ZESDE ORDE.

DE VASTKAKIGEN (Plectognathi).

De laatste orde van de Beenige Visschen bestaat uit zeer zonderlinge

wezens. Nuttig voor den mensch zijn zij volstrekt niet: hun vleesch

smaakt slecht; zelfs wordt dat van sommige soorten in bepaalde tijden

voor vergiftig gehouden; ook in de huishouding van de natuur spelen

zij een zeer ondergeschikte rol, daar geen hunner de te sterke

vermenigvuldiging van sommige dieren tegengaat of voor andere

een belangrijk voedsel oplevert; hun levenswijze is niet minder

vreemdsoortig dan hun gedaante en geheel hun uitwendig voorkomen;

alleen omdat zij zoo geheel anders zijn dan andere Visschen trekken

zij onze aandacht. De naam Vastkakigen berust op het maaksel van den

bek: de bovenrand van de kleine mondopening wordt uitsluitend door

de tusschenkaaksbeenderen gevormd; deze laten geen beweging toe, zijn

met de bovenkaaksbeenderen en met den schedel stevig verbonden. Deze

eigenaardigheid is echter niet het belangrijkste kenmerk der orde; de

bedoelde vergroeiing komt bij haar in verschillende mate en ook wel bij

andere Visschen voor. Zeer karakteristiek is echter de bekleeding van

het lichaam, waardoor de Vastkakigen van alle andere leden der klasse

afwijken. Bij enkele is de huid volkomen naakt en glad, bij andere is

zij met ruitvormige schilden en stekels bedekt, die een belangrijken

invloed oefenen op den indruk, dien de beschouwing dezer Visschen

maakt. De kieuwdeksels zijn door de huid bedekt en laten slechts een

nauwe, vóór de borstvinnen gelegen kieuwspleet over. Vreemdsoortig als

de geheele Visch, is ook zijn gebit. De kaken zijn bij sommige met

krachtige tanden van het gewone maaksel gewapend. Bij andere is het

voorste gedeelte van het kaakbeen en van den kaak als 't ware zelf een

tand geworden, doordat een laag email het bedekt. Ook het vinnenstelsel

wijkt af van dat der andere Visschen; de onparige vinnen zijn steeds

aanwezig, de borstvinnen eveneens; de buikvinnen daarentegen ontbreken.

Alle Vastkakigen behooren tusschen de keerkringen of althans in hun

nabijheid thuis en dwalen zelden af naar andere deelen van de beide

gematigde aardgordels. Zij leven in de zee; enkele soorten zwemmen

echter ook wel de rivieren op; sommige brengen hier misschien zelfs

het grootste deel van hun leven door. De wijze waarop zij zich in 't

water bewegen, verschilt aanmerkelijk van die der overige Visschen,

maar is in overeenstemming met hun zonderlinge gestalte. Zij voeden

zich met Schaaldieren en Weekdieren, doch ook wel met waterplanten. De

buit van enkele soorten bestaat gedurende eenigen tijd geheel of

grootendeels uit Kwallen en Koraaldieren; waarschijnlijk verkrijgt

haar vleesch hierdoor vergiftige eigenschappen.

Van de voortplanting dezer Visschen is ons slechts zeer weinig bekend,

hoewel van enkele soorten tamelijk uitvoerige beschrijvingen bestaan.

De 177 soorten van deze orde worden vereenigd tot 17 geslachten en

deze vormen 2 familiën van ongeveer gelijken omvang.

De Hoornvisschen (Sclerodermi) hebben een met duidelijke tanden

gewapenden bek; hun huid is bekleed met korrelige schubjes of met

hoekige, beenige plaatjes, die soms tot een pantser vereenigd zijn;

bij de meeste bevat de rugvin 1 à 6 doornen. Een zwemblaas (zonder

luchtbuis) is bij de meeste aanwezig.

Het eenige lid van de familie, dat de Europeesche zeeën bewoont, is

de Drukkervisch (Balistes capriscus), een vertegenwoordiger van het

geslacht der Hoornvisschen i. e. z., welker zijdelings samengedrukt

lichaam bekleed is met een pantser van schubvormige beenplaatjes. De

voorste van de beide rugvinnen bestaat uit 1 à 3 stekels; de eerste

is verreweg de grootste, kan opgericht en in een groeve van het hem

dragende steunbeen neergelegd worden, heeft een zaagsgewijs gekerfden

rand en vormt een krachtig wapen.

