Met het oordeel van Coen stemde Lam volkomen in. Aan de bewindhebbers
schrijft deze: "Mijne Ed. Heeren staet te considereren ende rijpelijcke
toverwegen hoe hoognoodigh het is de tocht naar Manilla van jaer
tot jaer werde gecontinueert" [78]; niet alleen, zooals hij zegt,
om de schade, die men daardoor aan den handel te Manila toebracht
en omdat men op die wijze de Chineezen dacht te dwingen de vaart
op de Philippijnen te staken en die naar Bantam te verplaatsen,
maar ook omdat hij daarmee allen toevoer naar de Molukken hoopte
te beletten. Dat hij hierdoor ook Manila zelf trof en dat dit, wat
trouwens van zelf spreekt, juist in zijne bedoeling lag, zegt hij
duidelijk in een brief aan de bewindhebbers, waarin hij meedeelt,
dat twee Hollandsche schepen vóór Manila kruisten om de jonken aan
te halen, wat, zoo schrijft hij, van belang is, omdat uit de groote
tollen, die de Chineezen betalen, de Spanjaarden hun voornaamste
inkomsten putten nl. 150.000 realen van achten buiten de 250.000 realen
die het hoofdgeld der Chineeschen inwoners hun opbrengt, terwijl bij
dit laatste nog niet eens is gerekend, hetgeen de winkelhouders nog
moeten betalen. "De Chineezen", gaat hij voort, "zijn te Manila over
de 30.000 sterk en betalen in alles wel 500.000 realen van achten"
[79]. Van de twee schepen, waarover Lam hier spreekt, kan ik er
slechts één noemen, namelijk De Oude Son, die wij in het vorige
hoofdstuk hebben verlaten op weg naar Cochin-China. Na gezamenlijk
met De Galjas een vergeefsche poging te hebben aangewend om een kraak,
die naar Macao bestemd was, buit te maken, voer den 9en Maart 1618 De
Oude Son opnieuw naar Manila, terwijl De Galjas den 28en Maart naar
Cochin-China zeilde. Dezen keer was De Oude Son gelukkiger. Den 4en
Mei veroverde zij een groote Chineesche jonk, den 8en Mei nog een en
kort daarop nog zes kleine, waarna het met dezen rijken buit, waarvan
de waarde f 558.169 bedroeg, terugkeerde en den 7en Juni te Firando
binnen liep. Kort hierop kwamen nog twee schepen te Firando: De Galjas,
die teruggekeerd was zonder Cochin-China te hebben kunnen aandoen,
omdat de scheepsofficieren het schip in den steek hadden gelaten,
en het voormalige Engelsche jacht de Attandance, dat door de onzen
bij Banda genomen en herdoopt was in De Vliegende Bode. Deze beide
laatste schepen zullen wij weldra weer ontmoeten in de Philippijnsche
wateren. Wij hebben in het vorig hoofdstuk gezien dat de vloot
der Spanjaarden door storm bijna geheel was vernietigd. Zoodra de
raad der Molukken dit door drie uit Manila ontvluchte Nederlanders
had vernomen, besloot men spoedig hierop, den 23en April, om weder
eenige schepen voor Manila te laten kruisen. Wel werd er door de
verschillende moeilijkheden, waarin de Nederlanders zich vooral met
de Engelschen gewikkeld hadden, niet onmiddellijk gevolg aan gegeven,
maar nadat den 21en Juli en den 11en Aug. nogmaals op het wenschelijke
van zulk eene onderneming op dat tijdstip was gewezen, werden in
de bovengenoemde vergadering vijf schepen daarvoor bestemd en Adam
Westerwolt tot opperbevelhebber benoemd. Reeds den 24en Aug. ging hij
met de vijf schepen onder zeil. Ofschoon Coen in 1617 aan hem schreef,
dat de zaak weer couragieuselijk moest hervat worden, bleek hij er in
1618 niet al te zeer mee ingenomen. Hij oordeelde de omstandigheden
te gevaarvol, om er zooveel schepen heen te sturen. Hij was bang het
zekere te verliezen "om een vogel die in de lucht vliegt, te bekomen"
[80]. Gelukkig, het zekere bleef behouden, maar veel voordeel leverde
de tocht niet op. Van de vijf schepen, die onder de vlag van Westerwolt
waren uitgezeild, moesten er twee: De Oude Maen en De Vlissingen,
nog voor Manila liggende, wegens "outheyt" gesloopt worden. Wel was
de vloot weer tot hare oorspronkelijke sterkte terug gebracht door
de aankomst van De Galjas en De Vliegende Bode uit Japan, die tevens
provisie voor de vloot meebrachten, doch ofschoon ze tot 26 Mei 1619
omtrent het land van Manila bleven kruisen, maakten zij slechts
drie jonken prijs ter waarde van f 33.894. Zes jonken wisten den
Hollanders te ontkomen, en daar de Chineezen, door verschillende
berichten van de Spanjaarden [81] op hun hoede, zich niet meer
vertoonden, besloot Westerwolt naar Japan te vertrekken. De Swaen
werd van daar met provisie naar de Molukken gezonden, weldra gevolgd
door de Nieuwe Maen. Westerwolt zelf ging naar Jacatra onder zeil,
waar hij den 16en Dec. 1619 behouden aankwam. Het geringe voordeel,
dat deze tocht opbracht, moet voornamelijk geweten worden aan gebrek
aan provisie, waardoor zij "gants machteloos" waren geweest [82].
