HOOFDSTUK III.

Toen Acuña de Molukken verliet, was Ambon de eenige plaats,

die met Frederik de Houtman als gouverneur onder onmiddellijk

gezag der Hollanders stond, terwijl zij verder op Banda een

geringen invloed bezaten door middel van den, daar door Van der

Haghen in 1605 achtergelaten, koopman Hendrik van Bergel. Dat deze

invloed niet groot was, kunnen wij lezen uit een brief van Jacques

l'Hermite, opperkoopman te Bantam, in November 1608 geschreven aan

de bewindhebbers te Amsterdam: "Ick vreese, sooder geen ordre in dit

eylandt gestelt en wort, eens qualick zal afloopen, want dagelycx in

moetwille toenemen en daer en is nyet wel remedie toe, tensy dat men se

met gewelt dwinght, dwelck oock zijn zwarickheden heeft. Niet alleen

die van Banda, maer oock ten respecte van alle landen hieromtrent,

die daermede groot achterdencken soude gegeven worden; die van Ambon

werden seer door de Bandaneezen opgerockt, ende is te sorgen schier

oft morgen daer oock uytborsten sal" [26].

Matelieff was de eerste Hollandsche vlootvoogd, die na Acuña's vertrek

uit de Molukken, aldaar verscheen. Den 29en Maart kwam hij voor Ambon

aan en trof hier de gezanten der Ternatanen, die reeds in Bantam

waren geweest om hulp te verzoeken, welke hij hun beloofde, indien

zij met 2000 man er toe mede wilden werken de zoo gehate Spanjaarden

te verjagen.

Den 13en Mei kwam hij voor Ternate, maar de hulptroepen, die onder

Modafar en diens broeder van Gilolo waren overgestoken, bleken op verre

na niet voldoende om, zoo ze Tidore al veroverd hadden, dit na het

vertrek der Hollanders tegen de Spanjaarden te verdedigen. Modafar

en de zijnen stelden dus zelf voor op Ternate een sterkte te

bouwen en daarin hunne verstrooide landgenooten zooveel mogelijk

te verzamelen. Dit voorstel werd met beide handen door Matelieff

aangegrepen, zoodat de aan het strand gelegen plaats Malaya van een

fort werd voorzien. Reeds den 26en Mei 1607 teekenden Matelieff en

de koning van Ternate een contract, waarin o. a. de bepaling werd

opgenomen, dat "alle Ternatanen, die verstroyt zijn, in d'omleggende

landen met den eersten op Ternate komen, opdatt door de menighte van

Ternatanen het verdrijven van de Castelanen te lighter sal vallen,

ende 't volk gereit sall weezen, als daer secours van Hollandt compt"

[27]. Nauwelijks was het fort den 8en Juni gereed gekomen, of Matelieff

vertrok den 12en naar China, na eerst nog twee gezanten der Ternatanen

op Mindanao te hebben afgezet, waar hen door den sultan van Mindanao

stellig wel een gunstig onthaal zal zijn ten deel gevallen, daar deze

nog steeds in oorlog was met de Spanjaarden [28].