De Drukkervisch is bij zijn leven blauw met roodachtige wolkjes; na

den dood effen lichtbruin, op den rug, als naar gewoonte, donkerder

dan op de borst en den buik. Lengte 30 à 40 cM. Men vindt hem in

de Middellandsche Zee, doch ook in den Atlantischen Oceaan tot bij

de Britsche kusten, hier echter zelden. Evenals al zijne verwanten,

staat hij bij de zeelieden en kustbewoners der warme gewesten in een

kwaden reuk, daar het eten van deze Visschen soms zeer bedenkelijke

verschijnselen teweegbrengt. Met hun krachtig gebit openen zij de

schelpen van de Weekdieren en vergruizen het skelet van de Polypen,

die hun tot voedsel dienen. Door het verdelgen van een groot aantal

Pareloesters zijn zij nadeelig voor de parelvisscherij.

Van alle overige Visschen onderscheiden zich de Koffervisschen of

Strijkijzervisschen (Ostracion) door den eigenaardigen vorm van hun

betrekkelijk hoog en kort lichaam, welks dwarse doorsnede een driehoek

(met naar boven of naar onderen gerichten top), een vierhoek of een

vijfhoek kan zijn. Het is gehuld in een pantser, dat uit mozaïeksgewijs

aaneengevoegde, onbeweeglijke, meestal 6-hoekige platen bestaat en

alleen de lippen, de oogen, de nauwe kieuwspleet en het wortelgedeelte

der vinnen vrijlaat. Bij sommige is dit pantser boven de oogen en langs

de kanten van den buik gewapend met onbeweeglijke, meestal bij paren

geplaatste stekels, die soms een aanmerkelijke lengte hebben en dan

veel bijdragen tot het vreemde voorkomen dezer Visschen. De kleine mond

bevindt zich aan 't einde van den snuit en is van boven en van onderen

gewapend met een enkele rij van 10 à 12 spitse, kegelvormige tanden.

De Vierhoornige Koffervisch (Ostracion quadricornis), die 30 à 35

cM. lang wordt, heeft een driehoekig, aan de buitenzijde afgeplat

lichaam. Het pantser, dat uit 6-hoekige, met kleine knobbeltjes

bezette schilden bestaat, is fraai roodachtig bruin van kleur, met

donkerder vlekken van langwerpigen, onbepaalden vorm; de bruine kleur

van den staart heeft een meer geelachtige tint met rondachtige vlekken;

de vinnen zijn geelachtig.

Alle Koffervisschen behooren thuis in zeeën van den tropischen

aardgordel, waar zij steenachtige of rotsachtige ondiepten bewonen,

zwemmen zoo slecht, dat men ze met de hand vangen kan, komen zelden

in de bovenste waterlagen en sterven schielijk nadat zij uit het water

opgehaald zijn. Hun voedsel schijnt uit Schaaldieren en Weekdieren te

bestaan. Eenige soorten worden gevangen om hun vette tranige lever,

andere worden met smaak gegeten, van nog andere wordt het vleesch

voor vergiftig gehouden.

Bij de Kogelvisschen of Naaktkakigen (Gymnodontes = Naakttandigen)

hebben de kaken van voren een scherpen rand, daar de kaakbeenderen

met een op ivoor gelijkende stof bedekt zijn; gezamenlijk vormen zij

een soort van snavel, welke, evenals die van een Papegaai of anderen

Vogel, even sterk weer aangroeit, als hij door 't kauwen afslijt. Hunne

kieuwdeksels zijn zeer klein. De meeste hebben een zwemblaas, die

zeer groot is, doch niet door een luchtbuis met het spijskanaal in

gemeenschap staat. Ook kunnen zij door het inslikken van lucht den

zeer dunwandigen en rekbaren slokdarm opblazen, waardoor het geheele

lichaam den vorm aanneemt van een bol. (De uitzetting van de huid

is mogelijk door de plooien, die zij in niet uitgezetten toestand

vertoont.) Hierdoor wordt het buikgedeelte van den Visch lichter en

drijft deze op het water met den rug naar beneden gericht. De stekels,

waarmede de huid bezet is, gaan bij het opblazen overeind staan,

evenals de pennen van een Egel, zoodat het dier zijne vijanden de in

alle richtingen uitstralende, spitse doornen en stekels toont. De

Klompvisschen (Orthagoriscus) missen de zwemblaas en tevens het

vermogen om het lichaam op te blazen.

