Zooals wij in het vorige hoofdstuk gezien hebben, was in 1610
de toestand in de Molukken verre van rooskleurig. Van Caerden was
gevangen genomen, Hoen plotseling gestorven en Wittert gesneuveld. In
Februari 1610 kwam een Spaansche versterking, bestaande uit zes
fregatten, in de Molukken. Gelukkig maakten de Hollanders zich van
een dezer schepen meester, waardoor zij in staat gesteld werden Van
Caerden in te wisselen tegen de zich daarop bevindende officieren
en paters. Dadelijk werd Van Caerden als gouverneur erkend, maar
niet lang daarna voor de tweede maal krijgsgevangen gemaakt door de
Spanjaarden, die hem nu naar Manila voerden, waar hij in de gevangenis
omkwam. Zoo waren de Molukken dus weer zonder een erkend hoofd. Wel
zou het Bestand in Oost-Indië 9 April 1610 ingaan, maar de Spanjaarden
hadden hiervan nog geen bericht ontvangen. En toen zij dit later van
de Hollanders vernamen en met de stukken overtuigd werden, weigerden
zij toch het bestaan ervan, zonder last van hooger hand, te erkennen
[37]. Integendeel, Don Juan de Silva maakte zich gereed tot een tocht
naar de Molukken. Uit de buitgemaakte papieren van Van Caerden had hij
den juisten toestand, waarin zich de forten in de Molukken bevonden,
leeren kennen, en in de hoop den Nederlanders voor de tweede maal
een even geduchte nederlaag toe te brengen, als in het vorige jaar,
besloot hij, tegen het gevoelen der Audiencia in, aan zijn voornemen
gevolg te geven. In 1611 verscheen hij met een vloot, waarop zich
2000 soldaten en matrozen en vele inboorlingen bevonden. Reeds
spoedig bemerkte hij, dat de forten in veel betere conditie waren,
dan hij zich had voorgesteld, zoodat hij den ongelukkigen sultan
Sahid, die door hem uit Manila was meegebracht, in de Spaansche
vesting achterliet en wederom met zijn vloot naar Manila vertrok. Op
dezen terugtocht maakte hij zich van Gilolo en Saboegoe, twee door
de Hollanders versterkte plaatsen op de Westkust van Halmaheira,
meester. Deze beide plaatsen waren daarom wel van eenig belang,
omdat van daar uit Ternate en Tidore gemakkelijk van levensmiddelen
konden worden voorzien. Er verliepen een paar jaar voor de Hollanders
zich sterk genoeg gevoelden een tocht naar de Philippijnen te
ondernemen. Weliswaar bevond de eerste gouverneur-generaal Both zich
in 1613 met dertien schepen in de Molukken en werd toen het voorstel
gedaan om een kaapvaart naar de Philippijnen te doen, maar Both en
de meerderheid der bevelhebbers vonden het van meer belang eerst de
forten in de Molukken in flinken staat van verdediging te brengen,
zoodat er toen geen gevolg aan werd gegeven [38]. Laurens Reaal
bleef als gouverneur in de Molukken achter. Steeds liepen onder
diens bewind geruchten omtrent de aanstaande komst der Spanjaarden
[39]. Wij zullen later zien, dat deze niet uit de lucht gegrepen waren.
Reaal had reeds lang het plan gekoesterd den vijand in Manila op te
zoeken en daar hij in 1614 een voldoend aantal schepen onder zijn vlag
kon vereenigen, maar geen leger bezat, dat sterk genoeg was om den
vijand te land op Ternate of Tidore aan te tasten, besloot hij met zijn
raad deze scheepsmacht te gebruiken tegen de Philippijnen. Tegenover de
tien schepen der Hollanders hadden de Spanjaarden er weliswaar veertien
gereed, maar deze waren volgens de ingewonnen informatie slechts met
zeer weinig soldaten en met nog minder matrozen bemand. Bovendien
waren onze forten in de Molukken in goeden staat van verdediging, en
mocht hier onverhoopt iets voorvallen waardoor de hulp der vloot noodig
zou blijken te zijn, dan kon deze altijd met den aanstaanden noorder
moesson snel terugkomen. En als de nieuw benoemde gouverneur te Bantam
was aangekomen, zoo oordeelden Reaal en zijn Raad den 17en Aug. [40],
dan zou hij zich wel zoo spoedig mogelijk over Macao en Manila naar de
Molukken begeven. Deze reisroute toch zou hem een paar maanden eerder
aldaar doen zijn. Wilde het geluk nu, dat de beide vloten elkaar
in de Philippijnsche wateren ontmoetten, dan zou er misschien iets
"treffelycks" kunnen uitgericht worden. Den 17en Aug. werd met den
