ELFDE ORDE.

DE SMALHARTIGEN (Leptocardii).

Wij zijn nu in ons overzicht van het dierenrijk gevorderd tot de laagst

ontwikkelde Gewervelde Dieren, tot de familie der Lancetvischjes

(Branchiostomiidae). Door hen Visschen te noemen en als een orde

in deze klasse op te nemen, overschat men nog hun zeer geringe

verwantschap met de echte Visschen. Deze is zelfs zoo gering, dat het

aanbeveling verdient de Lancetvischjes--de "Schedelloozen"--in een

afzonderlijke afdeeling te plaatsen naast die der "Schedeldieren",

welke alle hoogere Gewervelde Dieren omvat. Ook zij hebben echter

een inwendig geraamte, hoewel dit eenvoudig uit een geleiachtige

ruggestreng (chorda dorsalis) bestaat, welker buitenste omhulsel (de

skeletvormende laag) een buisvormige holte begrenst, die de centrale

deelen van het zenuwstelsel (het ruggemerg) bevat.

Het Lancetvischje (Branchiostoma lanceolatum, Amphioxus lanceolatus)

is ongeveer 5 cM. lang en heeft een langwerpigen, smallen, kantigen

romp, die naar beide einden tamelijk gelijkmatig spitser wordt. Een

vinvormige huidzoom breidt zich langs het grootste gedeelte van den

rug uit, omgeeft als een lancetvormige lap de spits van den staart

en zet zich langs den buikrand voort tot aan den aars. Andere vinnen

zijn niet aanwezig. Op korten afstand van de voorste spits, aan de

ondervlakte, bevindt zich de mondopening. Deze overlangsche spleet

is omgeven door een aantal tamelijk stijve, kraakbeenige draden (12

à 15 aan iedere zijde), die binnenwaarts gebogen kunnen worden om

den mond te sluiten. Zij zijn gehecht aan een krans van kraakbeenige,

onderling gelede strookjes, die tevens tot steun dienen voor den rand

der mond. Deze gaat onmiddellijk over in de wijde kieuwkorf, welker

wand uit vele (meer dan 100) naast elkander liggende, schuins van boven

naar onderen en naar achteren gerichte kraakbeenstaafjes bestaat,

waartusschen even zoovele smalle spleten voorkomen, waardoor het

ademhalingswater, dat door den mond is opgenomen, in de lichaamsholte

geraakt om vervolgens door een aan de buikzijde ver voor den aars

gelegen "buikporie" weggevoerd te worden. De strooming van dit water

wordt evenals de voortbeweging van de hierin aanwezige voedseldeeltjes,

veroorzaakt door de tallooze, microscopisch fijne trilharen, die de

geheele oppervlakte van het slijmvlies bekleeden, zoowel dat van het

ademhalingstoestel als dat van het voor de vertering dienende deel van

het spijskanaal. Dit begint aan het achterste uiteinde van de kieuwkorf

en is er door een ringvormige plooi van gescheiden. Het loopt nagenoeg

recht, en heeft geen verwijding, maar wordt achterwaarts nauwer. Een

zijdelingsche groenachtige uitstulping van het voorste gedeelte van

't spijskanaal wordt als lever beschouwd; de aars is een weinig ter

linkerzijde van het middenvlak gelegen. Het bloed is kleurloos; een

eigenlijk hart is niet aanwezig; een groote, kloppende ader, die het

bloed naar voren stuwt, bevindt zich onder de ruggestreng en staat

in gemeenschap met een boven het midden van de kieuwkorf gelegen

zoogenaamd "kieuwhart", dat bloedvaten (kieuwslagaders) zendt naar

de kieuwen, die eveneens met kloppende verwijdingen voorzien zijn;

door kieuwaders geraakt het door ademhaling veranderde bloed in de

groote lichaamsslagader, die onder de ruggestreng voorkomt. Deze

strekt zich uit van de spits van den snuit tot aan het einde van den

staart. De buitenste chordascheede vormt het ruggemergskanaal, dat

van voren een kleine opzwelling vertoont. Boven het voorste uiteinde

van het ruggemerg treft men twee gekleurde vlekjes aan, die als oogen

worden beschouwd. Gehoororganen zijn niet aanwezig, evenmin schedel,

hersenen, kaken, tanden, ledematen. De voortplantingsorganen openen

zich in de lichaamsholte; hunne producten worden door de reeds genoemde

"buikporie" naar buiten gevoerd.

Van de levenswijze dezer allerlaagst ontwikkelde Gewervelde Dieren is

slechts zeer weinig bekend. Hun noordelijk verbreidingsgebied omvat de

Europeesche en Amerikaansche stranden van den Noordelijken Atlantischen

Oceaan en Middellandsche Zee; tot het zuidelijke behooren de kusten

van de West-Indische eilanden, van Zuid-Amerika, van Borneo, van de

Bass-straat (tusschen Nieuw-Holland en Tasmanië) en andere deelen van

Australië. Zij houden zich op te midden van het fijne zand en stemmen

hiermede door hun kleur zoozeer overeen, dat men het zand door een

fijne zeef moet spoelen om hen te vinden. Waarschijnlijk zijn zij

op alle door hen bewoonde plaatsen veel overvloediger aanwezig dan

gewoonlijk aangenomen wordt; het is althans niet moeielijk om op

plaatsen waar men de aanwezigheid van deze dieren kan verwachten,

er binnen weinige uren een groot aantal buit te maken. Wanneer zij

genoodzaakt worden het zand te verlaten, schieten zij bij rukken met

korte kronkelingen van het lichaam pijlsnel door het water en kruipen

een oogenblik later weder onder het zand. Zeer te recht zegt Gouch,

dat men bij 't zwemmen den kop en den staart niet of nagenoeg niet

kan onderscheiden. Wilde hield Lancetvischjes in een glas gevangen;

zij bewogen zich als Alen met snelle kronkelingen; hoewel het

gezichtsorgaan bij hen zeer weinig ontwikkeld is (en misschien niet

eens bestaat), ontweken zij den vinger of andere belemmeringen op

hun weg, door in de nabijheid van zulk een voorwerp stil te houden

en zich om te keeren. Zij hebben de merkwaardige gewoonte van zich

aan elkander te hechten. Soms vereenigen zij zich tot een kluwen,

soms tot een reeks van 15 à 20 cM. lengte, die zich als één dier

met slangsgewijze kronkelingen beweegt. De leden van de reeks zijn

altijd met de breede zijden aaneengekleefd; het kopeinde van ieder

dier bevindt zich ongeveer bij den aanvang van het laatste derde deel

der lichaamslengte van zijn voorganger.

Evenals alle dieren met rudimentaire oogen, is het Lancetvischje zeer

lichtschuw. Door een felle verlichting wordt het zeer onrustig.

Kowalewsky heeft bij het nagaan van de ontwikkelingsgeschiedenis

der Lancetvischjes de opzienbarende ontdekking gedaan, dat zij

gedurende het kiemleven in hoofdzaken overeenstemmen met de tot de

Manteldieren behoorende Ascidiën of Zakpijpen. Van alle Ongewervelde

Dieren zijn de Ascidiën door het bouwplan van hun lichaam het naast

aan de Gewervelde Dieren verwant. Ook de embryologie leert ons dus,

dat de Lancetvischjes de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren zijn.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 17 / 18 题