Hoe was het intusschen den Nederlanders in de Molukken gegaan? De
meeste dezer eilanden behoorden onder de heerschappij van den Sultan
van Ternate nl. Sahid, zoon van Baab, van wien gezegd werd, dat hij
heerschte over 72 eilanden. Deze Sahid was in voortdurenden strijd
met Mamoli, Sultan van Tidore. Daar nu de Portugeezen een fort hadden
op Tidore en van daar uit den Tidoreezen steeds hulp verleenden tegen
Ternate, lag het voor de hand, dat bij de komst der Nederlanders in
de Molukken Sahid alles in het werk stelde om deze vreemdelingen voor
zich te winnen. Reeds bij het eerste bezoek stond hij aan Van Warwijck
toe er een handelskantoor te vestigen en werd Frank van der Does
daar als koopman achtergelaten. Toen de Nederlanders voor de tweede
maal Ternate bezochten, deden zij zich aan Sahid kennen als dappere
soldaten, die zeer goed tegen de Portugeezen waren opgewassen. Deze
toch hielden niet op de Nederlanders bij Sahid zwart te maken en hem
wantrouwen tegen ons in te boezemen. Om ze hiervoor eens te tuchtigen,
vroeg en verkreeg Van Neck na eenige aarzeling vergunning van Sahid en
tastte hij met twee schepen de vier Portugeesche vaartuigen aan. Wel
bleef het gevecht onbeslist maar--lafaards waren we niet! hiervan
had Sahid de duidelijke bewijzen gezien. Reeds meermalen had de
kapitein van het Portugeesche fort op Tidore een bode naar Manila
afgevaardigd om hulp te verzoeken aan Francisco Tello. In 1601 had
Mamoli zelfs zijn broer Kaitjil (prins) Kota naar de Philippijnen
gezonden. Veel vermocht Tello echter niet te helpen, maar toch zond
hij ammunitie en eenige manschappen, die reeds dadelijk tegen Van Neck
goede diensten konden bewijzen. Tello beloofde een grootere macht te
zullen zenden in 1602, welke macht zich dan voegen zou bij de vloot,
die de Portugeezen te Goa hadden uitgerust om zich zelf daarmede in
de Molukken te nestelen en de Hollanders er uit te weren. Deze vloot
verliet Goa den 8en Mei 1601 onder bevel van André Furtado de Mendoza
en werd door Wolfert Harmensz voor Bantam verdreven, waarna Furtado
de reis naar de Molukken voortzette. Den 10en Februari 1602 kwam hij
voor Ambon aan en vestigde daar zijn gezag. Te Bantam en hierna op
en om Ambon had hij reeds zoovelen zijner soldaten verloren, dat hij
zich in Mei gedrongen gevoelde om bij Acuña, den opvolger van Tello
de Guzman, op de beloofde hulp aan te dringen.
