TIENDE ORDE.

DE RONDBEKKIGEN (Cyclostomata).

De Rondbekkigen staan op zulk een lagen trap van ontwikkeling, dat er

reden is om hen, in navolging van Haeckel, van alle vroeger genoemde

Gewervelde Dieren te onderscheiden en als een met deze gelijkwaardige

groep te beschouwen. Hun wormvormig lichaam, dat geen spoor van

ledematen (van parige vinnen) bezit, is nagenoeg overal even dik en

met een taaie, slijmerige, ongeschubde huid bekleed. Het kraakbeenig

skelet bevat in den romp geen andere bestanddeelen dan een wervelkolom

van zeer eenvoudig maaksel, waarmede geen ribben verbonden zijn; het

kopskelet blijft op een even lagen ontwikkelingstrap verkeeren, als

die, welken het bij de vroeger genoemde Gewervelde Dieren gedurende een

der eerste tijdperken van den kiemtoestand vertoont. De kaakbeenderen

ontbreken geheel; hun plaats wordt ingenomen door de zoogenaamde

lipkraakbeenderen, die tot steun dienen van de meer of minder

ontwikkelde lip; de hierdoor begrensde holte, "zuigbek" geheeten,

ligt vóór de eigenlijke of achterste mondopening, waarin de tong als

de zuiger van een pomp naar voren en naar achteren bewogen wordt. In

gesloten toestand is de voorste mondopening (zuigmond) een overlangsche

spleet. Aan het voorste uiteinde van den schedel, dus op het midden van

de bovenzijde van den kop, bevindt zich de onparige neusopening. De

Rondbekkigen heeten ook wel Zakkieuwigen (Marsipobranchiata) naar

hun eigenaardige wijze van ademhaling. De kieuwzakken zijn gelegen

aan weerszijden van den slokdarm; bij de Prikvisschen ontvangen zij

het water ieder door een afzonderlijke opening en staan het weer af

aan een gemeenschappelijke, onparige, onder 't voorste deel van den

slokdarm uitmondende buis; bij de Slijmprikken geschiedt de toevoer

van 't ademhalingswater door één opening voor iedere reeks van zakken

en staan deze zoowel met de hier aanvangende toevoerbuis als met den

voor het uitademen dienenden slokdarm door afzonderlijke openingen

in gemeenschap. Een andere eigenaardigheid van de Rondbekkigen is,

dat zij een echte gedaantewisseling ondergaan. De huid is glad en

slijmerig, niet met schubben bedekt; de zwemblaas ontbreekt. Deze orde

wordt verdeeld in twee familiën: de Prikvisschen en de Slijmprikken.

De Prikvisschen (Petromyzontidae)--waarvan men een twaalftal goed

omschreven soorten kent, die tot 4 geslachten worden gebracht--zijn

over de geheele wereld verbreid. Zij onderscheiden zich van de

Slijmprikken door het bezit van onparige, door vele kraakbeenige

stralen gesteunde vinnen, van 7 ronde ademgaten aan weerszijden

van den hals, van een reukorgaan, dat in een blinden zak eindigt

en dus niet met de mondholte in gemeenschap staat. Bij hen is de

zuigbek van voren wijd, van achteren trechtervormig vernauwd en

meer samengesteld dan bij de overige leden der orde; de kleine,

spitse, kegelvormige tanden, waarmede de binnenste oppervlakte van

de kringvormige lip (de mondschijf of zuigschijf) bezet is, bestaan

ieder uit een slijmvlies-papil, die met een geelachtig bruine, harde,

hoornachtige scheede bedekt is; deze valt licht af en wordt dan door

een daaronder liggende, weldra verhoornende huidlaag vervangen.

Het eenige Europeesche geslacht dezer familie omvat de (tot het

noordelijk halfrond beperkte) Prikken of Negenoogen (Petromyzon). Zij

hebben 2 rugvinnen: de tweede is met de staartvin vereenigd, waarmede

ook de aarsvin een geheel uitmaakt. De zuigmond is cirkelvormig; de

spitse hoorntandjes van de mondschijf dragen, naar de plaats die zij

innemen, verschillende namen; die van de "bovenkaak" (2) en van de

"onderkaak" (7) zijn uitsteeksels van 2 hoornplaatjes: één aan den

bovenrand, één aan den onderrand van de binnenste mondopening. De

middelmatig groote oogen zijn bedekt door de huid, die op deze plaats

dun en doorzichtig is. De 7 wijd uiteenstaande kieuwgaten zijn niet

door een overlangsche groeve verbonden.

