Toen De Silva door tegenwerking van den fiskaal Alvarado en de
Audiencia gedwongen was geweest zijn krijgsplannen bloot te leggen,
werd hem naar aanleiding daarvan lichtzinnigheid verweten. Hij
verzweeg, zeide men, de zwarigheden, opdat hij niet zou behoeven te
wachten. Hij zag voorbij, dat hij een machtigen en ervaren vijand
tegenover zich had, die zonder twijfel van zijn plannen op de hoogte
was en geen hulp meer noodig had, daar hij volgens de berichten
van Padre Ribero, 37 schepen bezat. In plaats van alles te winnen,
zooals hij zich verbeeldde, vreesde men, dat hij alles zou verliezen
en van de vloot schip noch man zou ontkomen [53]. Alvarado en de
andere leden van de Audiencia zagen den toestand echter te donker in,
stelden zich onze waakzaamheid te groot, onze alwetendheid te absoluut
voor. De Hollandsche admiraal Van der Haghen verkeerde in de stellige
overtuiging, dat De Silva rechtstreeks naar de Molukken zou gaan en
verliet in die meening, na de Portugeesche galjoenen voor Malakka
vernield te hebben, de straat van dien naam, om nog tijdig met den
moesson in de Molukken te komen [54]. Ook zelfs de president van de
factorij te Bantam, J. P. Coen, werd er eerst den 10en April 1616 van
op de hoogte gebracht, dat de vloot niet naar de Molukken, maar naar
Malakka was gegaan. "Ende alsoo ten voors. tijde, doen van de compste
der Spanjaerden advyse bequamen, het westelijcke mousson verloopen was
ende wij van jachten gantsch onversien waeren, soo en conden naer de
Molucques geen advyse zenden" [55], schrijft Coen aan de bewindhebbers.
De Silva's geheimhouding van het eigenlijke plan had dus wel degelijk
doel getroffen. En moge de grootsche onderneming zelf ook al geheel
mislukt zijn, de misleiding van den vijand ten opzichte van de
beraamde plannen is voor de Spanjaarden, zooals wij nader zullen
zien, zeer zeker van onberekenbaar belang geweest. Drie weken toch,
nadat Don Juan de Silva met zijn vloot uit Manila vertrokken was,
verscheen Joris van Spilberghen daar in de baai. Deze was reeds den
6en Aug. 1614 uitgezeild met last om door de straat van Magelhaens te
varen, den Spanjaarden aan de Westkust van Amerika zooveel mogelijk
nadeel toe te brengen en zich daarna naar de Oost te begeven. Deze
last was nauwkeurig door hem opgevolgd. Wel had De Silva van de
aankomst van Spilberghen in Zuid-Amerika gehoord, maar toen hij
in ongeveer twee jaar niets meer van hem had vernomen, meende de
Spaansche gouverneur, dat die Hollandsche vloot vernietigd was en hij
Manila dus gerust verlaten kon. Den 9en Febr. bereikte Spilberghen
echter de Philippijnen, voorzag zich op het eilandje Capoel van
levensmiddelen en zeilde daarna langs de Zuidkust van Luçon naar
Manila. Natuurlijk heerschte hier na zijne verschijning algemeene
ontsteltenis. De stad was zoo goed als weerloos. Geen troepen, geen
geschut; wapens, ammunitie, alles ontbrak. De bewoners vreesden reeds
weldra de Hollanders in hun stad te zullen zien. Hun stadhouder Don
Andrés de Alcazar nam echter alle maatregelen, die hij nemen kon en
bracht de daar nog liggende schepen zoo goed mogelijk in staat van
tegenweer, deed de kanonnen herstellen en liet, om hiervoor ijzer
te verkrijgen, de vroeger weggeworpen slakken zelfs weer smelten. De
Chineezen bekwamen voor iedere drie arrobas [56] erts, die ze hieruit
verkregen, een loon van drie realen. Burgers en monniken oefenden
zich in den wapenhandel [57], en toch zou alles vergeefs geweest zijn,
indien Spilberghen niet van gevangenen het bericht had vernomen, dat De
Silva naar de Molukken was afgezeild. Nu besloot hij, na 15 dagen in
de baai vertoefd en vergeefs getracht te hebben eenige gevangenen te
bevrijden, om zoo spoedig mogelijk naar deze eilandgroep te gaan. Den
20en Maart kwam hij te La Caldera. Hier vernam hij de valsche tijding,
dat de vijandelijke vloot zich nog in Otong op Panay bevond. Hij werd
tusschen La Caldera en het eiland Basilan, in de straat Basilan,