Het jaar 1619 dreigde ons ook op andere wijze niet gunstig te zullen
zijn. In Jan. toch kwam Kaitsjil Soliman, zoon en gezant van den
koning van Mindanao, steun van de Compagnie verzoeken tegenover den
koning van Boaya, die vertegenwoordigd werd door den reeds verdreven
vorst van Sarangani. Gouverneur-generaal en raden wenschten door
partij te kiezen niet een der vorsten in de armen der Spanjaarden
te voeren en bewandelden dus een middelweg. Beide vorsten werden
met een kluitje in 't riet gestuurd. Coen en later Lam, aan wien de
beslissing door den gouverneur-generaal was overgelaten, zeiden,
dat zij eerst wilden trachten de twee vorsten te verzoenen, daar
beide toch vrienden van ons waren, dat wij zeker wel een gezantschap
zouden hebben gestuurd om de verzoening tot stand te helpen brengen,
maar dat wij daarvoor, wegens de twisten met de Engelschen, nu geen
schip konden missen. Ook waarschuwde Lam in een brief, aan Kaitsjil
Soliman voor diens vader meegegeven, voor de geheime bedoelingen van
hun gezamenlijke vijanden, de Spanjaarden, om vijandschap en twist
te verwekken en hen dan op het onvoorzienst te overvallen en "tot de
uiterste extremiteiten" te brengen [83]. Op deze wijze wist men nog
gelukkig de goede verstandhouding met beide vorsten te bewaren. Het
moet dezen echter wel wat vreemd voorgekomen zijn, dat de Hollanders
het volgend jaar wel weder schepen beschikbaar hadden voor een tocht
naar de Philippijnen. Nu had men het echter niet gemunt op Chineesche
jonken. Dezen keer hoopte men Manila in één slag geducht te knakken en
zich een grooten buit te verschaffen. Men wilde toch het zilverschip
van Acapulco vermeesteren. Mocht dit gelukken, dan werd den Spaanschen
handel een gevoelig, ja bijna onoverkomelijk verlies toegebracht. Met
dit doel had Coen aan Van Speult, den gouverneur van Ambon, in een
geheim gehouden lastbrief opgedragen den 1en of uiterlijk half April
drie schepen uit te zenden naar kaap Spiritu Sancto op 12 1/2°
N.B. Van Speult kon zich echter niet stipt aan den tijd houden,
omdat de schepen, waarmee hij moest uitzeilen, te laat in Ambon
aankwamen. Den 13en Mei 1620 eerst verlieten De St. Michiel, De Swaen
en De Expeditie van Ambon onder bevel van Bartholomeus v. Spilbergen
[84] het eiland Ambon. Coen meende gegronde hoop te mogen koesteren
op het welslagen van den tocht, daar een Spaansche stuurman, die
reeds tweemaal de reis van Acapulco naar Manila meegemaakt had, zich
als gevangene op de vloot bevond. Eerst moesten zij, volgens den wil
van Coen, Ternate aandoen om den vijand geheel en al te misleiden en
daarna tot het laatst van Juni omtrent Kaap Spiritu Sancto kruisen. En
waarlijk, het geluk scheen Spilbergen te dienen. Den 26en Juni kwamen
de zilverschepen in het gezicht. Gewoonlijk werd het zilver door
slechts één schip overgebracht, dezen keer waren het er drie [85]
onder bevel van Fernando de Ayala. In de meening dat het schepen
waren, die de in 1618 nieuwbenoemde gouverneur der Philippijnen
Fajardo, hun tegemoet gezonden had, kwamen zij met volle zeilen op
de Hollanders af. Na zonsondergang waren zij zoo dicht genaderd,
dat zij van weerszijden elkander konden hooren spreken. Toen eerst
ontdekten de Spanjaarden hun vergissing. Door de ingevallen duisternis
en het ruwe weer gelukte het hun te ontkomen. Een der schepen werd
echter door de Hollanders op het strand van Albay (ten Noorden van
de straat van Bernardino) gedrongen. Aan Coen werd bericht, dat het
twee millioen zilver in had. Deze schreef hierop aan bewindhebbers:
"'t Heeft Godt niet gelieft, dat die becomen zouden, want daer d'onze
meenden, dat het zilverschip al hadden, zijn door een uit der maten
grooten storm daer van geraect en alle te samen in groot peryckel
van stranden gecomen" [86]. In denzelfden brief meldt Coen, dat naar
men zegt, het zilver door de Spanjaarden geborgen is en dit stemt
overeen met de door Blumentritt gebruikte Spaansche bronnen. Ayala
liet het, nu op zijn hoede voor de Hollanders, over Borongan aan
de kust van Samar met karren naar Manila voeren. Van onze drie
schepen kwamen slechts De Expeditie van Ambon en De Swaen behouden
te Firando. De Expeditie echter ging, reeds in behouden haven, toch
nog voor onze vloot verloren, daar het door harden wind in de haven
omsloeg. Van de St. Michiel, waarop Spilberghen was, werd nimmermeer
iets vernomen. "Waarschijnlijk", schrijft Coen, "is het met man en
muis in de storm gesoncken" [87].