De Zalm heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij houdt

zich langer in het zoetwater op dan in de zee, brengt in de rivieren

den eersten tijd van zijn leven door en begeeft zich vervolgens

ieder jaar uit de zee naar een rivier, die hij zoo ver mogelijk

opzwemt. Men vindt hem in de zeeën van den kouden en een deel van

den gematigden aardgordel van het geheele noordelijke halfrond. In

het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem bij

Amerika nog iets zuidelijker dan de kust van New-York, bij Europa

tot aan de noordkust van Spanje. Voorts bewoont hij de Noordzee en de

Oostzee. In de Middellandsche Zee en de hierin uitmondende stroomen

komt hij niet voor, evenmin in de Kaspische Zee en de Zwarte Zee. De

Europeesche rivieren bezoekt hij tot op 43, de Amerikaansche tot op

41° N.B. Gedurende het grootste deel van den winter en het begin

van het voorjaar ontmoet men hem aan onze kusten; in den overigen

tijd tot laat in het najaar is hij meer of minder talrijk in onze

rivieren. In Duitschland bezoekt hij hoofdzakelijk den Rijn en zijne

bijrivieren, den Oder en den Weichsel, maar ook den Wezer en de

Elbe. Bij het trekken verschijnt hij in alle belangrijke bijrivieren

van de genoemde stroomen, tenzij versperringen of watervallen hem

hier den weg afsnijden. Veelvuldiger dan in Duitschland treft men

hem aan in de rivieren van Groot-Brittannië, Rusland, Skandinavië,

IJsland, Groenland en Noord-Amerika, zeldzamer in die van het westen

van Frankrijk en het noorden van Spanje. In Groot-Brittannië, waar

de Zalmen vroeger zoo overvloedig waren, dat aan hun vleesch weinig

waarde werd gehecht, is hun aantal door de onophoudelijke vervolging

zoozeer verminderd, dat er zelfs voor de toekomst van de belangrijke

visscherijen in de Schotsche rivieren (de Tay, de Tweed, de Spey en

de Esk) reden van bezorgdheid bestaat en men strenge bepalingen tot

beperking van de zalmvangst noodig heeft geacht. In Skandinavië,

zoowel als op IJsland en Groenland is de Zalm ook thans nog een

van de algemeenste riviervisschen. In Frankrijk bezoekt hij alle

rivieren en stroomen, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. In

Spanje treft men hem nog veelvuldig aan in alle wateren die zich in

de Golf van Biscaye storten; hij ontbreekt echter in de rivieren,

die door Portugal zich naar de zee begeven, of wordt er slechts door

enkele exemplaren vertegenwoordigd.

Van de levenswijze der Zalmen gedurende hun verblijf in de zee

kan nog niets met volkomen zekerheid gezegd worden, hoeveel moeite

men zich ook heeft gegeven om met de zeden en gewoonten van dezen

allerbelangrijksten zoetwatervisch goed bekend te worden. In de

duizenden "trawls" en andere vischnetten, die voortdurend de Noordzee

doorkruisen, den zeebodem als 't ware doorploegend, wordt nooit een

Zalm gevonden. Het is echter zoo goed als zeker, dat deze Visch zich

nooit ver verwijdert van de rivier, in welks bovenloop hij het eerste

levenslicht aanschouwde, althans volstrekt niet, zooals men vroeger

meende, reizen naar de noordpool onderneemt; hoogstens begeeft hij zich

van den mond der rivier naar de naastbij gelegene, diepe gedeelten der

zee en mest zich hier vet, neemt in gewicht toe op een wijze, waarvan

zelfs onder de Visschen geen tweede voorbeeld bekend is. Volgens de

berichten van Zweedsche onderzoekers houdt hij zich gedurende zijn

verblijf in de zee bezig met de vangst van allerlei Schaaldieren en

verschillende soorten van Visschen; vermoedelijk komen dan ook nog

wel andere gerechten op zijn spijskaart voor. Geheel anders gedraagt

hij zich in het zoetwater, waar men hem iets beter heeft kunnen

nagaan. Over 't algemeen verschilt het leven, dat hij hier leidt,

weinig van dat zijner verwanten, althans van dat der beide groote

soorten van Forellen, waarmede hij ook in lichamelijk opzicht veel

overeenkomst vertoont.

In alle maanden van 't jaar komen Zalmen uit de zee onze rivieren

binnenvallen om stroomopwaarts te zwemmen; in den zomer is hun aantal

echter grooter dan in eenig ander seizoen. Zij naderen bij troepen

van 30 of 40 stuks de kust en den mond der rivier: als 't ware

om aan 't zoetwater te gewennen, vertoeven zij hier eenigen tijd,

bij vloed den stroom opzwemmend en bij eb naar zee terugkeerend,

totdat eindelijk de reis voor goed een aanvang neemt. Naar men

beweert, bevordert een aanlandige wind (een zoogenaamde "zalmwind")

den overgang uit de zee in de rivier; ook schrijft men aan de

weersgesteldheid en aan het verschil in temperatuur van het zeewater

en van het rivierwater een vertragenden invloed toe op den aanvang

van den tocht. De Zalmen, die sinds kort de zee verlieten en de

stroomopwaarts reizende exemplaren in 't algemeen zijn met tamelijk

groote zekerheid kenbaar aan hun zilverwitte kleur en aan de niet zeer

stevige vasthechting der schubben aan de huid. De reizigers schikken

zich bij 't zwemmen in een bepaalde orde, vormen twee reeksen, die

van voren onder een scherpen hoek ineenvloeien; een oude, krachtige

Visch treedt als aanvoerder op en wordt door de overige leden van

het gezelschap op meer of minder grooten afstand gevolgd. Naar den

aard van de Zalmen, die bij ons binnenvallen, onderscheidt men in

het jaar twee perioden. In het eerste, dat van November tot Mei

duurt, houden onze zalmvisschers zich met de vangst van de meer

dan 10 KG. zware "Winterzalmen" bezig; bij hen is de ontwikkeling

der voorttelingsorganen nog niet ver voortgeschreden, des te verder

echter naarmate het opzwemmen van de rivier later plaats vindt. De

zoogenaamde "Kleine Zomerzalmen" zijn hoogstens 7 1/2 KG. zwaar. Zij

beginnen soms reeds in den aanvang, soms eerst in 't einde van Mei ons

voorbij te trekken. Met de laatste Winterzalmen komen zij overeen,

wat het ontwikkelingsstadium van de hom en de kuit betreft; ook zij

zijn des te rijper, naarmate zij later de zee verlaten. In den regel

hebben onder hen aanvankelijk de hommers de overhand. Gemiddeld tegen

het einde van Juni komen met de Kleine Zomerzalmen nog kleinere,

2 KG. zware Zalmpjes de rivier opzwemmen. Niet slechts het aantal,

maar ook de zwaarte van de later verschijnende exemplaren wordt

al grooter en grooter; de laatsten hebben een gewicht van ongeveer

3 1/2 KG. Zij zijn gewoonlijk het talrijkst omstreeks St. Jacobus

(25 Juli) en heeten daarom "Jacobzalmen" of "Jacobjes". Verreweg

de meeste zijn van 't mannelijke geslacht; ook bij hen verkeeren de

voortplantingsorganen op een des te hoogeren trap van ontwikkeling

naarmate het seizoen verder gevorderd is. De "Groote Zomerzalmen",

die reeds in zee nagenoeg geslachtsrijp geworden zijn en gemiddeld

in den loop van Juni (soms reeds in Mei, soms eerst in Juli) in

gezelschap van hunne kleinere soortgenooten naar boven reizen,

zijn meer dan 10 KG. zwaar. In den herfst vermindert allengs het

aantal Zomerzalmen, hoewel het een enkele maal voorkomt, dat er in

ons vischwater nog laat in 't jaar, zelfs in 't begin van December,

exemplaren met rijpe of nagenoeg rijpe eieren gevangen worden. Voor

het grootste deel bereiken onze Rijnzalmen het einddoel van hun tocht

niet op den hoofdstroom, maar in zijne zijrivieren, deels in die van

den bovenloop, deels in die van den middelloop; de Ruhr, de Sieg,

de zijrivieren van den Moezel (o. a. in den Sauer), den Dreisam,

enz. Hier wijden zij zich aan de zorgen voor de nakomelingschap.

De trekkende Zalmen geven zich alle mogelijke moeite om de bezwaren

van de reis, de van nature bestaande of door den mensch hun in den weg

gelegde beletselen en gevaren te boven te komen: onder de netten door

of er langs te zwemmen, of ze te verscheuren, over stroomversnellingen,

watervallen en versperringen heen te springen. Bewonderenswaardig

zijn de kracht, behendigheid en volharding, die zij hierbij ten

toon spreiden. Met groote inspanning dringen zij door tot de plaats

onder den waterval, waar de stroom het sterkst is, oefenen een

zeer krachtige drukking met de staartvin op het water uit, waarbij

zij soms een steen als steunpunt gebruiken, verheffen zich tot een

hoogte van 2 of 3 M. boven den waterspiegel onder het beschrijven

van een boog van 4 à 6 M. spanwijdte. Door het missen van hun doel

niet afgeschrikt, herhalen zij hunne pogingen, totdat zij slagen,

of totdat hun hardnekkig volhouden hun het leven kost, hetgeen

dikwijls geschiedt, o.a. als zij, na een vergeefsche poging om over

de kunstmatige versperring te springen, die de eigenaar van een

"zalmsteek" in de rivier heeft aangebracht, bij het zoeken van een

beter overgangspunt in de daarnaast voorkomende, voor de Zalmvangst

bestemde fuiken geraken,--of als zij, na een ongelukkigen sprong

over een waterval op de kale rotsen neerstortend, verpletterd

worden. Loodrecht oprijzende rotsmassa's van aanzienlijke hoogte

vormen natuurlijk een onoverkomelijk beletsel voor het verder opwaarts

zwemmen; de door kleinere steenklompen veroorzaakte watervallen worden

echter geregeld overschreden; de plaatsen waar dit geschiedt, heeten

"zalmsprongen". Om de Zalmen tot den overgang van watervallen en van de

zoogenaamde "stuwen" der gekanaliseerde rivieren (b.v. van de Belgische

en Fransche Maas) in staat te stellen, heeft men velerwege zoogenaamde

"vischtrappen" of "vischpassen" aangebracht. In de wanden van den

natuurlijken of door menschenhanden gevormden watergeul worden nl.,

afwisselend ter linker- en ter rechterzijde, houten of ijzeren lijsten

stevig in de rots bevestigd; deze op treden van een trap gelijkende

uitsteeksels breken de kracht van het naar beneden stortende water

en kunnen tot tijdelijke rustplaatsen voor de opspringende Visschen

dienen. Nadat zij de meren doorgezwommen zijn, die zich op den weg van

den stroom bevinden, bereiken de Zalmen de hierin uitmondende wateren

en eindelijk het bronnengebied. Zij reizen op hun gemak en langzaam,

hoewel zij zeer snel zwemmen kunnen. Het duurt daarom geruimen tijd,

voordat zij in den bovenloop van den stroom aankomen; die, welke

b.v. reeds in April in den Rijn doordringen, verschijnen eerst in

Mei bij Bazel en zelden vóór het einde van Augustus in de kleinere

Zwitsersche bijrivieren. Zeer geregeld bezoeken eenige scholen den

Limmat, komen zoo in het Zuricher meer, dat zij doorzwemmen om in

de Linth over te gaan, het Wallenmeer over te steken en in de Seetz

den weg naar boven te vervolgen. Andere scholen begeven zich in de

Reusz en de Aar, zwemmen door het Vierwaldstädter en het Thuner meer

en gaan verder stroomopwaarts, hoewel de genoemde rivieren in dit

deel van haar loop tallooze watervallen en draaikolken hebben. In

het stroomgebied van den Wezer eindigt de tocht van de Zalmen eerst

in de Fulda en de Werra en hare zijrivieren. Ook in het stroomgebied

van de Elbe stijgen zij zeer ver omhoog, aan den eenen kant tot in

de nabijheid van het Fichtelgebergte, aan den anderen tot in de

Moldau en hare bijrivieren. Evenzoo zwemmen zij de stroomen op,

die zich in de Oostzee storten; vooral de Memel wordt door een

groot aantal Zalmen bezocht. Nieuw opgerichte versperringen zonder

"vischpassen" kunnen een groote verandering in den bestaanden toestand

teweegbrengen; dit is o.a. gebleken bij het kanaliseeren van de Maas

op Belgisch en Fransch grondgebied met behulp van "stuwen"; hierdoor

hebben de Zalmen, die vroeger in vrij grooten getale in dit deel der

rivier doordrongen, zich genoodzaakt gezien een ander paaigebied te

kiezen; de vischpassen, die men in dergelijke versperringen aanbrengt,

worden dikwijls niet dadelijk, misschien wel het eerst door Visschen,

die daarlangs stroomafwaarts gaan (en afkomstig zijn van hoogerop

"gepoote" jongen), in gebruik genomen.

