Voor de haringvangst is natuurlijk de bekendheid met den paaitijd

van het ras, welks paaiplaatsen men bevisschen zal, van 't grootste

belang. Door verschillende oorzaken, die ons nagenoeg volkomen onbekend

zijn, kan echter de komst van de haringschool weken en zelfs maanden

vertraagd of vervroegd worden. De verschijnselen, die bij de visschers

als voorteeken van de komst of van het wegblijven der Visschen gelden,

zijn zeer onbetrouwbaar. Te recht wordt daarom de haringvisscherij

evenals de walvischvangst met een hazardspel vergeleken. In het eene

jaar levert zij groot voordeel op, in het andere dekt zij de onkosten

niet. Jaren achtereen verschijnen de Haringen op een bepaald gedeelte

van de kust bij milliarden; plotseling blijven zij uit en de visschers

keeren met ledige vaartuigen terug. Verderop in de zee is de richting,

die de school neemt, natuurlijk nog wisselvalliger; soms trekt zij

voorbij op de plaats waar men haar verwachtte, soms gaat zij eenige

zeemijlen buiten haar gewone koers. Raadselachtig is het feit, dat op

de vermindering van omvang of het geheel wegblijven van de scholen van

Haringen of andere nuttige Visschen op plaatsen waar deze tot dusver

geregeld ieder jaar verschenen, soms na verloop van zeer langen tijd

de terugkomst van de zegenaanbrengende zwermen van zeebewoners gevolgd

is. In Skandinavië waar dit herhaaldelijk voorgekomen is, wordt het

aangeduid met den naam van "Fiskeperioden." Geschiedkundige nasporingen

in de archieven van dit rijk hebben het bewijs geleverd, dat deze

perioden een duur van ongeveer 60 jaren hebben. Zoo zijn de groote

haringscholen, die sedert 1808 uit het Skagerrak nagenoeg geheel waren

weggebleven, in 1877 teruggekeerd. Door het wegblijven van de Visschen

zijn dikwijls bloeiende visscherssteden in verval geraakt en hebben

duizenden van menschen armoede geleden. Het is zeer waarschijnlijk,

dat de oorzaak van dit verschijnsel niet gezocht moet worden in het

zoogenaamde "doodvisschen" van het bedoelde gebied door den mensch,

maar in periodieke veranderingen van de zeestroomingen; de hierdoor

teweeggebrachte wijziging van de temperatuur van 't water oefent op de

voeding en de voortplanting der Visschen een grooten invloed uit. De

geschiktheid van een kuststreek voor paaiplaats wordt ook verminderd

door het uitroeien van de hier groeiende waterplanten; hieraan of aan

steenen hechten zich n.l. de bevruchte eieren; de afwezigheid van zulke

voorwerpen vermindert de kans, dat uit de eieren jongen voortkomen,

die in 't volgende jaar op deze plaats zullen kuitschieten. De

voortplanting der Haringen geschiedt op soortgelijke wijze als die

der Houtingen en andere in de diepte levende Visschen. In tallooze

menigte zwemmen de mannetjes en wijfjes twee of drie dagen lang dicht

bij den waterspiegel rond, dringen bont dooreengemengd tot een dichten

hoop bijeen, vooral als er stormweer in aantocht is, snellen vooruit

en laten intusschen de hom en de kuit in 't water vallen.

De bewoner van het binnenland kan zich moeielijk een denkbeeld

vormen van de haringscholen; de berichten van ooggetuigen komen

hem overdreven en ongeloofelijk voor. Deze berichten stemmen echter

zoo volkomen overeen, dat er aan hun geloofwaardigheid niet valt te

twijfelen. "Ervaren visschers," zegt Schilling, "waarmede ik naar

de vischgronden voer, toonden mij bij flauw schemerlicht scholen van

mijlen lengte en breedte, niet, zooals men zou kunnen denken, aan de

oppervlakte der zee, maar aan den weerschijn van de door haar verlichte

lucht. De Haringen zijn gedurende het trekken zoo dicht opeengedrongen,

dat de booten, die te midden van zulk een school komen, in gevaar

geraken; men kan de Visschen met de schop uit het water scheppen en

in het vaartuig werpen; een lange roeiriem, die in deze levende massa

wordt gestoken, blijft er rechtop in staan." Leverkus Leverkusen,

die bij het eiland Hitteren aan de westkust van Noorwegen bij 't

oversteken van een zeearm een haringschool ontmoette, schrijft:

"Aan 't roer zittend, ontwaarde ik bij 't schemerlicht van den

ontwakenden dag tallooze groote Vogels, die aanhoudend krijschend

boven de oppervlakte der zee zweefden, met korte tusschenpoozen er

telkens op dezelfde plaats in neerschoten en weer opvlogen. In het

water onder de Vogels was een bijna huivering-wekkende woeling waar

te nemen; nu eens spoot het schuimend omhoog, dan weer zag men lange

voren ontstaan in de door 't sterrengeflonker beschenen oppervlakte,

terwijl de jagers der lucht in bonte verwarring door elkander heen

zwierden. Al nader en nader kwam de boot bij dezen heksensabbat,

daar ik, ten hoogste geboeid door het schouwspel, waarvan de oorzaak

mij onbekend was, op de plek afstuurde. Niet voordat wij in de

onmiddellijke nabijheid van den roofzuchtigen zwerm waren gekomen,

die tot dusver met gulzige haast schatting had geheven van een in

den zeearm doorgedrongen haringschool, werden wij opgemerkt door

de Haringmeeuwen, die nu alle onder wanluidend gekrijsch op een

eerbiedigen afstand omhoogstegen, boven onze hoofden rondzwierden

en ons uit de lucht een regen van schitterend witte visitekaartjes

toezonden, zoodat wij binnen weinige minuten als Zebra's gestreept

waren. Bij honderdtallen zwierden de Vogels boven ons, terwijl in

het zilte nat onder en naast ons Haringen van allerlei grootte door

hunne opeendringende buren naar boven werden geperst.

"Het was een merkwaardig schouwspel! Nooit te voren had ik het

van zoo nabij waargenomen! Langzaam drong de kiel van de boot in

de opeenhooping van Visschen door en drukte de naar boven geperste

Haringen, wien het aan ruimte ontbrak om zich te bewegen, met geweld

in het natte element terug. Zoo voeren wij eenige minuten lang

onder zwaren arbeid door de school heen, terwijl de roeiriemen meer

Haringen schepten dan water." Soortgelijke ervaringen hebben andere

onderzoekers opgedaan; eenigen verzekeren zelfs, dat hun boot door

de daaronder wemelende menigte van Visschen omhoog geheven werd.

Ontelbaar als iedere haringschool is ook het aantal der haar volgende

vijanden. Zoo lang de Haringen in de bovenste waterlagen vertoeven,

voeden alle hier levende roofvisschen, alle zeevogels en bijna

alle zeezoogdieren zich uitsluitend met hen. De Noren worden van

de komst der Haringen onderricht door het toestroomen van tal van

Cetaceeën. Hoewel de grootte van de verliezen, die de roovers der

zee aan de haringscholen toebrengen, niet eens bij benadering geschat

kan worden, is de bewering, dat de mensch een nog grootere slachting

onder de Haringen aanricht, niet van allen grond ontbloot.

Sedert de Middeleeuwen heeft de haringvisscherij een belangrijke rol

gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandsche gewesten. Zooals

uit verscheidene wetten en keuren van Vlaamsche graven blijkt, was

dit bedrijf reeds in de 10e en 11e eeuw een bron van welvaart voor de

groote Vlaamsche steden. In Vlaanderen is het geheel te niet gegaan,

evenals later ook in Zeeland, welks bewoners in de 12e eeuw schepen

voor de haringvangst begonnen uit te rusten en waar Zierikzee tot in de

18e eeuw een belangrijken haringhandel heeft behouden. Daar de Zeeuwen

gedurende de Spaansche en Fransche oorlogen meer voordeel hadden

van de kaapvaart, verminderde op het gebied der visscherij allengs

hun concurrentie met de verder noordwaarts wonende kustbevolking. De

eerste geregelde vaarten van Hollandsche haringvisschers werden in

1164 van uit den Briel ondernomen. In 1285 kregen de Hollanders en

Friezen van den Engelschen koning Eduard het privilegie om langs

de kusten van zijn rijk te visschen. Reeds vóór de 13e eeuw genoten

de burgers van Kampen en Harderwijk dezelfde vrijheid op de kusten

van Skandinavië. De Amsterdammers bevischten de zee ten zuiden van

Zweden en kregen in 1390 van den Hollandschen graaf, hertog Albrecht

van Beieren, verlof om in Schonen een voogd voor hun bedrijf aan te

stellen. Toen in 1472 de haringscholen eensklaps ophielden in groote

menigte aan deze kust te verschijnen, kozen de Hollandsche visschers

algemeen de Shetlandsche eilanden (Hitland), de Orkaden en de kust van

Schotland en Engeland als arbeidsveld. Op een afstand van 10 mijlen van

de kust was hun het visschen geoorloofd. Hier verschijnen de parende

Visschen in Juni, enkele voorloopers reeds in April of Mei. Voor

deze reizen maakten onze landslieden gebruik van een eigenaardig

soort van kielvaartuigen (buizen of tweemasthoekers). Gewoonlijk

wordt de haringvloot vergezeld van een aantal "jagers", meestal één

op elke 10 buizen; dikwijls zijn dit oude buizen of éénmasthoekers,

die voor de visscherij niet deugen en alleen dienen om een deel van

de gevangen Haringen met den grootst mogelijken spoed naar land te

brengen om er den hoogst mogelijken prijs voor te maken.

Met ijver hebben de Nederlanders zich toegelegd op het aanbrengen

van verbeteringen in de wijze van vangst en bereiding van den

zoozeer gewilden Visch. In 1416 werd het eerste groote haringnet

te Hoorn gebreid. Willem Beukelszoon te Biervliet vond in 1386 het

"kaken" uit, waardoor een veel smakelijker en duurzamer product werd

verkregen dan vóór dien tijd op de markt kwam. De Haring sterft

n.l. kort na het ophalen van het net; terstond wordt hem de keel

opengesneden en onmiddellijk de kieuwen en de darmen verwijderd,

die anders een spoedig bederf zouden veroorzaken; de dus toebereide

Visch wordt voorloopig in met zeewater gevulde tonnen geworpen en den

volgenden dag bij lagen, met grof zout er tusschen, in andere tonnen

(kantjes) overgepakt, die in 't ruim van 't schip worden weggezet. Het

kaken wordt door een geoefend visscher zeer snel gedaan: 15 à 20 ton

Haring per uur. Doorgaans worden 100 ton Haring vóór zonsondergang

gereedgemaakt. Voor het behoorlijk zouten zijn 4 ton (530 KG.) zout

op 14 ton Haring noodig. De aan land gebrachte pekelharing wordt in de

haringpakkerijen onder nauwkeurige controle in de open lucht uitgepakt

en zorgvuldig nagezien; alle Visschen, die eenig gebrek vertoonen

(onzuiver, wanzout, wrak, ijl, kuitziek, melkziek zijn), worden van

de volle en zuivere afgescheiden en deze opnieuw met zout in andere

tonnen overgepakt, die, al naar de grootte der Haringen, 900 à 1100

stuks bevatten. Een last van 12 "gepakte" tonnen weegt 1800 à 2000

KG. Al naar de soort van Visch, die zij bevatten, worden de tonnen

met verschillende ingebrande keuren voorzien. De goede naam, dien de

Hollandsche Haring, ondanks de steeds scherper wordende concurrentie

tot heden toe heeft behouden, werd door het zorgvuldig toepassen van

deze maatregelen gevestigd.

