"En waarom denkt gij, dat ik een groot man zal worden?" vroe

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Beatrice.

Uit het Engelsch

van

H. Rider Haggard,

Schrijver van "Jess," enz.

door

C. Baarslag.

Amsterdam,

Holdert & Co.

1890.

Hoofdstuk I.

Een visioen in den nevel.

De herfstnamiddag ging in avond over. De lucht was bewolkt geweest,

maar de wolken hadden zich van lieverlede in een donkerblauw

opgelost. De zee was zoo stil alsof zij sliep, doch in haar slaap rees

zij met den wassenden vloed. Het oog kon dat langzamerhand wassen niet

opmerken, maar Beatrice, die op het uiterste punt van de _Dog Rocks_

stond, zag het lange, bruine zeewier aan den kant der rotsen allengs

onder de groene golven verdwijnen. Inmiddels had zich een dichte

nevel over het stille water verspreid. Hij was niet uit het westen

aangewaaid, hij kwam eenvoudig als de schemering, maakte de stilte

nog stiller, en deed de omtrekken van het land ineensmelten. Beatrice

zag niet meer naar het zeewier, en vestigde al haar aandacht op dat

toenemend nevelachtig waas.

"Welk een merkwaardige avond!" zeide zij bij zichzelve. "Zoo een heb

ik niet gezien sedert moeder gestorven is, en dat is nu zeven jaar

geleden. Ik ben sedert dien tijd gegroeid, in elk opzicht gegroeid,"

en zij lachte eenigszins droevig, en zag naar haar eigen afspiegeling

in het water.

Zij had nauwelijks naar iets bekoorlijkers kunnen zien, want

bezwaarlijk had men een meisje kunnen vinden van een edeler voorkomen

dan Beatrice Granger, terwijl zij op dezen haar twee-en-twintigsten

verjaardag daar op de nevelachtige zee staarde.

Van iets meer dan middelbare lengte, en van eene gestalte, die een

beeldhouwer tot model had kunnen dienen, schenen kracht en gezondheid

uit haar geheele wezen te stralen. Maar het was inzonderheid haar

gelaat, met den stempel van schranderheid en zielskracht, wat

haar zelfs onder vrouwen, die schooner waren dan zij, in 't oog

moest doen vallen. Er zijn vele meisjes, die weelderig, bruin haar

hebben, meisjes, wier donkergrijze oogen eene teedere uitdrukking

kunnen aannemen, als die eener duif, of schitteren als de door de

zon bestraalde zee, en die de vergelijking met eene bloeiende roos

kunnen doorstaan. Maar weinigen kunnen een gelaat vertoonen zooals

Geoffrey Bingham dat voor 't eerst, tot zijne droefheid en zijne hoop,

aanschouwde. Het teekende de kracht en frischheid van de zeekoelte,

en wie het zag moest wel weten dat er een even frissche, krachtige

geest uit sprak. En toch was het echt vrouwelijk; het had niets van

den harden stempel der "beschaafde" vrouw. Zij, die dat gelaat bezat,

was tot vele dingen in staat. Zij kon liefhebben en zij kon lijden,

en als het noodig was, kon zij moedig strijden of sterven. Dat stond

te lezen op dat edel, open voorhoofd en in die zielvolle, grijze

oogen--namelijk, voor hen, voor wie het karakter geen gesloten boek

is en wie het willen bestudeeren.

Maar Beatrice dacht niet aan haar bekoorlijkheid, terwijl zij in

het water staarde. Zij wist, natuurlijk, wel dat zij schoon was;

haar schoonheid was te in 't oogvallend om voorbijgezien te worden,

en bovendien was zij er op verscheidene, meer of minder aangename

wijzen opmerkzaam op gemaakt.

"Zeven jaar," dacht zij, "sedert dien avond van den 'nevel des doods,'

zooals de oude Eduard het noemde, en dat was het ook. Ik was toen

nog maar zóó hoog," en den loop harer gedachten volgende, raakte zij

haar borst aan. "En ik was op mijn wijze gelukkig ook. Waarom kan

men niet altijd vijftien jaar zijn en alles gelooven wat ons verteld

wordt?" en zij zuchtte. "Zeven jaar en nog niets gedaan. Werken,

werken, en van dat werken komt niets, en alles verdwijnt. Ik vind het

leven zeer vervelend, als men alles verloren en niets gevonden heeft,

en niemand liefheeft. Hoe zou het over zeven jaar zijn?"

Zij bedekte haar oogen met de handen, en daarna zag zij weder in

het water. Het licht, dat door den nevel worstelde, was achter haar,

en de nevel werd dichter. Eerst had zij eenige moeite om haar eigen

beeld in den waterspiegel te onderscheiden, en het vertoonde zich

aan haar, alsof zij in het met den nevel samensmeltende water op den

rug lag. "Hoe zonderling komt mij dat voor," dacht zij; "wat is het,

waaraan die afspiegeling, met al dat wit er omheen, mij herinnert?"

Het volgend oogenblik ontglipte haar een kreet, en wendde zij zich

af. Nu wist zij het. Het beeld harer moeder was haar voor den geest

gekomen, zooals zij haar zeven jaar geleden gezien had.

Hoofdstuk II.

Bij de Belrots.

Op ruim een mijl afstands van de plaats, waar Beatrice stond en

visioenen zag, en verder langs de kustlijn, steekt een tweede

groep rotsen, om haar kleur bekend als de Roode Rotsen, of soms,

om een andere reden, als de Belrotsen, ongeveer drie kwart mijl ver

in de zee vooruit. Bij eb zijn die rotsen bloot, zoodat men tot het

uiterste punt kan loopen of waden; maar als het volle vloed is, komen

slechts de met zeewier begroeide kruinen van twee der grootste boven

de klotsende golven uit. Bij zekeren wind en getij is dit in ruw weder

een allergevaarlijkste plek, zooals menig schip ten zijnen koste heeft

ondervonden. In 1780 is daar een driedekker-oorlogsschip, met zeven

honderd koppen bemand, in een vreeselijken winterstorm gestrand, en,

op één uitzondering na, met man en muis vergaan. Die ééne uitzondering

was een man in boeien geslagen, die, op een stuk van het wrak gezeten,

veilig en bedaard aan land kwam drijven. Hoe de schipbreuk gebeurd

is, weet niemand, de overlevende in boeien het allerminst, maar de

traditie van het verschrikkelijk voorval leeft nog in het district,

en, niet onnatuurlijk, heet het op de plek, waar de beenderen der

verdronken schipbreukelingen nog door het zand te voorschijn komen, te

spoken. Sedert die ramp is er op de hoogste rots een groote bel gezet

(oorspronkelijk de bel van het verongelukte schip zelf, met den naam:

"Harer Majesteits Donder" op het metaal gestempeld) en bij storm en

hoogen vloed klinkt haar waarschuwend gelui over de diepte.