De Egelvisschen of Pennevisschen (Diodon) heeten ook wel Tweetandigen,

omdat de snijdende rand van elke kaak in 't midden geen verdeeling

vertoont. Aan weerszijden van iedere kaak bezitten zij ook nog een

soort van kies. De staart en de staartvinnen hebben den gewonen

vorm. Ieder beenschild van de huid bestaat uit een doorn, die van

onderen met twee zijwaarts gerichte, in de huid verborgen uitsteeksels

voorzien is; dit maakt, dat de stekels, die in den toestand van

rust tegen het lichaam aanliggen met de spits naar achteren, bij het

opblazen overeind gaan staan.

Du Tertre bericht, dat men op de Antillen de Egelvisschen niet om

ze te eten, maar tot tijdverdrijf vangt aan een hengel, waarvan

de haak van een kreeftenstaart als lokaas voorzien is. Uit vrees

voor de lijn, zwemt de Visch een tijdlang om het lekker hapje heen,

proeft er eindelijk van, wordt stoutmoediger door de opmerking, dat

de hengelsnoer zich niet beweegt, schiet toe en verzwelgt het lokaas

met den haak. Bespeurend, dat hij gevangen is, blaast hij zich op,

neemt den vorm van een bol aan, waarbij de stekels opgericht worden en

het lichaam een averechtschen stand verkrijgt, gedraagt zich als een

Kalkoen, die geplaagd wordt, en tracht ieder die binnen zijn bereik

komt, te wonden. Geen baat vindend bij deze wijze van tegenspartelen,

neemt hij zijn toevlucht tot een andere list: door het uitspuiten

van lucht en water verslapt de huid en worden de stekels neergelegd;

het dier maakt zich soortelijk zwaarder, ongetwijfeld met het doel om

zich naar de diepte te laten zakken; ook dit gelukt hem niet. Opnieuw

blaast hij zich op en dreigt met de stekels. Daar hij een zeer taai

leven heeft, worden deze pogingen tot bevrijding lang voortgezet tot

vermaak van de toeschouwers, die hem eindelijk aan land trekken. Nog

altijd blijft hij hier dapper weerstand bieden; na eenige uren echter

geraakt hij uitgeput en sterft.

Meer bepaaldelijk wordt de naam van Egelvisch (Diodon hystrix) gegeven

aan een soort van 40 à 70 cM. lengte, die alle tropische zeeën bewoont

en op roestbruinen grond van boven en langs de zijden met vele kleine,

ronde, zwarte of bruine vlekken geteekend is.

Bij de Stekelbuiken zijn de stekels kleiner dan bij de Egelvisschen

en zet het lichaam zich bij het opblazen vooral naar onderen uit; de

staart en de staartvin hebben en behouden den gewonen vorm. Dit komt

voor bij de Viertandigen (Tetrodon), waar de snijdende rand van de

onderkaak zoowel als die van de bovenkaak door een overlangsche groeve

of naad middendoor gedeeld is, ook bij de Drietandigen (Triodon),

waar de onderkaak deze verdeeling niet vertoont. Van één soort van

Stekelbuik (Tetrodon Pennantii) heeft men verscheidene exemplaren

aan de kust van Cornwallis waargenomen. Bij sommige soorten zijn de

neusgaten aan 't einde van een tastervormige buis gelegen.

De soort, die door de Arabieren Fahak wordt genoemd (Tetrodon fahaka),

is ongeveer 25 cM. lang. De rug heeft een zwartachtig blauwe kleur,

de zijden vertoonen oranjegele strepen, de buik is geelachtig, de

keel sneeuwwit, de staartvin oranjegeel.

De Fahak verlaat van tijd tot tijd de Middellandsche Zee en zwemt den

Nijl op. Hier ziet men deze Visschen bij lagen waterstand dikwijls

in grooten getale dood op het droog gevallen rivierbed liggen. Voor

oud en jong zijn zij een bron van vermaak; de kinderen spelen er

mede, zooals bij ons met Meikevers, laten de bolvormig opgeblazen

dieren op het water drijven en gebruiken ze in gedroogden toestand

als ballen. Zulke voorwerpen nemen de reizigers dikwijls mede als

herinnering aan het land der Pharaonen.