De belangrijkheid van de Nederlandsche haringvisscherij in de 16e eeuw

blijkt uit den haar toegekenden naam "Groote Visscherij," die voor

't eerst voorkomt in een plakkaat van Prins Willem I, gedagteekend

27 April 1582, en sinds dien tijd gebezigd werd in alle plakkaten

van de Staten van Holland, welker doel was "de maintenue van de

hoofdnering, welvaart en principaalste mijne dezer landen." Dit

doel trachtte men te bereiken door de visscherij en den vischhandel

te dwingen in een nauw keurslijf van bepalingen en reglementen,

die voor 't grootste gedeelte in de eerste helft van deze eeuw nog

bestonden en eerst bij de wet van 12 Mei 1857 zijn afgeschaft. Eén

van deze bepalingen was, dat zoomin de buizen als de jagers eenige

andere kustplaats mochten aandoen dan de vaderlandsche haven, van

waar zij waren uitgezeild; het aan land brengen van de vangst op een

andere plaats was den visscher uitdrukkelijk verboden, evenals ook het

koopen en verkoopen van Haring in zee of het buitenland. Geen reeder

van een haringbuis mocht daarin deel geven aan een vreemdeling, geen

Nederlander mocht medereeder zijn in een ter haringvangst uitgerust,

buitenlandsch schip, geen Nederlandsch visscher voor buitenlandsche

reeders varen, enz. Ook de tijd waarop de vangst moest aanvangen,

was nauwkeurig voorgeschreven: Geen net mocht in zee geworpen worden

vóór den middernacht volgende op St. Jan (24 Juni). De haringvisschers

zorgden er dus voor, omstreeks dien tijd bij Fairhill (een eilandje

tusschen de Shetlandsche en Orkadische eilanden) te zijn om te

rechter tijd den arbeid te kunnen beginnen. Voor de vangst dienen

zoogenaamde drijfnetten van 40 M. lengte en 10 M. diepte, die,

ten getale van 50, 60 of meer aaneenverbonden, de "haringvleet"

vormen. Deze heeft dikwijls een lengte van honderden meters en is van

boven verbonden aan een touw (dolreep of vleetreep), die tusschen twee

buizen uitgespannen wordt. Deze liggen door het zware net zoo vast,

dat zij geen ankers noodig hebben. De bovenrand van de vleet wordt

drijvende gehouden door de hieraan bevestigde ledige tonnen; aan

den onderrand bevindt zich de "loodreep," die, behoorlijk bezwaard,

de vleet als een rechtstandige muur in het water doet drijven. De

bij reglement voorgeschreven grootte van de mazen is zoodanig, dat

een jonge Haring er door kan; de volwassen Visch blijft bij zijne

poging om er door te sluipen met den kop er in steken en wordt

door de kieuwdeksels verhinderd terug te keeren. Het net wordt na

zonsondergang te water gelaten; 's nachts kan men de haringschool

gewoonlijk op een afstand duidelijk onderscheiden, daar de glanzig

zilverwitte schubben van de onderdeelen, die door het opdringen en

zwenken dikwijls boven komen, door weerkaatsing van het licht een

helder schijnsel ("zilverblik" genaamd) veroorzaken. De visschers zijn

dus in de gelegenheid om het net dwars voor de school te spannen. Door

het licht der schepen aangelokt, zwemmen de Haringen op het net af,

dat zij wegens de duisternis niet opmerken. Den volgenden morgen,

in den regel omstreeks 5 of 6 uur, een uur of twee na zonsopgang,

wordt het net opgehaald. Dit is een moeielijke arbeid, die wel drie

uren duurt. De hoeveelheid visch, die in gunstige omstandigheden door

een "schot" of networp wordt buit gemaakt, wisselt af van 3 tot 8 last

(sommige berichten gewagen van 10 en zelfs van 14 last). In Sept. 1898

heeft één schot soms 100 ton Haring opgebracht. Het gebeurt wel eens,

dat men het net wegens den grooten aandrang van Visch reeds na 2 uren

moet ophalen. De zorgvuldige behandeling van de vangst levert werk

genoeg voor den volgenden dag. Als de vangst meer dan 5 last bedraagt,

is het niet mogelijk haar geheel te verwerken; het overschot (de

"slabbers") wordt ook wel gekaakt, doch licht gezouten en veeltijds in

bijzondere schuiten geworpen en vervoerd. Gedurende de 3 eerste weken

(25 Juni tot 15 Juli) wordt al de gevangen Haring ongesorteerd (doch

gekaakt en gezouten) in tonnen gepakt en door de jagers naar Holland

vervoerd; dit is de z.g. Jagersharing of St. Jansharing. Na 15 Juli

worden alle Visschen, zoodra zij gekaakt zijn, zorgvuldig uitgezocht

en in 3 soorten onderscheiden, n.l. Maatjesharing, Volle Haring

(die rijpe hom of kuit bevat en het langst duren kan) en Schoot-

of Holharing (ook wel IJle Haring genoemd, die de kuit of hom reeds

uitgeworpen heeft, veel geringer van kwaliteit is en minder lang kan

duren dan de Volle Haring). Kuit- en Melkziek noemt men den Visch,

die op het punt is van te schieten en dus de kuit en de hom geheel los

heeft zitten; ook deze is van geringe kwaliteit. Ook naar den tijd en

de plaats van vangst wordt de Haring gesorteerd en het fust later door

een ingebrand merk aangeduid. Die, welke tusschen 15 Juli en St. Jacob

(25 Juli) bij Fairhill en Hitland gevangen is, heet Grofzoutharing. Van

St. Jacob tot St. Bartholomeus (24 Aug.) en daarna tot Kruisverheffing

(14 Sept.) of St. Lambertus (17 Sept.) werpt men de netten onder

Schotland, bij Bockeney en Sereniat uit; de merken van de hier

gevangen Visch heeten Jacobi-brand (Fijnzoutharing) en Bartholomeïbrand

(Kleine brand, Keulsche brand). De buizen keeren één- of tweemaal (of

vaker, wanneer de vangst overvloedig is geweest) naar het vaderland

terug om zoo spoedig mogelijk (voor zoover het vischseizoen nog niet

afgeloopen is) hun arbeid in zee te hervatten. De Haring, die men na

14 Sept. tot St. Catharina (25 Nov.) vangt, is afkomstig uit de zee

beoosten Yarmouth en van nog zuidelijker gedeelten der Engelsche kust;

dit is de Kruisbrandharing (Groote of Rouaansche brand).

De haringvangst op de Engelsche kust geschiedt voor een groot deel

met bomschuiten. De door hen aangebrachte Visch mocht volgens een

bepaling uit de vorige eeuw niet gekaakt worden; men bepaalde

zich er toe haar zwak te zouten of te "steuren"; hieraan is de

naam Steurharing ontleend. Gedeeltelijk was deze Visch voor de

bokkingrookerijen bestemd, gedeeltelijk werd zij onmiddellijk verbruikt

(Schakelharing, Zoete Haring). Omgekeerd werd in 1826 aan de bemanning

der buizen verboden Haring te "steuren" of ongekaakt aan den wal te

brengen. Beide beperkende bepalingen zijn in 1857 afgeschaft, zoodat

nu alle ter haringvangst uitzeilende vaartuigen zoowel pekelharing als

steurharing mogen aanvoeren. Vroeger moest de voor uitvoer bestemde

pekelharing door van hoogerhand aangestelde keurmeesters gekeurd en

door een officieel merk op het fust gewaarborgd worden. Deze wijze

van keuring werd bij de wet van 1857 facultatief gesteld en in 1878

geheel afgeschaft.

In de 17e eeuw bereikte onze haringvisscherij haar hoogsten trap van

bloei. Gemiddeld voeren toen ieder jaar 1000 (in 1601 zelfs 1500)

buizen uit onze havens naar Hitland, en verschafte dit bedrijf,

naar men berekende, aan ongeveer 100000 menschen een bestaan. De

aanzienlijke vermindering van onze haringvloot in de 18e eeuw werd

voor een deel veroorzaakt door de steeds toenemende mededinging

van andere volken. Sinds lang werden ons de schatten van de zee

betwist door de Hanseaten en de Noren; de sterke uitbreiding van de

vischvangst der Engelschen en Schotten, die thans op dit gebied alle

overige Europeesche volken overvleugeld hebben, is ruim twee eeuwen

geleden begonnen. Wel herleefde onze haringvisscherij (die in 1812 en

1813 slechts door 3 buizen werd uitgeoefend) eenigszins na het herstel

onzer onafhankelijkheid, maar toch is in de eerste helft dezer eeuw het

aantal voor dit bedrijf uitzeilende kielschepen nooit grooter geweest

dan 173 (in 1830); in 1856 was het tot 82 gedaald (bovendien voeren

147 bomschuiten ter vangst van versche en steurharing uit). Sinds 1857

heeft echter onze haringvloot een aanmerkelijke uitbreiding ondergaan,

niet alleen wat het aantal, maar ook wat het model, de bouwstof, de

grootte en de uitrusting der kielschepen betreft. Een belangrijke

verbetering was het vervangen van de hennep als materiaal voor de

netten door katoen (dat voor 't eerst in 1852 in Schotland voor

dit doel gebruikt werd). Netten van hennep kunnen niet langer dan 1

jaar dienst doen; indertijd verving men daarom de hennep ook wel door

Perzische zijde en verkreeg op deze wijze netten, die minstens 3 jaar

konden duren. Hun lichte kleur, die den Haring schuw zou maken, werd

weggenomen door het tanen of het in den rook hangen. De herhaaldelijk

met cachou getaande katoenen netten zijn niet slechts duurzamer,

maar ook buigzamer en goedkooper; zij drogen spoediger; de mazen,

waarin de Visschen vastgeraken, blijven beter geopend.

Tot in 1866 waren hoekers en sloepen de eenige voor de haringvangst

dienende kielschepen; in 1867 kwam de eerste vischlogger naar

Fransch model in gebruik; in 1886 voer de laatste hoeker naar de

vischgronden. In 1896 was het aantal loggers, sloepen en kotters voor

de haringvangst gestegen tot 296, voor 't meerendeel thuis behoorend in

Vlaardingen, Maassluis en Scheveningen. Hoe langer hoe meer worden deze

vaartuigen (welker bemanning gemiddeld uit 14 of 15 personen bestaat)

van ijzer of staal vervaardigd en met stoomspillen voor het ophalen

der netten voorzien. Het aantal reizen van ieder schip bedroeg in

1896 minstens 3, meestal 4, voor één zelfs 7. In 't geheel hebben

de kielschepen in genoemd jaar 273114 tonnen pekelharing en ruim 6

millioen stuks steurharing uit zee aangebracht.

In 1896 zeilden 324 bomschuiten (ieder bemand met 8 à 10 personen)

ter haringvangst langs de kust uit (n.l. van Scheveningen 231, Katwijk

74, Noordwijk 18, Egmond 1); zij brachten 212531 tonnen pekelharing

en ruim 25 millioen steurharing aan.--De geheele haringvangst van

1896 (bijna 208 millioen Haringen) vertegenwoordigt een waarde van

omstreeks 5 millioen gulden.--Bovendien leverde de Zuiderzeevisscherij

ruim 60 millioen Haringen op (ter waarde van bijna 340000 gulden);

deze worden meerendeels tot "bokking" gerookt; het overige wordt als

"panharing" versch gegeten.

"De vangst van Haringen, Pelsers en Sprotten," zegt Bertram, "wordt

in Engeland met een korten tusschentijd bijna het geheele jaar

door uitgeoefend, de haringvangst echter hoofdzakelijk van Augustus

tot October. Dan is de zee langs de kusten van Schotland, Ierland

en Engeland met visschersvaartuigen als bedekt; iederen zeeboezem

heeft zijn eigen kleine vloot, iedere inham zijn visscherij; op de

voornaamste vischgronden zijn zeer aanzienlijke vloten bijeen. De

zouters hebben in de steden, die in de nabijheid van de vischgronden

gelegen zijn, ruime pakhuizen en terreinen, gevuld met tonnen,

zout en andere benoodigdheden. Minder bemiddelde zouters vestigen

hunne werkplaatsen aan de kust; tegenover de hiervoor gekozen punten

verzamelt zich weldra in de zee een meer of minder talrijke vloot;

terwijl aan den vasten wal een bonte menigte van allerlei menschen,

zouthandelaars, verkoopers van vatduigen, kuipers, meisjes uit den

omtrek, mannen uit de Hooglanden en anderen, hunne diensten komen

aanbieden. In den eigenlijken vischtijd heerscht op deze plaats een

zenuwachtige bedrijvigheid: alle werkzaamheden, alle gesprekken,

alle gedachten hebben uitsluitend betrekking op de Haringen. Ouden

van dagen komen de toebereidselen in oogenschouw nemen en disschen,

door geestdrift verjongd, verhalen op over gebeurtenissen van 20 of

meer jaren her; de jongere lieden bezichtigen de booten, zeilen en

netten. Langs de geheele kust ziet men overal dezelfde tooneelen;

ieder is bezield door de hoop op een gelukkige vangst.

"Slechts voor een klein deel zijn de lieden, die de Haringen helpen

vangen, visschers van beroep; verreweg de meeste zijn huurlingen,

een samenraapsel van boeren, handwerkslieden, matrozen en landloopers;

dit is de voorname reden van het groot aantal ongelukken, dat gedurende

elk vischseizoen voorvalt. Voor de vischvangst gebruikt men veelal een

vleet; groote vaartuigen kunnen over een afstand van een Engelsche

mijl het water afzetten. De gevangen Visch wordt zoo schielijk

mogelijk naar de werkplaats van den zouter op het strand vervoerd,

omdat de Haring des te beter wordt, hoe eerder hij in den pekel komt."

Voor een paar jaren heeft een Aberdeensche reederij een nieuw soort

haringvisschersvaartuig in gebruik gesteld. Het is ongeveer 20 voet

lang en 8 voet diep van de reeling tot de kiel. Het eigenaardige van

dit vaartuig is, dat het bestaat uit twee afzonderlijke, 2 à 3 voet

van elkander verwijderde heften, onderling verbonden door ijzeren

staven. Aan den voorsteven zijn twee netten bevestigd, die in den

vorm van een V van het schip uitgaan. Twee sleepbooten nemen ieder

het einde van één der netten en sleepen het vaartuig daarmede naar

de visscherijgronden. Zoodra men nu bij een haringschool gekomen is,

is 't de kunst te zorgen, dat deze tusschen de twee netten in geraakt

en zóó in de opening tusschen de twee helften van het schip gedreven

wordt. Een draadtraliewerk belet aldaar de ontsnapping en de visch

wordt door twee man aan boord gehaald.