door windstilte een tijd lang opgehouden, van welke gelegenheid de
Mindanaers gebruik maakten om hem hun hulp tegen de Spanjaarden aan te
bieden met een vloot van 50 "scheepkes", terwijl ze hem een brief van
Reaal vertoonden, waarin deze hen zijn groote vrienden noemde [58]. In
Ternate gekomen deelde hij natuurlijk onmiddellijk aan Reaal mede,
dat, zooals hij ook werkelijk meende, de Spanjaarden zeer spoedig in
de Molukken zouden verschijnen. Men besloot dus den vijand hier af
te wachten. Den 1en Juni voegden zich nog bij hen eenige schepen uit
Banda en Ambon [59], waarop zich Van der Haghen en de andere raden
uit Indië bevonden, waarna deze overgingen tot het kiezen van een
nieuwen gouverneur-generaal. De keuze viel op Reaal. Nu rees de vraag
op welke wijze deze groote macht, zeventien schepen, die hier toevallig
bijeen was, het best kon worden gebruikt tot heil en voordeel van de
Compagnie. Zouden ze in de Molukken blijven en trachten het Spaansche
fort op Ternate of Tidore te veroveren; of was het beter den vijand in
de Philippijnen te bestoken? Tot het laatste besloot men. Jan Dirksz
Lam werd als bevelhebber aangesteld en den 1en Sept. vertrok hij met
een vloot van tien schepen van Malayo. Reeds den 17en arriveerde hij
aan La Caldera om daarna op advies van Reaal Otong op Panay aan te
doen. Den 30en Sept. bereikten zij deze plaats, waar de Spanjaarden
een fort hadden, dat men den volgenden dag gewapenderhand zou trachten
te nemen, om vandaar ongehinderd eenige beesten te halen, "die er
in abondantie te becomen zijn" [60]. Dit mislukte echter. Quinones,
de aanvoerder der Spanjaarden, gewaarschuwd door Geronimo de Silva,
ontving hen dapperder dan zij hadden verwacht, en met verlies van 14 of
15 man [61] en eenige gekwetsten werden zij teruggeslagen. Lam zegt,
"tselve door ons binnen 8 ofte 10 dagen door belegh wel hebben connen
geforceert geworden", maar dit achtten zij niet raadzaam, omdat dan
de moesson te veel zou verloopen. Denzelfden dag scheepten zij zich
dus weer in, deden 16 Oct. Marinduque aan om water in te nemen, van
welke gelegenheid drie man gebruik maakten om naar den vijand over te
loopen, verbrandden kort daarop het dorp Baradero en kwamen den 18en
Oct. in de baai van Manila aan. Eerst den 12en dezer maand hadden zij
vernomen, dat Don Juan de Silva te Malakka was gestorven en de vloot
reeds vier à vijf maanden geleden deze plaats had verlaten. Zoodra
Lam was aangekomen liet hij de sterkte van den vijand verkennen. Men
telde acht groote schepen, drie groote galeien, vijf of zes fregatten
en eenige kleinere vaartuigen, "die wij met devotie sullen verwachten
ende naar uit- en invaren sooveel doenlijck is te beletten, soodat
UEd. voor dit moeson in de Molukken voor 's viants macht niet en hebt
te vreesen", schrijft Lam aan Reaal [62]. Slechts nu en dan zond hij
eenige schepen naar de kust van Luçon om Chineesche jonken buit te
maken. Hierin waren zij echter niet gelukkig, zoodat het hen aan alle
mogelijke ververschingen begon te ontbreken en zij besloten [63] wegens
de vele zieken aan boord--De Oude Maen, Vlissingen en Walcheren konden
zelfs zonder hulp van andere hun ankers niet lichten--om het laatste
schip met advies en de zieken naar Ternate te sturen. Ook gelukte
het hun niet het zilverschip te verschalken. Den 8en Dec. hadden zij
bericht gekregen, dat het in Japan had overwinterd en in Ilocos [64]
lag, maar De Aeolus en De Walcheren, die er op uitgezonden werden,
konden het niet vinden. Toen zij den 8en Jan. 1617 nogmaals hetzelfde
vernamen, werd De Aeolus er weder heen gestuurd. Deze bracht helaas
ook nu niet het zilverschip mee, wel vier Chineesche en één Japansche
jonk en het bericht, dat het zilverschip wel degelijk te Ilocos had
gelegen, maar dat het geld (300,000 realen van achten) en 400 man
[65] over land naar Manila was gebracht. Zoodra De Aeolus op het
schip afkwam, werd dit door de bemanning zelf in brand gestoken,
wat eveneens met de twee daar liggende fregatten gebeurde.