Dat Matelieff reeds zeer goed het groote nut inzag, dat wij konden

trekken uit de vijandschap van dezen sultan met de Spanjaarden,

blijkt wel uit den raad, dien hij aan den Hollandschen vlootvoogd

Van Caerden gaf, toen deze den 6en Januari 1608 te Bantam verscheen

[29]. Hij haalde hem over naar de Molukken te stevenen en drukte hem op

het hart toch vooral de Spanjaarden op Ternate niet roekeloos aan te

tasten, maar zich veeleer met den sultan van Mindanao te verbinden,

opdat hij met diens hulp den Spanjaarden allen toevoer uit Manila

zou kunnen afsnijden. Van Caerden deed dit niet, maar zette, na een

mislukte poging om Djohore te bereiken, direct koers naar Ambon en

vandaar naar Ternate, waar hij den 18en Mei 1608 aankwam. Hoewel

een achttal bodems onder zijne bevelen hebbende, voelde hij zich,

misschien gedachtig aan de waarschuwing van Matelieff, niet sterk

genoeg om de Spanjaarden op Ternate of Tidore aan te tasten, maar

werd er besloten een aanval te wagen op het fort Makjan, dat slechts

door Tidoreezen bezet was. Ofschoon goed verdedigd, werd het fort

stormenderhand genomen en met nog twee andere plaatsen op Makjan

opnieuw in staat van verdediging gebracht, waarna men er 120 man

achterliet onder bevel van Appollonius Schotte. Alle hoofden van het

eiland kwamen daar toen samen om zich aan het Nederlandsch gezag en

de Ternatanen te onderwerpen. Met de verovering van dit nagelrijke en

voor de Compagnie zoo rentengevend eiland stelde Van Caerden zich niet

tevreden, maar ontnam den Spanjaarden ook nog een sterkte Tjio op het

eiland Morotai ten Oosten van Gilolo. Doch hierna daalde zijn gelukzon

en werd ons een gevoelig verlies toegebracht door Pedro de Heredia,

die met twee Spaansche galeien het fregat van Van Caerden aanviel

en den bevelhebber met zijn manschappen den 17en Sept. 1608 dwong

zich over te geven. Wel werden er weldra weer 34 van hen ingewisseld

tegen Spanjaarden van een veroverd Spaansch fregat, dat van Manila

naar Ternate wilde om de Spanjaarden aldaar te proviandeeren [30],

maar Van Caerden zelf bleef voorloopig nog de gevangene van Juan de

Esquivel, die als losprijs niets meer of minder eischte dan de overgave

van de forten op Makjan en van Malaya op Ternate. Gelukkig was deze

eisch den Hollanders wel wat al te kras, hoewel toch "door verblint

verstant der Hollandern Maleyo offte de fortresse op Ternate gelegen,

Orangie, voor des Admiraels rantsoen werde geoffreert en gebooden". Op

deze voorwaarde wilde Esquivel Van Caerden echter niet vrijlaten;

"tot grote ontlastinge van degene die sulx hadden gepresenteert"

[31], zegt de briefschrijver er bij. Door gevangenschap werd Van

Caerden dus verhinderd, uitvoering te geven aan zijn plan om een

tocht naar de Philippijnen te ondernemen.