In 't geheel werd in het Vereenigd Koninkrijk (met inbegrip van het

eiland Man en de Kanaal-eilanden) de zeevischvangst in 1895 uitgeoefend

door 24046 vaartuigen (waarbij 4803 roeibooten) met een bemanning

van 114320 koppen (7120 schepen met 41224 man in Engeland en Wales,

9798 schepen met 43373 man in Schotland, 6060 schepen met 26910 man

in Ierland). De hoeveelheid gevangen zeevisch bedroeg ruim 14 1/2

millioen centenaars, ter waarde van ruim 7 millioen pond sterling,

waarvan 5634891 centenaars Haring, ter waarde van 1083307 pond sterling

(n.l. in Engeland ruim 1 1/2 millioen, in Schotland bijna 4 millioen

en in Ierland ruim 155 duizend centenaars). Aan elkander bevestigd

zouden de netten van de 7000 voor de haringvangst dienende Schotsche

vaartuigen een lengte van 20000 KM. hebben; ieder jaar worden hiermede

minstens 1000 millioen Haringen gevangen. De voornaamste plaatsen

voor de haringvangst aan de oostkust van Schotland en Engeland zijn

Great-Yarmouth, Wick, Peterhead en Fraserburg.

Langs het middelste gedeelte van de kust van Noorwegen maakt

men in den zomer en den herfst, voor de zeer belangrijke vangst

van den zoogenaamden Zomerharing of Vetten Haring, behalve van de

gewone netten, ook gebruik van zoogenaamde "waden", welke dienen om

fjorden en bochten af te sluiten, zoodra hierin een haringschool is

doorgedrongen. Op deze wijze worden soms ongeloofelijke hoeveelheden

visch te gelijk buit gemaakt. In de bochten laat men de Haringen,

die men den terugtocht heeft afgesneden, zoo lang blijven, totdat

men den tijd heeft om ze te bergen en in te zouten; dit moet zoo

vlug mogelijk geschieden, omdat de ingesloten Visch hoe langer hoe

meer uitteert en aan waarde verliest. Dikwijls is de hoeveelheid

Haring zoo groot, dat de bedoelde werkzaamheden 2 of 3 weken lang

aanhouden; daar in dezen tijd vele Haringen uitteren en sterven,

wordt het water in de bocht stinkend, hetwelk ten gevolge heeft, dat

de Haring deze voor hem zoo aantrekkelijke paaiplaats 3 à 4 jaren

achtereen vermijdt. Langs het zuidelijke deel van de Noorsche kust

(hoofdplaats Stavanger) wordt van het einde van Januari tot April de

Vaarsild gevangen, meestal met drijfnetten. In de provinciën Norrland

en Zuid-Finmarken eindelijk vangt men van November tot Januari een

derde soort, de zoogenaamde Groote of Noordharing (Storsild). In 1895

bedroeg de totale opbrengst van de Noorsche haringvisscherij 1235000

HL. ter waarde van ongeveer 4 millioen gulden.

In Duitschland worden ieder jaar ruim 1 millioen tonnen pekelharing

ingevoerd ter waarde van omstreeks 18 millioen gulden, daar de vangst

van de Duitsche haringvisschers niet meer dan 35000 tonnen ter waarde

van 600000 gulden bedraagt. Het grootste deel hiervan komt op rekening

van de Emder haringvisscherijmaatschappij, die met 29 loggers de

Noordzee bevischt. De visscherijmaatschappijen van Bremen-Vegesack

(13 loggers) en van Glückstadt zijn van minder beteekenis. De Duitsche

haringvisscherij op de Oostzee is niet zeer belangrijk; de vangst

wordt grootendeels versch of gerookt verbruikt.

In een aquarium kan de Haring slechts op zeer jeugdigen leeftijd eenige

dagen in 't leven gehouden worden. De volwassen Haringen verliezen

in de gevangenschap dadelijk bijna alle schubben en sterven binnen

weinige uren.

De naaste verwante van den Haring, die in de Noordzee aangetroffen

wordt, is de Sprot (Clupea sprattus), een vischje van ongeveer 15

cM. lengte. Onze visschers en kustbewoners noemen haar in verschen

toestand gewoonlijk Schardijn of Sardijn (door verwarring met Clupea

pilchardus), en eerst nadat zij gerookt is, Sprot. Zij heet ook

Bliek, evenals de Blei en de jongen van den Brasem, of Zeebliek,

evenals de jonge Haring. De kielvormige buik is duidelijk getand, de

rug donkerblauw met groenen weerschijn, de romp overigens zilverwit;

de rugvin en de staartvin zijn donker, de aarsvin benevens de borst-

en buikvinnen wit van kleur.

Ofschoon de beteekenis van de Sprot voor de huishouding van den mensch

veel geringer is dan die van den Haring, behoort zij toch tot de

belangrijkste Visschen van de Noordzee en de Oostzee, aan welker kusten

zij in grooten getale leeft. Zij heeft ongeveer dezelfde levenswijze

als de Haring, bewoont, evenals deze, aanzienlijke diepten en bezoekt

ieder jaar, tot ontzaglijke scholen vereenigd, kustwateren of ondiepe

gedeelten der zee. Evenals bij den Haring, onderscheidt men ook bij de

Sprot een aantal rassen. Volgens de waarnemingen van V. Hensen heeft

in de Oostzee het kuitschieten van de Sprot in Mei en Juni plaats;

ongeveer te zelfder tijd geschiedt dit op de Schotsche kust, elders

in Augustus en September, bij andere kusten in October en November. De

aanwezigheid van de Sprot in de bovenste waterlaag schijnt echter niet

altijd met het paaien in verband te staan. Gewoonlijk vertoeft zij

hier in gezelschap van andere kleine en jonge Visschen, vooral jonge

Haringen, die op vele plaatsen te gelijk met haar in onnoemelijken

getale in fijnmazige netten gevangen worden. Alle vischjes, die in

het net geraken, worden, zonder onderscheid van soort, op dezelfde

wijze toebereid, onder den naam van Sprot in den handel gebracht. "De

gewoonte om den riviermond op te zwemmen", schrijft Dr. Hoek, "schijnt

zij met den Haring gemeen te hebben. Terwijl echter de Zeebliek

(Whitebait), die op den Theems gevangen wordt, gedurende de winter- en

voorjaarsmaanden voor verreweg het grootste deel uit Sprotten en voor

een veel geringer deel uit jonge Haringen bestaat en deze alleen in

Juni en Juli in grooter aantal schijnen voor te komen, zijn de jonge

Haringen op het Hollandsch Diep het geheele jaar door veel talrijker

dan de Sprotten. Ik geloof niet, dat er op het Hollandsch Diep en

het Haringvliet door elkander genomen één Sprotje op honderd jonge

Haringen of Zeeblieken gevangen wordt." In de Zuiderzee en langs onze

kust is de Sprot in veel geringer hoeveelheid voorhanden dan aan de

zuid- en oostkust van Engeland, waar zich gedurende den winter 400

à 500 Engelsche visschersvaartuigen voortdurend met de Sprotvangst

bezig houden. Dit bedrijf levert in het geheele Vereenigd Koninkrijk

een opbrengst van ruim 135 duizend centenaars ter waarde van bijna

22 duizend pond sterling. Bij ons vangt men de Sprot dicht bij de

kust met groote saaien, die door een vaartuig gesleept worden. Men

eet haar deels versch (vooral in Engeland), deels gerookt.

Ook aan de Duitsche kust, vooral aan die van de Oostzee, worden ieder

jaar groote hoeveelheden Sprot gevangen, bij Eckernförde alleen

gemiddeld ongeveer 16 millioen per jaar, die meestal, na gerookt

te zijn, onder den naam "Kieler Sprot" overal heen gezonden worden;

in Noorwegen wordt dezelfde Visch ingemaakt (gemarineerd) en onder

den naam van "Ansjovis" in den handel gebracht.

De Elft (Clupea alosa) (Alosa vulgaris) is nauw verwant aan den Haring,

gelijk reeds na een vluchtige beschouwing blijkt. Zijn romp is echter

hooger, de aarsvin een weinig langer; de rugvin en de buikvinnen

zijn verder naar voren geplaatst, de schubben kleiner, die van den

buikkant scherper. De rug heeft een fraaie, metaalachtig glinsterende,

olijfgroene kleur; de zijden en de onderdeelen zijn zilverwit, op de

zijden met goudachtigen weerschijn; een groote, donkere, onduidelijk

begrensde vlek, die aan den bovenhoek van de wijde kieuwspleet

staat (op de zijden gewoonlijk niet gevolgd door kleinere vlekken),

iriseert met olijfgroene kleur. De kieuwbogen zijn op de holle, naar

voren gerichte zijde bezet met een rij zeer smalle, lange en fijne

uitloopers, welker aantal met den leeftijd toeneemt, aan den voorsten

kieuwboog vindt men er 50 tot 120. De uitloopers aan de kieuwbogen

zijn zelf weer met tandjes of stekeltjes bezet. De keelspleten zijn

op deze wijze van een soort van zeeftoestel voorzien, die bij 't

openen van den bek zichtbaar wordt en welks oppervlakte aan die van

een borstel herinnert. Hierdoor worden de als voedsel dienende kleine

diertjes, die in het water voorkomen, in de mondholte achtergehouden,

terwijl het ademhalingswater naar de kieuwholte stroomt. De vinnen

zijn in mindere of meerdere mate zwartachtig. Deze Visch kan meer

dan 80 cM. lang en 1.5 à 3.5 KG. zwaar worden.

De Fint [Clupea (Alosa) finta] bereikt een aanmerkelijk geringere

lengte dan de Elft; hij wordt zelden langer dan 40 cM. of zwaarder dan

1 KG. De verhouding tusschen hoogte en lengte is bij beide soorten in

volwassen toestand nagenoeg dezelfde (1 : 3 1/2). De jonge Elften zijn

echter hooger dan de jonge Finten: beide worden door onze visschers

Plasjes genoemd. De plaatjes op de holle, naar voren gerichte zijde

van de kieuwbogen zijn bij den Fint korter en steviger dan bij den

Elft en steeds op eenigen afstand van elkander geplaatst; hun aantal op

den voorsten kieuwboog is bij volwassen exemplaren steeds geringer dan

50. De kleur komt met die van den Elft overeen; achter de schoudervlek

vindt men echter op de zijden een reeks van 5 à 6 dergelijke vlekken.

De levenswijze van de beide laatstgenoemde Visschen biedt weinig

verschil aan. Zij bewonen alle zeeën, die de Europeesche kusten

bespoelen, houden hier verblijf op tamelijk groote diepte en zwemmen de

rivieren op om kuit te schieten. Zij doen dit soms vroeger, soms later,

daar zij wachten moeten, totdat het rivierwater, door het bezinken van

het slib, dat bij hoogen waterstand wordt medegevoerd, eenigermate

geklaard is. Gewoonlijk gaan de Finten 4 weken later op reis dan de

Elften, welker reizen zich nagenoeg over het geheele gebied van den

stroom uitstrekken, ook over de zijrivieren, den Moezel, den Main, den

Neckar, zelfs over die, welke boven Bazel in den Rijn uitmonden. Voor

een deel paaien de Elften echter reeds in lagere gedeelten van den

hoofdstroom: bij Coblenz, bij Bonn en, volgens de onderzoekingen

van Dr. Hoek, waarschijnlijk reeds op Nederlandsch grondgebied. De

paaiplaatsen van de Finten, die in het voorjaar de rivier opzwemmen,

zijn weinig boven den grens van het zoetwater gelegen; de Visschen,

die later (tot in September) uit zee komen, begeven zich verder

stroomopwaarts om kuit te schieten. Den Duitschen naam "Maifische"

danken de Elften aan de regelmatigheid van hun komst in de hoogerop

gelegen stroomgedeelten. Aan de riviervisschers zijn zij zeer goed

bekend, omdat zij zich op een meer hoorbare wijze bewegen dan de

andere Visschen, dicht bij de oppervlakte van het water zwemmen en

soms een gedruisch veroorzaken, dat met het geknor van een kudde

Zwijnen vergeleken wordt. De Visschen maken deze geluiden door

het slaan met den staart, terwijl zij dicht bij den waterspiegel

paaien. Na het kuitschieten keeren zij langzaam naar de zee terug;

de meeste zijn dan opmerkelijk verzwakt en zoo mager, dat zij als

voedsel voor den mensch bijna geen waarde hebben. Vele bezwijken

ten gevolge van de vermoeienissen; doode exemplaren van deze soort

ziet men soms in menigte den stroom afdrijven. Jonge Elften van

ongeveer 5 à 7 cM. lengte komen reeds in de tweede helft van Juli in

onze benedenrivieren voor; in October zijn zij reeds 8 à 13, in het

volgende voorjaar 10 à 16 cM. lang; dan begeven zij zich naar zee. Hun

voedsel bestaat uit kleine Visschen en weekhuidige Schaaldieren.