Maar nu was de bel stil, en vlak er onder, in de schaduw van de rots,

waarop zij geplaatst was, zat een man half verborgen in zeewier,

waarmede hij zich opzettelijk bedekt scheen te hebben. Het was een

man van een knap voorkomen, breed van schouders, forschgebouwd, en

naar gissing zal hij ongeveer vijf-en-dertig jaar geweest zijn. Van

zijn gestalte was echter op dit oogenblik, in den nevel en tusschen

het zeewier, niet veel te zien. Maar zooveel licht als er was, viel

op zijn gelaat, terwijl hij over en om de rotsen tuurde of snel zijn

geweer met dubbelen loop, dat hij tusschen zijn knieën hield, aanlegde.

Het was een schrander gelaat, met bruinachtige oogen, een donkeren,

spitsen baard en sterk geteekende trekken. En toch was er iets zachts

in den trek, die om den mond speelde, als het licht op den rand

van een donkere wolk, dat zonneschijn doet vermoeden. Maar weinig

daarvan was nu zichtbaar. Geoffrey Bingham, meester in de rechten,

was verdiept in een ernstige bezigheid. Hij beproefde kemphanen te

schieten, terwijl zij over zijn schuilplaats vlogen, op hun weg naar

de modderige oevers verder op de kust, waar zij hun aas vinden.

Als er iets is, dat iemands geduld op de proef stelt en de scherpste

opmerkzaamheid vereischt, dan is het voorzeker wel het schieten van

kemphanen in een nevel. Misschien moet hij een uur, of zelfs twee uren,

wachten, zonder iets te zien. Dan hoort hij mijlen ver het gekrijsch

van kemphanen in de vlucht. Hij spant zijn oogen in, het gekrijsch

komt nader, maar hij ziet nog niets. Eindelijk, ja, daar krijgt hij

op een afstand van misschien zestig meter zijwaarts van hem af, het

klepperen van vleugels in het oog, en als een bliksemstraal zijn zij

weg, Weder een gekrijsch--de kemphanen komen aanvliegen. Hij kijkt,

hij tuurt, springt in zijn opgewondenheid overeind en heft zijn hoofd

onvoorzichtig ver boven de hem verbergende rots op. Een groote vlucht

van wel dertig of meer vliegt regelrecht naar hem toe, al nader en

nader. Daar legt hij zijn geweer aan, maar helaas! zij zien den loop in

het licht glinsteren, en misschien hebben zij ook het hoofd daarachter

in 't oog gekregen, en in een seconde verstrooien zij zich in alle

richtingen en verdwijnen met een treurig gekrijsch in den nevel.

Dat is erg, maar de vurige jager gaat met een zucht weer zitten en

wacht, naar het zacht geklots van den vloed luisterende. En nu wordt

zijn geduld eindelijk beloond. Eerst komen er twee wilde eenden, die

als pijlen de lucht klieven. Den woerd mist hij; maar de wijfjeseend

is geraakt en ploft neder. Nauwelijks heeft hij opnieuw geladen,

of daar hoort hij weer het gekrijsch van kemphanen--ditmaal dicht

in zijn nabijheid. Daar komen zij in den nevel opdagen. Pang!--en

de eerste ligt tusschen de rotsen te klapwieken. Pijlsnel vliegt de

tweede zijwaarts. Pang! hem achterna, en hij is ook geraakt. Hoor hem

op vijftig meter afstands in het water plassen! En nu wordt de mist

zoo dicht, dat het voor dien dag met de jacht gedaan is. Welnu die

juist gemikte schoten zijn wel waard drie uur in het natte zeewier

te zitten en op den koop toe een zware verkoudheid op te doen--ten

minste, voor ieder man, die een waar hart voor het jachtvermaak heeft.

Zoo iets had Geoffrey Bingham juist ondervonden. Hij had zijn wilde

eend en een van de geschoten kemphanen in zijn weitasch gestoken,

want de andere dreef op de zee, toen het plotseling toenemen van den

mist een einde aan zijn verdere verrichtingen maakte. Hij schudde het

natte zeewier van zijn kleeding, en na een kort pijpje opgestoken te

hebben, liep hij langs den kant van de rots, waar de vloed al meer en

meer tegen opsteeg, in den mist te turen, om den anderen kemphaan te

zoeken. Op een oogenblik dat de nevel een weinig optrok, zag hij op

eenigen afstand den vogel drijven. Linksaf liep de rots in een punt

uit, en hij wist bij ondervinding dat de opzettende vloed den kemphaan

daar voorbij zou stuwen. Dus ging hij naar dit uiterste punt, zette

zich op een steen neder, en wachtte. Inmiddels steeg de vloed snel,

maar in zijn ijver om den kemphaan ook in zijn weitasch te steken,

lette hij daar niet op, vergetende dat hij van het land afgesneden

zou worden. Eindelijk, na langer dan een half uur gewacht te hebben,

kreeg hij den vogel in 't oog, maar ongelukkig nog wel bijna twintig

meter van hem af, en in diep water. Hij had het er echter op gezet

den vogel te krijgen, want Geoffrey liet zijn geschoten wild niet

gaarne in den steek, dus stroopte hij zijn broek op en beproefde

er heen te waden. Bij de eerste stappen ging alles goed, maar bij

den vierden of vijfden kwam hij in een gat terecht, waardoor zijn

rechterbeen tot aan de dij nat werd en zijn voet omzwikte. Beseffende

dat het zeer lastig zou zijn, als hij op zulk een eenzame plaats zijn

voet verstuitte, keerde hij terug, en begreep dat, als hij niet wilde

dat de kemphaan voedsel voor de haaien zou worden, hij beter deed er

heen te zwemmen. Dit besloot hij dan ook te doen, en reeds had hij te

dien einde zijn jas en vest uitgetrokken, toen hij eensklaps door den

nevel heen een bootje voor zich uit zag. Daar kwam hij op een inval:

degene, die zoo dwaas was in zulk weer een roeitochtje te doen,

kon den kemphaan voor hem halen en hem het zwemmen uitwinnen.

"Hei!" riep hij, met een stentorstem. "Hallo daar!"

"Ja," antwoordde een zachte vrouwenstem over het water.

"Och," hernam hij, haastig zijn vest weer aantrekkende, want die stem

zeide hem dat hij met een dame, die door den mist overvallen was,

te doen had, "neem me niet kwalijk, maar zoudt ge mij een genoegen

willen doen? Daar, dichtbij uw bootje, drijft een doode vogel. Als

gij zoo goed wildet zijn--"

Het bootje gleed naar den vogel toe, een blanke hand werd uitgestoken

en haalde den kemphaan uit het water. Toen, eer Geoffrey zijn jas

weer had aangetrokken, werd het bootje naar de rots geroeid, en een

lief gezichtje zag uit den nevel tot hem op.

Gaan wij nu een weinig terug, (ach, dat dit voorrecht alleen maar aan

den verhaler van gedane dingen vergund is!) en zien wij hoe het kwam

dat Beatrice Granger zoo juist van pas kwam om den geschoten kemphaan

voor Geoffrey Bingham uit het water te halen.

