buis nagegaan. "Een hoogst merkwaardige betrekking tusschen den
Stroommossel en de overige dierenwereld," schrijft hij, "is eerst
in den laatsten tijd volkomen duidelijk gebleken. Zij levert een
nieuw voorbeeld van het innige verband, dat soms tusschen wezens van
zeer verschillenden aard bestaat. Men kan er tevens uit zien, hoe
langzaam onze wetenschap zich ontwikkelt: gedurende tientallen van
jaren moet de eene waarneming bij de andere gevoegd worden, voordat
een onderzoek eindelijk de gewenschte uitkomst oplevert. Reeds lang
had men in de holle, plaatvormige kieuwen van den Verfmossel (Unio
pictorum) eieren van Visschen opgemerkt. Deze zijn geel van kleur,
langwerpig van vorm en 3 mM. lang. Zij komen in ongelijk aantal voor:
soms zijn er slechts weinige, soms vindt men er wel 40 in de kieuwen
van een enkelen Mossel. Van het begin van April tot in het midden van
Juli van 1869 heb ik geregeld iedere week een aantal Mossels uit den
Main onderzocht, in 't geheel verscheidene honderden. Het bleek mij,
dat vooral in de Verfmossels eieren van Visschen te vinden zijn;
in de door dunnere schelpkleppen beschutte Eendenmossels kwamen zij
minder veelvuldig voor. Van week tot week nam het aantal dezer in
't oog vallende, dooiergele voorwerpen in de Mossels toe. Reeds
den 8en Mei hadden zich uit sommige eieren vischjes ontwikkeld,
die lang uitgestrekt in de kieuwkamers lagen: de dikke kop met
de zwarte oogen waren duidelijk door het weefsel der kieuwen heen
zichtbaar en altijd naar den vrijen rand der kieuwen gekeerd (zoodat
de lengteas van 't vischje van den romp van het Weekdier naar buiten
was gericht). Bij het voorzichtig opensplijten der kieuwen kwamen de
aardige vischjes onbeschadigd uit hun schuilplaats te voorschijn;
zij droegen een langwerpigen, gelen dooierzak als bergplaats van
voorraad aan den buik en onderscheidden zich door een helderen,
zilverachtigen glans. De vischjes van denzelfden Mossel verkeerden
echter in verschillende ontwikkelingsperioden: sommige zaten nog
in het ei, anderen waren reeds geschikt om hun geboorteplaats te
verlaten. Hieruit blijkt duidelijk, dat de eieren op verschillende
tijdstippen in den Mossel aangekomen moeten zijn."
Door proeven heeft F. C. Noll de gegrondheid aangetoond van zijn
onderstelling, dat de legbuis het werktuig is, waarmede de Bittervoorn
eieren in de kieuwkamers van den Mossel kan leggen. Verfmossels,
die eieren van Visschen in hunne kieuwen hadden, werden geplaatst
in afzonderlijke waterbakken; na geruimen tijd zwommen hier tal van
jonge Bittervoorns rond, welke tot aan dien tijd in de kieuwholten
tegen alle nadeelige invloeden beschut waren gebleven. Door gevangen
Visschen, die aan 't kuitschieten toe waren, te rechter tijd bij de
Verfmossels te brengen en nauwkeurig na te gaan, totdat zij hunne
eieren hadden gelegd, werd alle twijfel uit den weg geruimd.
Voor zoover men weet, omvat het verbreidingsgebied van den Bittervoorn
geheel Middel- en Oost-Europa (met uitzondering van Groot-Brittannië
en Scandinavië) en ook een deel van Azië. In den Donau en zijne
bijrivieren, in den Rijn, in het stroomgebied van de Elbe en van
den Weichsel komt hij op sommige plaatsen veelvuldig voor, eveneens
in voor hem geschikte wateren van Taurië. Uit de vlakten begeeft hij
zich naar heuvelachtige gewesten en zelfs naar de middelgebergten. Hij
heeft een zeer taai leven en is zoowel tegen de kou als tegen hitte
bestand. Aan zuiver stroomend water met een steenachtigen bodem,
vooral aan de zoogenaamde doode armen van rivieren en beken geeft
hij de voorkeur. Ook in ons land heeft men hem in geringen getale
in de Maas bij Rotterdam en in andere rivieren, sloten en kanalen
aangetroffen. "Zijn vleesch," schrijft Schlegel, "heeft evenmin een
bitteren smaak als dat van andere soorten; maar het vischje is niet
talrijk genoeg en te klein om als gerecht in aanmerking te komen." Het
wordt weinig gevangen en gewoonlijk alleen als lokaas bij het hengelen
naar andere Visschen gebruikt. Uit de bovenstaande beschrijving blijkt
echter voldoende, dat de Bittervoorn aan liefhebbers van aquariën
ten zeerste aanbevolen kan worden.