De vangst van Elft op onze benedenrivieren is niet onbelangrijk

en heeft hoofdzakelijk met het drijfnet plaats. Op de vischmarkt

te Kralingen werden in 1897 ruim 34 duizend exemplaren van deze

vischsoort aangevoerd, die gemiddeld een waarde hebben van meer dan

een gulden. De Finten zijn kleiner en minder smakelijk; hun waarde

is veel geringer: 1/5 à 1/10 van die der Elften. Deze zijn in sommige

jaren veel menigvuldiger dan gewoonlijk. In April 1852 b.v. werden op

de Merwede voor Gorkum in 24 uren tijds 23000 stuks Elften gevangen,

in een enkelen trek 3573. Deze Visch wordt voornamelijk gerookt

verzonden en gegeten.

In Amerika heeft men een in de noordelijke Staten voorkomende

Elftsoort, de Alewife of Mentraden [Clupea (Alosa) tyrannus], met

goed gevolg door kunstmatige vischteelt naar zuidelijker rivieren,

o. a. naar den Connecticut en de Alabama, overgebracht.

Belangrijker dan de Elft en de Fint is de 18 à 20, hoogstens 25

cM. lange Pelser [Clupea (Alosa) pilchardus], die in gestalte met den

Haring overeenkomt, doch er door zijn geringere grootte en betrekkelijk

grootere dikte van verschilt. De bovendeelen zijn blauwachtig groen,

de zijden en de buik zilverwit; de met donkerder streepjes geteekende

kieuwdeksels hebben een goudgelen weerschijn. Het is gebleken, dat de

Sardijn van de Fransche kust, die men vroeger voor een afzonderlijke

soort hield, zich alleen door geringere grootte onderscheidt van het

vischje, dat in Engeland "Pilchard" wordt genoemd.

De Pelser behoort hoofdzakelijk thuis in de zee ten westen van Europa,

komt veelvuldig voor ten zuiden van Engeland en langs de geheele

Fransche en Noord-Spaansche kust tot aan de straat van Gibraltar. Aan

de kust van Cornwallis houdt hij zich gedurende het geheele jaar

op, tijdelijk in ondiep water. Zijn vraatzucht is zeer groot;

hij voedt zich echter bijna uitsluitend met kleine Schaaldieren,

bij voorkeur met een dwergachtige soort van Garnaal, waarvan men

dikwijls vele duizenden stuks in zijn tot barstens toe gevulde maag

aantreft. Om deze te verkrijgen, vertoeft hij op den bodem der zee en

doorzoekt op de wijze van de Karpers het zand of de tusschenruimten

van den steenachtigen bodem in ondiep water. Zijn paaitijd valt in

de herfstmaanden; in sommige jaren ontmoet men echter reeds in Mei

vele Pelsers met rijpe kuit; van een bepaalden voortplantingstijd

kan dus eigenlijk geen sprake zijn.

Aan de Britsche kusten is de vangst van Pelsers van groote

beteekenis. Met één trek van het net wordt soms een ongeloofelijk

groote hoeveelheid van deze visch uit het water gehaald. Couch

sprak een visscher, die bij een tocht tegenwoordig was geweest,

welke 2200 tonnen Pelsers opleverde; zelfs is het eens voorgekomen,

dat bij één tocht 10000 tonnen of ten naastenbij 25 millioen van deze

Visschen gevangen werden. Een eigenaardigheid van deze visscherij

is, dat men slechts een betrekkelijk gering aantal Pelsers gedurende

den paaitijd vangt, de meeste evenwel met groote grondnetten van den

bodem ophaalt. In sommige opzichten herinnert de vangst van Sardijnen

aan die van Tonijnen. Vele Pelsers worden gezouten, verreweg de

meeste echter eerst eenigen tijd in de pekel gelegd, daarna in olie

gekookt, in blikken busjes gepakt en onder den naam van "Sardijnen"

in den handel gebracht. Vooral te Nantes, Bordeaux, La Rochelle en op

verschillende kustplaatsen van Saintonge wordt dit bedrijf uitgeoefend.

De Ouden kenden zoomin den Haring als den Pelser of de Sprot, wel

echter de Ansjovis (Engraulis encrasicholus), die o.a. wegens haar

in een kegelvormige punt uitloopenden, ver voorbij de onderkaak

uitstekenden snuit met ver achter de oogen reikenden mondspleet,

als een vertegenwoordigster van een afzonderlijk geslacht wordt

beschouwd. Zij wordt hoogstens 15 cM. lang en heeft een bruinachtig

blauwen rug, de zijden en den buik wit, den kop goudkleurig.

In ontzaglijke menigte bewoont deze soort de Middellandsche Zee;

voorts is zij langs de Europeesche kusten van den Atlantischen Oceaan

tot aan het noordelijke deel van de Noordzee verbreid; in de Oostzee

wordt zij slechts zelden, en uitsluitend in het westelijke deel,

waargenomen. Van Mei tot Juli begeeft zij zich om kuit te schieten in

groote scholen naar de monden der rivieren, waar zij in menigte wordt

buitgemaakt. Bij ons heeft de ansjovisvangst voornamelijk plaats in

de Zuiderzee. De voornaamste zouterijen bevinden zich te Monnikendam

en Marken, Enkhuizen, Medemblik, Huizen en Naarden, Urk en Bunschoten.

Daar door de wet van 14 Juni 1890 het verbod van de vischvangst met

den wonderkuil werd ingetrokken, is op de Zuiderzee het gebruik van

alle vischtuigen geoorloofd. De ansjovisvangst wordt voornamelijk

uitgeoefend met den wonderkuil, den kwakkuil en den dwarskuil:

grondnetten, die nagenoeg alleen door de wijze van aanspanning

verschillen; het eerstgenoemde wordt tusschen twee botters of

schokkers in over den zeebodem getrokken; voor de beweging van de beide

laatstgenoemde soorten van netten is slechts één visschersvaartuig

noodig.

De vroeger zoo belangrijke ansjovisvangst op de Zeeuwsche stroomen,

die aanleiding gaf tot een belangrijke zouterij te Bergen-op-Zoom,

heeft in de laatste jaren, ten gevolge van den toenemenden bloei

der oesterkultuur, bijna niets beteekend. Over het algemeen zijn de

uitkomsten van deze visscherij zeer wisselvallig. De totale vangst,

die in 1890 190000 ankers (à 50 KG.) bedroeg, was in 1896 13500 ankers

en is in vele jaren beneden de 10000 ankers gebleven (27 maal in de

laatste 57 jaren). De geldelijke opbrengst is niet minder verschillend

(ruim f 45000 in 1892, bijna f 560000 in 1894, bijna f 220000 in 1896).

In zuidelijke landen is de ansjovis-visscherij van veel grooter belang;

reeds in Bretagne brengt zij millioenen op; voor de bewoners van vele

oeverlanden der Middellandsche Zee is zij een even gewichtig middel

van bestaan als de haringvisscherij voor de bewoners van de kusten

der Noordzee.

Sedert het einde van de 17e eeuw, toen Richter Guyana bereisde,

hebben verscheidene geneeskundigen en natuuronderzoekers hunne

ervaringen medegedeeld over een Visch, wiens vermogen om electrische

schokken te geven, dat van alle overige tot dusver bekende Visschen,

die electrische organen bezitten, overtreft. Aan Alexander von

Humboldt danken wij de eerste nauwkeurige berichten over den Beef-

of Sidderaal; voor een twintigtal jaren heeft Carl Sachs deze

mededeelingen aangevuld.

"De Spanjaarden," zegt A. von Humboldt, "geven den naam van

"Trembladores" (Siddervisschen) aan alle electrische Visschen. Sommige

vindt men in de Antillen-zee, aan de kusten van Coemana. Andere

Beefvisschen, echte Naakte Alen of Sidderalen, komen voor in de

Rio Colorado, in de Guarapiche en in verscheidene kleine beken

van de zendingsposten onder de Chaymas-Indianen. Ook in de groote

Zuid-Amerikaansche stroomen, in den Orinoko, in den Amazonenstroom,

in den Meta zijn zij talrijk, maar kunnen wegens den sterken stroom

en de diepte van 't water moeielijk gevangen worden. Bij 't baden en

zwemmen worden de Indianen niet zelden getroffen door de electrische

ontladingen dezer Visschen; minder dikwijls komt het voor, dat zij hen

te zien krijgen. In de Llanos, vooral in de nabijheid van Calabozo,

tusschen Morichal en de hooger en lager gelegen zendingsposten,

zijn de Sidderalen in stilstaande wateren en in de bijrivieren van

den Orinoko zeer veelvuldig.

"Aanvankelijk waren wij voornemens in ons huis te Calabozo proeven

met deze Visschen te doen; bij het volk is de vrees voor de schokken

van de Sidderalen echter zoo overdreven groot, dat wij in de drie

eerste dagen er geen konden krijgen, ofschoon het niet moeielijk

is ze te vangen en wij de Indianen 2 piasters hadden beloofd voor

iederen behoorlijk grooten en krachtigen Visch.

"Daar het lange wachten ons begon te vervelen (en nadat de proeven met

een levenden, maar zeer afgematten Sidderaal, die men ons gebracht

had, zeer twijfelachtige uitkomsten hadden opgeleverd), gingen wij

naar den Cañon de Bera, een stroomend water, dat gedurende het droge

jaargetijde in een modderigen plas verandert, om onze onderzoekingen

te doen in de vrije natuur, aan den rand van een door Sidderalen

bewoonden poel. Met netten kan men deze Visschen moeielijk vangen,

daar zij zich buitengewoon vlug bewegen en zich, evenals de Slangen,

in het slijk begraven. De Indianen zeiden, dat zij "met Paarden"

gingen visschen. Weldra kwamen eenige mannen uit de steppe terug,

een dertigtal ongetemde Paarden en Muildieren voor zich uit drijvend,

die zij dwongen te water te gaan.

"Door het stampen der paardenhoeven en het ongewone getier worden

de Visschen uit het slijk opgejaagd en tot den aanval geprikkeld. De

strijd tusschen deze zoo verschillende dieren levert een schilderachtig

schouwspel op. De Indianen, met werpspiesen en lange, dunne rietstokken

gewapend, plaatsen zich in een gesloten rij om den vijver, eenige

klimmen in de boomen, welker takken zich in horizontale richting

over het water uitbreiden. Door een woest geschreeuw en door

slagen met de lange rietstokken drijven zij de Paarden, die naar

den oever willen vluchten, in het water terug. Door dit geraas

verschrikt, verdedigen de Sidderalen zich door telkens herhaalde

electrische ontladingen. Gedurende geruimen tijd schijnt het, dat

zij de zege zullen behalen. Verscheidene Paarden bezwijken door de

werking van de onzichtbare slagen, die hunne edelste organen in alle

richtingen doorvlijmen; bedwelmd door de telkens herhaalde krachtige

schokken, verdwijnen zij onder den waterspiegel. Met buitengewone

krachtsinspanning trachten andere, snuivend van angst, met overeind

staande manen, terwijl de uitdrukking der oogen van grooten schrik

getuigt, aan het onweder dat om hen heen woedt, te ontkomen: de meeste

worden door de Indianen teruggedreven; aan eenige echter gelukt het

de waakzaamheid der visschers te verschalken; zij weten den oever

te bereiken, struikelen echter bij iederen pas en storten, doodelijk

vermoeid, met verstijfde ledematen ter aarde. In minder dan 5 minuten

waren reeds twee Paarden verdronken. De 1 1/2 M. lange Aal legt zich

tegen den buik van het Paard aan, zoodat dit dier de lading van het

geheele electrische orgaan in 't lichaam krijgt en een krachtige schok

gelijktijdig het hart, de ingewanden en de buikzenuwen treft. In dit

geval is de werking natuurlijk veel heviger, dan wanneer een mensch

met de hand of den voet den Sidderaal aanraakt. Ongetwijfeld worden

de Paarden niet direct door den schok gedood, maar slechts verdoofd;

zij verdrinken, omdat zij niet meer opstaan kunnen, zoolang de strijd

tusschen de overige Paarden en de Sidderalen voortduurt.

"Onze meening, dat alle dieren, die voor deze vischvangst gebruikt

werden, er het leven bij zouden verliezen, blijkt ongegrond

te zijn. Langzamerhand vermindert de hevigheid van den ongelijken

strijd en verlaten de uitgeputte Sidderalen de kampplaats. Zij hebben

behoefte aan een langdurige rust en een rijkelijke voeding om het

geleden verlies aan galvanische kracht te herstellen. De Muildieren

en de Paarden beginnen minder angst te toonen; zij zetten hunne manen

niet meer op; de uitdrukking van hunne oogen wordt kalmer. De visschen

zwemmen schuw naar den oever van den vijver, waar zij met kleine,

aan een lang touw bevestigde werpspiesen gevangen worden. Na weinige

minuten hebben wij vijf groote Sidderalen in ons bezit, die voor

't meerendeel slechts licht gewond zijn. Andere exemplaren werden

tegen den avond op dezelfde wijze gevangen."