Terstond na dat visioen, in het eerste hoofdstuk van dit verhaal

vermeld, begreep zij dat zij voor éen namiddag genoeg van de _Dog

Rocks_ gezien had. Daarop besloot zij, als een verstandig meisje,

de rots weer te verlaten op dezelfde wijze als zij er gekomen was,

namelijk, door middel van een bootje. Zij stapte er veilig in en roeide

een eind ver in zee, met het oogmerk terug te keeren naar de plaats,

waar zij van daan kwam. Maar hoe verder zij in zee kwam, en dat moest

zij wel, om de rotsen en de draaistroomen te vermijden, des te dichter

werd de nevel. Zij hoorde er wel geluiden doorheen, maar zij kon niet

duidelijk onderscheiden van waar die kwamen, totdat zij eindelijk,

hoe bekend zij ook met de kust was, niet recht meer wist waar zij heen

roeide. In die verlegenheid, terwijl zij op haar roeispaan rustte

en in den dichten mist om haar heen tuurde, en haar oogen zoo wijd

als zij kon opendeed, en dat was zeer wijd, hoorde zij rechts een

geweerschot achter zich. Bij zichzelve beredeneerende dat een jager

op wild gevogelte dat schot gelost moest hebben, wendde zij haar

bootje om en roeide snel in de richting, vanwaar het geluid gekomen

was. Daar hoorde zij weder den knal van een geweerschot rechtsaf, maar

een eind ver. Krachtig roeide zij voort, maar nu kwamen er niet meer

schoten, waarnaar zij zich richten kon, dus was haar zoeken een poos

vruchteloos. Eindelijk zag zij iets door den nevel heen schemeren;

het waren de Roode Rotsen, hoewel zij die niet kende, en voorzichtig

naderde zij, totdat zij Geoffrey's geroep hoorde.

"Hier is de kemphaan, mijnheer," zeide zij, toen zij aan zijn verzoek

voldaan had.

"O, ik dank u," antwoordde de nevelachtige gedaante op de rots. "Ik ben

u zeer verplicht. Ik wilde er juist heen zwemmen, want ik verlies mijn

wild niet gaarne. Ik vind het zoo wreed vogels voor niets te schieten."

"Gij zult er wel geen gebruik van maken, nu gij hem hebt," zeide de

zachte stem in het bootje, "Kemphanen zijn juist niet heel lekker om

te eten."

"Daar is het ook niet om te doen," hernam de Robinson Crusoe op de

rots. "'t Is de aardigheid van ze mee te brengen _Aprés Cela_--"

"De vogelopzetter?" zeide de zachte stem.

"Neen," antwoordde de Robinson Crusoe, "de kok--"

Een lach klonk uit het bootje--en daarna een vraag.

"Zeg, mijnheer Bingham, kunt ge mij ook zeggen waar ik ben? Ik ben

in den mist geheel en al van mijn koers geraakt."

Hij was verbaasd. Hoe wist die geheimzinnige jonge dame in een bootje

zijn naam?

"Ge zijt bij de Roode Rotsen; daar is de bel, dat grijze ding,

mejuffrouw--mejuffrouw--"

"Beatrice Granger," viel zij haastig in. "Mijn vader is de predikant

van Bryngelly. Ik heb u gezien, toen gij met Lady Honoria Bingham

gisteren in de school kwaamt. Ik geef daar onderwijs." Zij zeide hem

echter niet dat zijn gelaat zulk een indruk op haar had gemaakt dat

zij naar zijn naam gevraagd had.

Weder was hij verbaasd. Hij had van die jonge dame gehoord. Iemand

had hem gezegd dat zij het liefste en knapste meisje in Wales was,

maar dat haar vader geen _gentleman_ was.

"O," zeide hij, zijn hoed afnemende. "Is het niet een weinig gewaagd

voor u, Miss Granger, zoo alleen in dezen mist op zee te roeien?"

"Ja," antwoorde zij gulhartig, "maar ik ben het gewoon; ik roei in

alle weer. Dat is mijn vermaak, en eigenlijk komt het er ook niet veel

op aan of het gewaagd is," liet zij er op volgen, meer bij zichzelve

sprekende dan tot hem.

Terwijl hij er over dacht wat zij met dit somber gezegde zou bedoelen

ging zij snel voort:

"Weet gij wel, mijnheer Bingham, dat gij, geloof ik, in grooter gevaar

zijt dan ik? Het moet bij zevenen zijn, en kwartier voor achten is

de vloed hoog. Als ik mij niet vergis, is er bijna een halve mijl

ver diep water tusschen u en de kust."

"Op mijn woord!" zeide hij, "ik heb volstrekt niet aan het getij

gedacht. Door dat schieten en het zoeken naar den kemphaan, en ook

door den mist, is het niet bij mij opgekomen dat het al laat werd. Ik

zal nu zeker moeten zwemmen, dat is het eenige, wat er op zit."

"Neen, neen," bracht zij ernstig hiertegen in, "'t is hier zeer

gevaarlijk zwemmen, het is er vol scherpe rotsen, en er is een

verschrikkelijke draaistroom."

"Welnu, wat dan te doen? Kunnen er in uw bootje twee zitten? Zoo ja,

dan wilt gij misschien wel zoo goed zijn mij aan land te brengen?"

"Ja," zeide zij, "er is in mijn bootje plaats voor twee. Maar ik durf

u niet naar land roeien, er zijn zooveel rotsen, en in dien mist is

het kabbelen van het water er op niet te zien. Het bootje zou er op

stooten. Neen, gij moet instappen, en ik zal u naar Bryngelly roeien,

dat is het eenige. Nu ik weet waar ik ben, geloof ik den weg wel te

kunnen vinden."

"Waarlijk, gij zijt wel goed," sprak hij.

"Er is niets goeds in," gaf zij ten antwoord; "ik moet er zelve immers

ook heen, dus zal ik blijde zijn met uw hulp. 't Is bijna vijf mijlen

over het water, en 't is geen aangename avond."

Dat was waar. Hij was volkomen bereid zelf naar de kust te zwemmen,

maar, het denkbeeld van die jonge dame alleen door den mist en de

toenemende duisternis in een éénriems bootje naar Bryngelly te laten

roeien beviel hem volstrekt niet. Het zou hem niet bevallen zijn,

al was zij een man geweest, want hij wist dat zulk een tocht met

groot gevaar gepaard ging. Dus nam hij haar aanbod aan.

"Ge zult mij, ten minste, wel vergunnen te roeien," zeide hij, toen

zij haar bootje behendig onder de rots had gebracht.

"Als gij wilt," antwoordde zij twijfelachtig. "Mijn handen doen mij een

weinig zeer, en natuurlijk," met een blik op zijn breede schouders,

"zijt gij veel sterker. Maar als gij niet gewoon zijt te roeien,

geloof ik dat ik wel even goed voort zal komen als gij."

"Gekheid," hernam hij. "Ik wil mij geen vijf mijlen ver door u laten

roeien."

Zonder een woord meer te zeggen, gaf zij toe, en ruimde haar plaats

aan de roeispaan voor hem in.

Toen overhandigde hij haar zijn geweer, dat zij met de doode vogels

zorgvuldig op den bodem van het zwakke vaartuigje legde Nu liet hij

zich voorzichtig van de rots in het bootje afglijden.