Bij 't naderen van den paartijd ondergaan de Zalmen ook uitwendig

duidelijk waarneembare veranderingen: hun bruiloftskleed onderscheidt

zich door een donkerder kleur en dikwijls ook door roode vlekken op de

zijden van den romp en op de kieuwdeksels. Om kuit te schieten, begeeft

het wijfje zich in gezelschap van verscheidene mannetjes, waarbij één

volwassen exemplaar, naar een stille, ondiepe plek en graaft hier met

den staart in den uit zand of steentjes bestaanden bodem een breede,

doch niet diepe groeve. Dit geschiedt in verschillende tijden van

't jaar: sommige doen het reeds in Juli; de meeste echter eerst in de

maanden October tot Februari (vooral echter in November en in de eerste

helft van December). De oranjeroode eieren hebben de grootte van een

erwt; zij worden niet alle te gelijk, maar met tusschenpoozen gelegd

en telkens na de bevruchting met een laagje zand bedekt. Volgens

sommigen is het kuitschieten in 3 of 4 dagen afgeloopen; volgens

anderen zijn er 8 à 10 dagen mede gemoeid. Het aantal eieren wordt

geschat op 2000 à 4000 per KG. van het totaal gewicht van den kuiter.

De duur van den kiemtoestand is tot op zekere hoogte afhankelijk van

de temperatuur van het omgevende water; de in November gelegde eieren

ontwikkelen zich althans iets sneller dan die, welke in Januari

bevrucht worden. In den regel komen de jongen eerst na 4 maanden

uit. Zij zijn dan ongeveer 1 cM. lang; de kop en de oogen hebben een

aanzienlijke grootte; de dooierzak heeft een grooten omvang. Totdat

deze voorraad verbruikt is, blijven zij zonder andere beweging dan

van de borstvinnen op de broedplaats liggen. Na 6 weken zijn zij

genoodzaakt zelf voedsel te gaan zoeken; zij verkeeren nu in het

zoogenaamde Forellen- of Parr-stadium; op het kieuwdeksel bevinden zich

2 (soms 3) duidelijke zwarte vlekken. De romp heeft een lichtbruine

kleur en is op de zijden geteekend met 9 of 10 eenigszins schuins

van boven en achteren naar onderen en voren gerichte dwarsreeksen

van donkergrijze vlekken, waartusschen roode stipjes voorkomen. Men

ziet deze zalmpjes veel op diepe plaatsen in beken van het gebergte,

het meest daar, waar het water helder is en waar de over den bodem

verspreide steenen een rijke verscheidenheid van schuilplaatsen

aanbieden. Verbazend vlug weten zij zich te verbergen; gaat men in

de beek staan en licht men voorzichtig een steen op, dan vindt men

er talrijke exemplaren onder verborgen. Gaarne "staan" zij in 't

stroomend water met den kop naar den stroom gekeerd; vóór zij zich

verplaatsen, wachten zij steeds op hoog water. Gedurende den eersten

zomer kan de Parr, naar men bij gevangen exemplaren heeft opgemerkt,

een lengte van hoogstens 10 cM. bereiken. De jonge Zalmen blijven in 't

geheel minstens één jaar op hun geboorteplaats en zijn dan (d.w.z. 16

maanden nadat zij als ei het lichaam van de moeder verlieten) ongeveer

40 cM. lang. Omstreeks dezen tijd wordt het parr-kleed vervangen door

het zoogenaamde smolt-kleed (gekenmerkt door zilverwitte kleur zonder

dwarsbanden of roode stippen; de borstvinnen zijn geheel, de rugvin

en de staartvin gedeeltelijk zwart) en openbaart zich bij hen de lust

tot trekken. De meeste Smolts begeven zich op éénjarigen leeftijd naar

zee. Langzaam zwemmen zij den stroom af en blijven daarna nog weken

lang in den mond der rivier, voordat zij zich in het zoutwater begeven:

een te snelle overgang schijnt voor hen gevaarlijk te zijn. Volstrekt

noodig is het tijdelijk verblijf in de zee voor de Zalmen niet,

ofschoon het hun een groot voordeel verschaft. Ongetwijfeld vinden

zij hier een buitengewoon grooten overvloed van voedsel, daar hun

lengte en gewicht in zeer korten tijd merkwaardig snel toenemen. Dit is

gebleken door jonge Zalmen, na ze gemerkt te hebben (b.v. met een ring

aan een der vinnen of door het afsnijden van de vetvin), de vrijheid

te hergeven; die, welke na hun terugkomst uit zee op nieuw gevangen

werden, waren in den tusschentijd 2 à 7 KG. zwaarder geworden, hoewel

de meeste niet langer dan 8 weken afwezig waren geweest.

Naar het schijnt, begeven niet alle éénjarige Zalmen zich naar

zee; sommige Smolts blijven nog een jaar langer in het zoetwater

en zwemmen dan--met die van de volgende voortplantingsperiode (of

iets vroeger)--in 't voorjaar de rivier af. De eerstbedoelde komen

na een tweejarig verblijf in de zee als Groote Zomerzalmen in het

zoetwater terug; de laatstbedoelde blijven slechts één jaar in de

zee en begeven zich dan als Kleine Zomerzalmen stroomopwaarts. De

jongen uit de eieren, die in 't laatst van den paartijd (in Januari)

gelegd worden, zijn bij het vertrek van de overige Smolts, in Maart of

April van 't volgende jaar, nog niet bestand tegen de vermoeienissen

van de reis; zij trekken eerst in 't najaar naar zee en komen op

ruim tweejarigen leeftijd, na een verblijf van ruim 8 maanden in het

zoutwater, in Juli of Augustus als Jakobjes in de rivier terug. Bij

't opstijgen in 't volgende jaar zijn zij Zomerzalmen geworden. Dit

is althans de aannemelijkste verklaring, die men van het bestaan van

de genoemde drieërlei vormen kan geven [6].

Tal van gevaren bedreigen de Zalmen gedurende alle tijdperken van hun

leven. Geheel weerloos zijn de eieren en de vischjes, die nog een

dooierblaas bezitten. De Forellen en de Zalmen, die reeds gepaaid

hebben, verslinden er een menigte van; andere gaan door ijsgang,

droogte enz. te gronde. De Parrs, hoe goed zij zich ook verbergen

kunnen, worden voor een groot deel de prooi van allerlei visschenetende

dieren. Niet minder groot zijn de bezwaren, die de Smolts bij hun

reis naar zee te overwinnen hebben en die aan vele dezer vischjes

het leven kosten, hoeveel haast zij ook maken om het einddoel van hun

reis te bereiken. Hun vlugge beweging kan niet verhoeden, dat vóór hun

aankomst in zee onder hen een groote slachting wordt aangericht door

verschillende roofvisschen, dezelfde als die, welke op onze andere

riviervisschen jacht maken. Vooral geldt dit van den Snoek, eenigszins

misschien ook van den Snoekbaars, welke in Oder en Weichsel thuis

behoorende, zeer goed smakende en niet trekkende Visch eenige jaren

geleden in den Rijn gepoot werd, een proefneming, die later gestaakt

is, op grond van het gevaar, dat men er voor de Zalmen van duchtte. Het

zal misschien zelden voorkomen, dat meer dan 10 van de 100 gelegde

Zalmeieren zich tot Visschen van behoorlijke grootte ontwikkelen. De

ergste vijand van den Zalm is natuurlijk de mensch. Verreweg de

meeste visschers kunnen er maar niet toe komen om te rechter tijd

hun bedrijf te staken, dat in de rivieren van bergstreken juist

gedurende den voortplantingstijd het grootste voordeel oplevert. De

kuitschietende wijfjes, die zich zonder moeite uit het water laten

lichten, worden soms niet eens gespaard. In Groot-Brittannië hebben de

groote grondeigenaars zich beijverd een overeenkomst te treffen om de

Zalmen gedurende den daar wettelijk vastgestelden gesloten tijd (1o

September tot 1o Januari) een degelijker bescherming te verschaffen,

dan de bestaande wetten hen konden verleenen; algemeen is men daar

echter tot de overtuiging gekomen, dat een volslagen staking van de

zalmvisscherij gedurende vijf opeenvolgende jaren noodig zou zijn

om de rivieren weder op een behoorlijke wijze te bevolken. Zulk een

maatregel zou echter nagenoeg onuitvoerbaar zijn, o. a. ook, omdat

verscheidene van de belanghebbenden een zeer groot deel van hunne

inkomsten aan de zalmvisscherij ontleenen; enkelen zouden hierdoor

niet minder dan 20000 pond sterling per jaar schade lijden.

De Zalm wordt te recht als een van de voortreffelijkste inheemsche

Visschen beschouwd, hoewel hij minder hoog geschat wordt dan de

Meerforel en de Zalmforel, die op hun beurt achterstaan bij de

Rivierforel, de Houting en den Vlagzalm, terwijl over 't algemeen

aan de Roode Forel de eerste rang wordt toegekend. Het vleesch van

de Zalmen, die de rivier opzwemmen, is roodachtig van kleur en vet,

dat der naar zee terugkeerende exemplaren heeft een witte kleur en

een geringe waarde; door sommige wordt het zelfs voor de gezondheid

schadelijk genoemd.

De Zalm was vroeger (met de Elft en de Steur) te Dordrecht, Gorkum,

Schoonhoven en andere plaatsen waar de riviervisscherij op groote

schaal werd uitgeoefend, bekend onder den naam van "Roode Visch". Als

een bewijs, dat deze Visch in het midden van de vorige eeuw op

de genoemde plaatsen veelvuldig en laag in prijs was, wordt vaak

aangehaald een mededeeling voorkomende in Beverwijck's "Beschrijving

van Dordrecht", volgens welke dienstboden destijds, als zij zich

verhuurden, het beding maakten, dat haar niet meer dan tweemaal per

week "Roode Visch" zou worden voorgezet. Betrouwbare opgaven omtrent

de zalmvangst in vroegeren tijd ontbreken echter ten eenenmale. "Voor

de zalm-statistiek", schrijft Dr. Hoek, "duurt de vóórhistorische tijd

ongeveer tot het jaar 1870. Gaan wij verder terug, dan komen wij in

den tijd der mythen, den tijd der legendarische dienstmeid, die zich

niet alleen in Dordrecht en Gorkum, maar ook in Keulen, in Danzig

en andere plaatsen van Duitschland verhuurde op voor den zalmvangst

van dien tijd--niet voor de zalmprijzen van die dagen--zoo gunstig

getuigende voorwaarden." Sedert 1870 is dit echter anders geworden;

er wordt nauwkeurig aanteekening gehouden van de ter markt aangevoerde

Visschen. Verreweg de voornaamste markt voor Zalm en andere Zalmachtige

Visschen is en blijft het Kralingsche Veer. Deze markt geeft een trouw

beeld van de zalmvangsten op onze beneden-rivieren. Bovendien worden

echter ook op andere plaatsen, met name te Ammerstol, Dordrecht,

Gorinchem, Hardinxveld en Woudrichem, een niet onbeteekenende

hoeveelheid van de bedoelde Visschen aangebracht, waarbij echter niet

uit het oog moet worden verloren, dat er onder de op bovengenoemde

plaatsen aangevoerde Zalmen een aantal zijn, die op het Kralingsche

Veer andermaal verkocht worden; hoe groot dit aantal is kan niet worden

nagegaan. "Gedurende de jaren 1883-1888," schrijft Dr. Hoek, "werden

aan de genoemde markt 511934 Zalmen afgeslagen, gemiddeld per jaar

dus (gedurende deze 6 jaren) meer dan 85000. Dat waren buitengewoon

gunstige jaren, zooals aanstonds blijkt, wanneer wij het gemiddelde

berekenen van het aantal dat in de jaren 1870-1896 aan die markt is

aangevoerd: dit gemiddelde bedraagt ruim 56000 stuks. Het gemiddelde

aantal werd slechts gedurende 11 jaar door den aanvoer overtroffen,

was gedurende 3 jaren er aan gelijk en bleef gedurende 13 jaar er

beneden." Van de laatste jaren leverde 1893 het grootste aantal

Zalmen (ruim 75000); dit bleef echter nog aanmerkelijk beneden het

voordeeligste van de laatste 27 jaren, n.l. 1885, met een aanvoer van

ruim 104000 Zalmen. In 1896 was de aanvoer te Kralingen 48264 stuks,

gezamenlijk wegende 359877 KG., te weten: 25991 Kleine Zomerzalmen,

12029 Winterzalmen, 4739 Groote Zomerzalmen en 5505 St. Jakobszalmen

en Hengsten. De grootste aanvoeren hadden plaats in Juni en Juli. De

hoogste prijs per 1/2 KG. bedroeg f4. Te Ammerstol bedroeg in 1896

de aanvoer van Zalmen 3845, te Dordrecht 1204, te Gorinchem 1588,

te Hardinxveld 1885, te Woudrichem 470 stuks.