Zoo luidt het verhaal van den wonderbaarlijken strijd tusschen Paarden

en Visschen. Waarschijnlijk zijn weinige natuurbeschrijvingen zoo

beroemd geworden als deze. "Sedert een menschenleeftijd," schrijft Carl

Sachs, "staat deze beschrijving in bijna ieder Duitsch schoolboek;

zij is een van de eerste mededeelingen, die het opkomende geslacht

van de levende natuur ontvangt. Voor het buitenland geldt dit in niet

mindere mate dan voor Duitschland; ieder, die iets van Sidderalen

gehoord heeft, kent het verhaal van hun strijd met de Paarden der

steppe. Toen ik te Berlijn het plan voor mijn reis ontwierp, scheen

het dus van zelf te spreken, dat ook ik, evenals Humboldt, Paarden

in het moeras zou drijven om de Sidderalen te vangen, die ik voor

mijne onderzoekingen noodig had. Gedurende de geheele reis naar

het bij Calabozo gelegen dorp Rastro-de-arriba was geen spoor van

twijfel hieraan in mij opgekomen; het eenige bezwaar, dat ik tegen

deze vangst had, was de hooge prijs, die tegenwoordig in de Llanos

voor Paarden en Muildieren geëischt wordt. De kosten van één enkele

dergelijke vischvangst zou allicht een groot deel van het reisgeld,

waarover ik beschikken kon, in beslag genomen hebben; ik had daarom

het plan opgevat om te beproeven, de Paarden of Muildieren, die voor

deze onderneming noodig heeten te zijn, door Ezels te vervangen,

daar de prijs van deze dieren slechts ongeveer het vierde deel van

die der vroeger genoemde bedraagt; mij bekroop echter de vrees,

dat het schouwspel, waarvan ik getuige wenschte te zijn, door deze

verandering veel minder grootsch en schilderachtig zou worden."

"De vooruitzichten voor het welslagen van mijn voornemen waren

overigens zoo goed, als ik maar wenschen kon; volgens allen, die mij

hierover konden inlichten, bevat de Cañon Rastro, die op korten afstand

van mijn woonplaats gelegen is, een groot aantal Sidderalen. Ik liet

daarom reeds op den dag van mijn aankomst door mijn huisgenoot Juan

Babtista eenige onvervaarde mannen bij mij ontbieden, als welker

woordvoerder een bruine kerel, Rafael Maria Arma genaamd, optrad. Ik

stelde aan deze lieden voor om den volgenden morgen met Paarden uit

visschen te gaan, waarbij dan beproefd zou worden, of men niet in

plaats van Paarden Ezels zou kunnen gebruiken. Tot mijn verwondering

begrepen de menschen in 't eerst volstrekt niet, wat ik bedoelde;

ik was dus wel verplicht om hun het geheele verhaal van Humboldt

uitvoerig mede te deelen. Toen het hun duidelijk was geworden, wat ik

wilde, barstte het geheele gezelschap in een uitbundig gelach uit. Het

denkbeeld om op deze wijze Trembladores te vangen, kwam deze lieden

zoo kolossaal grappig voor, dat het mij moeite kostte hen weer in een

andere stemming te brengen. Zoomin als andere, die ik er later naar

vroeg, zelfs geen der oudste bewoners van de streek, hadden ooit iets

van een strijd tusschen Paarden en Visschen gehoord. Een zonderlinge

samenloop van omstandigheden schijnt aanleiding te hebben gegeven,

dat een enkel voorval als een vaste gewoonte, als een merkwaardig

staaltje van de eigenaardige natuur van een land werd opgevat. Het is

volstrekt onmogelijk, dat de gewoonte om Sidderalen te vangen door

Paarden te drijven in het door deze Visschen bewoonde water ooit in

de Llanos heeft bestaan, anders zou bij de bewoners van dit gewest,

bij de zonen van de menschen, die Humboldt er aantrof, wel eenig

spoor van herinnering aan deze wijze van vangst overgebleven zijn.

"Later echter hoorde ik van lieden uit het stroomgebied van den Apoere

een verhaal, dat misschien met dat van Humboldt in verband gebracht kan

worden. Bij 't overtrekken van een rivier, die vele Trembladorus bevat,

jaagt men de kudden vooraf in het water, om de Alen, die zich meestal

op den bodem bevinden, door het getier en geplas op te schrikken

en te verjagen. Een schrandere bol onder de Indianen, die Humboldt

vergezelden, is hierdoor misschien op het denkbeeld gekomen, om op de

reeds genoemde wijze te werk te gaan. Het drijven van Paarden in den

poel heeft waarschijnlijk eigenlijk ten doel gehad de Sidderalen van

den bodem van 't water te verjagen en de Indianen de gelegenheid te

verschaffen ze te harpoeneeren, en niet om door veelvuldige ontladingen

een verzwakking van de electrische kracht te veroorzaken. Dit laatste

zou volkomen overbodig zijn geweest, omdat het lange, droge touw,

waaraan de harpoen is vastgehecht, den visscher tegen de electrische

schokken beveiligt. Hoe dit ook zij, het geheele voorval was en is

stellig slechts een bij uitzondering voorkomende gebeurtenis. Een

bepaalde wijze van Sidderalenvangst kent men in de Llanos niet; de

inboorlingen gevoelen vrees en afschuw voor deze Visschen en gaan

hun zooveel mogelijk uit den weg. Alleen toevallig geraken bij groote

visscherijen in de rivieren ook Trembladores in het net." Zoo luidt het

bericht van Carl Sachs, die op dezelfde plaats als A. von Humboldt,

maar 76 jaren later, onderzoek deed naar den merkwaardigen strijd

tusschen de electrische Visschen en de Paarden.

De Sidderaal of Beefaal, door de Spanjaarden Tremblador genoemd

(Gymnotus electricus), behoort tot de familie der Naakte Alen

(Gymnotidae) en vertegenwoordigt het geslacht der Beefvisschen

(Gymnotus). De bovenrand van de mondopening wordt bij alle leden der

familie van voren door de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door

kleine bovenkaaksbeenderen gesteund; de schoudergordel is onmiddellijk

aan den kop gehecht. De ribben, die bij de echte Alen ontbreken, zijn

hier aanwezig. De rugvin en de buikvinnen ontbreken. De borstvinnen

zijn steeds aanwezig en goed ontwikkeld. De aarsvin is zeer lang,

begint altijd dicht bij (bij sommige reeds onder) de keel, waar dan

ook de aarsopening voorkomt. De staartvin is bij verreweg de meeste

soorten een rechtstreeksche voortzetting van de aarsvin. De zwemblaas

is dubbel, bij één soort zelfs in drie afdeelingen gescheiden: de

achterste is de grootste en zeer lang, de voorste is peervormig

en staat, behalve met den slokdarm, ook met het gehoororgaan in

verband. De Beefvisschen verschillen van hunne verwanten door de

ongeschubde huid, die ook de borstvinnen en de aarsvin bedekt (en

hier dik is), voorts door het gebit, dat uit een groot aantal fijne,

spitse tanden in de kaken, een kleine reeks van tanden aan het voorste

deel van het gehemelte en twee reeksen van tanden achter de voortanden

van de onderkaak bestaat.

De Sidderaal kan een lengte van 2 M. en een gewicht van 15 à 20

KG. bereiken. De bovenzijde is fraai olijfgroen, op vele plaatsen

donkerder genuanceerd; de onderdeelen (van de spits van de onderkaak

tot aan de aarsvin) zijn fraai oranjerood; de lange aarsvin is

leikleurig met witten, bij enkele exemplaren echter met rooden

zoom; twee of meer reeksen van kersgroote, lichtgele vlekken, die

gelijkstandig over den rug, van den kop tot aan het einde van den

staart loopen, versieren den rug en de zijden. Ieder vlek omgeeft een

afvoeropening van een klier; de huid is voortdurend bedekt met het

hieruit afkomstige slijm, dat de electriciteit 20- à 30-maal beter

geleidt dan zuiver water.

Ongeveer vier vijfde deelen van de lichaamslengte worden ingenomen

door de electrische organen, die zich van het achterste uiteinde

der lichaamsholte tot aan de spits van den staart uitstrekken,

de beide onderste afdeelingen van het zijdespierenstelsel van den

staart nagenoeg geheel vervangen en ruim een derde deel van het

lichaamsgewicht uitmaken. Gezamenlijk vormen zij een licht roodachtig

gele, doorschijnende, geleiachtige massa. Deze bestaat uit twee paar

langwerpige lichamen of bundels: het bovenste bevindt zich onmiddellijk

onder de huid; het onderste is door spieren omhuld en boven de aarsvin

gelegen. Men zou ze kunnen vergelijken met spierbundels, waarin de

spiervezels vervangen zijn door reeksen van "electrische elementen",

ieder samengesteld uit een vliezig dwarsschot, aan de voorzijde

bedekt met een zoogenaamde "electrische plaat", die in aanraking is

met een dunne laag van een eiwitachtig vocht. Elke reeks of "zuil"

bevat ongeveer 4000 dergelijke elementen, ieder ongeveer 0.1 mM. lang

en 0.8 mM. hoog, en reikt van het staarteinde (de positieve pool)

tot het kopeinde van het electrische orgaan. In elke electrische

plaat bevindt zich het eindtoestel van een bewegingszenuwvezel,

van een der vertakkingen van de electrische zenuwen, die ten getale

van omstreeks 200 uit het voorste (naar de buikzijde gerichte) deel

van het ruggemerg ontspringen. Aan de oppervlakte van de plaat, die

naar de negatieve pool (naar den kop) is gekeerd, treft men geen

zenuwvertakkingen aan, wel haarvaten, die in de uithollingen der

plaat bochten vormen.--Naar het schijnt, moet de werking van dit

orgaan langs electro-capillaire wijze verklaard worden. Onder den

invloed van de zenuwen heeft een samentrekking plaats: de elementen

verminderen in lengte en nemen toe in doorsnede, wat voldoende is om

een klein verschil in electrische spanning tusschen de beide zijden

van het element te doen ontstaan. Wegens talrijkheid der elementen is

de som van deze verschillen zeer groot en zal een krachtige stroom

van achteren naar voren het lichaam van het dier doorloopen, zoodra

het electrisch orgaan door tusschenkomst van de zenuwen prikkels van

de centrale deelen ontvangt. Raadselachtig is het merkwaardige feit,

dat het dier volkomen ongevoelig is voor zijne eigene schokken, er geen

nadeel van ondervindt, hoewel de ontlading, zooals uit de proeven van

Carl Sachs gebleken is, met volle kracht het geheele lichaam doorloopt.

Over de werking van de electrische ontladingen en hare eigenaardigheden

hebben de onderzoekers uit vroegeren tijd vele juiste berichten

medegedeeld. Zeer spoedig kwam men tot de overtuiging, dat

het uitdeelen van schokken door den Visch geheel willekeurig

geschiedt. Bajon raakte een Sidderaal met den vinger aan, zonder

iets te gevoelen, maar kreeg zwakke schokken, toen hij den vinger op

den rug legde. Toen deze Visch bij het ververschen van het water op

den bodem was gevallen en, daar geen neger het dier wilde opheffen,

door hem zelf bij den staart gepakt werd, kreeg hij zulk een hevigen

schok, dat hij bijna omviel en een tijdlang geheel bedwelmd was. Een

Kat, die een bijna dooden Sidderaal wilde pakken, sprong onder hevig

geschreeuw terug; een Hond, die aan zulk een dier likte, ondervond

dezelfde onaangename gevolgen.

De eerste schokken, die een volkomen ontwikkelde, gezonde, groote

Sidderaal door goede geleiders van de electriciteit kan uitdeelen,

zijn zeer krachtig. Een mensch of een ander groot Zoogdier wordt

daardoor wel niet gedood, maar kan, als de lading bijzonder gevoelige

lichaamsdeelen treft, in sommige gevallen bedwelmd worden; kleine

dieren worden licht bedwelmd, of vallen zelfs dood neer, als door

den bliksem getroffen. A. Kappler kreeg, toen hij langs den oever

van een rivier in Suriname waadde, van een tusschen zijne beenen

door zwemmenden Sidderaal een zoo hevigen schok, dat hij, als door

den bliksem getroffen, in 't water viel en nog juist gelegenheid

vond om zich aan een boomwortel vast te houden. "Wel 2 minuten lang

waren mijne voeten als verlamd en was ik niet in staat ze te bewegen,

langzamerhand verdween dit zonderlinge gevoel en kon ik verder gaan."