"Pas op, of gij zult ons omgooien," zeide zij, zich voorover buigende

en hem de hand reikende, om hem bij het instappen te ondersteunen.

Terwijl hij haar hand vatte, kon hij haar voor 't eerst goed in

't gelaat zien en wist hoe schoon het was.

Hoofdstuk III.

Een geloofsbelijdenis.

"Zijt gij gereed?" vroeg hij.

"Ja," antwoordde Beatrice. "Gij moet een eind rechtuit in zee aanhouden

niet te ver, want als wij voorbij _Rumball Point_ zijn, komen wij

in de branding--daar is altijd branding--en dan links sturen. Ik

zal u zeggen wanneer. En, mijnheer Bingham, wees, als 't u belieft,

voorzichtig met de roeispaan; zij is gespleten, geweest, en kan er

niet tegen ruw behandeld te worden."

"Goed," antwoordde hij, en vroolijk staken zij af, en snel gleed het

lichte bootje vooruit onder zijn krachtige riemslagen.

Beatrice leunde achterover, zoodat hij slechts gedeeltelijk haar gelaat

kon zien. Maar zij zag het zijne, telkens als hij zich door het in

beweging houden van de roeispaan naar haar toe boog, en zij sloeg het

met belangstelling gade. Het was voor haar een nieuw gelaatstype,

zoo edel, zoo mannelijk, en toch met zulk een zachten trek om den

mond--bijna al te zacht, dacht zij.

Wat had hem bewogen met Lady Honoria te trouwen? was de vraag, die

bij Beatrice opkwam; die dame zag er niet bizonder edel uit, hoewel

zij een bevallige vrouw was.

En zoo gingen zij een poos voort, elkaar in hun hart bewonderende,

wat niet vreemd was, want zij waren een zeer passend paar maar geen

van beiden sprak een woord, voordat Geoffrey, na ongeveer een kwartier

hard geroeid te hebben, ophield om te rusten.

"Doet gij zoo iets dikwijls, Miss Granger?" zeide hij, hijgend,

"want ik moet zeggen dat het een vrij vermoeiend werk is."

Zij lachte. "Ik dacht wel," zeide zij, "dat gij het niet zoudt

volhouden zoo hard te roeien. Ja, zoo'n bootje is in den zomer

een groot genot. 't Is mijn manier van lichaamsbeweging te nemen,

en ik kan zwemmen ook, zoodat ik niet bang ben voor omslaan. 't Is

ten minste twee jaar mijn gewoonte geweest, sedert een dame, die

hier logeerde, mij dit éénriems-bootje gaf, toen zij heenging. Vóór

dien tijd roeide ik in een gewoon tweeriems-bootje--dat wil zeggen,

voordat ik naar het college ging."

"Naar het college? Wat voor college? Girton?"

"O, neen, niet half zoo voornaam. Het was een college, waar men

getuigschriften kreeg dat men bevoegd was om onderwijzeres op een

kostschool te zijn. Ik wenschte dat het Girton geweest was."

"Zoo?--daar zijt gij te goed voor," wilde hij er bijvoegen, maar hij

veranderde het in: "Ik geloof dat gij even goed af zijt. Ik houd niet

veel van die Girton-stempel; wie ik van dat soort ken, of gekend heb,

zijn zoo hard."

"Des te beter voor hen," antwoordde zij, "Ik zou wel zoo hard als

een steen willen zijn; een steen kan niet gevoelen. Zijt gij dan niet

van meening dat vrouwen moeten leeren?"

"Zijt gij het wèl?" vroeg hij.

"Ja, zeker."

"Hebt gij wat geleerd?"

"Ik heb mij zelve wat geleerd en op het college iets opgevangen. Maar

ik heb niets meer dan oppervlakkige kennis?

"Wat kent ge zoo al--Fransch en Duitsch?"

"Ja."

"Latijn?"

"Ja, daar weet ik iets van."

"Grieksch?"

"Dat kan ik vrij goed lezen, maar ik ken het Grieksch niet grondig.

"Wiskunde?"

"Neen, dat heb ik opgegeven. Wiskunde is tegen de menschelijke

natuur. Zij berekent alles naar een vasten regel, die een uitkomst

zus of zoo _moet_ geven. Zoo is het leven niet; wat een vierkant

moest zijn wordt een rechthoek en X is altijd een onbekend getal,

dat men nooit te weten komt voordat men dood is."

"Goede hemel!" dacht Geoffrey, tusschen de slagen van zijn roeispaan

door, "welk een buitengewoon meisje! Een echte blauwkous, en toch

zoo bekoorlijk. In allen gevalle zal ik haar nu toch eens uithooren."

"Misschien hebt gij ook wel in de rechten gestudeerd?" hernam hij,

met bedwongen spotternij.

"Ik heb er een weinig aan gedaan," antwoordde zij bedaard. "Ik

houd wel van de rechtsgeleerde studie. Er is zooveel fijns in,

en zooveel op een kleinen grondslag te bouwen. Bij voorbeeld, de

Kanselarijwet. Misschien kunt ge mij wel zeggen.--"

"Neen, dat kan ik zeker niet," antwoordde hij. "Ik ben geen man van

het Kanselarij-Gerechtshof. Ik ben maar aan de gewone rechtbank,

en aan de kennis van mijn departement heb ik genoeg. Ge maakt mij

bepaald ongerust, Miss Granger. Het verwondert mij, dat het bootje

niet onder zooveel geleerdheid zinkt."

"Zoo? Maak ik u ongerust?" zeide zij. "Ik ben blijde dat ik eens iemand

ongerust heb kunnen maken. Ik sprak daar van de Kanselarij, maar als

ik een advocaat was, zou ik ook liever aan de gewone rechtbank zijn,

omdat daar veel meer leven en strijd bij is. Het bestaan is niets

waard, als men niets heeft om tegen te strijden en dat men moet

trachten te overwinnen."

"Welk een rustig gezichtspunt!" zeide Geoffrey verbaasd. Nooit had

hij zulk een vrouw ontmoet.

"Rust is alleen goed, wanneer zij verdiend is," ging de filosofische

jonge dame voort, "en om iemand in staat te stellen nog meer rust

te verdienen, anders wordt zij luiheid, en dat is ellende. Verbeeld

u, werkeloos te zijn, als men maar zoo'n korten tijd om te leven

heeft. Het eenige, wat men doen kan, is werken en de gedachten

smoren. Gij hebt zeker een uitgebreide praktijk, mijnheer Bingham?"

"Dat moet gij een advocaat nooit vragen," antwoordde hij lachend;

"'t is alsof men naar de schilderijen ziet, die een schilder naar

den wand heeft gekeerd. Neen, om openhartig te zijn, ik heb geen

uitgebreide praktijk. Ik heb mij eerst sedert de laatste twee jaar

in ernst op mijn vak toegelegd. Vóór dien tijd was ik niets anders

dan een advocaat in naam."

"Waarom zijt gij zoo plotseling begonnen te werken?"

