In het vorig hoofdstuk heb ik er reeds op gewezen, dat Coen in 1618
van meening veranderd was, omtrent het zenden van een vloot naar
de Philippijnen. Wel vond hij het goed, dat er schepen gezonden
waren, maar, naar den stand en tijd, ware 't beter geweest, schreef
hij aan 't Lam [88], "dat men zooveel van de beste schepen niet
gezonden hadde". Hij vreesde, dat de Molukken Ambon en Banda door
het uitzenden van vijf der beste schepen te zeer ontbloot zouden
worden, waardoor aan de Engelschen gelegenheid werd gegeven aldaar
hun slag te slaan [89]. En Coen's vrees was gerechtvaardigd. Het was
den Engelschen ernst, toen zij dreigden de "Dutchman" niet alleen
uit Ambon, Banda en de Molukken, maar uit den geheelen Indischen
Archipel te verdrijven. Half December, na aankomst van hun admiraal
Thomas Dale, sloten zij heimelijk een aanvallend verbond tegen
de Nederlanders met den koning van Bantam. Samen zouden zij het
Nederlandsche fort te Jacatra veroveren. Hoe Coen genoodzaakt werd,
het fort aan zijn lot over te laten, en den wijk te nemen naar Ambon;
hoe hij, een grootere scheepsmacht verzameld hebbende, het volgende
jaar is teruggekeerd en Jacatra verwoestte, is algemeen bekend. De
Engelschen trof Coen er niet meer aan. Zij waren reeds eerder,
bevreesd voor de dubbelzinnige houding van Bantam's koning, naar
de hoofdstad van dien vorst terug gezeild. Toen zij hier hoorden,
dat Coen met een vloot van zestien schepen teruggekeerd was, waren
zij door straat Soenda gevaren en hadden van daar koers gezet naar
het westen. Hierna werd Bantam door Coen geblokkeerd, drie schepen
naar Patani en zes naar Sumatra's westkust gezonden om de factorijen
van kapitaal en koopmansgoederen te voorzien, waarbij tevens den
gezagvoerders werd opgedragen, waar zij konden, de geleden schade op
de Engelschen te verhalen. Dit gelukte volkomen. Het eerste eskader
nam twee Engelsche schepen, het andere vier. Aldus was Coen op het
punt een zijner vurigste wenschen, de Engelschen uit den Archipel
te verdrijven, vervuld te zien, toen hem plotseling in Maart 1620,
als een donderslag uit een helderen hemel, het bericht trof, dat
de Engelsche- en Nederlandsche Oost-Ind. Compagnie in Europa den
17en Juli 1619 een verbond met elkaar hadden gesloten. In de eerste
artikelen waren voornamelijk bepalingen opgenomen, waarbij de handel
voor beide partijen werd geregeld, terwijl de laatste artikelen op
het oogenblik voor ons doel van meer belang zijn. Er werd nl. een
raad van defensie in Indië opgericht, bestaande uit acht leden, vier
Hollandsche en vier Engelsche, waarvan beurtelings een Nederlander
en een Engelschman voorzitter zou zijn. Ter beschikking van dezen
raad van defensie werd een vloot gesteld van 20 schepen, de vloot
van defensie. Dat dit geheele verbond Coen verre van aangenaam was,
schreef hij weliswaar in ronde woorden aan de bewindhebbers, maar hij
moest aan de bevelen gehoorzamen [90]. Het kwam er nu slechts op aan,
zooveel mogelijk partij te trekken van het verbond en--dit was volkomen
aan Coen toevertrouwd. Reeds den 28en April werd op het schip de Theems
Royal voor Bantam eene vergadering van den raad van defensie gehouden,
waarin op voorstel van Coen besloten werd, gezamenlijk een tocht te
ondernemen naar de Philippijnen om den Chineeschen handel op Manila
te beletten. Tien schepen werden hiertoe bestemd, vijf Engelsche
en vijf Hollandsche, terwijl de Engelschen volgens accoord de vlag
op de groote steng zouden voeren, de Hollanders op de voorsteng
[91]. Reeds den 31en Mei werden twee Hollandsche De Haerlem en De