Het is te verwonderen dat de Hollanders, ondanks deze tochten buiten de
baai van Manila, niets hebben bemerkt van hen, wier bondgenootschap zij
in dezen zoo uitnemend hadden kunnen gebruiken, nl. de Mindanaers. Deze
maakten gebruik van de gelegenheid, dat de Hollanders de baai bezet
hielden, om zooveel mogelijk te rooven en te vrijbuiten. Eerst hadden
zij aan de kust van Camarines een daar op stapel staand schip en
twee jachten verbrand en dertig Spanjaarden gevankelijk meegevoerd,
en verder hun strooptochten uitgestrekt tot Panay. Hier werden zij
echter door den reeds boven genoemden Quinones verslagen en uit
elkaar gedreven. Een andere afdeeling der Mindanaers op Balayan,
aan de zuidkust van Luçon geland, vernielde daar een magazijn van
touwwerk der Spanjaarden. Aan deze strooptochten trachtten onze
vijanden een einde te maken. Twee galeien wisten de Hollanders te
verschalken door bij nacht uit Cavite te sluipen. Zij staken naar
Mindoro over, waar zich de vloot der Mindanaers bevond, maar konden
door den wind de rivier niet op zeilen, waarvan de Mindanaers gebruik
maakten, om zich zoo snel zij konden te verwijderen. Gelukkig voor
de Spanjaarden, dat Lam niet wist, hoe dicht in zijne nabijheid zich
bondgenooten bevonden [66]. Den 7en Maart besloten de Hollanders naar
Wittertseiland, een der Islas Hermanas, te zeilen, omdat zij daar
beter op de Chineesche jonken konden letten. Zij vertoefden er eenige
dagen, toen een Japansch gezagvoerder zich bij hen vervoegde. Deze
zeide een der door de Spanjaarden uitgezonden boodschappers te zijn,
die in last hadden de Chineesche jonken te Ilocos, Pangasinan of
Capo Fraile, op de westkust van Luçon, te waarschuwen. De Japanner
vroeg en verkreeg als belooning voor zijn bericht een Chineesche
jonk en een Hollandschen stuurman, om zich daarmee naar Japan te
begeven. Dadelijk werd De Aeolus (dit was dus voor de derde maal)
naar Ilocos gezonden, drie dagen later, den 23en Maart, gevolgd
door De Engel van Delft. Den 6en April zette het schip De Roode
Leeuw koers daarheen om De Engel terug te roepen. De Nieuwe Maen en
Ter Veer werden naar Wittertseiland gestuurd om De Aeolus, die met
twee buitgemaakte jonken tot daar teruggekeerd was, in het lossen
te helpen, en De Vlissingen naar Pangasinan, om daar De Aeolus te
vervangen. Zoo had Lam dus slechts drie schepen: De Nieuwe Son, De
Oude Son en De Oude Maen, onder zijn onmiddellijk bevel, toen hij den
14en April een vijandelijke scheepsmacht op zich zag afkomen. Deze
vloot, onder bevel van Ronquillo, bestond uit zeven groote galjoenen,
waarvan het admiraalschip uitstekend gemonteerd was, drie galeien,
een jacht en nog eenige kleinere vaartuigen. Lam retireerde met
zijn drie schepen naar de andere drie, die bij Wittertseiland lagen,
waarmee hij zich 's avonds nog kon vereenigen. Na gehouden scheepsraad
werd den volgenden dag het besluit genomen nog verder noordwaarts te
retireeren, om zich zoodoende bij de laatste drie: De Roode Leeuw,
De Vlissingen en De Engel te voegen [67]. Dit mislukte door de betere
bezeildheid van drie der Spaansche schepen, waardoor zij gedwongen
werden bij te draaien. Gezamenlijk besloten zij nu het admiraalschip
aan te tasten. Maar na elk schip, dat voorbij voer, de volle laag
met interest teruggegeven te hebben, vond ook Ronquillo het raadzamer
eerst zijn overige schepen, die hij vooruitgezeild was, af te wachten,