"Omdat ik mijn vooruitzichten verloren had, Miss Granger--kortom,

uit noodzakelijkheid."

"O, ik vraag u verschooning," zeide zij, met een blos, dien hij

natuurlijk niet zien kon. "Ik bedoelde niet onbescheiden te zijn. Maar

't is zeer gelukkig voor u, niet waar?"

"Zoo! Sommige menschen denken er anders over. Waarom is het gelukkig?"

"Omdat gij nu in aanzien zult rijzen en een groot man worden, en dat

is meer dan een rijk man te zijn."

"En waarom denkt gij, dat ik een groot man zal worden?" vroeg hij,

in zijn verbazing met roeien ophoudende en naar de nevelachtige

gedaante tegenover hem ziende.

"O, omdat het op uw gelaat te lezen staat," was het eenvoudig antwoord.

Haar woorden klonken oprecht; er was geen vleierij of gekunsteldheid

in. Geoffrey gevoelde, dat het meisje juist sprak zooals zij dacht.

"Dus bestudeert gij de gelaatkunde ook," zeide hij. "Welnu, Miss

Granger, 't is zonderling, alles in aanmerking genomen, dat ik u zal

zeggen wat ik nog tegen niemand anders gezegd heb. Ik geloof dat gij

gelijk hebt. Ik zal in aanzien rijzen. Ik gevoel dat het in mij ligt,

als ik in het leven blijf."

Misschien begreep Beatrice, dat zij voor een nog zoo uiterst korte

kennismaking een nogal vertrouwelijk gesprek voerden. In allen gevalle,

gaf zij er schielijk een wending aan.

"Ik vrees dat gij vermoeid wordt," zeide zij; "maar wij moeten

voort. Het zal spoedig geheel donker zijn, en wij hebben nog een heel

eind voor den boeg. Zie hier," en zij wees zeewaarts.

Hij zag in de aangewezen richting. De mist trok op in kronkelingen

van dikken damp, die over hen heen golfden en de zware lucht zoo

verduisterden, dat die twee, hoewel geen vier voet van elkaar af,

elkanders gelaat nauwelijks zien konden. Tot dusverre gevoelden zij

geen wind. De dikke mist was verstikkend.

"Ik geloof dat de lucht breekt, wij krijgen storm," zeide Beatrice,

een weinig bezorgd.

Nauwelijks waren die woorden over haar lippen, of de mist verdween

van het geheele zeevlak. Geen spoor was er meer van te zien, en in

plaats daarvan blies een sterke windvlaag hun in 't gelaat. Ver in

het westen zonk de vurige schijf der zon in het schuim, en schoot

een langen, rooden straal over het nu onstuimig woelende water. Het

licht viel op het bootje en wierp zijn volle schijnsel op Beatrice,

waarna het zich verloor in de nevelen, die de kust nog omhulden.

"O, hoe verrukkelijk!" riep zij uit, zich oprichtende en naar den

luister der ondergaande zon wijzende.

"Ja, wel is het verrukkelijk!" zeide hij, doch hij zag niet naar den

zonsondergang, maar naar het gelaat van het meisje tegenover hem,

blinkend als dat van een heilige in zijn gouden aureool. Want dat

was ook verrukkelijk--zoo verrukkelijk, dat het hem zonderling trof.

"'t Is als--" begon zij, en eensklaps brak zij af.

"Als wat?" vroeg hij.

"'t Is alsof de waarheid eindelijk gevonden is," hernam zij, meer

bij zichzelve sprekende dan tot hem. "Men zou er een allegorie van

kunnen maken. Wij zwerven in nevelen en duisternis, en scheppen ons een

onzekere toekomst. En dan worden eensklaps de nevelen weggevaagd, alle

twijfel is verdwenen, wij zien slechts een luister voor ons, die alles

helder maakt en ons een licht is op de zee der onsterfelijkheid. Het

klinkt bijna te verheven," liet zij er met een bekoorlijk lachje op

volgen; "maar er is iets in, dat ik zoo niet weet uit te drukken. O,

zie!"

Terwijl zij sprak, dreef een zware onweerswolk over de verdwijnende

schijf der zon. Een oogenblik worstelde het licht met de verduisterende

wolk en veranderde haar grauwen rand in koperkleur, maar de wolk was

te sterk, het licht verdween en liet de zee in duisternis.

"Uw allegorie zou een akelig slot gehad hebben, als gij ze hadt

uitgewerkt," merkte hij aan. "Het wordt pikdonker, en _daar_ is ook

heel wat in, als ik het zoo wist uit te drukken."

Beatrice daalde wijselijk uit de sfeer der poëzie weer neder tot

de werkelijkheid.

"Er komt een storm opzetten, mijnheer Bingham," zeide zij: "gij moet

zoo hard roeien als ge kunt. Ik geloof dat wij niet verder dan twee

mijlen van Bryngelly af zijn, en misschien zijn wij zoo gelukkig daar

aan te komen voordat de storm losbarst."

"Ja, _als_ wij zoo gelukkig zijn," zeide hij, op bitteren toon, terwijl

hij aan 't werk ging. "Maar de vraag is, waarheen te roeien--'t is

zoo donker. Zouden wij niet liever op de kust aanhouden?"

"Wij zijn nu in het midden van de baai," antwoordde zij, "en bijna

even ver van het vasteland, als van Bryngelly; bovendien is het

alles rotsen. Neen, gij moet rechtdoor sturen. Aanstonds zult gij

het kustlicht van Coed zien. Zooals gij weet, is Coed vier mijlen

aan de andere zijde van Bryngelly, dus, als gij het ziet, moet gij

links houden."

Hij volgde haar wenk, en een poos spraken zij geen van beiden. De

opstekende wind maakte het trouwens moeilijk een gesprek te voeren, en

Geoffrey had dan ook niet veel adem voor woorden over. Hij was sterk,

maar zulk ongewoon werk kostte hem veel inspanning en hij begon blaren

in zijn handen te krijgen. Een minuut of tien roeide hij voort in een

bijna totale duisternis, niet wetende waar ter wereld hij heen stuurde,

want het was niet mogelijk te zien. Voor zooveel hij wist, had hij wel

in een cirkel kunnen draaien. Het eenige, waarnaar hij zich richten

kon, was de windstreek en het plassen van de golven. Zoolang deze,

die nu onheilspellend begonnen te zwellen, tegen stuurboordzijde

sloegen, meende hij een rechte koers te houden. Maar in het rumoer

van den opstekenden storm en de verwarring van de duisternis, was

dit geen zeer voldoend richtsnoer.

Eindelijk viel er een helder schijnsel over de zee, bijna recht voor

hen uit. Dat was het kustlicht.

Hij veranderde zijn koers een weinig en roeide voort. En nu barstte

de storm los. Gelukkig was die niet zeer hevig, anders zou hun zwak

bootje gezonken zijn, maar toch hevig genoeg om hen in groot gevaar

te brengen. Als een veertje rees het bootje op de golven, doch het was

laag van boord, en bij elke rijzing schepte het een weinig water. Maar

nog erger wachtte hen.