Hoope en twee Engelsche de Elisabeth en de Bull vooruitgezonden om
tot 5 Aug. tusschen China en Japan te kruisen; daarna, aldus luidde
de instructie, moesten ze langs de kust van Japan alle Spaansche of
Portugeesche schepen buit maken, maar van de Chineesche jonken slechts,
die op Manila voeren. Het Engelsche schip de Hope zou over Patani
gaan en zich daarna met bovengemelde vier schepen vereenigen. In het
begin van Juni werden deze vijf schepen gevolgd door vier andere, te
weten de Engelsche: de Maen en de Paltsgraeff en de Hollandsche: Nieuw
Bantam en De Trouw. Firando werd als vereenigingsplaats aangewezen,
waar het tiende Hollandsche schip, De St. Michiel, zich bij de andere
zou voegen. Admiraal van de vloot was de Engelsche schipper Robert
Adams, vice-admiraal Willem Jansz. [92], Raad van Indië. In plaats
van De St. Michiel, die, zooals wij gezien hebben, vergaan was,
werd aan De Swaen, te Firando van Kaap Spiritu Sancto teruggekeerd,
door Willem Jansz bevel gegeven mee te zeilen [93]. Den 1en Jan. 1621
moesten zij volgens de instructie Firando verlaten. Na eenigen tijd
vergeefs op het Engelsche schip de Hope, dat reeds lang uit Patani
aangekomen moest zijn, gewacht te hebben, ging men op 13 Jan. 1620
met negen schepen en twee jonken, die als branders moesten dienst
doen, onder zeil. De instructie luidde, naar de baai van Manila te
loopen om de Spanjaarden afbreuk te doen en den Chineeschen handel,
"van daer t' onswaert te trecken", daar tot omstreeks 30 Juni 1621
blijven en over Japan terugkeeren, tenzij Chineesche jonken met
den zuidermoesson verwacht werden. Dan moest men hen afwachten
en over Patani terugkeeren, daar men Japan in dat geval niet meer
zou kunnen bezeilen. Men moest, (indachtig aan de fout, die Lam in
1617 had begaan) de vloot goed bijeen houden, geen Japansche jonken
schade berokkenen noch Chineesche, die op vrije plaatsen voeren. De
Chineezen der veroverde jonken moest men zooveel mogelijk naar
Batavia brengen. Zoodra de vloot voor de baai van Manila verscheen,
moesten, ter voorkoming van geschillen, eenige Nederlanders op
de Engelsche en omgekeerd eenige Engelschen op de Nederlandsche
schepen worden geplaatst "om te registreeren al sulcke goederen als
bij d'een oft d'ander verovert en overgenomen zoude mogen worden"
[94]. In een particuliere instructie aan W. Jansz drukt Coen dezen
bevelhebber op eigenaardige wijze groote waakzaamheid tegenover de
Engelschen op het hart. "Het gemeene spreekwoort, weest trouwe ende
vertrouwt niemant, sult alsoo niet verstaen alsof d'Engelschen niet
zouden mogen vertrouwen, maar brengt mede, dat men altoos trouw
moet wezen en de niemant dan [95] met een goet ommesien en goede
circonspectie vertrouwen sall." De uitslag van deze expeditie was niet
schitterend. De Spaansche schepen: drie galjoenen en zes galeien en
drie andere vaartuigen [96], hadden zich, op bevel van Fajardo, zoo
goed gedekt, [97] dat de gecombineerde vloot er zelfs geen branders op
kon afzenden, zonder dat deze gevaar liepen in de handen der vijanden
te vallen daar "twee galeien met veel roeituig in inkomen van het gat,
recht voor de schepen op de wacht lagen" [98]. De Spanjaarden bleken
dus gewaarschuwd, evenals de Chineezen, daar deze zeven van de rijkste
jonken in Chinchu hadden opgehouden. Slechts vijf van zulke scheepjes
vielen ons in handen, en daar het weer zeer onstuimig werd, besloot
men 19en Juni niet op de Chineesche jonken, die mogelijk met den
zuidermoesson zouden aankomen, te wachten, maar naar Firando terug te