Acuña, hoewel hier zeer toe geneigd, was onmogelijk in staat Manila
van veel troepen te ontblooten, omdat de verhouding met Japan op
dit oogenblik zeer gespannen was, en de zeeroovers van Mindanao en
Soeloe steeds brutaler optraden. Toch werd, terwijl door Furtado op
Makjan een fort was gebouwd en daarna de haven Talangami op Ternate
geblokkeerd werd, in de Audiencia [19] besloten kapitein Gallinato
met eene flinke macht aan de Portugeezen ter hulp te zenden. Wel
trachtten nu, na aankomst van Gallinato, de vereenigde Portugeezen
en Spanjaarden Ternate te nemen, maar gebrek aan samenwerking, het
uitblijven van Tidoreesche hulp en het gedeeltelijk overloopen der
Amboneezen, deed de verovering mislukken. Furtado gaf 23 Maart 1603
bevel de troepen in te schepen [20], slechtte het fort op Makjan weer
en keerde naar Ambon en kort daarop naar Malakka terug. Niet lang zou
het echter duren of de Molukken zouden opnieuw de kampplaats worden
tusschen de Portugeezen en Hollanders, ten koste van de ongelukkige
bewoners. Op 21 Febr. vertoonde de Hollandsche vlootvoogd Van der
Hagen zich voor Ambon en reeds den 23en gaven de Portugeezen het fort
bij verdrag over. Zij mochten ongehinderd met hun geweer vertrekken;
de gehuwden, die blijven wilden, moesten natuurlijk den eed van
trouw aan de Staten afleggen; van den voorraad nagelen zou de helft
aan de Compagnie worden afgestaan, de helft tegen marktprijs worden
overgenomen [21]. De "kapitein Hitoe" sloot namens de Hitoeezen
met hem een contract, waarbij men beloofde, elkaar wederkeerig, wat
het geloof betreft, geen overlast aan te doen [22]. Hierop vertrok
Van der Hagen naar Banda, liet Frederik de Houtman in de vesting
op Ambon achter en gaf zijn onderbevelhebber Cornelis Bastiaensz
last om met vijf schepen naar Ternate te zeilen en van daar uit zoo
mogelijk het fort op Tidore op de Portugeezen te veroveren. Van der
Hagen sloot met de Bandaneezen een contract op denzelfden voet als
vroeger reeds door Wolfert Harmensz was tot stand gebracht en keerde
daarna onverwijld naar Ambon terug, waar hij de bewoners weder tot
kalmte bracht, die in opgewonden toestand verkeerden door het gedrag
van de bezetting van het fort. Deze had nl. de huizen vernield en de
inwoners "getravailleerd", terwijl Frederik de Houtman, in strijd met
het verdrag, uit vrees voor verraad, de Portugeezen had gedwongen te
vertrekken deels naar Malakka, deels naar Manila.
Cornelis Bastiaensz was intusschen naar Ternate gezeild, overmeesterde
de twee Portugeesche vaartuigen, die voor Tidore lagen en tastte
daarna de vesting aan. De bevelhebber van het fort, Don Pedro
Alvarez de Abreo was echter op zijn hoede, gewaarschuwd door den
Engelschen admiraal Middleton, die hem had meegedeeld, wat in Ambon
geschied was. Hier ging de verovering dus niet zoo gemakkelijk als op
Ambon. Tweemaal liepen de Hollanders, gesteund door de Ternatanen,
storm. Tweemaal moesten zij afdeinzen. Het geluk diende ons echter:
de kruittoren sprong in de lucht en hierdoor was weldra de vesting
ons. Aan Abreo werd met alle Portugeezen vrije aftocht toegestaan
"daar het haer geliefde met haer bagage" [23].
Zoo waren dus de Molukken weer in handen der Nederlanders en zij
zouden wellicht voor goed aan hen gebleven zijn, indien Bastiaensz
door de heeren bewindhebbers in staat was gesteld het veroverde
te behouden. Het fort op Tidore werd echter op verzoek van Sultan
Sahid van Ternate onbruikbaar gemaakt, terwijl het ons aangeboden
fort op Ternate niet voldoende kon versterkt en bemand worden. Het
door de Portugeezen verlaten fort op Makjan werd in het geheel niet
bezet. Ten gevolge van deze verkeerd begrepen zuinigheidstaktiek
der bewindhebbers hadden de Spanjaarden weldra weer licht spel om de
Molukken aan de Hollanders te ontrukken.