Met een beangst hart roeide hij voort, terwijl Beatrice niets

zeide. Daar kwam een groote golf opzetten; hij zag haar witte kruin

door de duisternis blinken. Haar schuim spatte over het bootje,

terwijl zij het ophief als om het in de diepte neder te storten;

maar het ranke vaartuigje gleed er overheen, echter niet zonder een

paar emmers water te scheppen. Beatrice zeide geen woord, maar nam

haar hoed af, boog zich voorover en begon te hoozen zoo goed zij kon,

en dat was juist niet veel.

"Dat gaat niet," riep hij. "Ik moet den voorsteven omhoog houden,

of wij worden overstroomd."

"Ja," antwoordde zij, "doe dat. Wij zijn in groot gevaar."

Hij zag rechtsaf; daar kwam weder een witte golf opzetten; hij zag

haar blinkende kruin. Met al zijn kracht sloeg hij de roeispaan in

het water, het bootje gehoorzaamde er aan, en gleed veilig over de

golf heen, maar de roeispaan knapte. De kracht, die hij er op gezet

had, was meer dan zij verdragen kon. Zij brak in tweeën, een duim of

negen boven het blad, dat op dit oogenblik in het water was. Wanhoop

overmeesterde hem.

"Groote Hemel!" riep hij uit, "de roeispaan is gebroken!"

Beatrice schrikte hevig.

"Gebruik dan het andere einde," zeide zij; "roei eerst aan de eene

en dan aan de andere zijde, en houd den voorsteven omhoog."

"Totdat wij zinken," antwoordde hij.

"Neen, totdat wij gered zijn--Spreek niet van zinken."

De moed van het meisje beschaamde hem, en hij volgde haar raad op,

zoo goed als hij kon. Door gestadig met het overschot van de roeispaan

nu aan de eene dan aan de andere zijde te roeien, wist hij tegen de

zwellende golven op te zwoegen. Maar in beider hart kwam de vraag op,

hoe lang zij dit nog zouden volhouden.

"Hebt gij kardoezen?" vroeg zij.

"Ja, in mijn jaszak," antwoordde hij.

"Geef me er twee van, als ge kunt," zeide zij.

Hij wist een oogenblik waar te nemen om zijn hand in zijn zak te

steken en haar de kardoezen te overhandigen. Zij scheen iets van

de behandeling van een geweer te verstaan, want weldra was er een

flikkering en een knal, spoedig door nog een gevolgd.

"Geef mij nog meer kardoezen," riep zij. Dat deed hij, maar er volgde

niets op.

"Het helpt niet," zeide zij eindelijk, "de kardoezen zijn nat. Maar

misschien heeft men de schoten gezien of gehoord. De oude Eduard zal

wel naar mij op den uitkijk staan. Ge moest nu maar liever uw zakken

ledigen, als gij kunt," liet zij er, als bij nader inzien op volgen,

"want straks zullen wij moeten zwemmen."

Dit scheen Geoffrey zeer waarschijnlijk toe, en zoo dikwijls hij er

kans toe zag, volgde hij haar wenk op, totdat hij al zijn kardoezen

kwijt was. Nu begon de regen bij stroomen te vallen. Hoewel het niet

warm was, gudste het zweet hem uit elke porie, en de regen, die hem

tegen het gelaat sloeg, verkwikte hem eenigszins; ook was met den

regen de wind een weinig bedaard.

Maar hij werd afgemat, en dat wist hij. Weldra zou hij niet meer in

staat zijn het bootje recht te houden, en dan zouden zij overstroomd

worden en naar alle waarschijnlijkheid verdrinken. Dat zou dus

het einde van zijn leven en al zijn eerzuchtig streven zijn. Eer

er nog een uur verloopen was, zou hij in de armen van die woeste

zee gewiegd worden. Wat zou zijn vrouw Honoria zeggen, als zij het

vernam? Misschien zou zij door den schok eenig blijk van gevoel

geven. En Effie, zijn lief, zesjarig dochtertje? Nu, zij was Goddank

nog te jong om zijn verlies lang te gevoelen. Tegen den tijd dat zij

tot een vrouw was opgegroeid, zou zij bijna vergeten zijn, dat zij

ooit een vader had gehad. Maar hoe zou het met haar gaan, als zij

hem niet had om haar te leiden? Haar moeder hield niet van kinderen,

en een aankomend meisje zou haar gestadig herinneren dat zij zelve

ouder werd. Hij wist het niet; hij kon slechts het beste hopen.

En hijzelf! Wat zou er van hem worden na dien korten worstelstrijd

om het leven? Hij was een Christen en had niet slechter geleefd dan

andere mannen. Ja, hoewel hij de laatste geweest zou zijn om dat te

denken, had hij eenige vergoedende deugden. Maar nu, aan het einde,

was de geestelijke horizon even donker als bij het begin. Daar voor

hem waren de Poorten des Doods, maar nog vergunden zij den reiziger

niet een blik te slaan in wat daarachter lag. Wat wist hij of zij

zich zouden openen, of daarachter iets was? Misschien zeide hij voor

eeuwig vaarwel aan alle bewustzijn, aan aarde en zee en lucht en

liefde, en alles wat liefelijk is. Welnu, dat was misschien beter

dan sommige vooruitzichten. Op dit oogenblik zou Geoffrey Bingham,

in zijn folterenden twijfel, gaarne zijn hoop op een leven hiernamaals

verwisseld hebben voor de zekerheid van een eeuwigen slaap. Niet ieder

heeft het voorrecht van het vast geloof te bezitten, dat sommigen onzer

dien ontzaglijken overgang met het volste vertrouwen doet te gemoet

zien, en in allen gevalle bezat hij het nog niet, hoewel misschien de

tijd zou komen dat hij het deelachtig werd. Er zijn niet velen, zelfs

wie zonder smet of blaam zijn, die zich in de armen des Doods kunnen

leggen met de zekerheid van in heerlijkheid te ontwaken. Helaas! hij

kon er niet volkomen zeker van zijn, en waar twijfel bestaat, is de

hoop slechts zwak. Hij zuchtte diep, prevelde een gebedsformulier, dat

sinds dertig jaar de meeste avonden op zijn lippen was geweest--hij

had het als kind aan zijn moeders knie geleerd--en toen, terwijl de

storm om hem heen loeide, verzamelde hij al zijn kracht, om het einde,

dat onvermijdelijk scheen, af te wachten. In allen gevalle wilde hij

sterven als een man.

Toen kwam de reactie. Zijn levenskrachten waren weder opgewekt. Hij

gevoelde zich niet langer beangst, hij gevoelde slechts een zonderlinge

verbazing, zooals iemand zich verbaast over iets, dat een ander

aangaat. Nu vestigde hij zijn aandacht op het meisje, dat tegenover

hem zat. Met den regen was het ook begonnen te weerlichten, en bij

de eerste flikkering zag hij haar duidelijk. Haar schoon gelaat was

strak, en terwijl zij zich voorover boog en met haar groote oogen in

de duisternis tuurde, meende hij er een bijna uitdagende uitdrukking

op te zien.