De grootste van de beide inheemsche soorten van dit geslacht is

de Zeeprik, Bonte Negenoog of Zeelamprei (Petromyzon marinus),

die 1 M. lang en 3 KG. zwaar kan worden. Van zijne naaste verwanten

onderscheidt hij zich door een meer langwerpigen romp en door een krans

van fijne, korte franjes aan de binnenzijde van den dikken rand van

den zuigmond; iets verder binnenwaarts komen op de zuigschijf eenige

reeksen van enkelvoudige, spitse tandjes voor; de ruimte van hier

tot de "kaken" wordt ingenomen door 40 plaatjes, die ieder 2 grootere

tanden dragen. De eerste rugvin verheft zich achter het midden van den

rug tot een langwerpige, boogvormige plooi; de tweede rugvin is er

door een vrij groote tusschenruimte van gescheiden, bereikt spoedig

haar grootste hoogte en wordt daarna langzaam lager, totdat zij zich

met de staartvin vereenigt. De huid is groenachtig wit op den rug en

de zijden met zwartbruine of donker olijfgroene vlekken gemarmerd.

Met uitzondering van de Zwarte Zee bewoont deze Visch alle Europeesche

zeeën; bovendien komt hij aan de kusten van West-Afrika en van

Noord-Amerika voor. Hij brengt het grootste deel van zijn leven

in het zeewater door, maar zwemt tegen het voorjaar de rivieren op

(den Rijn o.a. tot bij Bazel) om kuit te schieten. Aan onze kust is

hij vrij algemeen.

De Gewone Prik, Negenoog, Rivierlamprei of Rivierprik (Petromyzon

fluviatilis) wordt zelden meer dan 40, bij uitzondering echter 50

cM. lang en omstreeks 100 Gram zwaar. Hij is ranker van gestalte dan de

Zeeprik; het voorste deel van 't lichaam is naar evenredigheid langer,

de rugvin begint dus veel verder naar achteren; de bovenkaakstanden

zijn niet, zooals bij de vorige soort, naast, maar op eenigen afstand

van elkander geplaatst; de hen dragende hoornplaat is halvemaanvormig;

de 7 onderkaakstandjes zijn zeer scherp, de buitenste grooter dan

de overige; aan weerszijden van de mondopening komen 3 plaatjes

voor, die ieder 2 betrekkelijk groote tanden dragen; de rand van de

zuigschijf draagt een enkelvoudige reeks van zeer kleine tandjes;

tusschen deze en die van de bovenkaak komen eenige grootere tanden

voor. De glanzig groenachtig blauwe kleur van de bovendeelen gaat op

de zijden in geelachtig wit, op den buik in zilverwit over; de vinnen

zijn paars. Ook deze Prik bewoont de zee; men vindt hem langs de kusten

van Europa, Noord-Amerika en Japan; ook hij zwemt de rivieren op om

kuit te schieten; soms echter vestigt hij zich, naar het schijnt,

voor goed in meren of groote rivieren. Bij ons treft men hem (vooral

in den winter en in het voorjaar) in de groote rivieren veelvuldig aan;

ook in de meeste andere zoete wateren, zelfs in slooten komt hij voor;

van Mei tot Juli vindt men hem dikwijls in de zee dicht bij het strand.

Sommigen beschouwen den Zandprik of Kleinen Negenoog (Petromyzon

Planeri) als een variëteit van de vorige soort; hij is echter veel

kleiner, 20 à 40 cM. lang; de tweede rugvin begint onmiddellijk achter

de eerste; de bovenkaaks- en onderkaakstanden zijn stomp.

De Zandprik bewoont Europa en Amerika en komt, volgens Yarrell,

ook in de zee voor. Veelvuldiger is deze soort echter in zoetwater;

men vindt haar in den regel in zeer grooten getale zelfs in de

kleinste binnenwateren, voor zoover hun bodem uit week zand of slijk

bestaat. Volgens Maitland wordt zij, ofschoon zelden, ook hier te

lande gevonden.