Voor de zalmvangst dienen bij ons vooral drijfnetten (die niet

dieper mogen zijn dan 2 1/2 M.), treknetten of zegens (handzegens

en zalmzegens met vaste spil) en zalmsteeken, in andere landen ook

eigenaardige vallen. Soms zijn deze van een schel voorzien, die de

vangst van een Visch aankondigt; vaak worden zij aangebracht aan

de stroomopwaartsche zijde van een versperring en geraakt de Visch

er in bij zijne pogingen om over de versperring heen te springen;

de val moet dan zóó ingericht zijn, dat de Visch er krom in komt

te liggen, wijl hij dan bij het opspringen niet zooveel kracht kan

ontwikkelen. Elders wordt de Zalm des nachts gestoken met een speer,

waaraan verscheidene spitsen voorkomen, na eerst gelokt te zijn door

het op de visschersboot brandende vuur. In alle gevallen is trouwens

de nacht de geschiktste tijd om deze Visschen te verschalken; over dag

weten zij dikwijls het gevaar te vermijden en onder de netten door

of er bij langs te zwemmen; bij helderen zonneschijn is de vangst

gewoonlijk gering. De bepaling van het Kon. Besl. van 10 Oct. 1871,

waarbij gedurende 6 uren van iederen nacht de vangst verboden is,

redt dan ook aan vele Zalmen het leven. Bovendien strekt tot het

tegengaan van het doodvisschen van het vischwater, de sluiting van

de zalmvisscherij met de zegen gedurende 2 1/2 maand in ieder jaar,

n.l. van half Augustus tot half October en van Zaterdagavond 6 uur tot

Zondagavond 6 uur. Van niet minder belang is het weren van sommige

vischtuigen. Terecht staat b.v. de kleine vischzegen onder den naam

van "moordzegen" bekend, daar de mazen van dit net zoo eng zijn, dat

men er zelfs de kleinste vischjes mede vangt. Dat ook in de ankerkuil

menige naar zee terugkeerende Smolt het leven verliest, blijkt uit

het door Dr. Hoek in 1896 uitgebracht "Rapport." Zeer nadeelig is

voorts voor het vischwater de schutwantvisscherij: Een bij eb geheel

of gedeeltelijk droogvallend terrein wordt door een aaneenschakeling

van netten bij hoog water afgezet, zoodat de Visch, die hier met den

vloed gekomen is, niet weg kan en op het droge achterblijft of zich

verzamelt in de met water gevuld blijvende kuilen, waaruit men ze met

de handzegen opschept. De verkoopbare vischjes worden bijeengezocht,

de overige (dus verreweg de meeste) blijven liggen en sterven, voordat

het reddende vloedtij aangebroken is.--De meeningen zijn nog verdeeld

over de vraag, in hoeverre de ontvolking van het zalmvischwater kan

worden tegengegaan door het loslaten van door kunstmatige vischteelt

verkregen éénjarige Zalmen in den bovenloop der rivieren. Dat dit niet

in haar benedenloop moet geschieden en dat jongere vischjes voor dit

doel ongeschikt zijn, heeft de ervaring vrij duidelijk aangetoond.

Meerforel (Salmo lacustris) noemt men een Zalmvisch, die zich nooit

naar de zee begeeft, maar alle groote en diepe meren der Alpen en

Vooralpen tot op 1500 M. hoogte bewoont en de hierin uitmondende

rivieren opzwemt. De romp van het geslachtsrijpe dier is bijna

cilindervormig; de snuit kort en stomp; de voorste plaat van het

ploegschaarbeen is kort, driehoekig en met 3 of 4 tanden op den

dwarsgerichten achterrand bezet; de zeer lange steel van dit been is

aan zijn ondiep uitgeholde benedenvlakte van een hooge, tandendragende,

overlangsche lijst voorzien; de hierop voorkomende tanden zijn zeer

dik: de voorste staan meestal op één rij, de achterste meestal op 2

rijen. De groengrijze of blauwgrijze rug en de zilverglanzige zijden

zijn meer of minder sterk gevlekt; de vlekken zijn rond of hoekig en

zwart van kleur; soms hebben zij een uitvloeienden, oranjegelen rand;

de onderdeelen zijn zilverwit. De rugvin en de staartvin zijn grijs of

nog donkerder; gene is steeds (en duidelijk) met vele zwarte vlekken

geteekend; deze is effen, soms echter van enkele uitvloeiende stippels

voorzien. De overige vinnen zijn lichter van kleur. Exemplaren van

12 à 15 KG. (80 cM. lang) zijn niet zeldzaam; soms bereiken zij een

lengte van 1 M. en een gewicht van 25 à 30 KG. Naar het schijnt,

komt dezelfde soort in de grootste en diepste meren van Schotland

voor; ook rekent men hiertoe een kleinere, anders gekleurde vorm in

de Bodensee en eenige andere meren (Meiforellen, Zweefforellen).

In de Alpenmeren houdt de Meerforel zich in den regel in waterlagen

van aanzienlijke diepte op, omdat de Houtingen, die zij hier vindt, op

een zekeren leeftijd haar liefste voedsel uitmaken; zelden verschijnt

zij op een afstand van minder dan 40 M. van den waterspiegel. Jongere

exemplaren voeden zich hoofdzakelijk met Alvertjes.

Tegen het begin van September verlaten zij de meren en zwemmen de

rivieren op om kuit te schieten. Hoewel deze reis langzaam plaats

heeft, strekt zij zich ver uit: in het Rijngebied tot op een hoogte van

800 M. boven den zeespiegel, in het gebied van den Inn nog verder, daar

zij hier nog leven in meren, die bijna 1600 M. hoog liggen. Geruimen

tijd na het eieren leggen keeren zij naar de meren terug en brengen

hier den winter en den zomer door. De jongen, die in dit of in het

vorige jaar geboren werden, blijven gedurende de lente en den zomer

in de rivieren en begeven zich eerst in den tweeden winter van hun

leven naar de meren.

Deze Visch heeft in vergelijking met de Rivierforel een taai leven,

sterft buiten het water niet zoo spoedig als deze en is daarom beter

geschikt om verzonden en in andere wateren overgeplant te worden;

hij gedijt zeer goed in vijvers met talrijke wellen en een uit grint

bestaanden bodem.

De Meerforellen worden wegens hun smakelijk vleesch zeer hoog geschat

en in groote hoeveelheid gevangen.

De Zalmforel (Salmo trutta) vertoont zeer veel overeenkomst met de

vorige soort, doch is eenigszins plomper gebouwd; de muil is niet

verder dan tot onder de oogen gespleten en heeft minder krachtige

tanden; de schubben zijn grooter. De zwarte vlekken op den blauwgrijzen

rug en de zilverkleurige zijden zijn minder talrijk en ontbreken soms

geheel; de buikzijde is zuiver wit; de parige vinnen en de aarsvin

zijn kleurloos, de borstvinnen bij oude dieren grijs; op de rugvin,

die, evenals de staartvin, donkergrijs is, komen enkele zwarte vlekken

voor. Deze Visch kan 1 M. lang en 15 KG. zwaar worden.

In den nazomer houdt de Zalmforel zich in de zee op, van hier begeeft

zij zich stroomopwaarts in de rivieren om kuit te schieten. Haar

verbreidingsgebied is veel uitgestrekter dan dat van de Meerforel. Zij

bewoont de Oostzee, het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan,

met inbegrip van de Britsche zeeëngten en kanalen, de Noordzee

en de IJszee tot aan de Witte Zee. Aan onze kust komt zij niet

voor, wel bij die van Duitschland; in buitengewoon grooten getale

ontmoet men haar echter aan de Skandinavische, Engelsche, Schotsche,

Iersche, Laplandsche en Russische kusten en in de hier uitmondende

rivieren. Gewoonlijk zwemt zij in Mei, Juni en Juli stroomopwaarts,

doch minder ver dan de Zalm: in den bovenloop der rivieren treft

men haar zelden aan. Het kuitschieten heeft in November en December,

de terugreis naar de zee na het smelten van het ijs plaats.

In Duitschland wordt de Zalmforel minder hoog geschat, althans minder

duur betaald dan de Zalm; in Skandinavië is men (en, mijns inziens,

te recht) een andere meening toegedaan. De vangst van dezen Visch is

daarom een niet onbelangrijk en ook winstgevend bedrijf. Hierbij komt

nog, dat de Zalmforel bijna even gemakkelijk als de Rivierforel in

groote meren of zelfs in diepe vijvers overgeplant of door kunstmatige

vischteelt aangekweekt kan worden, zoodat zij waarschijnlijk mettertijd

een grootere rol in het visschersbedrijf zal spelen dan thans.

Van alle inheemsche Zalmvisschen heeft de Gewone Forel of Rivierforel

(Salmo fario) den meest ineengedrongen lichaamsbouw. Haar romp is min

of meer zijdelings samengedrukt, de snuit kort en zeer stomp. Het

is volstrekt onmogelijk van de kleur dezer Visschen een algemeen

geldige beschrijving te geven. Tschudi vergelijkt de Forel in dit

opzicht met een Kameleon, maar had hierbij kunnen voegen, dat zij

nog veel meer kleurswisselingen vertoont dan dit uit dien hoofde

beroemd Reptiel. Waarschijnlijk is men niet ver van de waarheid

verwijderd, als men aanneemt, dat de zoo uiteenloopende kleur van

de Forel niets anders is dan een nabootsing van de heerschende kleur

van haar omgeving, dat men dus bij dezen Visch hetzelfde verschijnsel

waarneemt als bij de Schol, die haar kleur wijzigt in verband met die

van den zeebodem. Dikwijls is de met zwartachtige vlekken geteekende

rug olijfkleurig grijs, de rugvin gestippeld en met een witten rand

omgeven, terwijl de zijden groenachtig geel zijn met roode stippels

en goudkleurigen weerschijn, de onderdeelen witachtig grijs, de

buikvinnen hooggeel. Dikwijls heeft over 't geheele lichaam een donkere

(zelden een geheel zwarte) kleur de overhand. Dikwijls, o.a. bij vele

exemplaren, die in de meren der Alpen gevangen worden, zijn de stippels

zwart, rood en wit, waarmede trouwens een wijziging van den vorm van

't lichaam en van de kleur der oogringen gepaard gaat. Soms is de

kleur grootendeels geelachtig, soms witachtig. Deze afwijkingen hebben

aanleiding gegeven tot verschillende namen, zonder dat het mogelijk

geweest is de hierdoor aangeduide verscheidenheden scherp te begrenzen

wegens de tallooze overgangsvormen, die er nevens voorkomen. In den

regel echter is de Forel op den rug donker, op de zijden lichter en

gestippeld, op den buik het lichtst van kleur. De visschers meenen,

dat de kleur hoofdzakelijk afhangt van het water, waarin de Forel

zich ophoudt en in hetzelfde water tamelijk standvastig is: in de

Engelberger Aa b.v. vindt men geregeld Forellen met blauwe vlekken,

terwijl die van de hierin uitmondende Erlenbach rood gevlekt zijn. Hoe

zuiverder het water, des te helderder is meestal de kleur. Ook aan

het vleesch merkt men verschil van kleur op: bij de licht gekleurde,

goudgeel en rood gestippelde "Goudforellen" is het roodachtig, bij

andere verscheidenheden geelachtig, in den regel echter sneeuwwit;

deze kleur ondergaat bij 't koken geen verandering. De grootte staat,

evenals de kleur, met de verblijfplaats in verband. In kleine,

snel stroomende beken, waar de Forel zich met weinig water behelpen

moet, bereikt zij ternauwernood een lengte van 40 cM. en een gewicht

van hoogstens 1 KG. In diepe wateren, in meren en vijvers, kan de

lengte van onze Forel toenemen tot meer dan 90 cM. en haar gewicht

tot 5 of 6 KG. Yarrell maakt melding van verscheidene reusachtige

vertegenwoordigers van deze soort: van een mannetje, dat bij 73

cM. lengte slechts 5.5 KG. zwaar was, van een wijfje, welks lengte

88 cM. bedroeg en dat een gewicht van 15 KG. bereikt. Valenciennes

spreekt zelfs van een exemplaar, dat 104 cM. lang was. Dat zulke

reuzen een hoogen leeftijd hebben bereikt, staat vast. De visschers

zeggen gewoonlijk, dat de hoogste leeftijd van de Forel 20 jaar is;

men kent evenwel feiten, waaruit blijkt, dat zij veel ouder kan worden.