Terwijl Van der Hagen en Cornelis Bastiaensz zich nog in de Molukken
bevonden, waren Acuña uit Spanje en Mexico op zijn herhaald aandringen
1200 man hulptroepen toegezonden onder Juan de Esquivel en uit Malakka
twee goed bemande galjooten door Furtado, met dringend verzoek om de
Molukken te hulp te komen. Acuña, hiertoe nu op zoo uitnemende wijze in
staat gesteld, voldeed om meer dan één reden hier zeer gaarne aan. In
de eerste plaats omdat hem met de hulptroepen uit Spanje tevens een
koninklijk bevel door den Jezuïet Gomez werd overhandigd, waarbij hem
gelast werd zonder hulp van de Portugeezen de Molukken te heroveren,
ten einde de nadeelen, voortspruitende uit de nationale ijverzucht
der beide volken, te ontgaan, en klaarblijkelijk tevens met het doel
om de Molukken direct onder de Spaansche kroon te brengen. In de
tweede plaats ging Acuña er gaarne toe over, omdat hij vreesde, dat de
Hollanders hunne veroveringen zouden uitstrekken tot de Philippijnen
[24]. Den 15en Februari 1606 vertrok Acuña zelf met de vloot van Otong,
op de kust van Panay. Juan de Esquivel bevond er zich op als maestro
del campo, terwijl over een der drie Portugeesche galjooten bevelhebber
was de vroegere kapitein van Tidore, Pedro Alvarez de Abreo.
De vloot verdeelde zich in twee deelen; de zeilschepen onder bevel
van Esquivel voeren direct door naar de Molukken, terwijl Acuña met
de galeien zich eerst nog ophield aan de kust van Mindanao. Zoodra
Esquivel voor Tidore aankwam, sloten de Tidoreezen zich met vreugde
opnieuw bij de Spanjaarden aan, terwijl de Hollanders, die door
Bastiaensz waren achtergelaten, in handen van de Spanjaarden
vielen. Den 26en Maart voegde Acuña zich bij Esquivel en na nog
eenige versterkingen bekomen te hebben van Tidoreesche Kora-Kora's,
staken zij den 31en Maart naar Ternate over en sloegen op 1 April
het beleg voor de vroegere vesting der Portugeezen. Het Hollandsche
schip de West-Vriesland, dat voor Ternate lag, vluchtte met eenige van
de zich op Ternate bevindende Hollanders naar Ambon, terwijl enkele
andere de Ternatanen tegen de Spanjaarden hielpen. Deze bijstand was
echter te gering om het fort te kunnen houden. Bij een uitval werden
de Ternatanen terug geslagen en drongen hunne vijanden te gelijk met
de vluchtenden het fort binnen. Hiermee was echter de tegenstand der
Ternatanen niet gebroken, want Sultan Sahid en Kaitjil Hamdja en de
prins-troonopvolger Modafar waren naar Takomi, een versterkte kampong
op de Noordkust van Ternate, gevlucht. Zich hier nog niet veilig
wanende, stak Sahid over naar Saboegoe op Djilolo. Hamdja kwam het
echter verkieslijker voor zich te verzoenen met de Spanjaarden en door
middel van dezen gelukte het den Spanjaarden Sahid te bewegen terug te
keeren en een verdrag te teekenen, waarbij hij den koning van Spanje
als heer erkende. Als belooning voor deze diensten werd Sahid opgelicht
en naar de Philippijnen vervoerd. Tot de verovering van Ambon kwam
het niet, daar Acuña's aanwezigheid in Manila dringend vereischt werd,
door de dreigende houding der Japanners. Zijn geestkracht was bovendien
aanmerkelijk verlamd door het hem toegediende vergif, waaraan hij
ook spoedig na zijn terugkeer is gestorven. Ofschoon de Spanjaarden
dus niet geheel hun doel hadden bereikt, was toch hun hartewensch
vervuld: de Molukken waren nu grootendeels onmiddellijk onder Spaansche
heerschappij gebracht, en Esquivel, die op Ternate achterbleef, kreeg
dan ook den titel van "Gobernador del Maluco." Acuña had echter door de
oplichting van Sahid een te duidelijk bewijs gegeven van de Spaansche
trouweloosheid, wat zal blijken een politieke fout te zijn geweest,
waarvan de Hollanders maar al te vlijtig gebruik zouden maken [25].