tocht een aanvang gemaakt door Jan Rossingeyn, die vooruit gezonden
werd naar Siau, het vroeger door Reaal veroverde eiland, om aldaar
Kaitjil Kaluwan [41] in plaats van den naar Manila vervoerden ouden
Koning, als zoodanig aan te stellen. Den 11en Sept. ging het tweede
deel van de vloot onder bevel van Reaal van Ternate onder zeil. Het
bestond uit zeven schepen. Het admiraalschip De Son, Groot Hoorn,
Seelandt, Ceylon, Middelborch, Patana en De Hope. Reeds den 15en
derzelfde maand kwamen ze voor Siau, waar zich Jan Rossingeyn met De
Arend, De Hollandsche Leeuw en De Maen bij de vloot voegde, zoodat
deze nu bestond uit tien schepen. Nadat Sangir was aangedaan, kwam
den 26en het eiland Tagima (tegenwoordig Basilan) in het gezicht
en bereikten zij den 29en Samboangan aan de zuidpunt van Mindanao,
waar zij veel ververschingen bekwamen van de inwoners die hen tevens
was en "canello de matto" te koop aanboden. Drie dagen later wierp de
vloot voor La Caldera het anker uit, waar de Mindanaers, zoowel als
de bewoners van den Soeloe-archipel, onzen vlootvoogd hulp aanboden,
terwijl de laatsten te kennen gaven niet te twijfelen, of hun koning
zou eerstdaags komen. Reaal zeide echter niet te kunnen wachten, daar
de moesson bijna verloopen was. Als hun vorst ons echter wilde volgen,
dan zou hij ons te Otong of elders kunnen aantreffen. Spoedig zeilden
zij dan ook naar het eiland Panay en kwamen daar den 14en Oct. in de
haven van Ilo-Ilo aan. De Spanjaarden, door Geronimo de Silva op de
hoogte gebracht van Reaal's komst, namen, zoodra deze zich met zijn
vloot vertoonde, in de bosschen van het eiland de wijk, daar zij zich
niet sterk genoeg gevoelden den Hollanders het bezit van het houten
fort te Otong te betwisten. Hier besloot Reaal te landen om den vijand
door "branden en blakeren" zooveel mogelijk afbreuk te doen. De dorpen
Jaro, met een zich daar bevindend klooster, Arevola en Otong in de
nabijheid van Ilo-Ilo werden met den grond gelijk gemaakt en alles wat
waarde had medegenomen. Hetzelfde lot ondergingen twee fregatten en
vele op de rivier liggende fusten. Ook werden er 110 à 120 "beesten"
buitgemaakt. Vergeefs gewacht hebbende op wat gunstiger weer en wind,
besloten zij eindelijk hun tocht naar Manila voort te zetten, maar
noordelijker dan Panay konden zij niet komen. Na herhaalde mislukte
pogingen om tegen den moesson op te zeilen, werd den 24en Nov. het
besluit genomen naar La Caldera terug te keeren, waar zij den 28en
opnieuw het anker uitwierpen. Zij vernamen hier, dat ongeveer een
maand geleden twee galeien, twee fregatten en twee kleinere scheepjes,
naar Ternate bestemd, voorbij gezeild waren. Waarschijnlijk naar
aanleiding van dit bericht vertrokken De Hoorn en Patana den 4en
Dec. naar de Molukken. De overige schepen hielden zich nog eenigen tijd
in La Caldera op, waar een paar gezanten van den sultan van Mindanao
en wat later de koning van Soeloe kwamen om met Reaal een verbond
te sluiten [42]. Reaal bewees hun groote eer en vriendschap en van
"die van Solock" zegt hij, dat ze "zijn een civiel volk, altemaal
sprekende goed Maleitsch, alsoo met Maleyen en die van Broenei veel
handelen in paarlen, die er schoon vallen, was, schildpadhoorn en
goud" [43]. Van hen werd ook vernomen, dat er twee of drie schepen
gezien waren in de nabijheid van Soeloe, die door de straat tusschen
Soeloe en Basilan poogden door te zeilen. De Hollandsche Leeuw werd
er op afgezonden, maar keerde onverrichterzake terug. Eerst den 14en
Jan. 1615 kon Reaal er toe besluiten La Caldera den rug toe te keeren
en de Molukken wederom op te zoeken. Den 26en Jan. wierp de vloot voor
Malayo het anker uit. Veel voordeel was met dezen tocht niet behaald,
daar zij volgens Reaal "meer schrick als schade aan den vijandt ofte
proffijt voor ons hebben gedaan" [44]. "Zij hebben", schrijft Coen,
"27 ankers verloren en veel perykel van stranden geleden" [45]. Boven
maakte ik reeds melding van de vele geruchten die in de Molukken
liepen omtrent de komst van een groote Spaansche macht.