Een drietal inheemsche Karpervisschen behooren tot het geslacht der
Brasems (Abramis). Hun romp is hoog en sterk zijdelings samengedrukt;
de scheef geplaatste mond mist de voeldraden; de rugvin is kort,
helt van boven naar achteren en onderen sterk af, heeft geen doorn
en is tegenover de ruimte tusschen buikvinnen en aarsvin geplaatst;
de buik heeft in deze tusschenruimte een ongeschubden kant, ook het
voorste deel van den rug mist in het midden de schubben. De aarsvin
is zeer lang. De keeltanden hebben een zijdelings samengedrukte,
schuin afgesloten kroon en staan op ieder keelgatsbeen op 1 of 2 rijen.
De verst verbreide en talrijkst vertegenwoordigde soort van dit
geslacht is de Brasem (Abramis brama); zijn jongen worden gewoonlijk
"Blei" of "Bliek" genoemd en dikwijls met de Kolblei verward. Met
deze komt hij door de gedaante van zijn ruitvormig lichaam overeen;
behalve aan de langere, iets dieper gevorkte staartvin, herkent men
hem het best aan de veel sterker benedenwaarts gebogen zijdestreep en
de zwartachtige aarsvin. Hij kan 50 à 70 cM. lang en 4 à 6 KG. zwaar
worden. De bovenkop en de rug zijn zwartachtig, de zijden geelachtig
wit met zilverglans; de keel is roodachtig, de buik wit, aan de zijden
zwart gestippeld; de vinnen zijn zwartachtig blauw.
De Brasem bewoont zoet- en brakwater in Middel-, Noord- en Oost-Europa;
ten zuiden van de Alpen ontmoet men hem evenmin als zijne verwanten;
wel komt hij voor in 't Rhône-gebied. Bij ons vindt men hem in alle
rivieren, meren, plassen, vaarten en slooten, het meest in veenplassen,
breede dicht begroeide slooten of rietvelden langs de oevers. Ook in
het Hollandsch diep is hij waarschijnlijk niet zeldzaam (Hoek). In
zeer grooten getale bevolkt hij alle Duitsche hoofdrivieren, vooral de
hiermede in gemeenschap staande, diepe meren, het meest die plaatsen,
welke een leemachtigen bodem hebben. Bij Zweden en Noorwegen vangt
men hem ook in de zee, die hem echter slechts bij uitzondering tot
woonplaats dient. Gedurende den zomer blijft hij in de diepte, liefst
op met planten begroeide plaatsen, en wroet hier in het slijk, waardoor
het water ver in het rond troebel wordt. Waarschijnlijk doorzoekt hij
den modder met het doel om hier zijn voedsel te vinden, dat uit Wormen,
larven van Insecten, waterplanten (o. a. het zoogenaamde Brasemkruid =
Isoëtes lacustris) en rottende stoffen bestaat.
Bijna altijd zijn de Brasems tot groote gezelschappen vereenigd,
die in 't begin van den rijtijd, welke in de maanden April tot
Juni valt, tot ontzaglijke scholen aangroeien. In de nabijheid
van den oever, op ondiepe, met gras begroeide plaatsen, ziet men
eerst verscheidene mannetjes en later de wijfjes verschijnen. Het
kuitschieten heeft gewoonlijk des nachts plaats en gaat gepaard
met een ver hoorbaar gedruisch, veroorzaakt door het slaan met den
staart op het water. Bij mooi weer is het kuitschieten in 3 of 4 dagen
afgeloopen; wanneer echter de weersgesteldheid plotseling ongunstig
wordt, keeren de Visschen naar de diepte terug zonder eieren gelegd
te hebben. Op dezelfde wijze handelen zij na een andere storing,
b. v. wanneer men hen verschrikt maakt; daarom is, naar men zegt, in
Zweden gedurende den rijtijd zelfs het klokluiden in de nabijheid der
meren verboden. Weinige dagen na het vertrek der Visschen krioelen in
het ondiepe water bij den oever millioenen pas uitgekomen jongen rond,
die nog eenigen tijd bij hun geboorteplaats vertoeven en daarna hunne
ouders naar de diepte volgen. Waarschijnlijk rusten ook de Brasems
gedurende een deel van den winter onder den modder.