Het bootje draaide eenigszins. Hij sloeg zijn gebroken roeispaan in

het water, om het weer vooruit te brengen. Toen sprak hij Beatrice toe.

"Zijt gij bevreesd?" vroeg hij.

"Neen," antwoordde zij, "ik ben niet bevreesd."

"Weet gij dat wij waarschijnlijk zullen verdrinken?"

"Ja, dat weet ik. Men zegt dat die dood zacht is. Ik heb u hier

gebracht. Vergeef mij dat. Ik had moeten beproeven u aan land te

roeien, zooals gij gezegd hebt."

"Bekommer u niet over mij: een man moet zijn lot weten te

ondergaan. Denk niet aan mij. Maar ik kan den voorsteven niet veel

langer boven houden. Ik moet u raden uw gebed te doen."

Beatrice boog zich voorover, totdat haar hoofd dicht bij het zijne

was. De wind had haar lokken losgemaakt, en hoewel hij het toen niet

scheen op te merken, herinnerde hij zich later dat een daarvan hem

langs het gelaat streek.

"Ik kan niet bidden," zeide zij: "ik zou niet weten tot wien ik bidden

moest. Ik ben geen Christin."

Die woorden troffen hem als een donderslag. Hij vond het een ontzettend

denkbeeld, dat dit edele, fiere meisje nu op den rand van, zoo zij

meende, totale vernietiging zweefde. Zelfs in den moed, die haar op

zulk een oogenblik haar hopeloozen toestand deed bekennen, vond hij

iets ontzettends.

"Beproef het," zeide hij, met een diepen zucht.

"Neen," antwoordde zij, "ik ben niet bevreesd voor den dood. De dood

kan niet erger zijn dan het leven voor de meesten onzer is. Ik heb

in geen jaren gebeden, niet sedert--welnu, om 't even. Ik ben niet

lafhartig. Het zou lafhartig zijn nu te bidden, omdat het misschien

slecht met mij afloopt. Als er een God is, die alles weet, zal Hij

dat begrijpen."

Geoffrey zeide niets meer, maar roeide zoo goed en kwaad als hij kon,

doch met gedurig afnemende kracht, met de gebroken roeispaan voort. Het

weerlicht had opgehouden en het was volslagen duister, want de door

den wind voortgezweepte wolken verborgen het sterrenlicht. Nu kwam er

een geluid boven het geloei van den storm uit, een donderend geraas,

waar de zee hen allengs heen dreef. Dat geluid was van de golven,

die tegen de rotsen van Bryngelly sloegen.

"Waar drijven wij heen?" riep hij uit.

"Naar de branding, waar wij verloren zijn," antwoordde zij

bedaard. "Roei maar niet meer, het baat niet, en tracht uw jas uit

te trekken. Ik heb mijn rok losgemaakt. Misschien kunnen wij aan

land zwemmen."

Dit kwam hem, in de duisternis en de branding, niet waarschijnlijk

voor, maar hij zeide niets, en begon zich van zijn jas en vest te

ontdoen--wat in deze beperkte ruimte niet gemakkelijk ging. Intusschen

draaide het bootje rond als een notedop in een overloopende goot. Eer

de golven op het rif en tegen de rotsen braken, kwamen zij geregeld

zwellend opzetten. Maar op de zandbank kromden zij haar schuimende

ruggen tot een vervaarlijke hoogte en sloegen met donderend geweld

tegen de rotsen.

Naar die branding werd het bootje door de golven voortgestuwd.

"Vaarwel!" riep Geoffrey Beatrice toe, terwijl hij zijn natte hand

uitstak en de hare vatte, want een makker in den dood maakt het

sterven gemakkelijker.

"Vaarwel," zeide zij zijn hand drukkende. "O, waarom heb ik u daarin

gebracht?"

In dien uitersten nood dacht dit meisje meer aan haar lotgenoot dan

aan zichzelve.

Nog eens draaide het bootje, en meteen werd het eensklaps als een

strootje opgeheven en hoog in de lucht geworpen. Een ontzaglijke massa

water bruiste er onder en er omheen. Geoffrey had nog slechts even

een flauw besef dat zij op een brekende golf waren, toen het ziedend

schuim het bootje overstroomde. Krak!--en hij verloor zijn bewustzijn.

Hoofdstuk IV.

Een belangstellend vrager.

Het was aldus gebeurd. Midden op de zandbank is een groote rots met

platte kruin--zij zal ongeveer twintig voet in 't vierkant zijn--bij

de visschers van Bryngelly bekend als de Tafelrots. Bij gewoon weer,

zelfs als het vloed is, komt het water nauwelijks boven deze rots,

maar bij een hooge zee wordt zij met groot geweld door de golven

bespoeld. Op deze rots waren Geoffrey en Beatrice door de brekende

golf geworpen. Gelukkig voor hen, was zij dicht begroeid met zeewier,

zoodat hun val in zekere mate gebroken was. Geoffrey was bewusteloos

van den schok; maar Beatrice, wier hand hij nog vasthield, viel op hem,

en kwam er dus, behalve eenige lichte kneuzingen, ongedeerd af.

Hijgend krabbelde zij op haar knieën overeind. Het water was van de

rots afgeloopen, en haar metgezel lag stil aan haar zijde. Zij bukte

en riep hem in 't oor, maar hij gaf geen antwoord, en nu wist zij

dat hij dood of bewusteloos was.

Op dit oogenblik zag Beatrice iets wits in de duisternis

blinken. Instinctmatig wierp zij zich voorover en greep met de eene

hand het lange, taaie zeewier. De andere sloeg zij om het lichaam

van den bewusteloozen man aan haar zijde en hield hem met al haar

kracht vast.

Toen werden zij met schuim overstroomd. Het water lichtte haar van

de rots op, maar het zeewier hield, en toen de golf ziedend gebroken

was, lagen Beatrice en de bewustelooze gedaante van Geoffrey nog

naast elkander. Zij was half verstikt. Wanhopig richtte zij zich op

en tuurde in de duisternis landwaarts. Hemel! daar, geen honderd

meter van haar af, glinsterde een licht op het water. Het was de

lantaarn van een boot, want het bewoog op en neer. Met al de kracht

harer longen liet zij een hulpkreet hooren. Een oogenblik verliep, en

zij meende dat haar hulpgeroep beantwoord werd maar door het geweld

van den storm en de branding was zij er niet zeker van. Nu zag zij

zeewaarts. Weder kwam er een schuimende golf opzetten; weder wierp

zij zich voorover op de rots, greep het glibberig zeewier en sloeg

haar linkerarm om den bewusteloozen Geoffrey.

De golf had hen bereikt.