Tot dusver is men nog niet in staat om het verbreidingsgebied van den

Forel nauwkeurig te omschrijven; men weet echter, dat zij op voor

haar geschikte plaatsen in geheel Europa, van de Noordkaap tot aan

Kaap Tarifa, te vinden is, zoo ook in Klein-Azië en waarschijnlijk

bovendien in andere Aziatische landen. Helder, stroomend, zuurstofrijk

water is een noodzakelijke voorwaarde voor haar aanwezigheid en haar

leven. Men treft haar daarom in alle wateren van het gebergte aan,

het meest in rivieren en beken, doch ook in meren, die met versch

water voorzien worden door rivieren, die er doorstroomen, of door

rijke wellen, die er in ontspringen. Hier komt n.l. een groot deel

van het water door de sterke beweging die het heeft, telkens weer

met de buitenlucht in aanraking, waardoor het beter dan elders in de

gelegenheid is om koolzuur af te staan en zuurstof op te nemen. Uit

de kweekingsproeven, die in den laatsten tijd op zoovele plaatsen

genomen zijn, is voldoende gebleken, dat gefiltreerd water, wanneer het

geregeld in beweging gebracht wordt, geschikt is om tot woonplaats te

dienen voor de Forel, en dat het er niet op aan komt, of dit water aan

frissche bronnen of aan beken en zelfs aan vijvers ontleend wordt. In

de hooge bergstreken stijgt zij tot in den Alpengordel omhoog. Op

een hoogte van meer dan 2100 M. boven de oppervlakte der zee vindt

men haar buiten Grauwbunderland niet; hier echter komt zij nog op een

hoogte van 2400 M. voor. In Tirol stijgt zij nog 300 à 500 M. hooger

en in de beken van den Sierra Nevada heeft men haar nog op een hoogte

van 3000 M. gevonden, omdat hier de sneeuwgrens hooger ligt.

Bij ons komt zij tegenwoordig nog slechts in enkele beken

van Gelderland voor; zij is hier hoogst zeldzaam, doch was in

vroegeren tijd algemeener. Ook vindt men haar in het riviertje de

Geul bij Maastricht. Door het overbrengen van de jonge vischjes

uit de inrichtingen voor kunstmatige vischteelt naar onze rivieren

worden echter ook in andere deelen van Nederland nu en dan Forellen

gevangen. Deze zijn bij de visschers onder den naam van "Schotsche

Zalmpjes" bekend.

Wat behendigheid en snelheid van beweging betreft, wordt de Rivierforel

hoogstens door enkele van hare verwanten, misschien echter door geen

anderen riviervisch overtroffen. Waarschijnlijk moet men haar tot

de Visschen met nachtelijke levenswijze rekenen; alle waargenomen

feiten pleiten althans ten gunste van de stelling, dat zij eerst tegen

den avond haar hoogste mate van beweeglijkheid openbaart en vooral

gedurende den nacht haar belangrijksten arbeid verricht, d. w. z.,

voor haar voeding zorgt. Over dag verschuilt zij zich gaarne onder

overhangende steenen aan den oever of in andere holen en schuilhoeken,

die door de steenmassa's van het door haar bewoonde water gevormd

worden. Wanneer echter op dien tijd in haar omgeving een volslagen

stilte heerscht, vertoont zij zich ook dan in 't open water. Steeds

den kop stroomopwaarts gericht houdend, "staat" zij soms een kwartier

of langer op dezelfde plaats, schijnbaar bewegingloos, hoewel zij in

werkelijkheid door beweging van de vinnen zich op dezelfde plaats

moet houden. Soms schiet zij plotseling pijlsnel door het water,

met bewonderenswaardige behendigheid steeds den hoofdstroom vindend,

zoodat zij in ondiepe beken haar weg kan vervolgen, zelfs op plaatsen

waar het zwemmen onmogelijk schijnt te zijn. Wanneer zij opgeschrikt

wordt, tracht zij, voor zoover hiertoe gelegenheid bestaat, steeds

weer een schuilhoek te bereiken en zich hierin te verbergen: zij is

een van de voorzichtigste en schuwste Visschen. Om stroomafwaarts

te komen, laat zij zich soms, den kop tegenstroom gericht, langzaam

drijven; soms echter schiet zij met inspanning van al hare krachten

zoo vlug door het water, dat de snelheid van haar beweging die van

den stroom ver overtreft. Zoolang zij stil staat, loert zij op buit

en overziet zorgvuldig haar jachtgebied, het water naast en vóór

haar, de waterspiegel of de lucht boven haar. Wanneer een Insect,

hetzij klein of groot, haar uitkijkplaats nadert, wacht zij, zonder

eenige beweging te maken, totdat het op den gewenschten afstand

gekomen is, doet dan buitengewoon snel één of meer krachtige slagen

met de staartvin en springt, door het water voortschietend of boven

de oppervlakte zich verheffend, op den begeerden buit toe. De jonge

Forel maakt bij voorkeur jacht op Insecten, Wormen, Bloedzuigers,

Slakken, Vischlarven, kleine Visschen en Kikvorschen. Zoodra zij

echter 1 à 1.5 KG. zwaar geworden is, wedijvert zij in vraatzucht

met iederen roofvisch van haar grootte, doet althans voor den Snoek

weinig onder en overvalt ieder levend wezen, dat zij overmeesteren kan,

haar eigen kroost niet uitgezonderd.

De voortplantingsverrichtingen van de Forel nemen een aanvang in het

midden van October en houden soms aan tot in December. Het kuitschieten

heeft plaats in ondiep water op grintgrond of achter groote steenen,

voor zoover hier een snelle strooming voorkomt. Vóór het leggen maakt

het wijfje door vlugge beweging van den staart een meer of minder

groote, ondiepe kuil in den bodem, laat hierin de eieren vallen,

bedekt ze door opnieuw den staart te bewegen en laat ze vervolgens aan

hun lot over. De jongen, die na ongeveer 6 weken uitkomen, blijven

in het eerst eenigen tijd bewegingloos liggen op de broedplaats;

hoogstens bewegen zij hunne kleine borstvinnen; dit duurt totdat zij

den inhoud van den dooierzak verbruikt hebben en behoefte aan ander

voedsel beginnen te gevoelen. Aanvankelijk zijn zij tevreden met

de allerkleinste waterdiertjes, later maken zij ook wormpjes buit,

vervolgens Insecten en pas geboren vischjes. Met hun grootte neemt ook

hun roofzucht toe. Drie maanden nadat zij als vormelooze schepseltjes

uit het ei kwamen, zijn zij welgevormde, sierlijke vischjes geworden,

die, evenals de meeste overige Zalmvisschen, een jeugdkleed dragen,

waarop donkerbruine dwarsbanden zichtbaar zijn. Omstreeks dezen tijd

gaan de broers en zusters uiteen, om plaatsen op te zoeken waar zij

op dezelfde wijze werkzaam kunnen zijn als hunne ouders.

De jonge Forellen worden door vele vijanden bedreigd en in gevaar

gebracht. Nog voordat zij het ei verlaten hebben, richten de op den

bodem levende Visschen, vooral de Kwabben, een groote slachting onder

hen aan; de Waterspreeuw pikt er ook wel een aantal van op; zelfs de

onschuldige Kwikstaart zal er vermoedelijk eenige verslinden. Van

de zelfstandig geworden jongen vallen er verscheidene ten buit aan

de reeds genoemde Kwabben en aan andere roofvisschen, vooral aan de

oudere Forellen. Als het vischje zoo ver ontwikkeld is, dat het zelf

rooven kan, heeft het nog in de Waterspitsmuis, de Waterrat en den

Vischotter vijanden, waartegen het niet opgewassen is.

De gegronde klachten over de vermindering van het aantal onzer

zoetwatervisschen, hebben ongelukkig ook betrekking op de Forellen; de

mogelijkheid bestaat echter om wateren, die voor deze Visschen geschikt

zijn, er weder mede te bevolken: men kan ze op doeltreffende wijze

kweeken en opvoeden. Geen andere soort van Zalmvisch is zoo goed als de

Forel geschikt om gefokt te worden; zij gedijt in bronnenrijke vijvers

even goed als in beken, groeit snel en brengt een hoogen prijs op.

Een te recht buitengewoon hoog geschat lid van het Zalmengeslacht--de

Roode Forel (Salmo salvelinus)--bewoont in meer of minder groot aantal

de meren van de Middel-Europeesche, Noord-Russische en Skandinavische

bergstreken. Haar langwerpige en zijdelings eenigszins samengedrukte

romp is in verband met verschil van leeftijd, sekse en verblijfplaats

zeer ongelijk van vorm; de vinnen zijn tamelijk lang, de buikvinnen

onder de rugvin aangehecht. Ook de kleur is aan veel afwisseling

onderhevig. Bij vele exemplaren gaat de blauwgrijze kleur van den rug

op de zijden langzamerhand in wit over, dat meer of minder geelachtig

kan zijn en op den buik vervangen wordt door een levendig oranjeroode

kleur, die vooral gedurende den paaitijd duidelijk uitkomt; aan de

zijden van den romp bevinden zich dikwijls ronde, lichte plekken,

die in de nabijheid van den buik, al naar de kleur die deze heeft,

soms witachtig, soms geelachtig, soms oranjerood zijn; zulke vlekken

treft men soms ook op het onderste deel van de rugvin aan. Bij jonge

exemplaren raken deze vlekken elkander soms, waardoor een gemarmerde

teekening ontstaat. Ook donkerder kleuren komen voor; de buik kan

vermiljoenrood, de rug bruinachtig groen zijn. De Roode Forel kan een

lengte van 80 cM. bereiken en 10 KG. zwaar worden; gewoonlijk is haar

lengte niet grooter dan 30 cM., haar gewicht ongeveer O.5 KG.

Deze soort bewoont uitsluitend meren van echte bergstreken; in de Alpen

wordt zij op geen geringer hoogte dan 2000 M. boven den waterspiegel

aangetroffen; in den regel bezoekt zij de rivieren, die in deze meren

uitmonden, niet eens gedurende den paaitijd. Evenals de Houtingen

brengt de Roode Forel in diepe waterlagen het grootste deel van haar

leven door; evenals deze voedt zij zich hoofdzakelijk met kleine

wezens, vooral met verschillende Schaaldieren. Ook kleine Visschen

worden trouwens niet door haar versmaad; waarschijnlijk voeden

de zeer groote exemplaren zich grootendeels met deze prooi. Het

kuitschieten neemt tegen het einde van October een aanvang en

duurt tot in het einde van November; in enkele meren misschien

nog langer. In dezen tijd stijgen de Roode Forellen omhoog naar

het minder diepe water bij den oever, waar de broedplaats is van

hare eieren. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk, maar groeien

minder snel dan de Gewone Forellen. Beide soorten bewonen dikwijls

hetzelfde meer; toch heeft er in de vrije natuur nooit kruising

plaats. In de inrichtingen voor kunstmatige vischteelt evenwel

is het in de laatste jaren dikwijls gelukt van Forellen en Roode

Forellen hybriden te verkrijgen, die, naar men zegt, zich door

voortreffelijke eigenschappen onderscheiden, sneller groeien dan

de Roode Forel en smakelijker zijn dan de Gewone. Door kunstmatige

vischteelt heeft men het aantal van deze Visschen in enkele meren

aanmerkelijk doen toenemen. Men vangt de Roode Forel hoofdzakelijk

gedurende den paaitijd, meestal in groote vleugelnetten, die door

vier mannen in twee schuiten aan land getrokken worden en dikwijls

een groote hoeveelheid visch opleveren. Het vleesch van deze soort

wordt hooger geschat dan dat van eenigen anderen Zalmvisch.

De Donau-zalm (Salmo hucho), heeft een langwerpigen, rolvormigen

romp; de groenachtige, donkerbruine of blauwachtig grijze kleur van

den bovenkop en den rug gaat op de zijden langzamerhand over in de

zilverwitte kleur van den buik; de kop en de romp zijn in meerdere

of mindere mate met kleine donkergrijze of zwartachtige stippeltjes

bezet, waartusschen (vooral op den kruin, het kieuwdeksel en den rug)

grootere, zwarte vlekken voorkomen; deze vlekken nemen verder naar

achteren en naar onderen een halvemaanvormige gedaante aan. Bij zeer

oude Visschen is de grondkleur lichtrood. De vinnen zijn witachtig

en ongevlekt, de rugvin en de staartvin onzuiver van kleur. De lengte

bedraagt 1.5 à 2 M., het gewicht 20 à 50 KG.