De levenswijze en gewoonten van de Fahaks komen waarschijnlijk in

de meeste opzichten met die van de Engelschen overeen. In diep water

zwemmen zij, hoewel eenigszins onbeholpen, op de wijze van de andere

Visschen; als een gevaar hen bedreigt stijgen zij schielijk omhoog

naar den waterspiegel, slikken lucht in en blazen hun lichaam,

dat tot dusver rimpels aan de oppervlakte vertoonde, zoo ver op,

dat de huid gespannen is; zij drijven dan met den buik naar boven

als een stekelige bal aan de oppervlakte. In dezen toestand kunnen

zij niet zwemmen en zouden een buit worden van de roofvisschen,

indien deze zulk een bal konden vatten en inslikken. Geen hunner is

hiertoe in staat; hun streven heeft geen ander gevolg, dan dat de

Fahak over den waterspiegel wordt voortgestuwd en dat zij zich aan

zijne stekels kwetsen. Als men een opgeblazen Fahak in de hand neemt,

ziet men hem vol angst pogingen doen om nog meer lucht in zijn lichaam

op te pompen, waaruit blijkt dat hij de waarde van het opblazen als

middel van afweer beseft. Zoodra hij meent, dat het gevaar voorbij

is, laat hij de opgenomen lucht gedeeltelijk ontsnappen, waardoor

een sissend gedruisch wordt voortgebracht. Buiten het water kan hij

geruimen tijd in 't leven blijven.

Het vleesch van den Fahak wordt alleen door de armste bewoners van

het Nijlland gegeten; zij houden de kuit echter voor vergiftig.

Bijna in alle talen draagt de hoogst zonderlinge Klompvisch, ook

wel Maanvisch, Zonnevisch, Zwemmende Kop en Molensteenvisch genoemd

(Orthagoriscus mola), dezelfde namen: de hierdoor uitgedrukte

vergelijking komt allicht in iemand op. Zijn lichaam heeft van ter

zijde gezien de gedaante van een eironde schijf, aan het achtereinde,

tusschen de ver naar achteren geplaatste rug- en aarsvin, voorzien

van een dikken zoom, dien men niet dadelijk als de staartvin

herkent, omdat de tot steun dienende stralen onder de huid verborgen

zijn. De rugvin en de aarsvin zijn veel hooger dan lang en hebben

een driehoekige gedaante. De borstvinnen zijn klein en rond. Evenals

bij de Egelvisschen is de snijdende rand van de kaken onverdeeld. De

huid is met scherpe, harde lichaampjes bezet, welke haar ruw voor het

gevoel maken. De blauwachtig grijze kleur van de bovendeelen wordt

naar onderen lichter. Deze Visch is grooter dan al zijne verwanten;

men heeft exemplaren gevangen, die 2.5 M. lang en 300 KG. zwaar

waren. Zijn vleesch wordt niet gegeten.

Deze Visch, die over alle zeeën tusschen de keerkringen en van de

beide gematigde aardgordels verbreid is, wordt in de Middellandsche

Zee het veelvuldigst aangetroffen. Toch was hij, naar het schijnt, aan

de ouden onbekend. Van tijd tot tijd vindt men hem echter ook aan de

kusten van de Noordzee. Aan de Nederlandsche kust verdwaalt hij slechts

zelden: in de Zuiderzee, bij Middelburg (Dec. 1863), bij Katwijk (1836,

Dec. 1839), Zandvoort (Dec. 1858, Dec. 1864), Nieuwediep (Dec. 1856)

werden exemplaren van deze vischsoort gevangen. Het weinige, dat

ons van haar leven bekend is, danken wij aan de Engelschen, die

den Klompvisch bij de zuid- en westkust van Engeland en Ierland nu

en dan waargenomen hebben. "Bij mooi weer," zegt Yarrel, "zien de

zeelieden hem niet zelden in het Kanaal, oogenschijnlijk slapend

aan de oppervlakte der zee, daar hij op zijde ligt en door de golven

wordt voortbewogen, zoodat men zou kunnen meenen een dooden visch voor

zich te hebben." Couch meent, dat de Klompvisch over een uitgestrekt

gebied rondzwerft, zich in den regel in tamelijk diep water dicht

bij den bodem ophoudt tusschen de waterplanten, die hem tot voedsel

dienen en slechts bij zeer stil weer naar de oppervlakte stijgt om

een middagslaapje te houden. Wanneer men zulk een slapenden visch

voorzichtig nadert, kan men hem zonder moeite uit het water lichten,

daar hij in den regel geen pogingen doet om te ontsnappen of althans

niet erg tegenspartelt.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 12 / 18 题