O, schrik! Juist toen het ziedende water over hen heen bruiste,

voelde Beatrice het zeewier loslaten. Nu werden zij door de golf

meegesleept en waren den dood nabij. Maar nog hield zij Geoffrey

vast. Weder gevoelde zij de lucht op haar gelaat. Zij was naar de

oppervlakte geslingerd en dreef op het onstuimige water. De golf

was gebroken. Nu liet zij Geoffrey even los, om haar hand omhoog te

brengen, en toen hij begon te zinken greep zij hem bij het haar. Toen

sloeg zij trappend haar voeten in het water uit, want zij kon zoo

goed zwemmen als de beste zwemmer op de kust, en wist haar oogen open

te houden. Daar, op geen zestig meter afstands, was het licht van de

boot, O, indien zij dat kon bereiken! Zij spoog het zoute water uit

haar mond en riep nog eens luid. Het licht scheen naderbij te komen.

Nu werd zij weder door een golf overstelpt, want met dat zware

aanhangsel kon zij zich niet boven houden. Het schoot haar in de

gedachten, dat zij, zelfs nu nog, zichzelve kon redden, als zij hem

losliet, maar zelfs in dien doodsangst wilde zij dat niet doen. Als

hij zonk, wilde zij met hem zinken.

Beter zou het geweest zijn, als zij hem zijn graf in de golven had

laten vinden.

Omlaag ging zij--al lager en lager.

"Ik zal hem vasthouden," zeide Beatrice in haar hart; "ik zal hem

vasthouden, totdat ik sterf." Toen kwamen er lichtgolvingen en een

geluid alsof de wind door de boomen suisde--en alles werd donker.

"Ik zeg je, 't helpt niet, Eduard," riep een man in de boot een

ouden zeeman toe, die in den voorsteven voorover leunde en in de

duisternis tuurde. "We zullen aanstonds regelrecht op de Tafelrots

gesmeten worden en allemaal verdrinken. Laten wij maar omkeeren."

"Lafaards, die jelui bent!" zeide de oude man, zich naar de anderen

in de boot toe wendende, zoodat het licht van de lantaarn op zijn

gerimpeld gelaat, waar hevige ongerustheid op te lezen stond, en op

zijn in den wind zwierend wit haar viel--"vervloekte lafaards! Ik zeg

jelui, dat ik haar stem gehoord heb--tweemaal heb ik haar om hulp

hooren roepen. Als jelui omkeert, bij God, ik sla jelui de ribben

stuk wanneer ik aan land kom--zoo oud als ik ben, al zou ik er voor

moeten hangen."

Dit nadrukkelijk te kennen gegeven gevoelen had een merkbare uitwerking

op de bemanning van de boot--acht man in 't geheel. Zij keerden niet

om; zij lieten de boot slechts op de riemen drijven, met den voorsteven

naar de zee.

De oude man bleef in de duisternis turen. Hij beefde, niet van koude,

maar van opgewondenheid.

Eensklaps wendde hij het hoofd om en riep:

"Bijdraaien--bijdraaien! Daar is iets op de golf."

De mannen gehoorzaamden gewillig, maar er was niets te zien.

"Zij is weg! O, God, zij is weg!" kermde de oude man. "Nu kun jelui

wel omkeeren, jongens, en de wil des Heeren geschiede!"

Het licht van de lantaarn viel in een kleinen kring op het ziedende

water. Eensklaps kwam er iets wits in het midden van dien verlichten

cirkel te voorschijn. Eduard staarde er op. Het dreef naar boven. Het

verdween--het kwam weder te voorschijn. Het was een vrouwengelaat. Met

een gil stak hij zijn armen in de zee.

"Ik heb haar--helpt een handje, jongens."

Een andere man schoot toe, en te zamen grepen zij het voorwerp in

het water.

"Pas op, trek zoo hard niet. Er is nog een ander, dien zij bij het

haar heeft. Bedaard aan, bedaard aan!"

Vier sterke armen haalden langzaam de bewustelooze gedaante van

Beatrice over de verschansing, en tegelijk met haar haalden zij

Geoffrey op, want zij had hem niet losgelaten, en te zamen werden

zij in de boot gelegd.

"Ik geloof dat zij dood zijn," zeide de andere man.

"Help om hen met hun gezicht over de bank te leggen, zoodat het water

uit hun keel loopt. Dat is de eenige kans. Geef mij nu dat zeil aan,

om hen te dekken--zoo. Gij leeft nog, Miss Beatrice, ge zijt niet dood,

daar wil ik op zweren. De oude Eduard heeft u gered, en de goede God

te zamen!"

Intusschen was de boot omgewend en de mannen roeiden uit al hun

macht naar Bryngelly terug, wetende dat er een leven bij op 't

spel stond. Allen kenden zij Beatrice en hadden haar lief, en dat

bedachten zij onder het roeien. De duisternis hinderde hen weinig,

want zij hadden blindelings op de kust aan kunnen sturen.

Binnen vijf minuten waren zij om een kleine landtong heen, en hadden

de lichten van Bryngelly vlak voor hen. Op het strand liepen menschen

met lantarens heen en weer.

Een gunstige golf bracht de boot half over de branding, waar een

twaalftal mannen zich in het water stortten en haar voortsleepten. Zij

waren veilig aan land.

"Hebt ge Miss Beatrice?" riep een stem.

"Ja, en wij hebben een ander ook, maar of zij nog leven, weet ik

niet. Waar is de dokter?"

"Hier, hier!" antwoordde een stem. "Breng de draagbaar."

Een forschgebouwd, dik man, die geluisterd had, in een donkeren mantel

gehuld, wendde met een diepen zucht het gelaat af. Toen volgde hij

de anderen, zonder echter hulp te bieden.

De draagbaar werd gebracht, de twee drenkelingen werden er op gelegd,

met het gelaat naar omlaag en bedekt.

"Waarheen?" vroegen de dragers, terwijl zij de draagbaar opnamen.

"Naar de pastorie," antwoordde de dokter, "Ik heb hun daar gezegd

alles in gereedheid te houden, in geval zij gevonden werd. Loop een

van allen vooruit en zeg dat wij komen."

"Wie is de andere?" vroeg iemand.

"Mijnheer Bingham--de advocaat, die onlangs uit Londen hier gekomen

is. Laat de veldwachter naar zijn vrouw gaan. Zij is bij mevrouw

Jones en denkt dat hij op zijn terugweg van de Belrots in den mist

verdwaald is."

De veldwachter ging op zijn treurige boodschap uit, en de stoet zette

zich snel in beweging over het strand en het steenen pad, waarlangs

de booten naar zee gesleept worden. Het dorp Bryngelly lag rechts op

eenigen afstand van de kerk, die gevaarlijk en dicht bij den kant van

de rots stond. Aan de eene zijde van de kerk, gedeeltelijk tegen den

zeewind beschut door een groep in hun groei belemmerde pijnboomen,

was de pastorie, een laag gebouw van één verdieping, langer dan

vijf-en-twintig jaar bewoond door Beatrice's vader, den WelEerwaarden

Joseph Granger. De beste weg er heen, van den kant van Bryngelly,

was over het kerkhof, en dien weg namen de mannen met de draagbaar nu,

door de nieuwsgierige menigte gevolgd.

"Wij konden hen hier wel meteen laten," zeide een van de dragers tot

een der anderen. "Ik twijfel niet of ze zijn allebei dood."

Beatrice(#24830) · 第 1 / 25 段