Hoewel de Donauzalm, volgens Pallas, ook de stroomen, die in de

Kaspische Zee uitmonden, bewoont, hebben latere onderzoekers hem

uitsluitend in het stroomgebied van den Donau waargenomen; het is

trouwens twijfelachtig, of hij zich wel naar de zee begeeft, veel

waarschijnlijker daarentegen, dat hij voortdurend in den hoofdstroom

en zijne uit de Alpen afkomstige bijrivieren blijft. Wel heeft men

soms ook in de rivieren, die uit het noorden naar den Donau stroomen,

enkele Donauzalmen gevangen; dergelijke gevallen moeten echter als

uitzonderingen worden beschouwd. Het is wel mogelijk, dat hij gedurende

den paaitijd uit den hoofdstroom in de bijrivieren overgaat en deze

opzwemt, waarschijnlijk begeeft hij zich echter niet tot grooter

hoogte dan 1000 M. Zijn aard is die van een echten Zalm; in verband

met zijn aanzienlijke grootte is hij echter vraatzuchtiger dan al

zijne verwanten. In tegenstelling met deze besteedt hij de maanden

April en Mei aan de voortplanting; bij gunstige weersgesteldheid neemt

het kuitschieten echter reeds in Maart een aanvang. Tegen dezen tijd

verlaten de Donauzalmen het sterk stroomend water, waarin zij zich

bij voorkeur ophouden, zoeken ondiepe plaatsen op, welker bodem met

grint bedekt is, en maken hierin met den staart een groeve, die tot

bergplaats dient van de eieren. Gedurende het leggen letten zij zoo

weinig op hetgeen er in hun omgeving voorvalt, dat men met een boot

over hen heen kan varen zonder ze te verjagen.

Het witachtige vleesch van dezen Visch is veel minder smakelijk dan

dat van den Zalm en wordt lager geschat dan dat van de Zalmforel. Men

vangt den Donauzalm in groote netten of met den hengel; soms kan

men hem, terwijl hij rustig in een diepe waterlaag staat, met een

harpoen of met een kogel dooden. Indien hij niet zoo vraatzuchtig

was en niet zoo dikwijls te lijden had van een bij de Visschen veel

voorkomende huidziekte, zou het zeer wel mogelijk zijn hem te kweeken

in vijvers, die een aanhoudenden toevoer van zacht water ontvangen,

daar hij hierin goed gedijt.

De Spieringzalmen (Osmerus) hebben kleine of middelmatig groote,

glanslooze, spoedig losgerakende schubben op hun doorschijnend lichaam;

de lange bovenkaaksbeenderen reiken tot onder den achterrand van het

oog; de mondspleet is dus zeer wijd; alle beenderen van den bek,

ook de vleugelbeenderen en de tong, dragen tanden; deze zijn het

grootst op het voorste uiteinde van het zeer korte ploegschaarbeen en

van het tongbeen, zeer fijn aan den rand van tusschen- en bovenkaak,

waar zij op een enkele rij staan; de ver vooruitstekende onderkaak

heeft, behalve een buitenste rij zeer fijne, een binnenste rij van

grootere tanden. De valsche kieuwen zijn aanwezig, maar rudimentair.

Bij de belangrijkste soort van dit geslacht, die de Spiering

of Spierling, in Friesland Spjirring wordt genoemd (Osmerus

eperlanus), zijn de omtrek van romp en kop, de grootte en de kleur

zeer verschillend. De bovendeelen zijn gewoonlijk grijs, de zijden

zilverkleurig met blauwachtigen of groenachtigen weerschijn, de

onderdeelen roodachtig. De lengte bedraagt meestal 13 tot 20 cM.,

bij uitzondering 25 à 30 cM.

Vele kuststreken van Noord-Europa en de oostkust van Noord-Amerika

zijn zeer rijk aan Spieringen. In Europa schijnen zij zich

voornamelijk op te houden in de Noordzee en de Oostzee; men vindt

hen echter ook in het Kanaal niet zelden; ook bewonen zij de haffen

en groote zoetwatermeren langs de Oostzeekust in meer of minder

grooten getale. Sommige dierkundigen onderscheiden een Zee- en een

Zoetwater-spiering. Gene zwemt om kuit te schieten de rivieren op,

waar zijne jongen geruimen tijd blijven. Volgens Van den Ende zwemmen

de Spieringen van de Zuiderzee den IJsel op in Februari en Maart; in

de lente en den zomer worden zij op deze rivier tot voorbij Zutfen,

doch nooit hooger dan Doesburg gevangen; na een zeer langdurigen

winter treft men niet voor April te Zutfen Spiering aan. Dat er het

geheele jaar door op het Hollandsch Diep Spiering wordt gevischt,

schijnt te pleiten voor de opvatting, dat men hier met een in zoetwater

blijvenden vorm te doen heeft; het is althans nooit gebleken, dat hij

een uit zee binnenvallende trekvisch zou zijn. Bijzonder overvloedig

verschijnt de zoogenaamde Zeespiering in de monden van de Elbe en

den Wezer, zelden op de kusten van Holstein, Mecklenburg en Pommeren,

in buitengewoon groot aantal daarentegen in het Kurische Haf. Dit haf

wordt ook bewoond door de Zoetwaterspiering, die nergens anders de

zee bezoekt en vooral in de zoetwatermeren van Oost-Pruisen, Pommeren,

Brandenburg, Mecklenburg en Holstein voorkomt. Beide vormen zijn steeds

tot talrijke gezelschappen vereenigd, die zich gedurende den winter

in de diepte verborgen houden en zich eerst in Maart en April in de

bovenste waterlagen vertoonen, om met het oog op de voortplanting

stroomopwaarts te reizen. De Spieringscholen trekken nooit zoover als

de overige Zalmvisschen, hoewel zij zich tot diep in het binnenland

begeven, in de Elbe tot Anhalt en Saksen, in den Wezer tot Minden,

in de Seine tot Parijs den stroom opzwemmen. Nadat zij in het begin

van April hunne kleine, gele eieren op zandige plaatsen hebben gelegd,

keeren zij naar de zee of de meren terug.

"Gedurende vele maanden van het jaar," schrijft Dr. Hoek, "is op het

Hollandsch Diep en Haringvliet voor den ankerkuil en de staalboomen

de vangst van Spiering hoofdzaak: met name is dit het geval in den

winter en voorjaarsmaanden, terwijl gedurende de zomermaanden, althans

voor de "eigen" schokkers, de aasvisscherij de spieringvangst geheel

verdringt. De kantoren blijven echter het geheele jaar door--de

maanden van den gesloten tijd (1 April tot 15 Juni) natuurlijk

uitgezonderd--Spiering vangen en ten verkoop opzenden. Hoewel

van Mei tot Juli of Augustus het aantal Spieringen niet groot is,

ontbreken zij echter ook in dezen tijd niet. De grootste op het

Hollandsch Diep gevangen Spieringen, die wij zagen, waren 25 à 26

cM. lang. De waarde van de Spiering is aan zeer groote schommelingen

onderhevig. Bij zeer hooge markt, zoowel te Parijs als te Londen,

maakten de kantoren voor één grooten Spiering 6 à 8, soms zelfs 10 à

12 cents. Als de hoeveelheid Spiering niet aanzienlijk genoeg is om

ze te verzenden, wordt zij in de plaatsen, waar de visschers thuis

behooren, verkocht. Ook dan wisselt de prijs zeer sterk af. Als de

prijs laag is, brengt de groote Spiering 60 à 75 cents de honderd op,

terwijl voor een mandje van ongeveer 100 stuks kleine Spiering (10 à

12 cM. lang) 10 à 15 cents wordt betaald." Van Juni tot Februari is de

Spiering zeer menigvuldig in de Zuiderzee, waar in sommige jaren meer

dan 1 millioen KG. van dezen Visch gevangen wordt, o.a. in 1895 toen

de opbrengst van de Zuiderzee-spieringvisscherij ruim f55000 bedroeg.

Den naam Osmerus en ook den Duitschen naam "Stint" dankt de Spiering

aan zijn eigenaardige lucht, welke met die van bedorven augurken

vergeleken wordt. Toch wordt dit vischje als zeer smakelijk geroemd

en is op vele plaatsen zeer gezocht. Soms vangt men de Spieringen in

zulk een ontzaglijke hoeveelheid te gelijk, dat men ze voor een groot

deel als mestspecie moet gebruiken. Men geeft ze ook wel aan kostbare,

in vijvers gekweekte Visschen als voedsel.

Een van de kleinste Zalmvisschen, de Kapelaan (Mallotus villosus),

bewoont in ontzaglijke hoeveelheid de IJszee en is van zeer

groot belang voor de visscherij aldaar. Het geslacht der Lodden,

waarvan hij de eenige vertegenwoordiger is, kenmerkt zich door een

slanke gestalte, kleine schubben, zeer groote, ronde borstvinnen,

ver naar achteren verschoven rugvinnen en zwakke, borstelvormige

tanden op de kaken, het gehemelte en de tong. De kleur van den rug

is donkergroen met bruinachtigen weerschijn, die van de zijden en van

den buik zilverwit met vele zwarte stippels; de vinnen zijn grijs en

hebben een zwarten rand. De mannetjes en wijfjes vertoonen een vrij

aanzienlijk verschil. De lengte wisselt af van 14 tot 18 cM.

Het verbreidingsgebied van den Kapelaan ligt tusschen 64 en 75°

N.B. Men vindt hem bij de kust van Finmarken, IJsland en Groenland; in

wonderbaarlijke menigte verschijnt hij echter gedurende den paaitijd op

de Bank van Newfoundland. Evenals hunne verwanten houden deze Visschen

zich gedurende den winter in de diepten der zee op en beginnen eerst

in Maart op te stijgen naar de ondiepere paaiplaatsen. Zij vereenigen

zich daarbij tot scholen, die 50 zeemijlen lang en breed zijn. Deze

dringen met gesloten gelederen in alle bochten en riviermonden door,

zoodat de bovenste waterlagen geel gekleurd worden door hunne eieren,

die dikwijls bij hoopen op het strand worden geworpen; met korte

netten kan men ze letterlijk bij millioenen uit de zee scheppen;

voor de arme bewoners van Groenland zijn zij nagenoeg even belangrijk,

als voor ons het brood is. In Noorwegen wordt de Kapelaan in 't geheel

niet gebruikt wegens zijn geringe grootte en zijn onaangename lucht;

op IJsland eet men hem in verschen toestand, wanneer er geen andere

Visschen zijn: in Groenland echter vormen deze Visschen, na in de

lucht gedroogd te zijn, een belangrijk deel van den leeftocht voor

den winter. Nog belangrijker is de Kapelaan als aas voor de vangst

van Kabeljauwen. Behalve door Meeuwen, Zeezwaluwen en Zeehonden

worden zijne scholen gevolgd door allerlei roofvisschen, die zich met

dezen buit voeden en zoolang de paaitijd van de Lodden duurt, niets

anders eten. Voor de helft van de Kabeljauw, die men op de Bank van

Newfoundland vangt, dient de Kapelaan als lokaas; millioenen Visschen

zijn hiervoor noodig; bovendien worden er millioenen gezouten, in de

zon gedroogd, in tonnen gepakt en later voor 't zelfde doel gebruikt.

De middelmatig groote en kleine Zalmvisschen, die men in het geslacht

van de Houtingen (Coregonus) samenvat, hebben een zijdelings

eenigermate samengedrukten romp, een kleinen, nauwen mond, die

tandeloos is of met zeer fijne, licht uitvallende tanden gewapend,

middelmatig groote, spoedig uitvallende schubben, een kleine vetvin en

een hooge rugvin, waarvan de aanhechtingsplaats een weinig vóór die van

de buikvinnen gelegen is. De 40 soorten van dit geslacht bewonen de zee

langs de kust en het zoetwater van het noordelijk halfrond en komen in

gestalte en levenswijze zoozeer overeen, dat het in vele gevallen zeer

moeielijk is voor deze vormen en hunne verscheidenheden kenmerken op te

geven, waardoor men ze met zekerheid kan onderscheiden. In Nederland

vindt men twee, in Duitschland minstens 6 soorten van dit geslacht;

de Houtingen, die de meren van Groot-Brittannië, Skandinavië en

Rusland bewonen, worden meestal tot andere soorten gebracht.

De Blauwe Houting, het Blaufelchen (Coregonus Wartmanni), is slanker

gebouwd dan al zijne Duitsche verwanten. De bovenloop en de rug

vertoonen op lichtblauwen grond een zilveren weerschijn; de zijden

van kop en romp zijn zilverwit; de zijdestreep is zwart gestippeld;

de vinnen zijn geelachtig wit met breeden, zwarten zoom. Gemiddeld,

wordt hij 30 à 50 cM. lang en 2 à 3 KG. zwaar; hij kan echter een

lengte van 60 cM. bereiken. Zoowel de vorm als de kleur varieeren

zeer sterk.