De Sidderaal is over een groot deel van Zuid-Amerika, vooral over

het noordoosten van Brazilië, over Guyana en Venezuela verbreid;

hij bewoont echter alleen zeer warme wateren, vermijdt derhalve

bergstreken, in welker kouder water zijn electrisch vermogen, naar men

zegt, aanmerkelijk vermindert en zoo goed als geheel verdwijnt. Het

door hem bewoonde gebied is, naar het schijnt, grootendeels tot

de wateren van de Llanos beperkt. Volgens Sachs is een smalle,

modderige, in donkere schaduw gehulde beek of poel zijn liefste

verblijfplaats. Hier ligt hij, althans over dag, op den bodem van 't

water, maar stijgt met tusschenpoozen van gemiddeld een halve minuut

naar de oppervlakte, houdt den bek boven water en slikt met hoorbaar

gedruisch lucht in; hij duikt dadelijk weer onder; en laat intusschen

de opgenomen lucht door de kieuwspleten ontsnappen. De inboorlingen

worden de aanwezigheid van een Sidderaal gewaar door deze wijze van

ademhaling, die duidelijk de aandacht trekt. Zoodra het duister begint

te worden, vangt deze Visch aan zich te bewegen en te jagen. Door zijn

electrische batterij is hij een veel vreeselijker vijand van zijne

geschubde klassegenooten dan de vraatzuchtigste roofvisch zou kunnen

zijn. Hij voedt zich met iederen buit, dien hij verzwelgen kan en

in het door hem bewoonde water aantreft, met Visschen zoowel als met

Krabben en in 't water vallende Insecten. Zoodra hij in de nabijheid

van een door hem begeerd slachtoffer is aangekomen, maakt hij gebruik

van zijn electrisch orgaan; de ontlading van de electriciteit brengt

zulk een hevige werking teweeg, dat een oogenblik later alle Visschen

en Krabben, die er door getroffen worden, met den buik naar boven

gekeerd bewegingloos in 't water ronddrijven. Hij zoekt vervolgens de

prooi uit, die hem het best aanstaat en verzwelgt haar door een hevige

zuigwerking, die een duidelijk hoorbaar gedruisch veroorzaakt. Bij

den aanvang van het droge seizoen, wroet de Sidderaal een diep,

rond gat in den modder, door zich voortdurend in een kring rond te

draaien. In dit gat kruipt hij weg, wanneer de door hem bewoonde

poel op het punt is van uit te drogen en het hem niet mogelijk was

te rechter tijd de wijk te nemen naar een deel van den poel, dat het

water langer behoudt. Op de laatstgenoemde wijze redt hij zich steeds

uit den nood, indien hiertoe gelegenheid bestaat: de reis moet steeds

te water geschieden; hij kan niet over land trekken en zelfs niet over

het vochtige slijk zich bewegen; evenals andere Visschen, zal hij om

't leven komen, als hij geen anderen poel kan bereiken.

Een groote, door hem ondernomen en bij uitzondering zeer gelukkige

vischvangst met schutnetten, waardoor vele honderden Trembladores

ingesloten waren, beschrijft Carl Sachs op een zeer aanschouwelijke

wijze. Na het plaatsen van een der schutnetten begaven de aangeworven

mannen zich "met stokken gewapend te water, vormden een rij, die

zich van den eenen oever naar den anderen uitstrekte en gingen onder

vreeselijk geschreeuw langzaam vooruit, terwijl zij voortdurend met

de stokken op het water sloegen. Ik had een plaats ingenomen in de

nabijheid van het schutnet en keek zonder groote verwachting naar de

oppervlakte van het water; plotseling zag ik met verrukking de mij

welbekende groene en roode koppen boven water komen. Een groot aantal

Trembladores was op een bepaalde plaats van den poel verzameld geweest;

vluchtend voor het geraas, dat mijne helpers maakten, waren zij bij

het schutnet gekomen en trachtten nu met slangsgewijze kronkelingen

van het lichaam er over heen te komen, hetgeen echter aan geen hunner

gelukte. Dadelijk riep ik mijne metgezellen toe het andere net ook te

water te laten; toen dit geschied was, bleef de geheele troep tusschen

de beide netten in een nauwe ruimte opeengedrongen. Daar het te vreezen

was, dat de Trembladores, wanneer men ze al te veel in 't nauw bracht,

met geweld door de tamelijk wijde mazen van het net zouden sluipen,

liet mijn gastheer, Don Guancho Rodriguez, de mannen halt maken en nam

het medegebrachte werpnet ter hand. Naakt in 't water staande, wierp

hij het zoo behendig, dat het, ontplooid door de levende kracht van

de looden gewichten die het bezwaarden, radvormig in 't water neerkwam.

"Intusschen trok ik de caoutchouc-handschoenen aan, die ik uit Berlijn

medegenomen had, om de gevangen dieren te kunnen grijpen. Daar

zoowel Don Guancho als de voor 't bergen der Visschen bestemde,

met water gevulde ton, die in der haast ter plaatse was gebracht,

zich aan den anderen oever bevonden, moest ik mij eveneens daarheen

begeven; om het nat worden van mijne kleederen te verhoeden, liet

ik mij door een der mannen dragen. Deze struikelde echter over een

verborgen boomwortel of over een ander voorwerp en viel met mij in

't water. Hoewel ik schielijk weer opstond, kwam ik doornat aan

den anderen oever. Op hetzelfde oogenblik ving Don Guancho met het

werpnet een der Sidderalen. Door de handschoenen tegen de electrische

schokken beschut, lichtte ik het forsche, meer dan 1.5 M. lange,

geweldig tegenspartelende dier op en was voornemens het schielijk in

den ton te werpen. Maar het gleed mij door de handen en viel voor mijne

voeten, zoodat het juist met den kop en den staart mijne beide beenen

aanraakte. Dit had ten gevolge, dat ik de krachtigste schokken kreeg,

die een volkomen frissche Sidderaal geven kan. Eenige seconden bleef

de Visch op de genoemde plaats en was ik door den schrik buiten staat

mij te bewegen, want het hoogst opgewonden monster joeg mij een ware

hagelbui van vreeselijke schokken door het lichaam; ik schreeuwde luid,

overweldigd door de pijn, totdat eindelijk het dier van mijne voeten

afgleed en in het niet door netten ingesloten deel van 't water te

recht kwam.

"Het was voor 't eerst, dat ik de volle kracht van een pas gevangen,

groote Sidderaal ondervond. Ik kan verzekeren, dat het geen kleinigheid

is. A. von Humboldt schrijft, dat hij na zulk een voorval den geheelen

dag een hevige pijn in alle leden gevoelde. Dergelijke gevolgen heb

ik niet ondervonden; het is echter niet onwaarschijnlijk, dat de

verschijnselen van minder voorbijgaanden aard geweest zouden zijn,

als ik de schokken in den romp of in het hoofd had gekregen, in plaats

van in de voeten."

Onze zegsman noemt den Sidderaal den sierlijksten zwemmer van alle

hem bekende Visschen; hij was verrukt over de bewegingen van zijne

gevangenen. Als de Sidderaal in een nauwen bak wordt geplaatst, zwemt

hij onrustig in een kring rond en doet zijn best om over den rand heen

te ontvluchten, hetwelk hem niet zelden gelukt. Wanneer hij echter in

een wijden, goed ingerichten bak wordt gebracht, berust hij in zijn

lot, vleit zich, lang uitgestrekt, op den bodem neer en blijft hier in

den regel den geheelen dag liggen, zonder eenige andere bewegingen te

maken, dan voor de ademhaling noodig zijn; bovendien zoekt hij steeds

de donkerste plaats op. Als de nacht begint, wordt hij onrustig. Door

plotselinge verlichting van den door hem bewoonden bak geraakt hij

in een hoogst opgewonden toestand. Hoewel hij weken lang honger

kan lijden, leert men hem als een zeer vraatzuchtig dier kennen,

wanneer men hem een overvloed van voedsel geeft. Het werpen van jonge

Visschen of Kreeften in de woning van de Sidderalen gaf onmiddellijk

aanleiding tot een vreemdsoortige jacht. Meestal was een enkele slag

voldoende om de vervolgde dieren te verlammen; soms slaagden zij er

echter in, zich met een sprong boven den waterspiegel te verheffen;

dan schoot niet zelden ook de vervolger bliksemsnel uit het water om

springend zijn buit te grijpen en dezen vervolgens, als naar gewoonte,

zonder voorafgaande toebereiding te verslinden.

De Aalvisschen (Muraenidae) vormen een talrijke, meer dan 230 soorten

omvattende familie; zij hebben een slangvormigen, meer of minder

afgeronden romp met een meestal zijdelings samengedrukten staart; de

buikvinnen ontbreken; de huid is naakt of met fijne, elkander niet

aanrakende schubben bekleed; de bovenrand van de mondspleet wordt

over zijn geheele lengte uitsluitend door de tusschenkaaksbeenderen

gesteund; de rudimentaire bovenkaaksbeenderen bereiken de mondspleet

niet; de schoudergordel is niet aan den kop, maar verder achterwaarts

aan de wervelkolom gehecht. Het gebit en de vinnen kunnen, zooals

later zal blijken, zeer verschillend zijn. De aarsopening is ver

achter den kop gelegen. De ribben ontbreken. De Aalvisschen behooren

in de warme en gematigde aardgordels thuis. De weinige soorten, die

den poolcirkel overschrijden, zijn reeds op korten afstand van daar

zeldzame verschijningen, en komen eenige graden verder noordwaarts in

't geheel niet meer voor. Zij leven in de zee, zoowel als in zoetwater;

verscheidene soorten trekken, evenals onze Alen, van de rivieren naar

de zee en begeven zich van uit de zee naar de rivieren terug. Bij

voorkeur kiezen zij water met modderigen bodem tot verblijfplaats,

omdat zij hier hun gewone voedsel vinden en schuilplaatsen, waar

zij beveiligd zijn tegen de vervolging van groote roofvisschen. Alle

Aalvisschen zonder eenige uitzondering leven van roof; verscheidene

behooren tot de flinkste en vraatzuchtigste roovers, hoewel de

meeste zich tevredenstellen met kleine dieren. Voor de menschelijke

huishouding hebben zij sinds overouds een niet geringe beteekenis

gehad; overal wordt daarom veel werk gemaakt van hun vangst. De

Aalvisschen worden algemeen als een uitmuntend voedsel beschouwd

en voldoen als zoodanig aan hooge eischen, daar zij zich zeer sterk

vermenigvuldigen, een uitgestrekt gebied bewonen, een buitengewoon

taai leven hebben en hierdoor geschikt zijn om na de een of andere

wijze van toebereiding, maar ook in verschen toestand wijd en zijd

verzonden te worden.

De Aal (Anguilla anguilla, Anguilla vulgaris) vertegenwoordigt het

geslacht der Echte Alen; deze hebben kleine, ronde kieuwopeningen;

de rugvin en de aarsvin zijn niet gescheiden van de staartvin; deze

eindigt spits; de tusschen- en onderkaak en ook de ploegschaarbeenderen

zijn met fluweelachtige tanden bezet. De rugvin neemt nagenoeg

twee derde van de lichaamslengte in, de borstvinnen zijn kort en

langwerpig. De uiterst fijne, doorzichtige, lange, smalle schubben zijn

in de dikke, slijmerige huid weggedoken, hebben twee verschillende

richtingen, die met elkander een rechten hoek vormen en laten dus

vrije tusschenruimten over.

De donkere, groenachtige kleur van de bovendeelen is boven op den kop

het donkerst en vertoont hier een bruinachtige tint; de onderzijde

is wit met doffen zilverglans: de rugvin, de staartvin en het

achterste deel van de aarsvin zien er nog donkerder uit dan de rug;

de borstvinnen zijn bruinachtig zwart met donkerzwarten zoom. Gemiddeld

bereikt de Aal een lengte van 1 M.; exemplaren van meer dan 1.3 M. zijn

zeldzaam; hun gewicht gaat slechts bij uitzondering 6 KG. te boven.

De leden van deze soort kunnen in sommige opzichten van elkander

verschillen, o. a. wat den vorm van den kop betreft, die soms spits,

soms stomp eindigt. Deze afwijkingen en andere die van den leeftijd en

van den tijd van 't jaar afhangen, hebben aanleiding gegeven tot het

gebruik van verschillende benamingen. Volgens Van den Ende onderscheidt

men te Arnhem den Aal in "Fijnkoppen" en "Grofaal" of "Jankoppen". De

namen "Aal" en "Paling" worden zelfs door onze visschers veelal

geheel willekeurig toegepast. Volgens Van Bemmelen worden in Noord- en

Zuid-Holland de oude voorwerpen "Paling", de jongen meer bepaaldelijk

"Aal" en de zeer kleine exemplaren "Bakaal" genoemd. Houttuijn zegt,

dat de "Paling" een spitseren kop heeft, van boven bruiner, van

onderen geler en bovendien ronder en vetter is, dat de Aal, die in

't voorjaar in 't IJ gevangen wordt en "Nebbeling" heet, een lichtere

kleur heeft, doch in 't najaar zoo bruin wordt als de Paling. Ook in

Overijsel spreekt men van Nebbeling en Nebaal. In Friesland en enkele

andere provinciën noemt men de kleine exemplaren met bruinachtig

gelen buik "Roode Aal", de groote met witten of witachtigen buik

"Schiere Aal". Een andere kleursverscheidenheid is de "Oranje-aal".

Vooral door de onderzoekingen van Jacoby [7] is het mogelijk geworden

de mannetjes en de wijfjes van den Aal met voldoende zekerheid

te onderscheiden: De mannetjes zijn kenbaar aan hun veel geringere

grootte (tot dusver heeft men er nog geen gevonden, die langer was dan

48 cM.), aan hun aanmerkelijk smalleren snuit (die soms lang gerekt

is, soms kort en spits uitloopt), aan hun donkerder kleur (de rug is

donkerder groen, dikwijls zelfs zwart, de zijden vertoonen een sterken

metaalglans, de buik is wit); bovendien is de middellijn van het oog

bij de wijfjes in den regel kleiner, de rugvin daarentegen veel hooger.