keeren. Twee dagen daarna--wat zullen de op buit belusten zich geërgerd
hebben--liepen drie zeer rijk geladen fregatten van Macao de haven van
Manila binnen, den 28en Juli gevolgd door de zilverschepen van Acapulco
met 300 man en de door de Chineezen opgehouden jonken. Wanneer de
vloot dus langer was gebleven, hoeveel rijker zou dan de buit geweest
zijn! Nu bekwamen de Engelschen en Hollanders slechts elk f 63807.10.4,
"maar 't beste deel, naar wij verstaan, is naar men zegt," schrijft
Coen, "door de officieren en het gemeen volk genomen, daaraan voor
omtrent f 120.000 te Firando verkocht en geconsumeerd. Hiervan geven
de onzen de Engelschen schuld, want daar zij naar hun believen roofden
en plunderden, kon men het de onzen ook niet verbieden". Reeds vroeger
had Coen aan de bewindhebbers geschreven, dat "zij geen hulp, maar niet
dan hinder van de Engelschen te verwachten hadden". En dit is zeker
niet te verwonderen daar de Engelschen regel, orde noch recht kenden,
niet door de hoofden in bedwang gehouden konden worden en op brutale
wijze te kennen gaven dat zij voor geen ander wilden stelen, dat zij
op koopvaardij, niet ten oorlog gehuurd waren en liever tegen ons dan
tegen de Spanjaarden wilden vechten [99]. Had Coen dus al geen reden
om zeer ingenomen te zijn met de houding onzer bondgenooten, ook den
Nederlandschen commandeur W. Jansz betuigde hij zijn ontevredenheid,
dat hij zooveel Chineezen had vrijgelaten in weerwil van zijn bevel
om ze alle naar Batavia of de Molukken te zenden. In Maart schreef hij
het nog op verschoonende wijze aan een misverstand toe [100], maar een
maand later in een instructie aan Reijersz die, volgens Coens meening,
ook W. Jansz zou lezen, werd het zelfs een nalatigheid genoemd. "Seer
ernstelycken," aldus de instructie, "hebben voor dezen d' Heer
Commandeur Willem Jansen gerecommandeert, gelijck mede aen d'andere
Commandeurs die voor hem geweest zijn, soo veel Chinezen te houden naer
de Moluccos, Amboyna, Banda ende herwaerts te zenden als eenichsints
doenlycken wesen soude, maer alsoo naert schijnt verstonden, hoeveel
de Compa hieraen gelegen was, is daer op niet gevolcht ende de saecken
geensints beherticht, maer de nalaticheyt met frivole vonden ende
praetjens geexcuseert. Hierover sal UEd. veradverteert wesen, dat de
Compa aen een goet getal Chinezen soovele gelegen is, dat daeromme soo
eene vloote als deze wel expresselijcke naer Manilha ende na de custe
van China zoude mogen gesonden worden, want als de lande van Batavia,
Amboyna ende Banda behoorlyck met volck beseth ende gepeupleert worden,
zal de Compa daerdoor mettertijt soo groote benefitie genieten, dat
alle de forten daer mede ofte daer door volmaeckt ende onderhouden
sullen connen worden. Hadde de Commandeur W. Jansen een goet getal
Chinezen naer Amboyna ende Banda gesonden, gelyck zeer wel doen cond,
meer dienst soude de Compa daeraen geschiet wesen, dan alle sijne
veroverde goederen waerdich zijn" [101]. Men ziet hieruit waarom, en
hoeveel, waarde gehecht werd aan Chineesche gevangenen. De woorden,
waarin de nalatigheid van W. Jansz wordt besproken, waren natuurlijk
daarom zoo scherp, om Reyersz op het hart te drukken, vooral niet in
dezelfde fout te vervallen. Ware het anders, had Coen werkelijk in
Jansz zoo'n verkeerd werktuig gezien, dan was hij zeker in dezelfde
instructie niet aangewezen om, zoodra hij zich met zijn vloot bij
Reyersz zou voegen, het opperkommando over te nemen. De moesson heeft
dit echter, zooals wij later zullen zien, verhinderd.