Sommigen houden den Brasem na den Karper voor den besten onzer
zoetwatervisschen, anderen noemen zijn vleesch wegens de talrijke
graten nagenoeg oneetbaar. Waarschijnlijk is de reden van dit verschil
te vinden in de ongelijke grootte der beoordeelde exemplaren en in
de plaats, waar zij leefden. De groote Brasems zijn beter voor spijs
geschikt dan kleinere; door een langdurig verblijf in moerassen of
in zeer modderige wateren verkrijgen deze Visschen een "grondigen"
smaak. In het noorden en oosten van Duitschland wordt hun vleesch
minder geacht dan in Zuid-Duitschland en Oostenrijk. Toch maakt men
hier zoowel als daar, en eigenlijk overal, veel werk van de vangst van
den Brasem. In Groot-Brittannië is hij bij de hengelaars zeer gezien,
omdat hij gretig naar 't lokaas hapt. In Noord- en Oost-Duitschland
bezigt men gewoonlijk groote netten voor deze vangst, die in den
regel een flinke winst oplevert. De Visschen, waarvoor zich niet
dadelijk koopers aanbieden, worden vaak voor bederf bewaard door ze
te zouten en te rooken. Dikwijls verzendt men ze in verschen toestand
naar ver afgelegen oorden, daar zij even goed als Karpers tegen een
lange reis bestand zijn, het best, wanneer zij met een in brandewijn
gedoopt stuk brood in den bek, in sneeuw verpakt worden. In vijvers
kweekt men ze niet.
De Lange Brasem (Abramis vimba), die, volgens Maitland's "Prodrome",
ook wel eens naar Nederland is afgedwaald, is over een groot deel van
Europa verbreid, behoort hoofdzakelijk in 't noorden thuis en komt
niet slechts in zoet-, maar ook in brak- en zoutwater voor. Sommige
binnenwateren bewoont hij voortdurend zonder te trekken; andere leden
dezer soort vertoeven buiten den voortplantingstijd in de zee, of in
een meer, zwemmen in de lente om kuit te schieten de rivieren op,
blijven hier gedurende den zomer en keeren daarna terug naar hunne
winterkwartieren. In de meren bewoont de Lange Brasem gewoonlijk
plaatsen van 10 à 20 vademen diepte, in den regel die, welker bodem met
modder bedekt is, daar ook hij op gelijke wijze als zijne verwanten in
het slijk wroet om er voedsel uit te halen en hierdoor het water zoo
troebel maakt, dat men zijn verblijfplaats zonder moeite ontdekt. In
den rijtijd vormen deze Visschen zeer groote scholen en kan men ze
gemakkelijk in grooten getale vangen. Zij zijn aanmerkelijk kleiner
dan de Brasems; een lengte van 40 cM. en een gewicht van meer dan
0.5 KG. komt bij hen slechts zelden voor. De snuit, die neusvormig
voor de onderkaak uitsteekt, en de rug zijn groenachtig blauw, in den
rijtijd bij het mannetje en het wijfje donkerzwart, de zijden en de
buik zilverachtig grijs, de lippen, de parige vinnen en de aarsvin
geelachtig, in den rijtijd donkeroranje.
Een andere Brasem, die het grootste deel van zijn leven in de zee
doorbrengt en zich alleen in den voortplantingstijd naar de rivieren
begeeft, wordt in Zweden Balleer, in Duitschland Zope of Pleinze
genoemd (Abramis ballerus). De grootste exemplaren worden 30 à 40
cM. lang en ongeveer 1 KG. zwaar. Hij onderscheidt zich van de vorige
soort door de kleinheid van den kop, die de mondopening scheef naar
boven gericht heeft, en door de grootte van de aarsvin, die vóór het
einde van de rugvin aanvangt. In kleur gelijkt hij op den Brasem: de
bovendeelen zijn blauwachtig, de zijden en de buik zilverwit, de parige
vinnen geelachtig, de overige vinnen witachtig, alle met zwartachtigen
zoom. Gedurende zijn rijtijd, in April en Mei, ontmoet men dezen Visch
in de voornaamste rivieren van Middel-Europa, vooral in de nabijheid
van haar uitmonding, minder dikwijls in haar bovenloop. Den Donau
zwemt hij niet verder op dan tot in Opper-Oostenrijk; men vindt hem
dus niet in Beieren; in den Rijn schijnt hij, althans op Nederlandsch
grondgebied, niet voor te komen; in de Elbe vangt men hem soms nog
in de nabijheid van Maagdenburg. Bijzonder overvloedig is hij langs
de Oostzee-kust, zoowel in de haffen als in de zoetwatermeren, die
dicht bij de kust gelegen zijn en door beken of rivieren met de
zee in gemeenschap staan. In levenswijze stemt hij met de vorige
soort overeen. Zijn vleesch wordt wegens de talrijke graten niet
hoog geschat.