Don Juan de Silva had in 1612 reeds den vroegeren gouverneur der
Molukken Cristóbal de Ascueta Monchaca naar Goa gezonden om bij de
Indische kooplieden geld op te nemen en zich daarvoor van schepen
en bemanning te voorzien [46]. Zelf spande hij alle krachten in om
een behoorlijke vloot in gereedheid te brengen, terwijl in Aug. 1614
eenige hulp uit Spanje in Manila aankwam. Ook zond de vice-koning
hem in 1615 op zijn herhaald verzoek om hulp de kapiteins Don Diego
de Mirando Enriques en J. de Mora met een brief, waarin hij te
kennen gaf, dat het hem niet mogelijk was meer dan vier galjoenen
en 400 soldaten te zenden, maar bij die vaartuigen zou hij met den
moesson zooveel "secours" zenden als hij kon missen. Dit bracht
De Silva dus veel nader tot zijn doel. Half Dec. 1615 lag hij met
tien galjoenen, drie jachten (pataches) en vier galeien gereed om
uit te varen, toen hij plotseling een tegenstand ontmoette, die al
zijn mooie plannen in duigen dreigde te werpen. Door den fiskaal
Don Juan de Alvarado en de Audiencia werd nl. verzet aangeteekend
tegen zijn uitvaren, op gezag van brieven uit Spanje. Nu bracht De
Silva zijn plan de campagne, hoewel het, zooals hij zegt, tegen alle
wetten en krijgsprudencie streed, den 12en Jan. 1610 in een junta
van alle "estados". Op de in deze vergadering gemaakte bedenking,
als zou het beter zijn op de hulp van den vice-koning te wachten,
kon de doortastende gouverneur antwoorden, dat den 1en Oct. 1615 een
karveel en een galjoot door Francisco de Meranda afgezonden waren,
die het volgende bericht hadden medegebracht. "De vier galjoenen,
u door den vice-koning toegezonden, liggen te Malakka; zij hebben
de straat niet kunnen passeeren, daar zij te laat zijn gekomen. De
bevelhebbers zijn besloten voor Malakka te blijven wachten op de komst
der Spanjaarden, daar ze groote zwarigheid maken om naar de Molukken te
gaan". Na dit meegedeeld te hebben, betoogde nu De Silva verder, dat,
als de Spaansche vloot den Portugeezen niet tegemoet ging, hij tot
den noorder moesson in Nov. of Dec. zou moeten wachten en intusschen
de schepen wegens het slechte hout, waarvan ze gemaakt waren, door
de wormen verteerd zouden worden. Bovendien had hij uit "zekere"
berichten vernomen, dat de vijand onmachtig was en dit jaar geen hulp
uit Holland had te verwachten [47]. Of hij de Audiencia tot andere
gedachten heeft kunnen brengen of ondanks haar verzet is uitgezeild,
is mij onbekend, maar zooveel is zeker: 7 Febr. 1616 verliet hij Manila
met tien galjoenen, drie jachten en vier galeien en 500 Japanners,
die echter later aan wal moesten gezet worden, omdat men hen niet
vertrouwde. Een duidelijk overzicht van zijn plannen geeft De Silva
in een geheimen brief aan zijn neef Geronimo, gouverneur der Molukken,
tegelijk afgestuurd met een bevel om, als de Hollanders in de Molukken
nog geen versterking hadden ontvangen, hem 200 soldaten tegemoet te
zenden langs Sangir en La Caldera [48]. Terwijl de Hollanders, alsook
de Spanjaarden in het algemeen, meenden, dat hij naar de Molukken zou
gaan, zegt hij in dezen brief, hoop te hebben zich in straat Soenda
met de vier Portugeesche galjoenen te vereenigen [49] en vandaar naar
Bantam te zeilen om er de Hollanders te verdrijven. Hierna meende hij
Banda en Ambon en daarna Ternate van Hollanders te zuiveren. Toen De
Silva echter voor Malakka kwam, vond hij geen Portugeesche galjoenen;
deze waren door Steven v. d. Haghen vernietigd [50]. De Silva had
stelligen last zich met de troepen van den vice-koning te vereenigen
en te Malakka zeide men, dat deze in persoon zou komen; dus besloot
De Silva op deze plaats te wachten. Hier trof de Spaansche vloot
echter een zwaar verlies. Den 19en April 1616 stierf De Silva [51]
plotseling aan een hevige ongesteldheid, na aan Don Alonso Enriquez het
opperbevel te hebben overgedragen. Door den dood van dezen krachtigen
doortastenden gouverneur was de groote voortstuwende kracht aan de
Spanjaarden ontnomen, en Don Alonso Enriquez keerde uit vrees voor de
veiligheid der Philippijnen en wanhopende aan het Portugeesch secours,
in Mei naar de Philippijnen terug [52].