zoodat er dien dag niet meer gevochten werd. Den volgenden dag
begon eerst de eigenlijke strijd. De Spaansche admiraal enterde het
schip van Lam, De Nieuwe Son. Drie uur duurde het gevecht, waarna de
Spanjaard, uit vrees van te zinken, de enterdreggen doorhakte om zich
te redden. Ook het Hollandsche admiraalschip was geheel doornageld
en verdween weldra in de diepte. Gelukkig dat Lam en het volk zich
hadden kunnen redden op De Oude Son. De Ter Veer ging in vlammen op;
De Aeolus werd reddeloos geschoten en is daarna "opgesprongen" zegt
't Hoofling, de vice-admiraal van de vloot. "De swaerste furie van
deze batailie was geëndicht" en de drie overige schepen: De Oude Son,
De Nieuwe Maen en De Oude Maen namen de vlucht, elk zijns weegs koers
zettende naar Ternate. De Oude Son werd echter door tegenwind hierin
verhinderd, waarop zij besloten naar Patani te zeilen om aldaar
de gekwetsten, waarvan er zich meer dan 70 op het schip bevonden,
te ververschen. Maar toen ook dit de tegenwind belette, trachtten
zij, langs de kust van Kambodja loopende, eenige ververschingen in te
nemen. Den 21en Mei gelukte het hun ten laatste met veel moeite om daar
levensmiddelen voor drie maanden te koopen, waarna zij besloten eerst
naar Macao te zeilen en vandaar met den noordermoesson Ternate op te
zoeken [68]. Terwijl zij met dit doel langs de Chineesche kust voeren,
werd de hoop op buit weder bij hen wakker en gaven zij er de voorkeur
aan te trachten de karak, die jaarlijks van Macao naar Japan voer,
of eenige der Chineesche jonken, die op Manila handel dreven "waar te
nemen" [69]. Dit kwam bijzonder overeen met den wensch van Coen, want
den 20en ontmoetten zij twee schepen: De Zwarte Leeuw en De Galjas [70]
van Hoorn, die den 9en Mei Bantam hadden verlaten met een instructie,
welke op hetzelfde neerkwam. Zij namen nu het besluit om gezamenlijk
naar Nagasaki te zeilen en als de karak zich daar reeds bevond, deze
desnoods tegen den wil der Japanners in de haven aan te tasten. Dit
werd echter om verschillende redenen ondanks den uitdrukkelijken last
van Coen nagelaten. Zij hadden nl. bericht gekregen, dat van twee
Hollandsche schepen, te weten De Roode Leeuw [71] en Vlissingen,
en een Chineesche jonk, die voor Firando lagen, De Roode Leeuw, na
zijn goederen reeds te hebben gelost, alsook de Chineesche jonk door
storm op den wal waren geworpen, en vreesden nu, dat de Japanners
deze goederen in ruil voor de karak in beslag zouden nemen. Zij
staken dus weer in zee en besloten eerst het advies van Specx,
vertegenwoordiger van de O.-I. Compagnie in Japan, af te wachten. Ook
dit luidde ontkennend. De kraak lag, aldus verontschuldigde Specx zich
bij Coen [72], in de haven van Sassinots onder het eiland Amacusa
(10 mijlen bezuiden Nagasaki), en het was niet mogelijk een aanval
op haar te wagen, daar de haven nauw besloten was en er een harde
tegenwind blies. Ook vreesde Specx dat wij dan met de Japanners in
onmin zouden komen en wij daardoor de rijst zouden missen, die van
hieruit vooral naar de Molukken werd gestuurd, sinds wij die, na de
oneenigheid met Makasar, niet meer vandaar konden bekomen. Toen de
kraak daar nog niet in de haven lag, had Specx plan gehad De Roode
Leeuw uit te zenden om haar op te zoeken [73]; maar een zware typhon
had dit belet. Nadat Lam en de zijnen besloten hadden, de kraak
