VIJFDE ORDE.

DE TROSKIEUWIGEN (Lophobranchii).

Voor de menschelijke huishouding zonder eenige beteekenis, trekken

de Troskieuwigen onze aandacht door hun vreemdsoortigen vorm. Zij

ontleenen hun naam aan den eigenaardigen vorm der kieuwen; deze

vertoonen zich als kleine, ronde trosjes of bundeltjes, die paarsgewijs

aan de kieuwbogen zijn gehecht. Bij nauwkeuriger beschouwing blijkt,

dat die bundeltjes in werkelijkheid overdwars geplooide, als 't

ware in elkander gevouwen plaatjes zijn en ieder een der kamsgewijs

gerangschikte kieuwplaatjes van andere Visschen vertegenwoordigt. Het

kieuwdeksel is groot, bedekt met een huid, waardoor het met den

schoudergordel verbonden wordt en slechts een kleine spleet voor het

uitademen van het water overlaat. De snuit is tot een buis verlengd;

de bovenkaaksbeenderen zijn, evenals bij alle reeds genoemde Visschen,

beweegbaar. Het lichaam is in den regel langwerpig van vorm, kantig

en met beenige platen bedekt.

Alle Troskieuwigen bewonen de zee; in de zuidelijker zeeën komen zij

in grooteren getale voor en vertoonen een grootere verscheidenheid

van vormen dan in de noordelijke; zij houden zich in den regel dicht

bij het strand, bij voorkeur tusschen zeeplanten op en voeden zich

met kleine Schaaldieren, Wormen, misschien ook met de eieren van

andere Visschen.

Eigenaardig is de voortplanting dezer dieren: de eieren ontwikkelen

zich bij nagenoeg alle soorten in een aan den buik gelegen broedzak,

waarmede bij de Naaldvisschen (Syngnathidae) de mannetjes, bij de

Buisbekkigen (Solenostomidae) de wijfjes voorzien zijn; bij deze

wordt de broedzak door de buikvinnen, bij gene (die de buikvinnen

missen) door een zijdelingsche uitbreiding van de huid gevormd. De

laatstgenoemde familie omvat slechts één geslacht met 3 soorten,

die den Indischen Oceaan bewonen. De overige 15 geslachten (met 120

soorten) zijn in de eerstgenoemde familie samengevat.

De Naaldvisschen (Syngnathidae) bewonen alle zeeën van de heete

luchtstreek en van de beide gematigde aardgordels; hun zeer lange romp

wordt naar achteren dunner; de snuit is buisvormig en van voren met

een bijna loodrecht naar boven gerichte mondspleet voorzien; de kleine

kieuwspleet bevindt zich in den nek; de onmiddellijk daarachter gelegen

borstvinnen (bij enkele ontbrekend) zijn klein maar goed ontwikkeld;

de buikvinnen ontbreken geheel; de rugvin is grooter dan alle overige

vormen; de staartvin ontbreekt bij de soorten, welker staart geschikt

is om zich om een voorwerp te kronkelen (grijpstaart) en heeft bij de

overige den vorm van een kleinen waaier aan 't uiteinde van den langen,

dunnen staart. De broedzak, die zich aan den buik of aan den staart

van het mannetje bevindt, is voorzien met een overlangsche spleet,

waardoor de jongen ontwijken.

Het soortenrijkste geslacht is dat der Zeenaalden (Syngnathus),

die zich kenmerken door het bezit van borstvinnen en van een goed

ontwikkelde staartvin aan 't einde van den niet voor 't vasthouden

geschikten staart; het lichaam is kantig; de schouderbeenderen zijn

onbeweeglijk met elkander verbonden.

Een van de talrijkst vertegenwoordigde en meest verbreide soorten

is de Groote Zeenaald, door onze visschers gewoonlijk Windsteur en,

evenals de andere soorten, Zandspiering genoemd (Syngnathus acus), een

uiterst slank vischje, met 7-kantigen romp en van voren 6-kantigen,

verderop 4-kantigen staart, dat op lichtbruinen grond met een 20 tal

duidelijke, donkerbruine banden geteekend is en 60 cM. lang kan worden;

haar romp is dan zoo dik als een manspink.

Het verbreidingsgebied van deze tamelijk veelvuldig bij onze kusten

voorkomende Visch omvat alle oostelijke deelen van den Atlantischen

Oceaan, van Noord-Europa tot aan de Kaap de Goede Hoop, met inbegrip

van de Middellandsche, Zwarte, Noord- en Oostzee. Zijne liefste

verblijfplaatsen zijn de op onderzeesche weiden gelijkende, ondiepe

strandmeren en strandmoerassen, waar het langbladige zeegras welig

groeit. Hier ziet men hem tusschen de zeeplanten, waar hij dikwijls

talrijke scholen vormt, in de meest verschillende houdingen rusten

of langzaam voortzwemmen. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine

diertjes, jonge, dunschalige Schaaldieren, kleine Weekdieren,

Wormen, enz., steeds dus uit zeer zwakke diertjes. Hierdoor wordt

de kunstmatige voeding dezer vischjes uiterst moeielijk, zoo niet

onmogelijk.