François Wittert zou na Van Noort de eerste zijn, die zich voor den

hoofdzetel van het Spaansche gezag in de Oost zou vertoonen. Voor wij

echter over kunnen gaan tot de beschrijving van dezen tocht, zien

we ons genoodzaakt een oogenblik te verwijlen bij de verrichtingen

van twee andere vlootvoogden, namelijk den admiraal Pieter Willemsz

Verhoeff en schipper Simon Jansz Hoen, die den 15en Februari 1609

voor Bantam verschenen. Lang vertoefden zij hier niet, maar vertrokken

direct naar Banda, om die eilanden aan de Compagnie te verbinden "met

tractaat ofte met geweld". Verhoeff viel aldaar als slachtoffer van

de trouweloosheid der Bandaneezen, waarna aan Simon Jansz Hoen als

vice-admiraal het opperbevel werd opgedragen. Nadat Hoen de opdracht

zijner principalen op Banda had volbracht, door er na heftigen strijd

het fort Nassau gebouwd en den Bandaneezen een tractaat afgedwongen

te hebben, stelde hij Hendrik van Bergel [32] daar als gouverneur aan

en zeilde naar Ternate. Hier kwam hij den 23en Sept. aan, versterkte

op Ternate het plaatsje Tacomi, dat Willemstad gedoopt werd, en was

daarna zoo gelukkig aan de macht der Compagnie een groote uitbreiding

te geven door de verovering van Batjan. Tidore kon hij helaas niet

machtig worden, daar de dood hem in Januari 1610 wegrukte, waardoor

dit gedeelte der vloot, uit gemis aan een aanvoerder en door onderling

krakeel, niets van belang meer heeft kunnen uitrichten. Vóór Verhoeff

naar Banda vertrokken was, had hij volgens besluit van den breeden raad

zijn vice-admiraal François Wittert bevel gegeven met vier schepen

naar Makasar te zeilen, om aldaar rijst en andere levensbehoeften

voor de Molukken te koopen en tevens pogingen in 't werk te stellen

om een verbond met den vorst te sluiten. Het is hier de plaats niet

te verhalen, hoe Wittert geslaagd is. Genoeg zij het te vermelden,

dat hij, na te Makasar eenige maanden vertoefd te hebben, den 22en

Juni 1609 voor Ternate verscheen. Na hier vernomen te hebben, dat

Van Caerden gevangen was genomen, versterkte hij het eilandje Motir,

sloot een voordeelig tractaat met de Ternatanen en ging daarna den

22en September, juist één dag voor de aankomst van Hoen te Ternate,

naar de Philippijnen onder zeil. De weinig energieke gouverneur van

die eilanden, Telez de Almansa, was in 1609 opgevolgd door Don Juan

de Silva. Deze had, zoodra hij aan het bestuur kwam, de haven Cavite

en andere forten op de Philippijnen versterkt en één der vijf door hem

meegebrachte compagnieën soldaten onder Fernando de Ayala tot hulp naar

de Molukken gezonden. Uit deze maatregelen blijkt wel, dat Wittert een

krachtig tegenstander tegenover zich zou vinden. Of hem de tocht naar

Manila te Bantam reeds was aanbevolen, weten wij niet, maar het is

wel zeer waarschijnlijk, daar hij zich geheel houdt aan het advies,

dat Matelieff aan Van Caerden hieromtrent 4 Jan. 1608 heeft gegeven

[33]. Na eerst op de moeilijkheid te hebben gewezen, om met onze vuile

schepen de vlug bezeilde Chineesche jonken in de Philippijnsche wateren

te achterhalen, geeft hij den raad om met twee groote vaartuigen,

die krachtig genoeg waren om den vijand te weerstaan, en twee jachten

"dapper op de seylage gemaeckt", voor Manila te gaan kruisen. Tevens

acht hij het wenschelijk eenige plaatsen van de Spanjaarden daar af

te loopen, voornamelijk Otong op het eiland Panay, van waar uit veel

rijst en vleesch naar Manila wordt gestuurd. "Verzeker u echter eerst",

zegt Matelieff, "van de hulp der Mindaers". Geheel overeenkomstig

dit advies van Matelieff aan Van Caerden, richtte nu Wittert zijn

tocht in. Den 25en October kwam hij met het schip De Amsterdam en drie

jachten: De Valk, De Arend en De Pauw, voor Otong aan. Hier konden ze

echter weinig uitrichten, daar Ayala, die, zooals wij gezien hebben,

met hulptroepen voor de Molukken onder weg was, zich nog op deze

plaats bevond. Wel gelukte de landing, maar toen zij hier buiten

verwachting zoo'n krachtigen tegenstand ontmoetten, trokken zij zich

weder terug op de schepen en zetten hun tocht voort. Ook Cavite was

door Juan de Silva te goed versterkt, om dit met eenige kans op succes

te kunnen aanvallen. Wittert voer nu terug en stationneerde zich aan

den ingang der baai voor het eilandje El Frayle, waar hij alle schepen

uit China, Macao en Voor-Indië komende, overviel en zonder de minste

moeite buit maakte. Drie-en-twintig rijk geladen jonken bemachtigde

hij hier [34], behalve nog twee Japansche, die hij echter weder vrij

liet. Deze rijke gemakkelijk verkregen buit en misschien ook de hoop

dat hij nog het zilverschip uit Mexico zou bemachtigen, verleidde hem

langer te blijven dan met de voorzichtigheid overeenkwam. Wanneer

hij echter dacht, dat de Spanjaarden zonder verzet zouden aanzien,

dat Wittert op deze wijze de welvaart van Manila bedreigde en de bron

van inkomsten deed opdrogen, had hij buiten den energieken De Silva

gerekend. Alle krachten spande deze in, om een behoorlijke vloot

uit te rusten. Dag en nacht werd gearbeid, het ijzer der hekwerken

gebruikt en kerkklokken vergoten tot geschut. Op deze wijze verkreeg

hij een vloot van acht schepen, twee galjoenen, twee galeien en vier

kleinere schepen, bemand met 1000 koppen, bijna alle Spanjaarden,

onder aanvoerders als Pedro de Heredia en Gallinato. Hierbij voegde

zich nog een in Marinduque gemaakt schip. Het opperbevel over deze

scheepsmacht verkreeg De Silva's neef Don Fernando de Silva. Op 21

April 1610 verliet Fernando met zijn vloot Cavite en 25 April raakte

hij met drie schepen van Wittert slaags--een jacht en een sloep van

het schip Delft lagen aan de andere zijde van de baai op wacht. De

uitslag was niet twijfelachtig, de overmacht te groot. Wittert en

velen met hem sneuvelden, twee schepen werden genomen en het derde

vloog in de lucht. Toen het jacht De Pauw en de sloep, op het schieten

afkomende, den uitslag bemerkten, vluchtten zij en kwamen behouden

in Patani [35]. Bijna de geheele Hollandsche macht voor Manila was

dus vernietigd, en dit niet alleen: ook de ontzaglijke buit [36]

der Hollanders en hunne papieren vielen in handen der Spanjaarden,

125 man werden krijgsgevangen gemaakt, en 50 stukken geschut van

de Hollandsche schepen zouden voortaan tegen die Hollanders zelf

hunne goede diensten bewijzen. Van de krijgsgevangenen bleven zij

gespaard, die door de vermaningen der Jezuïeten--en misschien ook

door de vrees voor den dood, of liever door de hoop op het leven,

tot het katholicisme werden bekeerd.

De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626 · 第 5 / 29 题