niet aan te tasten, zeilden zij naar Firando. Hier werd den 8en
Aug. bepaald, dat De Swarte Leeuw met de buit gemaakte goederen naar
Bantam zou gaan. De Roode Leeuw, die men niet had kunnen lichten,
werd gesloopt en Lam ging, na op De Vlissingen te zijn overgegaan,
in Jan. 1618 met provisie naar de Molukken onder zeil, en wierp
11 Febr. 1618 voor Ternate het anker uit. De Nieuwe- en Oude Maen,
met Lam den Spanjaarden ontvlucht, waren 7 Aug. 1617 behouden aldaar
aangekomen, gelijk het zevende schip De Engel reeds den 27en Juni
van dat jaar [74]. De Oude Son met De Galjas zouden nog een poging
wagen om de karak, die met zilver naar Macao ging, te vermeesteren
en daarna naar Cochin-China varen. In de instructie van Coen, aan De
Swarte Leeuw en De Galjas gegeven, stond nl. uitdrukkelijk, dat zij,
zoo zij de kraak misten, naar Cochin-China moesten zeilen om aldaar
te trachten handelsbetrekkingen aan te knoopen, en gelukte dit niet,
dan de Chineezen vandaar "gelijck van Manila soecken te wercken om
hun alsoo t' onswaerts te dringen".
Hoe was het intusschen met de beide overige schepen gegaan, die niet
aan het gevecht tegen de Spanjaarden hadden deel genomen? Den 17en
April, een dag na het gevecht, kwamen zij met vijf veroverde jonken op
de kampplaats aan. Daar geen schepen meer ziende en vermoedende dat
de Spaansche vloot reeds buitengaats was, zeilden zij zuidwaarts en
vonden hier het Spaansche vice-admiraalschip Marcos, dat zich in vrij
onttakelden toestand bevond. Wel werd het moedig verdedigd, maar den
eersten dag voornl. door De Vlissingen bestookt, werd het in den avond
van den 2en door De Roode Leeuw gedwongen, "daar het heel lek was en
de pomp staag gaande" op den wal te loopen. Van den invallenden nacht
maakten de Spanjaarden gebruik om al het goed te lossen, waarna zij
den brand in het kruit staken. De beide Hollandsche schepen voeren
toen met hun buit naar Japan, waar zij, zooals wij zagen, Lam weer
ontmoetten. De Spanjaarden, hoewel de winnende partij, verloren
tengevolge van dezen slag bijna al hunne schepen. Kort nadat zij de
onzen uit de Philippijnsche wateren hadden verdreven, kwam Geronimo de
Silva uit de Molukken te Manila, om tot de aankomst van den opvolger
van Juan de Silva het gouverneurschap waar te nemen. Geronimo was dus
volkomen op de hoogte van den toestand, waarin de Molukken verkeerden
en wist, dat deze dringend hulp noodig hadden. Hij zond daarom zes
schepen zonder verwijl, ondanks het onstuimige jaargetijde (Oct.),
ondanks de waarschuwingen der stuurlieden, ja zelfs tegen den wil
van de Audiencia, naar Marinduque en Masbate om gekalefaat te worden;
maar nauwelijks hadden zij de baai verlaten, of een storm stak op en
drie schepen zonken in de diepte. De andere drie liepen op de klippen,
waar zij, gebarsten en vol water, met geen mogelijkheid vandaan gehaald
konden worden. Al het volk, 1000 man, zoowel Spanjaarden als inlanders
en Chineezen, alle timmerlieden met hunne gereedschappen werden een
prooi der golven [75]. Uit slechts één oud schip, De Lorenzo, en zes
zoo goed als versleten galeien bestond nu de geheele zeemacht der
Spanjaarden in de Philippijnen.
En de Hollanders, behoudens de nadeelen, het verlies der drie schepen,
welke voordeelen hadden zij behaald? Een buit van f 1.000.000
[76]. Coen schreef dan ook: "Als 't God en onze meesters gelieft,
moet de zaak weer couragieuselijk hervat worden" [77].