In weerwil van de geringe ontwikkeling hunner vinnen, bewegen de

Prikken zich snel en behendig in 't water. Dit geschiedt overal,

waar de strooming niet sterk is, door zijdelingsche kronkelingen van

het lichaam; in snel stroomend water daarentegen verplaatsen zij zich

bij rukken, zuigen zich na iederen sprong vast aan een onbeweeglijk

voorwerp, rusten eenigen tijd en schieten vervolgens opnieuw vooruit;

op deze wijze kunnen zij zelfs snelvlietende bergbeken opzwemmen. Dat

Zeeprikken zich ook door Visschen van de eene plaats naar de andere

laten brengen, blijkt uit het vangen van Zalmen, waaraan zij zich

vastgezogen hadden, in den middelloop van den Rijn. De Zeeprik komt

slechts bij uitzondering in den bovenloop van een stroom voor;

zijne verwanten daarentegen bezoeken, zooals reeds gezegd is,

zelfs de kleinste bijrivieren en planten zich hier bij voorkeur,

zoo niet uitsluitend voort. Uit de wijze, waarop dit geschiedt, valt

af te leiden, dat het stroomopwaarts reizen voor de voortplanting

niet volstrekt noodig is. Alle Prikvisschen zijn parasieten, die zich

hoofdzakelijk voeden met het vleesch en bloed van andere dieren. In den

regel geschiedt het vastzuigen met dit doel. Nadat de Prik zich met den

zuigmond stevig vastgehecht heeft aan een Visch, brengt hij zijne als

een rasp werkende tanden in beweging, schaaft en vijlt de huid stuk,

dringt, al borend, steeds dieper door, verslindt de afgeschaafde

lichaamsbestanddeelen en vreet op deze wijze langzamerhand diepe

gaten in het lichaam van zijn slachtoffer, ook wanneer hij reeds dood

is. Het meest geschiedt dit bij Visschen, die zich door een op den

grond liggend lokaas hebben laten verschalken; waarschijnlijk vallen

echter niet zelden ook volkomen gave Visschen aan de Prikken ten buit.

Het kuitschieten heeft plaats in de eerste lentemaanden en gaat

met eigenaardige handelingen gepaard. De Prikken zijn niet gelijk

andere in zoetwater paaiende Visschen uitgerust met organen om een

kuiltje als bergplaats voor hunne eieren te graven; dit gemis wordt

hun echter vergoed door den zuigmond, waarmede zij steenen kunnen

verplaatsen. Zij toonen hierbij een verbazende spierkracht, lichten

steenen van aanzienlijke grootte op en vormen op deze wijze schielijk

groote holten. In zulk een hol begeeft zich het paaiende paar en houdt

zich intusschen aan een van de grootste steenen vast. Reeds voor lang

had men op de paaiplaatsen van den Zandprik een wormvormigen Visch

opgemerkt, die Kieuwworm (Ammocoetes branchialis) werd genoemd. Dit

dier heeft bij een lengte van 18 cM. in den regel slechts de

dikte van een penneschacht, een zeer kleinen kop, met nauwelijks

zichtbare oogen en een halfcirkelvormige mondschijf zonder tanden,

kieuwopeningen, die in een diepe, overlangsche groeve gelegen zijn,

onderling vereenigde vinnen, een duidelijk in ringen verdeelde, dof,

zilverkleurige huid; de vinnen zijn geelachtig wit. Het is zeer wel

mogelijk, dat de Kieuwworm, die in België in den Moezel, de Schelde

en de Maas gevonden wordt, ook ons land bewoont, ofschoon men hem

hier nog niet waargenomen heeft. Hij leeft in den modderigen of

zandigen bodem van binnenwateren en herinnert door zijn levenswijze

meer aan een Worm dan een Visch; eerst door ontleding leert men

hem als een Gewerveld dier kennen. De gangen, die hij evenals de

Aardworm, in den grond boort, verlaat hij vrijwillig bijna nooit;