De broedzak strekt zich over twee derden van den staart van het

mannetje uit en is dus nagenoeg even lang als de romp; hij bestaat uit

een driehoekige groeve met eenigszins buitenwaarts gebogen zijwanden,

gesloten door twee overlangsche, vliezige kleppen (huidlappen), welker

randen nauw tegen elkander aan sluiten. Tegen Mei legt het wijfje in

deze groeve eieren, die snoervormig bijeenliggen; de jongen blijven

tot het einde van Juli in deze door de huidlappen afgesloten ruimte.

Vrij algemeen, hoewel in kleinen getale, vindt men aan onze kust

de Kleine Zeenaald (Syngnathus rostellatus), die veel op de vorige

soort gelijkt, doch een dunneren en betrekkelijk korteren snuit

heeft en slechts 15 cM. lang wordt; de bovendeelen zijn bruin, soms

met onduidelijke, donkere dwarsbanden, de onderdeelen witachtig. Bij

het visschen van Garnalen met saaien wordt zij soms aan het strand

gebracht.

Onder de inheemsche soorten rekent Van Swinderen ook het hoogstens

30 cM. lange Kousenbandje (Syngnathus pelagicus), dat gemakkelijk te

herkennen is aan de kleur, daar bruine en zilverkleurige dwarsbanden

het geheele lichaam bedekken. Geen der latere onderzoekers heeft deze

soort hier gevonden.

De Adderzeenaald (Nerophis aequoreus), die met de Kleine Zeenaald

soms aan onze kust gevangen wordt, behoort tot het geslacht der

Slangzeenaalden (Nerophis), dat zich van het vorige o.a. onderscheidt

door het gemis van borstvinnen en aarsvin, de zeer geringe ontwikkeling

van de (bij vele soorten ontbrekende) staartvin bij het mannetje

en het gemis van een door huidlappen beschutten broedzak. De eieren

worden door het wijfje aan de buikzijde van den romp van het mannetje

(vóór de aarsopening) gehecht. Bij de genoemde soort is het lichaam

zeer langwerpig en dun, de romp zeer onduidelijk 8-kantig, bruingeel

met zwarte, witgezoomde dwarsstrepen.

Twijfelachtig is de aanwezigheid op onze kust van de Kleine en de

Wormvormige Slangzeenaald (Nerophis ophidion en N. lumbriciformis),

die van de vorige soort verschillen door het volslagen gemis van de

staartvin en de geringere lengte.

Het Zeepaardje (Hippocampus antiquorum) is zeer gemakkelijk te

herkennen aan den stand van den kop, die een hoek vormt met den

zijdelings sterk samengedrukten romp, en aan den geheel van vinnen

verstoken grijpstaart. De kleine mond bevindt zich nagenoeg op

't midden van den top van den betrekkelijk korten snuit. De breede

schilden, die het lichaam bekleeden, dragen matig scherpe stekels;

eenige stekels aan den kop en den nek loopen uit in onverdeelde,

draadvormige aanhangsels. De kleur is bruin met blauwachtig witte

vlekjes, de rugvin heeft dicht bij haar vrijen rand een zwartachtige

streep. Lengte: 10 à 18 cM.

Deze soort komt voor in de Middellandsche Zee, voorts in de

Atlantischen Oceaan tot boven de Golf van Biscaye en wordt

nu en dan aan de kust van Groot-Brittannië en in de Noordzee

aangetroffen. "Meermalen," schrijft Van Bemmelen, "is mij door onze

zeevisschers verzekerd, dat de Zeepaardjes in de Noordzee en nabij

onze kusten gevonden worden; zelfs zijn mij twee exemplaren op het

eiland Texel vertoond, die aldaar zouden gevangen zijn."

Evenals de Zeenaalden, houdt het Zeepaardje uitsluitend verblijf op

plaatsen, waar een welige plantengroei den zeebodem bedekt. Tusschen

deze planten zoekt en vindt het zijn voedsel, dat grootendeels,

zoo niet uitsluitend bestaat uit zeer kleine, voor het bloote

oog onzichtbare Schaaldieren en Weekdieren, die het van de planten

afzoekt. Dikwijls blijft het geruimen tijd bewegingloos en heeft dan

den staart om een plant gekronkeld.

De voortplanting geschiedt als bij de Zeenaalden.

Bij de kusten van Australië ziet men, behalve soorten van het vorige

geslacht, ook de zoogenaamde Rafelvisschen (Phyllopteryx), die zich

vooral kenmerken door den buitengewoon grooten overvloed van doorn-

en bandvormige uitsteeksels, waarmede bijna alle schilden voorzien

zijn en die als de rafels van een kleed aan alle zijden van het

lichaam uitsteken. De rugvin is geheel op den staart gezeten. Door

hunne aanhangsels gelijken deze dieren veel op zeeplanten. De eieren

zijn met een week bindmiddel aan de onderzijde van den staart gehecht;

een echte broedzak ontbreekt.

De Rafelvisch (Phyllopteryx eques) heeft een groenachtige

lederkleur, en wordt 30 à 35 cM. lang. Over zijn levenswijze is

niets bekend. Waarschijnlijk slingert hij, evenals de Zeepaardjes,

den staart om zeewieren. Te midden van deze planten is hij moeielijk

te vinden, daar hij er door den vorm der huidaanhangselen en de kleur

van de huid mede overeenkomt.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 11 / 18 题