De Blauwe Houting bewoont de meeste groote Zwitsersche, Beiersche

en Oostenrijksche meren, die aan de noordzijde van de Alpen gelegen

zijn. In den regel houden deze Visschen zich, evenals de meeste van

hunne verwanten, in de diepste plaatsen der meren op, niet zelden op

een diepte van 200 M. onder den waterspiegel, slechts bij uitzondering

in waterlagen van 40 à 100 M. diepte. Bij onweders en warme regenbuien

naderen zij, naar men zegt, de oppervlakte tot op een afstand van

20 of nog minder M., om zich, zoodra het koeler wordt, weer naar de

diepte te begeven. In de rivieren gaan zij nimmer over en trekken

dus ook niet van het eene meer naar het andere. Hun voedsel bestaat

hoofdzakelijk uit zeer kleine waterdieren, die op groote diepte leven

en die de natuuronderzoekers voor een deel eerst door het onderzoek

van den inhoud der maag dezer Visschen hebben leeren kennen. Bovendien

eten de Blauwe Houtingen de slijmerige stof, die den bodem van het

meer bedekt en uit allerlei lagere dieren en planten in hunne eerste

ontwikkelingstoestanden bestaat. Tot hun buit behooren ook vele kleine

Schaaldieren, Waterslakken, Wormen en larven van Insecten.

Gedurende den paartijd gedragen de Blauwe Houtingen zich op

soortgelijke wijze als de Haringen. Van het midden van November

(iets vroeger of iets later, al naar de weersgesteldheid) tot in

December, dus gedurende een tijdperk van 3 weken, verschijnen zij in

tallooze scholen aan de oppervlakte der meren; soms begeven zij zich

zoo ver naar boven, dat hunne rugvinnen zichtbaar zijn; soms blijven

zij, afgeschrikt door de lage temperatuur der bovenste waterlagen,

door sneeuwvlagen, ijsschotsen, enz., verscheidene meters onder den

waterspiegel. Zij dringen er zoo dicht opeen, dat hun huid door het

tegen elkander schuren beschadigd wordt, een deel van haar buitenste

laag en zelfs een aantal schubben verliest, welke huidwoekeringen

het water over een aanmerkelijke uitgestrektheid bedekken en troebel

maken. Zelfs loopt het leven dezer dieren gevaar door de drukking,

die zij van elkander ondervinden.

De Blauwe Houting is voor het Bodenmeer, wat de Haring is voor

de Noordzee. Beider vangst brengt een groote bedrijvigheid

teweeg. Gedurende den zomer varen dagelijks een groot aantal

uitsluitend voor de vangst van dezen Visch bestemde booten het meer

op; waarschijnlijk maakt iedere boot gemiddeld wel 100 Houtingen

buit. Bij koud weder is trouwens de opbrengst aanmerkelijk minder;

zeer slecht weder maakt deze visscherij geheel onmogelijk, omdat de

Blauwe Houtingen zich dan begeven naar diepten, waarvoor men nog geen

geschikte netten heeft vervaardigd. In den paaitijd maakt men gebruik

van groote diepgaande netten, waarmede deze Visschen bij honderden

in één trek worden opgehaald. De prijs van deze vischsoort mag in

verhouding tot haar kwaliteit gering heeten.

De Witte Houting of Bodenrenke (Coregonus fera) bewoont dezelfde

meren als de vorige soort; zij onderscheidt zich van deze door een

stomperen, korteren snuit en een korteren, meer gedrongen staart;

de kleur stemt over 't geheel genomen met die van de Blauwe Houting

overeen, met dit verschil, dat de donkere kleur van den rug niet zoo

levendig is en minder ver op de zijden afdaalt. Deze soort kan een

lengte van minstens 60 cM. en een gewicht van meer dan 3 KG. bereiken

en wordt dus aanmerkelijk grooter dan de vorige.

De Witte Houting is een van de beste Visschen, die in de Zwitsersche

meren leven; van groot belang is hij ook door zijn veelvuldigheid;

men kan hem het geheele jaar door vangen, ook in den winter, als er

geen Blauwe Houtingen gevischt worden. In den winter maakt men voor

dit doel gebruik van netten; in den zomer, vooral in Mei en Juni,

van den hengel. De gevangen exemplaren sterven bijna oogenblikkelijk,

zelfs wanneer men ze zorgvuldig uit het water schept.

Over de kwaliteit van dezen Visch zijn de meeningen verdeeld. Eenigen

geven aan den Witten Houting de voorkeur boven den Blauwen; anderen

oordeelen juist andersom.

Nog heeft men niet met zekerheid kunnen uitmaken of de Marene

(Caregonus maraena), die het Madu-meer tusschen Stettin en Stargard en

het Schaalmeer in Lauenburg bewoont en die uit het eerstgenoemde water

in verscheidene meren van Brandenburg en Pommeren is overgeplant,

als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd of slechts een

verscheidenheid van den Witten Houting is. De overeenkomst in vorm

en levenswijze schijnt voor de laatstgenoemde meening te pleiten;

het verschil tusschen deze beide verwante Visschen is gering en

bepaalt zich hoofdzakelijk tot den vorm van den snuit. Beide hebben

nagenoeg dezelfde kleur: de rug is blauwachtig, de buik zilverwit,

de zijdestreep met witte stippels geteekend. De lengte bedraagt 60

of meer cM., het gewicht 7 à 8 KG.

Evenals de Witte Houting leeft de Marene steeds op zeer aanzienlijke

diepten, die zij eerst in 't midden van November, haar paartijd,

verlaat; ook zij kiest voor 't kuitschieten betrekkelijk ondiepe

plaatsen op geringen afstand van den oever. Haar voedsel bestaat uit

soortgelijke dieren als door de andere Houtingen gegeten worden.

Het meest vangt men dezen Visch des winters onder het ijs in zeer

groote netten; in sommige jaren is deze visscherij ook in de lente,

in andere in den herfst van beteekenis. Hoewel de Marenen sterven,

zoodra zij uit het water gehaald zijn, kan men ze in sneeuw en

ijs gepakt tamelijk ver verzenden; ook worden zij wel, evenals de

Witte Houting, gezouten en gerookt. In de lente wordt deze Visch als

bijzonder lekker geprezen.

In de Zuid-Duitsche meren leeft ook de Winterhouting of Kilch

(Caregonus hiemalis), zoo geheeten, omdat hij in den winter

kuitschiet. Zijn lengte bedraagt hoogstens 40 cM., meestal minder,

en is dus aanmerkelijk geringer dan die van zijne reeds genoemde

verwanten, van welke hij zich bovendien onderscheidt door de kortheid

van den romp en de sterkere kromming van den rug. De kleur van den

bovenkop is geelachtig wit, die van de zijden en van de kieuwdeksels

zilverwit; de overige deelen van den romp zijn licht bruinachtig

grijs, de vinnen kleurloos, maar, met uitzondering van de borstvinnen,

zwartachtig gezoomd.

Vóór de onderzoekingen van Von Siebold kende men den Winterhouting

alleen als bewoner van de Bodensee; de genoemde onderzoeker vond

hem ook in de Ammersee en is van oordeel, dat men hem ook in andere

Alpenmeren zal aantreffen. Verklaarbaar wordt onze onbekendheid

met dezen Visch, als men bedenkt, dat hij zich steeds op een diepte

van 70 à 90 M. ophoudt en slechts tegen het einde van September in

hoogere lagen komt om kuit te schieten. Zijn voedsel stemt, naar uit

het onderzoek van den inhoud van maag en darm gebleken is, volkomen

overeen met deze levenswijze. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit

Slakjes, Mossels en slijmerige stoffen, die hij van den bodem van

het meer opneemt.

"Daar de Winter-houting," zegt Von Siebold, "naar het schijnt, diepere

gedeelten van de meren bewoont dan onze Houtingen, zal hij eerder dan

deze in opgeblazen toestand verkeeren, wanneer men hem met een net uit

zijne diepe verblijfplaatsen ophaalt. Wegens deze eigenschap is hij

in de omstreken van de Bodensee bekend onder den naam van Krophouting

(Kropffelchen). Op een diepte van 80 M. is de Winterhouting en zijn

met lucht gevulde zwemblaas aan een waterdrukking van ongeveer 7 1/2

atmospheren blootgesteld. Gedurende het ophalen van den Visch neemt

deze drukking zeer schielijk af om geheel op te houden, zoodra hij

aan den waterspiegel is gekomen, waar alleen de dampkringsdrukking

op hem werkt. In dezelfde reden als de spanning van de lucht in de

zwemblaas vermindert, zal haar volume toenemen, daar de zwemblaas en

de voor een deel zeer dunne wanden van de buikholte geen weerstand

kunnen bieden aan de uitzetting. Hierdoor zal de buik van den Visch

een wanstaltige vervorming ondergaan; het rekken en verschuiven van de

buikingewanden en de vermeerderde drukking op de bloedvaten veroorzaken

den schielijken dood van den trommelzuchtig geworden Visch."

Aan het vooruitsteken van de onderkaak, waardoor de kin de spits van

den snuit vormt, onderscheidt men de Kleine Marene (Coregonus albula)

van al hare Middel-Europeesche verwanten. In kleur stemt zij er mede

overeen: de bovendeelen zijn blauwachtig grijs, de zijden en de buik

glanzig zilverwit, de rugvin en de staartvin grijs, de overige vinnen

witachtig. Haar lengte bedraagt gewoonlijk slechts 15 à 20, maar kan

bij uitzondering stijgen tot 25 cM. en nog iets hooger.

In Duitschland wordt de Kleine Marene vooral in de meren van Posen,

Oost- en West-Pruisen, Silezië, Brandenburg, Mecklenburg en Holstein

gevonden; hoogst waarschijnlijk behoort echter de Houting, die op

het Skandinavische schiereiland en in Noord-Rusland aangetroffen

wordt, ook tot deze soort. In enkele meren van Schotland, die zij

eveneens bewoont, werd zij, volgens de overlevering, door Maria Stuart

ingevoerd. In de Oostzee vindt men haar, volgens Möbius en Heincke,

niet zelden in de Stockholmer Scheren en in de Botnische Golf. In

de Finsche Golf komt zij weinig voor. Een exemplaar werd in de haven

van Kiel gevangen. Door Dr. Hoek werd er in 't laatst van Nov. 1886

één aangetroffen in den ankerkuil van een schokker, die in de Nieuwe

Merwede vischte.

Door levenswijze en gewoonten gelijkt de Kleine Marene op de Houtingen,

die, evenals zij, de meren bewonen. Buiten den paaitijd houdt zij zich

steeds in diepe waterlagen van de meren op; in de maanden November en

December verschijnen deze Visschen in dicht opeengedrongen scholen aan

de oppervlakte, bewegen zich met ver hoorbaar gedruisch; ook trekken

zij wel, door de grootere watervlakte aangetrokken, van het eene meer

naar het andere. Hunne eieren laten zij in het open water vallen.

Te recht wordt de kleine Marene als een buitengewoon smakelijke Visch

beschouwd, welks vangst wel eenige moeite waard is. In Pommeren

en Mecklenburg wordt zij gewoonlijk 's winters van onder het ijs

opgehaald, in Masuren meestal bij 't trekken van het eene meer naar

het andere opgevischt.

De Houting, die bij verscheidene Nederlandsche schrijvers den

naam Adelvisch draagt (Coregonus oxyrhynchus), leeft in de zee

en begeeft zich van hier gedurende den paaitijd geregeld naar de

rivieren. Hij is gemakkelijk te herkennen aan de ver vóór de onderkaak

uitstekende, van voren in een weeken, kegelvormig verlengden snuit

overgaande bovenkaak. Hij is 40 à 50, hoogstens 60 cM. lang en O.7

à 1 KG. zwaar. Zijn kleur is blauwachtig, gedurende den paaitijd

blauwachtig zwart.

De Noordzee en de Oostzee moeten als het woongebied van den Houting

beschouwd worden. Van hier begeeft hij zich in Mei, dus reeds lang

voor het begin van den paaitijd, die, naar gezegd wordt, in de maanden

September tot December valt, in meer of minder grooten getale in de

haffen, stroomen en rivieren, die met de zee in gemeenschap staan, en

zwemt stroomopwaarts. Naar het schijnt, geschiedt dit trekken met een

zekere regelmatigheid en plaatsen de reizigers zich als Kraanvogels

in den vorm van een driehoek, komen zeer langzaam vooruit, zoodat de

weg, die door een school wordt afgelegd, in 24 uur weinig meer dan

4 KM. bedraagt. Bij ongunstige weersgesteldheid zoeken de Houtingen

de diepte op om uit te rusten en vereenigen zich later weer om de

reis voort te zetten. Deze strekt zich veel minder ver uit dan die

der Zalmen; in de Elbe komen de Houtingen hoogstens tot in de buurt

van Maagdenburg en Torgau, in den Wezer tot aan het vereenigingspunt

van Werra en Fulda, in den Rijn tot op de hoogte van Spiers. Na

het kuitschieten keeren zij vroeger of later naar de zee terug;

als de jongen een lengte van 8 cM. bereikt hebben, volgen zij hunne

ouders en verschijnen eerst in geslachtsrijpen toestand weer in de

rivier. Bij ons is de Houting menigvuldig in de Zeeuwsche stroomen

en in de Beneden-Maas; hij gaat de Merwede, den Rijn en de Waal op,

komt ook in den Dollard, de Zuiderzee en den IJsel voor en verdwaalt

soms in geringen getale door de sluizen tot in den Rijn bij Leiden.