alleen om een andere schuilplaats op te zoeken maakt hij gebruik van

zijne vinnen. De Kieuwwormen houden zich gaarne op in bundels vlas,

die in 't water liggen en worden gemakkelijk verzameld, terwijl

men de op deze wijze "gerote" stengels op de weide uitspreidt om te

drogen. Van deze zoogenaamde "Vlasalen" wordt op sommige plaatsen

een smakelijk gerecht bereid door ze, zonder den kop, met wijn,

boter en citroensap te stoven. De mindere man versmaadt deze dieren,

omdat zij zooveel op Wormen gelijken; de visscher gebruikt ze in den

regel alleen als lokaas, omdat zij een buitengewoon taai leven hebben

en zelfs na ernstige verwondingen nog dagen lang zich bewegen. Sinds

lang werd de Kieuwworm door de dierkundigen beschouwd als een Visch,

die veel op de Prikken gelijkt; eerst in 1856 heeft August Müller de

nadere betrekking ontdekt, die tusschen deze beide wezens bestaat. Om

de ontwikkeling van de eieren van den Zandprik na te gaan, welker

bevruchting hij had waargenomen, plaatste hij de bevruchte eieren in

een aquarium en zag er na verloop van 18 dagen vischjes uitkomen, die

tot zijn groote verbazing van jonge Kieuwwormen in geen enkel opzicht

verschilden; uit hunne verdere ontwikkeling bleek duidelijk, dat zij

larven van den Zandprik zijn. Müller heeft de verschillende phasen van

de ontwikkeling van den blinden Kieuwworm tot den geslachtsrijpen,

grootoogigen Zandprik nagegaan. De gedaantewisseling der overige

Negenoogen heeft op dezelfde wijze plaats. Uit alle eieren ontstaan

in de eerste plaats Kieuwwormen, die in 3 of 4 jaar een lengte van

18 à 20 cM. bereiken en daarna in zeer korten tijd, in weinige dagen

n.l., zich tot volkomen Visschen ontwikkelen. Het schijnt, dat de

Negenoogen kort na den paaitijd sterven. Indien deze onderstelling

juist is, zou bij de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren, evenals

bij zoovele Ongewervelde, een kortstondig leven in geslachtsrijpen

toestand op een langdurigen larvetoestand volgen.

Voor de vangst van Prikken (vooral Rivierprikken), die geregeld op

onze rivieren bij Arnhem, Nijmegen en Tiel van October tot Maart

plaats heeft, voor zoover de waterstand dit gedoogt, dienen meestal

"korven" of "toten". Deze zijn nagenoeg cilindervormig, van teenen

gevlochten, hebben een lengte van 47 à 50 en een middellijn van 24

cM.; elke korf bevat 2 "kelen". Een "keel" gelijkt op een korf zonder

bodem van afgeknot kegelvormige gedaante; de wijdste rand past juist

in de korf en is aan deze bevestigd; de nauwste rand is naar den bodem

(den "kop") van de korf gekeerd: die van de voorste "keel" heeft een

middellijn van 10 à 11, die van de achterste van 7 1/2 à 8 cM. Achter

de laatste keel bevindt zich in den zijwand van de korf een opening,

die gedurende de vangst met een "klep" gesloten is; hierdoor kan de

gevangen Visch uit de korf geschud worden. Door tusschenkomst van een

aan den "kop" vastgehechten "staart" zijn de korven aan het "weel",

een van teenen gedraaiden kabel bevestigd; het "weel" zit met het

eene einde aan een in den rivieroever geslagen paal, met het andere

aan een op den rivierbodem rustend anker vast. Het "weel" is met

daaraan gehechte baksteenen, iedere korf met hierin geworpen grint

zoodanig geballast, dat het geheele toestel in de nabijheid van den

rivierbodem drijft; de korven hebben een min of meer horizontalen

stand met stroomafwaarts gerichte opening. Door den kop van de korf

gestuit, verandert de stroom van richting, verkrijgt een ronddraaiende

beweging om de korf en zal, aan haar uiteinde gekomen, al draaiend in

de kelen doordringen. De Prikken, die dicht bij de korven zwemmen,

worden hierdoor medegesleept. Hier te lande worden deze Visschen

gewoonlijk niet gegeten, maar als lokaas voor de Kabeljauwvangst

gebruikt en daarom levend naar Vlaardingen gezonden, waar ook vele

Prikken uit Engeland worden aangevoerd. Om voor de zeevisscherij

geschikt te zijn moet de Prik (die in dit geval door onze visschers

"Zeeprik" wordt genoemd) een zekere lengte hebben en "rond" (niet

"plat") zijn; exemplaren van behoorlijke grootte hebben een waarde

van ongeveer 10 cent. Men verzendt ze ook wel eens naar Duitschland,

waar zij als een lekkernij gezocht zijn en veel gevangen worden. Op

plaatsen waar veel stroom gaat, bezigt men hiertoe veelal een soort van

fuiken (van biezen gevlochten) met verscheidene "kelen" of "inken",

elders ook wel netten. De Prikken, die zich aan den bodem hebben

vastgehecht, brengt men met speren of haken aan de oppervlakte. Deze

vangst heeft vooral in de lente plaats, als de Zeeprikken de rivier

opzwemmen. Rivierprikken worden echter ook in den herfst in menigte

buit gemaakt, daar zij zich in dezen tijd naar zee begeven.