Bezuiden 64 à 65° N.B. bewoont de Aal alle zoete wateren van Europa

met uitzondering van die, welke naar de Zwarte en de Kaspische

Zee vloeien. In den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem zoowel bij

Noord-Amerika als bij Europa. In Azië treft men hem niet aan; in

't Ob-gebied althans is hij zoo goed als onbekend. Aan diep water

met modderigen bodem geeft de Aal de voorkeur boven iedere andere

verblijfplaats; hij houdt zich echter niet uitsluitend in zulke

wateren op, maar bezoekt, reislustig als hij is, ook die, welke juist

de tegenovergestelde eigenschappen hebben. Gedurende den winter ligt

hij in 't slijk verborgen en houdt winterslaap of zwerft althans

niet jagend rond. Zoodra het warme jaargetijde aanvangt, begint zijn

zomerleven. Met slangsgewijze kronkelingen zwemt hij zeer vlug in

waterlagen van verschillende diepte, sluipt met bewonderenswaardige

behendigheid door holen of buizen, komt b.v. geregeld voor in de

waterleidingen van steden, waar het water niet behoorlijk gezuiverd

wordt en bereikt op deze wijze zelfs de bovenste verdiepingen van

gebouwen. Ook woelt hij zich door half verstopte buizen heen en

ontsnapt op deze wijze uit vijvers, waarin men meende hem te kunnen

behouden. Nog altijd beweren sommigen, dat hij 's nachts aan land

gaat om in de erwten- en wikkenakkers op Slakken en Wormen jacht

te maken. Onmogelijk is het niet, dat de Aal tochten maakt, daar,

zooals ons reeds gebleken is, ook andere Visschen zich over het

land bewegen. Zelfs de ervarenste visschers weten echter van deze

uitstapjes van den Aal op grond van eigen ervaring niets mede te

deelen; wel moeten zij dus, zoo ooit, zeer zeldzaam voorkomen. Zelfs

indien men het voor bewezen houdt, dat er Alen op het land gevonden

werden, moet men niet uit het oog verliezen, dat deze dieren licht

na een overstrooming daar achtergebleven kunnen zijn. Volkomen juist

is het, dat de Aal in de lucht kan ademen en dus een dag of langer

buiten het water kan leven; hieruit blijkt echter nog volstrekt niet,

dat hij reizen over land onderneemt.

Als voedsel gebruikt de Aal hoofdzakelijk lagere dieren, vooral Wormen

en Schaaldieren; bovendien maakt hij soms Vorschen en kleine Visschen

buit; naar men zegt, vreet hij ook aas. Hoewel hij om zijn vraatzucht

en gulzigheid in Friesland "Ropper", in Gelderland "Happer" heet,

staat de kleinheid van de mondopening hem bij het rooven en happen

zeer in den weg.

Tot voor zeer korten tijd was de voortplanting der Alen zelfs voor den

natuuronderzoeker in een ondoordringbaar duister gehuld; nog altijd

worden over dit deel van hun levensgeschiedenis zeer vreemdsoortige

meeningen uitgesproken. Aristoteles was van oordeel, dat de Alen zich

uit Wormen ontwikkelen en dat deze zonder tusschenkomst van ouders

uit modder ontstaan. Op sommige plaatsen achten de visschers het ook

thans nog waarschijnlijk, dat Alen met Slangen paren. Vele van hunne

beroepsgenooten beweren, dat de Alen niet uit Dieren van hun eigen

soort, maar uit andere Visschen geboren worden. Hieraan dankt de Magaal

den naam "Aalmoeder", dien hij in Duitschland draagt. De visschers van

Sardinië schrijven algemeen aan een Zwemkever (Dytiscus Roselli) de

voortbrenging der Alen toe. Dikwijls is beweerd, dat de Alen levende

jongen ter wereld brengen. De onwaarschijnlijkheid van deze meening

springt in het oog, wanneer men bedenkt, dat levendbarende dieren

steeds een betrekkelijk gering aantal jongen ter wereld brengen,

terwijl uit allerlei verschijnselen zeer duidelijk blijkt, dat

de Alen zich buitengewoon sterk vermenigvuldigen. Dikwijls heeft

men Alen gevangen, welker lichaam een meer of minder groot aantal

wormvormige diertjes bevatte, die door onkundigen voor jongen werden

gehouden van het dier, waarin men ze aantrof, maar bij nader onderzoek

ingewandswormen bleken te zijn.

De eierstokken van den Aal werden eerst in 1777 door Mondini ontdekt;

zij vertoonen zich aan weerszijden van de zwemblaas in den vorm van

een tamelijk breeden, vetrijken witten of eenigszins geelachtigen

band, die door zijne plooien aan een dames-manchet herinnert en een

onnoemelijk aantal zeer kleine eieren bevat. In rijperen toestand heeft

men ze bij onze Alen nog niet waargenomen, wel bij de Zee-aal, wiens

voortplanting en ontwikkeling tot voor weinige jaren eveneens volkomen

onbekend was. Herhaaldelijk, vooral aan de Zoölogische Stations te

Napels en te Plymouth, heeft men opgemerkt, dat Zee-alen, die in een

aquarium maanden lang volkomen gezond waren gebleven, vrij plotseling

een eigenaardige verandering ondergingen; hun omvang nam sterk toe;

alsof het lichaam door inwendige gasontwikkeling was uitgezet,

dreven zij op zijde liggend aan de oppervlakte van 't water rond,

gebruikten geen voedsel meer en stierven. In de buikholte van deze

Visschen vond men de kuit of de hom zoo verbazend sterk ontwikkeld, dat

alle overige ingewanden er als 't ware door verdrongen waren. Hieruit

heeft Cunningham afgeleid, dat de Zee-aal slechts éénmaal in zijn

leven paait en kort daarna sterft, een verschijnsel, dat ook wel

bij andere dieren voorkomt. Dat men nooit in zee geslachtsrijpe

Zee-alen gevangen heeft, is licht te verklaren, wanneer men bedenkt,

dat hunne soortgenooten, die in een aquarium den genoemden trap van

ontwikkeling bereikten, geruimen tijd te voren ophielden voedsel te

gebruiken en zich zooveel mogelijk trachtten te verbergen. Visschen,

die niet naar 't lokaas happen, worden niet aan den haak gevangen;

het verblijf in rotsspleten en dergelijke schuilplaatsen vrijwaart

hen tegen het gevaar van in een net te geraken.

De mannelijke geslachtsorganen van den Aal zijn voor 't eerst

waargenomen in 1874 door Syrski, die tevens de onjuistheid aantoonde

van de kort te voren verkondigde meening, dat de Aal "hermaphrodiet"

zou zijn (d. w. z., dat mannelijke en vrouwelijke organen bij

hetzelfde individu zouden voorkomen). Evenals de wijfjes, blijven ook

de mannetjes onrijp, zoo lang zij in 't zoetwater vertoeven. Zooals

reeds lang bekend is, begeven zij zich naar zee; dit geschiedt van

October tot Januari, bij voorkeur bij stormachtig weer en in donkere

nachten. Jacoby vond te Comacchio de maag van alle Alen, die gedurende

het trekken naar zee gevangen werden, volkomen ledig, welk verschijnsel

ook bij andere Visschen gedurende den paaitijd wordt opgemerkt. In zee

worden de Alen geslachtsrijp en paaien zij; dat dit op grooten afstand

van de kust op den diepen zeebodem geschiedt, mag men op grond van een

groot aantal feiten voor zeker houden. In de laatste jaren (en wel

tusschen November en Juni) zijn herhaaldelijk in zee Alen gevangen,

welker geslachtsorganen veel verder ontwikkeld waren, dan bij het

begin van den trek. Ook hadden zij in den tusschentijd een uitwendig

waarneembare verandering ondergaan, een bruiloftskleed verkregen,

dat zich kenmerkt door den zilverachtigen glans van den buik, de

zwarte kleur der borstvinnen en vooral door de grootte der oogen. De

laatstgenoemde eigenaardigheid is zeer merkwaardig, daar groote oogen

een kenmerk zijn van Visschen, die groote diepten bewonen. De bedoelde

exemplaren werden door Grassi gevangen in de nauwe straat van Messina,

waar de watergetijden een sinds overouden tijd befaamde, sterke

strooming teweeg brengen, die allerlei bewoners van de diepte medevoert

naar gemakkelijker voor ons bereikbare waterlagen. Volkomen rijpe Alen

zijn echter niet waargenomen, waardoor het vermoeden bevestigd wordt,

dat deze, door de snelle ontwikkeling der geslachtsproducten uitgeput,

kort na het paaien sterven. De door hen voortgebrachte bevruchte eieren

zijn waarschijnlijk die, welk Raffaeli van Augustus tot Januari aan

de oppervlakte der zee drijvend aangetroffen heeft. Dat de jongen

van den Aal een gedaantewisseling doorloopen, is gebleken uit de

onderzoekingen, die Grassi sinds 1892 deed, met behulp van materiaal,

dat in de straat van Messina verkregen was. Reeds in 1864 had Gill als

larve van den Zee-aal herkend een diertje, dat honderd jaar vroeger

door Morris voor 't eerst werd opgemerkt en daarna onder den naam van

Glasaal (Leptocephalus Morrisii) als een vertegenwoordiger van een

afzonderlijke familie van Visschen was beschouwd. Dit diertje heeft

een doorschijnend, ongeschubd, zijdelings lintvormig samengedrukt

lichaam met kleinen en smallen kop (waaraan het zijn geslachtsnaam

dankt, die "Dunkop" beteekent. De oogen zijn groot, de kaken met

spitse tandjes gewapend; de parige vinnen ontbreken, evenals de

zwemblaas en de geslachtsorganen; het geraamte is kraakbeenig, het

bloed kleurloos; het spijskanaal strekt zich tot aan het laatste

derde deel van het lichaam uit. In het aquarium ontwikkelt zich deze

hoogstens 12 1/2 cM. lange larve in een maand tijds tot een 7 1/2

cM. langen Zee-aal. Grassi heeft van deze en verscheidene andere

Leptocephalen de ontwikkeling nagegaan, o.a. ook van Leptocephalus

brevirostris (zoo genoemd wegens zijn korten snuit), een hoogstens

8 cM. lang diertje, dat als larve van de Aal werd herkend. In een

aquarium ontwikkelden zich deze larven tot jonge aaltjes van 5 à

6 cM. lengte, van gelijken vorm als die, welke tegen het einde van

April, uiterlijk in Mei, de rivieren opzwemmen. Milliarden aaltjes,

hoogstens 9 cM. lang en zoo dik als een penneschacht, begeven zich

stroomopwaarts, zonder zich te laten weerhouden door hinderpalen, die

men voor hen onoverkomelijk zou achten: de waterval van Schaffhausen

belet hen niet het meer van Constanz te bereiken, de Rhône-waterval

verhindert evenmin het voortzetten van den tocht naar alle in dit

stroomgebied gelegen wateren. Volgens Crespon vormen de jonge Alen, die

in den mond van de Rhône doordringen om stroomopwaarts te zwemmen (welk

verschijnsel hier "la montée" genoemd wordt) een aaneengesloten massa,

welker middellijn die van een dikken ton evenaart. In den regel bemerkt

men aan iederen oever zulk een school. Op vele plaatsen worden zij,

naar Karl Vogt bericht, met zeeven en mandjes uit het water geschept en

(meestal met eieren gemengd) als pannekoeken gebakken en gegeten. Dat

op deze wijze en de bezwaren van de reis honderdduizenden het leven

verliezen, brengt geen belangrijke vermindering teweeg van het door

milliarden gevormde leger. "Ik bevond mij," verhaalt Davy, "tegen het

einde van Juli te Ballyshannon in Ierland aan den mond van de rivier,

waarin de waterstand gedurende de vorige maand hoog was geweest. In

de nabijheid van een waterval was het water troebel door millioenen

kleine Alen, die onophoudelijk de natte rotsen langs de oevers van

den waterval trachtten te beklimmen; de vochtige, slijmerige lijken

van de honderdduizenden, die bij deze pogingen om 't leven kwamen,

werden door de overige als een ladder gebruikt, die hun het voortzetten

van de reis gemakkelijker maakte. Ik zag ze zelfs loodrechte rotsen

beklimmen; zij kronkelden zich door het vochtige mos of hielden zich

vast aan de lijken van hen, die bij deze onderneming den dood hadden

gevonden. Hun volharding was zoo groot, dat een verbazend groote

school er in slaagde het Arno-meer te bereiken." In de lagunen van

Comacchio worden van Februari tot April de sluizen geopend, waardoor

de jonge Alen in de door dammen omringde kweekvijvers kunnen geraken,

waaruit zij na een verblijf van 5 of 6 jaar trachten te ontsnappen, om

zich naar zee te begeven, bij welker gelegenheid zij gevangen worden.