Het witte, malsche en smakelijke vleesch van den Houting wordt zeer

geschat en versch zoowel als gezouten en gerookt gegeten. Voor de

visscherij met de handzegen is deze soort niet onbelangrijk; zij begint

op onze rivieren, zoodra de elftvisscherij heeft opgehouden; ook in

Noord-Duitschland houdt men zich overal ijverig met deze vangst bezig.

De zeer groote, ver vóór de buikvinnen beginnende, opmerkelijk

hooge en lange rugvin, de middelmatig groote, stijve, vastzittende

schubben, de kleine mondspleet en de fijne tandjes op de kaakranden

en op de ploegschaar- en gehemeltebeenderen worden beschouwd als de

kenteekenen van de Vlagzalmen (Thymallus). De vijf soorten van dit

geslacht bewonen de rivieren van de noordelijke koude en gematigde

aardgordels. In onze wateren wordt het vertegenwoordigd door den ver

verbreiden Vlagzalm of Esch (Thymallus vulgaris). Zijn kop is klein,

de bovenkaak steekt voorbij de onderkaak uit; de rugvin is tweemaal zoo

lang als de aarsvin. De kleur wisselt in verband met verblijfplaats,

jaargetijde en leeftijd aanmerkelijk af. Het groenachtig bruin, dat

op de bovenzijde gewoonlijk de overhand heeft, gaat op de zijden in

grijs, op den buik in glinsterend zilverwit over; de kop is van boven

bruinachtig, aan de zijden op geelachtigen grond zwart gevlekt; deze

teekening breidt zich van voren ook over een deel van den romp uit

of vormt met de reeksen van schubben bruinachtig grijze, overlangsche

strepen. De rugvin prijkt met prachtige kleuren en draagt aanmerkelijk

bij tot verfraaiing van dezen Visch; haar grondkleur is schitterend

purperrood; dit vormt als 't ware een spiegel, die door 3 of 4 reeksen

van zwarte vlekken nog duidelijker uitkomt; de parige vinnen hebben een

vuil geelroode, de aarsvin en de staartvin een paarse kleur. Meestal

bedraagt de lengte weinig meer dan 30 cM.; zij kan echter tot 60

cM. toenemen. Het gewicht wisselt af van 0.7 tot 1.5 KG.

De Vlagzalm is onder de Europeesche Zalmvisschen een van de meest

verbreide soorten; in geheel Middel- en Oost-Europa, in de wateren van

de Alpen, zoowel als in die van de Noordduitsche en Russische vlakte,

op het vasteland en in Groot-Brittannië en ook in het Ob-gebied treft

men hem aan. Hij kiest ongeveer dezelfde wateren tot verblijf als die,

waaraan de Forel de voorkeur geeft; toch komen niet in alle beken,

die Forellen bevatten, Vlagzalmen voor, en omgekeerd. In Zwitserland

zegt men, dat de Vlagzalm de Forel verdrijft. In Nederland heeft men

hem alleen in het Limburgsche riviertje de Geul aangetroffen.

De Vlagzalm is een echte riviervisch, die meren en groote vijvers

vermijdt en zelfs volgens proeven, die in Engeland genomen zijn, in

stilstaand water volstrekt niet gedijt, althans niet geslachtsrijp

wordt. In de wateren van het gebergte ontbreekt hij zelden; in

de vlakte daarentegen ontmoet men hem alleen in heldere, niet al

te diepe rivieren of beken met steenachtigen bodem. Hij houdt van

rivieren, welker water zoo min te koud is als te warm, waarin plaatsen

met snellen stroom en met stil water onderling afwisselen. Zijne

gewoonten gelijken veel op die van de Rivierforel. Evenals deze

zwemt hij buitengewoon snel, als hij zich beweegt; evenals deze

blijft hij vaak uren achtereen op dezelfde plaats en houdt dan den

kop tegen stroom gericht; dikwijls "staat" hij hier zoo rustig, dat

men hem met de handen uit het water kan nemen. Zijn voedsel bestaat

uit allerlei waterinsecten en hunne larven; bovendien verslindt

hij kleine Slakken en Mossels, versmaadt Wormen niet en eet met

smaak pasgeboren vischjes. Evenals de Forel ziet men hem boven den

waterspiegel opspringen om voorbijsnorrende Insecten te grijpen; hij

kan daarom zonder moeite met den hengel gevangen worden. Gedurende

den paaitijd prijkt hij met een bruiloftskleed, dat zich onderscheidt

door den hoogeren gloed van alle kleuren en den goudgroen iriseerenden

glans van de geheele lichaamsoppervlakte. In een vroeg warme lente

begint hij reeds in Maart eieren leggen; bij ongunstig weer geschiedt

dit eerst in het laatst van April. Het mannetje en het wijfje, die

thans meestal bijeenblijven en in een betrekkelijk klein gebied op

en af zwemmen, graven op zandgrond met den staart een groeve, waarin

het wijfje eieren legt, die door beide gemeenschappelijk met zand en

kleine steentjes bedekt worden. De jongen komen gewoonlijk in Juni

uit en vertoeven aanvankelijk op de ondiepste plaatsen van het water,

waarin zij geboren zijn, groeien echter zeer snel en nemen spoedig

de levenswijze van hunne ouders aan.

Vele vijanden maken jacht op de Vlagzalmen; vooral de grootere leden

van hun eigen soort en verscheidene watervogels vervolgen hen bijna

even ijverig als de mensch, die hun vleesch met dat van de Forel

gelijk stelt en het te recht als een buitengewone lekkernij beschouwt.

"Behalve een groot aantal andere Visschen," verhaalt Schomburgk,

"brachten de Indianen ons ook den reusachtigsten zoetwatervisch

van Guyana, den Arapaima; met verbazing maakten wij kennis met dit

ontzaglijke dier, dat bijna den geheelen corial (of boot) vulde,

omstreeks 3 M. lang en stellig 100 KG. zwaar was. De eenige rivier

van Britsch-Guyana, die door de bedoelde Visschen bewoond wordt, is de

Roepoenoeni; hier echter ontmoet men ze in aanzienlijken getale. Naar

men zegt, zijn zij eveneens veelvuldig in de Rio Branco, de Rio Negro

en den Amazonenstroom.

"De Arapaima wordt met den hengel gevangen of met boog en pijl

gedood. De vangst van deze Visschen is een zeer aantrekkelijk en

opwekkend jachtbedrijf; meestal komen met dit doel verscheidene

corials bijeen, die dan over de rivier verdeeld worden. Zoodra de

gezochte buit zich vertoont, wordt een teeken gegeven, waarop de

corial, die met de beste schutters bemand is, zonder gedruisch tot

op een boogschot afstands nadert; de pijl vliegt van het koord en

verdwijnt met den Visch. Nu begint de algemeene jacht. Zoodra de

vaan van de pijl aan den waterspiegel zichtbaar wordt, zijn alle

armen gereed tot het spannen van den boog; de Visch verschijnt en

begeeft zich weer naar de diepte na nogmaals gewond te zijn door

een aantal pijlen; een kortere tijdruimte verloopt, voordat hij

zich opnieuw vertoont en weder door eenige pijlen getroffen wordt;

eindelijk valt hij den jagers ten buit. Deze vlotten hem nu naar een

ondiepte, schuiven den corial onder het logge lichaam, scheppen het

water, dat tegelijkertijd naar binnen drong, uit de boot en keeren

met gejuich naar de nederzetting terug." Het vleesch van dit dier

is, volgens Schomburgk, in verschen toestand zeer smakelijk. Andere

reizigers oordeelen er minder gunstig over. Gezouten en gedroogd wordt

het bij duizenden van centenaars langs den Amazonenstroom vervoerd

en van Para tot aan de Peruaansche grens algemeen door Indianen,

Mestiezen en blanken gegeten. Daar de middelen tot het voorkomen

van bederf in den regel niet het gewenschte gevolg hebben, wordt

deze spijs te recht door sommigen afschuwelijk genoemd. Het lange,

met scherpe tanden bezette tongbeen wordt als rasp gebruikt.

De Arapaima (Arapaima gigas) behoort tot de slechts 5 bekende soorten

omvattende familie der Beentongvisschen (Osteoglossidae). Deze is tot

de keerkringsgewesten beperkt; hare leden hebben een reusachtigen romp,

welks mozaïekvormig kleed uit harde schubben bestaat; de kop is met

beenige schilden bedekt; de rugvin en de aarsvin zijn op den staart

geplaatst en reiken bijna tot aan de staartvin; de kieuwspleet is wijd.

De Arapaima is, volgens Schomburgk, zeer bont van kleur; niet slechts

de schubben, maar ook de vinnen iriseeren en glinsteren, waardoor

de meest verschillende tinten en overgangen van donkergrijs, rood en

blauwachtig rood ontstaan. Sommige exemplaren zijn meer dan 4 M. lang

en wegen bijna 200 KG.

Het woord Haring is voldoende om ieder de belangrijkheid van de

Visschen voor de huishouding van den mensch duidelijk voor den geest

te doen komen. Zonder stokvisch kan men leven; van de Schollen en de

meeste andere zeevisschen hebben in den regel alleen de kustbewoners

genot en voordeel; de zoetwatervisschen leveren op den disch van

den bewoner van het binnenland een betrekkelijk zeldzaam gerecht; de

Haring en zijne verwanten echter brengen den zegen van den oogst der

zee tot in de eenzaamste hut. Zoo eenige Visch als voedsel voor den

arme aangemerkt kan worden, dan mag de Haring zoo heeten, daar hij,

wegens zijn lagen prijs voor den behoefstigste nog bereikbaar, in vele

woningen het vleesch moet vervangen. Geen Visch is onontbeerlijker

dan deze.

Naar hem is de 60 soorten omvattende familie der Haringvisschen

(Clupeidae) benoemd. Deze hebben een langwerpig, veelal zeer sterk

zijdelings samengedrukt lichaam, dat aan den buik meestal scherp

uitloopt en, behalve aan den kop, met dunne, licht uitvallende schubben

bedekt is. Alle vinnen worden door gelede stralen gesteund; een vetvin

komt bij hen niet voor; de rugvin neemt gewoonlijk het midden van den

rugrand in; de hieronder geplaatste buikvinnen zijn klein en ontbreken

bij sommige uitheemsche soorten zelfs geheel. De kieuwspleten zijn

wijd, de oogen groot; de bovenrand van de meestal ver achterwaarts

verlengde mondspleet wordt in het midden door de tusschenkaaks-,

aan de zijden door de bovenkaaksbeenderen gesteund. De graten zijn

fijn en talrijk, de zwemblaas is groot.

Niet alle Haringvisschen bewonen uitsluitend de zee; sommige leden

van deze familie zwemmen geregeld van zee uit de rivieren op om hier

kuit te schieten en hebben dus een andere levenswijze dan hunne

verwanten. Van de belangrijkste vertegenwoordigers der groep kan

men zeggen, dat zij in hoofdzaken met de Houtingen overeenkomen,

die in de meren tot op zekere hoogte hetzelfde leven leiden als de

Haringen in de zee. Buiten den paartijd leven zij op groote diepten;

de geslachtsdrift noopt hen naar de bovenste waterlagen op te

stijgen. Alle zonder uitzondering schijnen roofvisschen te zijn, die

niet slechts kleine waterdieren, maar ook Visschen buitmaken. Hoewel

zij niet zeer vruchtbaar zijn, is, wegens hun buitengewone talrijkheid,

het aantal geboorten in ieder jaar zeer groot. Een niet minder

belangrijke slachting staat hier echter tegenover, zoodat er thans

reeds voldoende reden bestaat om te overwegen, op welke wijze de mensch

kan medewerken om de gevolgen, die van het ontzaglijk groote verbruik

van deze Visschen te duchten zijn, af te wenden door maatregelen tot

bevordering van hun vermenigvuldiging. Inderdaad bestaan er goede

gronden voor de vrees, dat de rijkdom van de zee, waaraan wij sedert

eeuwen voortdurend zulk een overvloedigen oogst ontleenen, verminderen

zal, en zelfs dat wij, op dezelfde wijze voortgaande als tot dusver,

weldra met een steeds afnemende opbrengst tevreden zullen moeten zijn.

