tot het leven teruggeroepen was. Zij

hield slechts bespiegelingen, wat in dat geval had kunnen gebeuren,

even als men een schaakprobleem uitwerkt.

Misschien ook was hetzelfde doel op een andere wijze te

bereiken. Misschien kon Davies nog wel van zijn verzotheid afgebracht

worden. Het was moeilijk over dien muur te klimmen, maar het zou

al zeer moeilijk moeten zijn, als zij er geen middel op wist te

vinden. Het kwam niet bij haar op, dat er misschien een open deur kon

zijn. Zij kon het niet mogelijk achten dat een meisje Owen Davies met

zijn zeven à tien duizend pond 's jaars zou afwijzen, en nog wel een

onbemiddeld meisje, in een afhankelijke positie. Bryngelly Castle

met al zijn rijkdom en weelde en al zijn gemakken afwijzen? Neen,

eer zou de zon in het oosten ondergaan. Het moest niet eens zoo

ver komen, dat zij er toe in de gelegenheid was. Het begeerig licht

verdween uit Elisabeth's oogen; zij ging weder naar de ziekenkamer,

en juist toen zij die wilde binnentreden, kwam haar vader er uit.

"Wie was daar aan de deur?" vroeg hij.

"Mijnheer Davies van Bryngelly Castle, vader."

Beatrice(#24830) · 第 2 / 25 段