Alle groote vischetende dieren maken ijverig jacht op de Alen, maar

hebben dikwijls heel wat met hen te stellen. Een grappig tooneeltje

krijgt men te zien, wanneer men in den waterbak van een hongerigen

gevangen Vischotter eenige dozijnen kleine levende Alen werpt. Het

Roofdier springt in zijn badkuip, haalt er een Aal uit, bijt hem in

den kop, legt hem op de bank, begeeft zich opnieuw te water, pakt

een tweede prooi, keert terug naar zijn vroegere plaats en is niet

weinig verbaasd, dat hij er den vorigen, dood gewaanden buit niet meer

aantreft; deze is reeds sinds lang weer te water gegaan en kronkelt

hierin rond, alsof hem niets deert. Hierdoor uit het veld geslagen,

bijt het vertoornde Roofdier zijn tweede gevangene herhaaldelijk en

gaat vervolgens den eersten achterna; intusschen ontvlucht de tweede

op zijn beurt, en zoo gaat het voort, totdat de Otter het eindelijk

raadzaam acht een paar van de Wormvisschen, die zich maar niet

laten dooden, dadelijk te verslinden. Hem gelukt dit; bij Vogels,

die hun prooi verzwelgen, zonder haar vooraf te verscheuren, komt

er aan het tegenstribbelen ook dan nog geen einde. "De Aal," zegt

Geszner, "wordt door allerlei slag van Vogels verslonden, o.a. door

den Schollevaar. De Visch, die in zijn geheel naar binnen gaat,

kruipt spoedig door de geheele darmbuis heen en komt van achteren

weer uit den Vogel te voorschijn, die den weerspannigen buit terstond

opnieuw inslikt en dit dikwijls tot 9-maal toe moet herhalen, voordat

de Aal door vermoeidheid gedwongen wordt in het lichaam van den

Vogel te blijven en hier sterft." Dit verhaal is volkomen juist; het

geldt echter alleen voor jonge Vogels: oude Reigers en Aalscholvers,

welbekend met de purgeerende eigenschappen van de Alen, pikken hen vóór

het inslikken steeds stuk.--Dat niet slechts de dieren, maar ook de

menschen soms last hebben van het taaie leven van den Aal, ondervindt

iedere huisvrouw, iedere keukenmeid, die deze Visch moet toebereiden.

In Nederland wordt veel werk gemaakt van de Aal- of

Palingvangst. Alleen in de Zuiderzee werd in 1896 bijna 1/4 millioen

KG. Aal gevangen, die ruim 70000 gulden opbracht. In sommige jaren

is de vangst bijna dubbel zoo groot en bedraagt de opbrengst meer

dan 100000 gulden. Ook in de rivieren en andere binnenwateren

is deze visscherij niet onbelangrijk, volledige opgaven hierover

ontbreken. Zeer verschillend vischtuig wordt voor dit doel gebruikt,

o.a. aalfuiken, aalkorven en tjoelen, aalreepen, aaldobbers en

werplijnen; men plaatst voor sluizen raamnetten, in de toevoerkanalen

van watermolens molenzakken en aalkasten, in de benedenrivieren kubben

en korven, waarvoor de ankerkuil het noodige aas moet leveren. Ook in

den ankerkuil zelf wordt Aal gevangen, vooral in October en November,

het meest bij ruw weer en in donkere nachten, bij nieuwe maan dus. Men

vischt dan de zoogenaamde "Drijfpaling"; deze onderscheidt zich door

een witten buik en veelal ook door een scherpen snuit; hij is op weg

naar de in zee gelegen paaiplaatsen, vanwaar hij niet terugkeert.

Tot de merkwaardigste inrichtingen voor de aalvisscherij behooren de

lagunen van Comacchio in de Po-delta, tusschen de Reno en de Penaro

gelegen. Een woest moeras is hier herschapen in een stelsel van goed

onderhouden vischvijvers, die met sluizen, kanalen en "dwaalgangen"

voorzien zijn. Reeds sedert eeuwen bestaat hier een visscherij op

groote schaal; het stadje Comacchio aan de Adriatische zeekust,

dat er het middelpunt van is, wordt bijna uitsluitend bewoond door

palingvisschers of althans door lieden, die direct of indirect

in de aalvangst een bestaan vinden. De levensgeschiedenis van den

Aal is hun beter bekend dan aan hunne beroepsgenooten. Hun geheele

leven draait om dezen Visch, die al hunne gedachten en werkzaamheden

beheerscht. Ten tijde van de "montata", als de jonge Alen zich uit de

zee naar de binnenwateren begeven, komt er leven in dit eigenaardige

gewest. Ouden en jongen geven acht op de scholen van dunne vischjes,

met het doel om ze naar bepaalde fokvijvers te leiden, die reeds

vroeger door het "pooten" van andere vischjes met een voldoende

hoeveelheid voedsel zijn voorzien. De tweede Februari wordt als de

aanvang van de "montata" beschouwd; dit verschijnsel herhaalt zich

(of duurt voort) tot aan het einde van April. Nadat de kanalen,

die toegang tot de vijvers verleenen, afgesloten zijn, bestaat de

voornaamste werkzaamheid van de aalkweekers in het regelen van den

toevoer van 't water, dat gedeeltelijk uit de zee, gedeeltelijk

uit de naburige Po afkomstig is. In Augustus beginnen de Alen, die

reeds 5 of 6 jaar in de vijvers geweest zijn, pogingen te doen om

naar de zee terug te keeren en worden de maatregelen genomen voor

hun vangst. Door de opzettelijk hiervoor bestemde "dwaalgangen"

worden deze Visschen naar bepaalde, kleine goed afgesloten ruimten

geleid, waaruit men ze met geringe moeite opscheppen kan. Een deel

van den buit wordt levend naar de naburige dorpen en steden vervoerd;

een ander deel vóór de verzending gekookt, het overige gezouten of

gerookt. Venetië, Rome, Napels en andere groote steden van Italië

worden bijna uitsluitend van uit Comacchio met Aal voorzien. Deze

visscherij levert zeer aanzienlijke voordeelen op.

De Aal is een van onze beste zoetwatervisschen en daarom zeer

gezocht. Versch, gerookt of ingemaakt, vormt hij een belangrijk

handelsartikel voor vele kuststreken. Wegens hun stevigheid en

duurzaamheid worden de aalvellen veelvuldig gebruikt als "worgels"

(zoo noemt men den band, waardoor de "klop" aan den stok van den

dorschvlegel verbonden is).

De Zee-alen (Conger) gelijken over 't geheel genomen veel op de Alen;

zij verschillen er van door de grootere lengte van de rugvin, die

zich bijna over de geheele bovenzijde uitstrekt en waarvan het voorste

uiteinde boven of weinig achter den wortel der borstvinnen gelegen is;

bovendien bestaat bij hen een andere verhouding tusschen bovenkaak

en onderkaak: gene steekt voorbij deze uit; beide zijn, behalve met

kleine tanden, ook met een reeks van groote tanden gewapend; de gladde,

slijmerige huid bevat geen schubben.

De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht, de Zee-aal

of Zee-paling (Conger conger, Conger vulgaris), wordt ook bij de

Europeesche kusten aangetroffen; hij kan een lengte van meer dan

3 M. bereiken en meer dan 50 KG. zwaar worden. Aan onze kust komt

hij zeer zelden voor; toch zijn hier eenige malen exemplaren van

aanzienlijke grootte gevangen: in 808 en 1520 bij Stavoren, in 1084

bij Ameland, in het voormalige Haarlemmermeer, in de Zeeuwsche

stroomen, aan de Groningsche kust. De laatste vangst, waarvan

melding wordt gemaakt, had plaats op 1 Mei 1816 op de buitenslikken

bij Roxenisse. Dit exemplaar was 1.83 M. lang, 14 à 16 cM. dik en

ongeveer 27 KG. zwaar. Ook verderop in de Noordzee is de Zee-aal

zeldzaam. De effen grijsbruine kleur van de bovendeelen wordt op de

zijden lichter en gaat op den buik in vuil wit over. De rugvin en

de aarsvin zijn witachtig met zwartachtigen zoom; door haar lichtere

kleur komt de zijdestreep goed uit.

Naar het schijnt, is de Zee-aal bijna rondom de geheele wereld in alle

zeeën van de gematigde en tropische aardgordels verbreid. Bij Europa,

doch ook bij St. Helena, rondom Tasmanië en ook langs de kusten van

Japan wordt hij in grooten getale gevangen. Hij houdt van rotsachtige

kusten, zoekt althans aan vlakke kusten rotsachtige gronden op,

verbergt zich hier in holen en kloven van het gesteente en zoekt op

zandgrond een schuilplaats in de door hen zelf gegraven gangen. Evenals

andere roofvisschen, spaart dit buitengewoon vraatzuchtige dier de

zwakkere leden van zijn eigen soort niet: uit de maag van een exemplaar

van 12 KG. gewicht haalde Yarrel drie Schollen en een jongen Zee-aal

van 1 M. lengte. De kracht van zijne kaken is zoo groot, dat hij

Mossels zonder moeite verbrijzelt. Niet zelden onderzoekt deze roover

de korven, die voor de vangst van Zeekreeften bestemd zijn en maakt

zich van den inhoud meester, voor welk bedrijf hij met zijn vrijheid

en leven moet boeten. De mannetjes en wijfjes vertoonen, althans

gedurende den paaitijd, een duidelijk waarneembaar verschil. Het

kuitschieten heeft plaats in December of Januari. Jongen ter lengte van

een mansvinger merkt men gedurende den zomer bij rotsachtige kusten

op. Zooals reeds gezegd is doorloopt dit dier een larvetoestand; het

wordt op dezen trap van ontwikkeling Glasaal (Leptocephalus Morrisii),

genoemd wegens zijn doorzichtigheid; men kan de letters van een boek

door zijn lichaam heen, duidelijk lezen.

Hoewel het vleesch van den Zee-aal niet bijzonder hoog geschat wordt,

maakt men veel werk van de vangst van dezen Visch, daar hij aan velen

een goedkoop voedsel verschaft.

Zelfs in een kleinen bak geraakt de Zee-aal in korten tijd aan

de gevangenschap gewoon, kiest een geschikten schuilhoek tot

verblijfplaats uit en brengt hier den dag in trage rust door, terwijl

hij gedurende den nacht bijna onophoudelijk in beweging is. Zijn nooit

geheel bevredigd verlangen naar voedsel geeft aanleiding tot een

vriendschappelijke verhouding tusschen hem en zijn verzorger, wien

hij de hem voorgehouden spijs ten slotte zonder vrees te toonen uit

de hand neemt. Bij rijkelijke voeding groeit hij buitengewoon sterk.

Hoogen prijs stelden de Oude Romeinen op het vleesch van de Murene

(Muraena helena). Om deze Aalvisschen steeds in voldoende hoeveelheid

voor hunne gastmalen beschikbaar te hebben, hielden zij ze in

met zeewater gevulde vijvers. Volgens Plinius was Hirius de eerste

eigenaar van een Murenen-vijver, die zoo goed voorzien was met deze

kostbare vischsoort, dat hij bij een feest ter eere van Caesar's

triumftocht aan zijne vrienden 6000 stuks kon voorzetten. Volgens een

ander bericht begingen sommige Romeinen bij het vetmesten van hunne

Murenen afschuwelijke wreedheden. Vidius Pollio n.l. meende te weten,

dat menschenvleesch het beste voedsel voor deze Visschen is en offerde

aan dit bijgeloof verscheidene van zijne slaven op, d. w. z. hij

bestrafte hunne misdrijven met den dood in den Murenenvijver.

De Murene onderscheidt zich van zijne verwanten door het ontbreken

van de borstvinnen. Haar plomp gebouwd lichaam is van rug-, aars-

en staartvin voorzien; de kieuwspleten zijn zeer klein, de tanden

lang en spits, in boven- en onderkaak op een reeks geplaatst; de

huid is ongeschubd. Het voorste deel van den romp heeft een fraaie,

levendig gele grondkleur, die op het achterste deel bruinachtig wordt;

de teekening bestaat uit bruine, gemarmerde vlekken, die door een

donkeren zoom omgeven en van elkander gescheiden zijn. De Murene

kan, naar men zegt, 1,5 M. lang en 6 KG. zwaar worden. Zij bewoont

de Middellandsche zee, het zuidelijke deel van den Atlantischen

Oceaan en den Indischen Oceaan; ook vindt men haar langs de kusten

van Australië. Soms dwaalt zij tot bij de kusten van Groot-Brittannië

af. Zij houdt zich op in diep water en verschijnt in 't voorjaar bij

de kust om kuit te schieten. Schaaldieren en Inktvisschen maken haar

voornaamste voedsel uit. Zij is, naar men zegt, zoo vraatzuchtig, dat

zij bij gemis aan een voldoende hoeveelheid voedsel hare soortgenooten

den staart afbijt. De gevangen exemplaren verdedigen zich vol woede

en brengen onervaren visschers gevaarlijke wonden toe. Men vangt ze

met den hengel en in korven. Haar vleesch wordt ook thans nog als

hoogst smakelijk beschouwd.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 10 / 18 题