Ook aan de Haringen--die hun naam ontleenen aan de ontzaglijke heiren

(legers), welke zij vormen--zullen wij door de instelling van een

voor de vischvangst gesloten tijd de gelegenheid moeten schenken

om zich ongestoord te vermenigvuldigen; zoodoende kan het kapitaal,

welks renten wij noode zouden missen, behouden worden.

Bij de Haringen i. e. z. (Clupea) is de buikkant van den zijdelings

sterk samengedrukten romp, bij wijze van een zaag getand, daar

de vrije rand der hier aanwezige kielvormige schubben in een

achterwaartsgerichten stekel uitloopt; de buitenrand van de breede

bovenkaak is flauw gebogen. De tanden zijn talrijk en verschillend

van vorm: de tusschen-, boven- en onderkaaksbeenderen dragen een

groot aantal zeer kleine, de ploegschaarbeenderen en de tong een

reeks van grootere tanden; ook op elk gehemeltebeen staan er 2 of 3,

die spoedig uitvallen. De binnenzijde van de kieuwbogen is met vele

fijngetakte uitsteeksels bezet, die gezamenlijke als een engmazige

zeef de keelspleten bedekken en het doordringen van het uit kleine

diertjes bestaande voedsel in de kieuwholten voorkomen.

De Haring (Clupea harengus), bereikt, zooals men weet, zelden een

grootere lengte dan 30 cM., heeft kleine, smalle borst- en buikvinnen,

een op 't midden van het lichaam aangehechte rugvin, een ver naar

achteren verschoven, smalle aarsvin, een diep gegaffelde staartvin

en groote, gemakkelijk losgerakende schubben. De bovendeelen zijn

fraai zeegroen of groenachtig blauw, de onderdeelen zilverkleurig

en iriseeren met verschillende tinten, al naar de wijze waarop het

licht invalt; de rugvin en de staartvin zijn donker, de overige vinnen

licht van kleur.

Het verbreidingsgebied van den Haring omvat, behalve het noordelijke

deel van den Atlantischen Oceaan, van Amerika tot Europa, met

inbegrip van de Oostzee en de Noordzee, ook de zee ten noorden van

Europa en Azië. De vroeger algemeen heerschende meening, dat deze

Visch ieder jaar van uit de IJszee naar de Europeesche kusten zou

trekken, mist allen grond: de Haring houdt zich niet hoofdzakelijk

in de IJszee op en maakt geen groote reizen. Om het tooneel van zijn

werkzaamheid te leeren kennen, beschouwe men een dieptekaart van

de Noordzee; het blijkt dan, welk een ontzaglijk verschil in diepte

er bestaat tusschen dit voor ons zoo belangrijke vischwater en den

Oceaan. Groot-Brittannië verheft zich als 't ware boven een hoogvlakte,

die dit rijk met Frankrijk, België, Nederland, Noord-Duitschland en

Denemarken verbindt. Deze vlakte, die met het Europeesche vasteland

een samenhangend geheel zou uitmaken, indien het peil van de zee 200

M. lager gelegen was, strekt zich van de oostzijde van Engeland tot

dicht bij Skandinavië uit, maar is van dit steil boven den Oceaanbodem

oprijzende gebied gescheiden door een diepen en smallen zeearm,

die zich op eenigen afstand van de kust om het zuidelijke deel van

Noorwegen kronkelt. De westelijke rand van het Noordzee-plateau is

echter niet meer dan ongeveer 10 mijlen van de kust van 't Vereenigd

Koninkrijk en van Bretagne verwijderd; verderop neemt de diepte van

den Oceaan schielijk tot duizenden meters toe. In deze afgronden houdt

de Haring zich op, hier zou men hem ten allen tijde kunnen vinden met

toestellen, die voor het onderzoek van groote diepten geschikt zijn;

van hier begeeft hij zich in den paartijd naar het Noordzee-plateau om

eieren te leggen in de nabijheid van de kust, daar voor de ontwikkeling

zijner jongen water van betrekkelijk geringe diepte vereischt wordt. In

den eigenaardigen vorm van den zeebodem is een verklaring te vinden

van het feit, dat de haringvangst op de oostkust van Engeland van

veel minder beteekenis is dan bij de kusten van Schotland, Ierland,

Noorwegen en het Kanaal.

Door vergelijking van den vorm, de grootte en den voortplantingstijd

van de Haringen, die op verschillende paaiplaatsen aangetroffen

worden, zijn vele onderzoekers tot de overtuiging gekomen, dat

in deze soort een zeker aantal stammen of rassen moeten worden

aangenomen, die zich door erfelijke eigenaardigheden onderscheiden. De

waarschijnlijkheid van het bestaan dezer rassen wordt bevestigd door

de waarneming, dat zij, gelijk de dieren in 't algemeen doen, naar

de plaats waar zij geboren zijn, terugkeeren om voort te telen. Elk

van deze rassen bewoont een gebied van betrekkelijk zeer geringe

uitgestrektheid, dat nooit overschreden wordt. Met veel zorg heeft

Nilsson deze verschijnselen nagegaan op de kust van Skandinavië. Aan

de noordwestkust van Noorwegen beginnend, ontmoet men het eerst het

paaistation van den Noorschen Zomerharing, die zich kenmerkt door

een gedrongen vorm, een korten kop en een middelmatige lengte (28

cM.). Hij komt in Juli en Augustus bij de kust en paait in September

en October. Verder zuidwaarts, bij Bergen o. a., bevindt zich het

paaigebied van den Noorschen Winterharing (Vaarsild), de grootste

van alle, daar hij een lengte van 38 cM. en een hoogte van 6 cM. kan

bereiken; de lichaamsbouw is minder gedrongen en de kop langwerpiger

dan bij het vorige ras. Nog verder zuidwaarts, langs de kust van het

Zweedsche district Götheborg, dus over een uitgestrektheid van nog

geen 30 uur gaans, treft men den Götheborgschen of Bohus-haring aan,

die door geringere grootte en anderen vorm van den Vaarsild afwijkt,

doch denzelfden rijtijd heeft als deze. Het zuidelijkste, 50 uren lange

gedeelte van Zwedens westkust is het paaigebied van den Kulla-haring,

wiens grootte en vorm nagenoeg volkomen overeenstemmen met die van

den Noorschen Zomerharing, terzelfder tijd als deze de kust nadert

en denzelfden rijtijd heeft. Aan de kust van Zweden komt de Abeka-

of Kivik-haring voor, die 20 à 23 cM. lang en 3 1/2 à 4 cM. hoog is;

de mannetjes zijn over 't algemeen kleiner en hebben een korteren kop

dan de wijfjes. De meeste exemplaren schieten kuit in October, zelden

in November; er zijn er echter ook (en deze zijn kleiner van stuk),

die dit reeds in Mei of Juni doen. De Haring, die de zuidoostkust

van Zweden tot paaiplaats heeft, wordt Strömming genoemd en heeft

slechts 15 à 20 cM. lengte, hoewel men ook van tijd tot tijd aan de

noordkust van het district Stockholm exemplaren van geheel denzelfden

vorm aantreft, die 27 à 33 cM. lang zijn. In de zuidelijkste gedeelten

van zijn gebied paait de Strömming zoowel van Mei tot in het begin

van Juni als van Augustus tot half September. In de Botnische Golf

evenwel, o. a. bij Umea, schiet hij kuit in 't midden van Juni. "Ook

aan andere kuststreken," schrijft Schlegel, "merkt men verschillen

op in de grootte der Haring, o. a. is die der Fransche kusten kleiner

dan die, welke in de Noordzee aan de kusten van Groot-Brittannië door

onze en andere visschers gevangen wordt. De rijtijd van de Haringen

van de oost- en zuidkust der Noordzee is evenmin dezelfde in alle

streken. Bij die, welke op onze Groote- of Pekelharingvisscherij van de

Shetlandsche eilanden tot aan de noordelijke gedeelten der oostkust van

Groot-Brittannië gevangen worden, begint de rijtijd in Juli; bij den

zoogenaamden Steurharing, die gevangen wordt ten oosten der Engelsche

kust, waarheen onze bomschuiten in September vertrekken, begint hij

tegen October. De Panharing der Zuiderzee, die zich in sommige jaren,

gelijk dit b.v. in 1825 tot 1836 het geval was, in ontzaglijke menigte

vertoont, verzamelt zich daarentegen tot dat einde reeds in de laatste

maanden van het jaar, tot in het volgende voorjaar."

Naast de Spieringen zijn, volgens Dr. Hoek, Haringen--jongen

(Zeebliek) en larven (kaf)--in het Hollandsch Diep de meest voorkomende

Visschen. Beide soorten worden in menigte in den ankerkuil gevangen om

als aas voor de aalkorven te dienen. De weinige volwassen Haringen,

die hier aangetroffen worden, verschillen van den Noordzeeharing

door geringere grootte en door den iets kleineren afstand van rug- en

buikvin tot den snuit. Zij komen in dit opzicht met den Götheborgschen

Haring en waarschijnlijk ook met den Zuiderzeeharing overeen. In het

Hollandsch Diep en het Haringvliet zijn geen paaiplaatsen van den

Haring bekend. De hier voorkomende exemplaren zijn waarschijnlijk,

evenals die van de Theems, de Southampton-rivier en den mond der

rivieren van de Fransche kust geboren uit in zee gelegde eieren;

als larven zwemmen zij den riviermond op. In dit stadium, dat 2 à 3

maanden duurt, zijn zij wit, ongeschubd en min of meer doorzichtig,

in verhouding tot de lengte zeer smal. Onder haar merkt men tweeërlei

vormen op: lange larven (48 mM.) van "Winterharingen" en korte larven

(38 1/2 mM.) van "Voorjaarsharingen." Het volgende (of overgangs-)

stadium kenmerkt zich door een zilverkleed; de vischjes krijgen kleine

schubben en een naar verhouding grootere breedte. Op het overgangskleed

volgt het volwassen kleed. Vischjes, die in dezen toestand verkeeren en

gemiddeld 55 à 60 mM. lang zijn, gelden te Londen onder den naam van

Whitebait als een lekkernij; als zoodanig hebben de grootere vischjes

(die van Juli en Augustus) geen waarde meer. "De meeste Zeebliek

(van 60-80 mM. lengte) wordt op onze benedenrivieren gevangen in den

eersten tijd na de sluiting." (Van 1 April tot 15 Juni is het visschen

met de ankerkuil op een bepaald deel van de benedenrivier verboden,

maar wordt in het zeegat voortgezet.) "Dat men ze bijkans het geheele

jaar door aantreft en dat er van Maart tot in Juni voortdurend larven

gevangen worden, verklaart zich uit het feit, dat, ook al paaien de

meeste Haringen in een bepaalden tijd van het jaar (stel voor onzen

Kustharing Maart of in 't algemeen het voorjaar), het door Cossar Ewart

waargenomen feit, dat de Haring op de kust van Aberdeenshire gedurende

10 van de 12 maanden (Augustus 1883-Juli 1884) met paaien voortgaat,

ook wel in meerdere of mindere mate voor onze kuststreken gelden zal."

Men rangschikt de haringrassen in twee groepen: de Oceaanrassen

en de Kustrassen. Tot de eerstgenoemde behooren o.a. de Schotsche

Oceaanharing en de Noorsche Vaarsild; zij leven buiten den paaitijd

in den Oceaan op een afstand van 200 à 400 KM. van de kust. Tot

ontzaglijke scholen vereenigd, verlaten zij de diepte om kuit te

schieten op ondiepe gronden in de nabijheid van de kust, hetgeen

aanleiding geeft tot hoogst belangrijke visscherijen. Een voorbeeld

van een Kustras is o.a. de Winterharing van het westelijk deel der

Oostzee; deze leeft steeds in de onmiddellijke nabijheid van de kust

en kiest tot paaiplaats ondiepe, stille bochten, liefst zulke, die

brak water bevatten.

Het leven, dat de Haringen in de diepte leiden, is ons nog altijd

nagenoeg onbekend. Zeker weet men echter, dat zij zich hoofdzakelijk

voeden met nietig kleine Schaaldieren (Copepoden), waarvan zij

ontzaglijke hoeveelheden verslinden, ook eten zij soms kleine Visschen,

vooral Sprot, bovendien eieren en larven van hun eigen soort.--Hoewel

verreweg de meeste Haringen door de aandrift tot voortplanting genoopt

worden zich uit de diepten naar de bovenste waterlagen te begeven,

ontmoet men hier ieder jaar ook een groote menigte exemplaren met

onontwikkelde hom en kuit; deze worden Maatjesharing genoemd en zijn

wegens hun vet en smakelijk vleesch in gezouten toestand zeer gezocht.

Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen · 第 9 / 18 题