Wormen onder de Visschen zijn de naaste verwanten van de Lampreien,

de Slijmprikken (Myxinidae), zij vormen een familie, die 2 geslachten

met slechts 5 soorten omvat. Het dunnere staartgedeelte van hun

rolrond lichaam is voorzien met een smallen huidzoom, waaraan geen

scheiding in staartvin, rugvin en aarsvin valt waar te nemen. De

weinig ontwikkelde lip van den zuigmond draagt grove, door kraakbeen

gesteunde baarddraden; de tong heeft een gering aantal op twee

kamvormige reeksen geplaatste tanden; het gehemelte, waaraan één

tand voorkomt, wordt doorboord door een buis, die met de neusholte

in gemeenschap staat. Rudimentaire, uitwendig niet zichtbare oogen

liggen onder de huid en de spieren verborgen. De kieuwzakken staan

ieder door een afzonderlijk buisje met den slokdarm in gemeenschap

en ontvangen hun water door één enkele opening voor iedere reeks

(Myxine) of ieder door een afzonderlijke opening (Bdellostoma).

Linnaeus hield de meest bekende soort van deze familie, de Slijmprik

of Blinde Prik (Myxine glutinosa), voor een Ingewandsworm, waarmede

dit zonderlinge dier werkelijk naar het uitwendige meer overeenkomst

vertoont dan met een Visch. De rondachtige mond draagt 8 baarddraden,

de tong 2 reeksen ieder van 8 of 9 beenharde tandjes, het gehemelte

één hollen, eenigszins gekromden, kraakbeenigen tand; de huid scheidt

een overvloed van slijm af. De Slijmprik wordt ongeveer 40 cM. lang

en heeft een moeielijk te omschrijven, blauwachtig witte kleur.

De Slijmprik bewoont op hooge breedten de zeeën van het noordelijk

en zuidelijk halfrond en wordt o.a. aan de kusten van Groenland,

Noorwegen, Zweden en Groot-Brittannië gevangen; hij komt echter ook

in de Noordzee voor, maar werd aan onze kust nog niet gevonden. In

den regel vertoeft hij op groote diepten en, naar het schijnt,

bij voorkeur op slijkerigen grond. Parasitisch leeft hij op en in

het lichaam van Visschen, borend dringt hij door in de spieren en

ingewanden van Dorschen, Lengen, Heilbotten, Steuren en Neushaaien

en laat er ten slotte alleen de huid en beenderen van over. Het

gemis van oogen wordt ongetwijfeld vergoed door de voor 't tasten

dienende baarddraden; men onderstelt, dat hij hiermede zijn prooi

opspoort, bij voorkeur een dier, dat in een net of aan een hoek

gevangen werd. Door den bek, den aars of een door hem zelf geboord gat

sluipt hij naar binnen. Tot voor korten tijd was de voortplanting der

Slijmprikken zeer onvoldoende bekend, daar men nagenoeg uitsluitend

wijfjes vond. De noordpoolreiziger Fridtjof Nansen heeft in 1887

aangetoond, dat deze dieren, zooals men reeds lang vermoedde,

tweeslachtig (hermaphrodiet) zijn. De mannelijke geslachtsorganen

zijn eerder rijp dan de vrouwelijke, zoodat zelfbevruchting niet kan

plaats hebben. Zoodra de Slijmprik de lengte van 32 à 33 cM. heeft

overschreden, verdwijnen de mannelijke organen allengs en ontwikkelen

de vrouwelijke zich hoe langer hoe meer. De groote Slijmprikken zijn

dus in werkelijkheid wijfjes, terwijl die, waarvan de lengte nog

33 cM. bedraagt, feitelijk mannetjes zijn. De hoornachtige schaal

van de gele, betrekkelijk groote eieren draagt aan de beide einden

aanhangsels, die op ankers met drie spitsen gelijken en uit verhard

slijm bestaan. Hierdoor hechten zij zich aan allerlei voorwerpen vast.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 16 / 18 题