De Blei, Bliek, Kolblei of Kolbliek, wegens hare groote oogen ook
Koloog, Kolfoog en Kalfoog, in Groningen Platter genoemd (Abramis
blicca), kan 20 à 30 cM. lang en hoogstens 1 KG. zwaar worden; zij
is op den rug blauw met bruinachtigen weerschijn, op de zijden blauw
met zilverglans, op den buik wit; de aarsvin en de staartvin zijn
grijsblauw, de borst- en buikvinnen rood of roodachtig, althans aan
den wortel. Vaak wordt zij verwisseld met den Brasem, van wien zij zich
onderscheidt door de minder gekromde zijdestreep, de kortere aarsvin,
den stomperen snoet, den hoogeren en korteren staart. Bovendien zijn
de kop en de schubben grooter; de ongeschubde strook op het midden van
den voorrug is minder duidelijk; de parige vinnen zijn geheel of ten
deele rood, de keelgatstanden op twee rijen geplaatst (2 of 3 op de
buitenste). De visscher onderscheidt deze beide soorten op het eerste
gezicht aan de grootte der oogen en noemt de Bleien daarom Puiloogen
(Hoek). De Blei is een van onze meest gewone zoetwatervisschen,
bewoont in hetzelfde gebied als de Brasem ongeveer dezelfde plaatsen,
n.l. een zandigen of kleiachtigen bodem in meren, vijvers en langzaam
stroomende rivieren. Evenals deze, houdt zij zich gaarne in de diepte
op en voedt zich met kleine dieren, vischkuit en plantaardige stoffen,
welk voedsel zij ten deele uit den modder verkrijgt. In de maanden
Mei en Juni ziet men haar in ondiep water bij den oever zwemmen om,
bij voorkeur op plaatsen die met grassen en dergelijke planten begroeid
zijn, kuit te schieten; zij is dan even beweeglijk als onvoorzichtig,
zoodat men haar soms zelfs met de hand kan grijpen.
De Blei is de vraatzuchtigste van alle Karpervisschen; het is volstrekt
niet moeielijk haar te vangen; ieder lokaas is haar welkom.
Nergens geschiedt dit op groote schaal, daar deze Visch als spijs
nog minder hoog geschat wordt dan de Brasem; als voedsel voor de in
vijvers gekweekte Forellen kan men hem evenwel met voordeel gebruiken.
Ook van de laatstgenoemde Karpervisschen heeft men verscheidene
bastaarden of hybriden leeren kennen en gedurende eenigen tijd als
afzonderlijke soorten beschouwd. Van deze verdienen als inheemsch
vermelding: de Lange Blei (Cyprinus Heckelii), ook wel Amelom of
Amelong en Half-blei-half-voorn genoemd (gevormd door kruising van
Leuciscus rutilus en Abramis brama), de Koloog (Cyprinus Bugenhagii,
een kruisingsproduct van Leuciscus erythrophthalmus en Abramis brama),
de Gekartelde Blei (Cyprinus isognathus, hybride van Leuciscus
erythrophthalmus en Abramis blicca) en de Half-voorn-half-alvertje
(Cyprinus dolabratus, bastaard van Leuciscus cephalus en Alburnus
alburnus).
Hoewel de Karpervisschen over 't geheel genomen een zeer
vreedzame levenswijze hebben, komen toch onder hen enkele roovers
voor. Een daarvan is de Muizenbijter (Aspius rapax). Het door hem
vertegenwoordigde geslacht der Roofkarpers, kenmerkt zich door een
langwerpig lichaam, dat zijdelings eenigermate samengedrukt, maar
zoowel langs den rug als aan den buik afgerond is, een naar boven
gerichte mondopening, vooruitstekende onderkaak en op twee rijen (van
3 en 5) geplaatste keelgatstanden, welker kegelvormige verlengde,
haakvormig omgebogen kroon geen inkervingen vertoont, voorts door
een korte aarsvin en kleine schubben. De genoemde soort kan 60 à 70
cM. lang en 6 KG. zwaar worden; zij heeft een zwartachtig blauwen
rug, blauwachtig witte zijden en een zuiver witten buik; de rugvin
en de staartvin zijn blauw; de parige vinnen en de aarsvin hebben
een roodachtige tint.
In alle groote rivieren en meren van Middel-Europa, tot in
Lapland, heeft men deze soort waargenomen; in Nederland en ook in
Groot-Brittannië schijnt zij niet voor te komen. In aanzienlijke getale
bewonen hare leden de Beiersche en Oostenrijksche meren; in den Donau
zijn zij veelvuldig, in geheel Noord-Duitschland bekend; ook in de
haffen treft men hen aan, bovendien verder oostwaarts in Rusland, waar
zij soms een reusachtige grootte bereiken. In den regel houden zij zich
op in zuiver, langzaam stroomend water. Hun voedsel bestaat zoowel uit
plantaardige als uit dierlijke stoffen, niet slechts uit kleine dieren,
maar ook uit Visschen. Naar men zegt, worden vooral de Alvertjes den
buit van deze roovers, die "Muizenbijters" heeten, omdat zij, naar men
beweert, ook wel eens Muizen en Waterratten verslinden. Wegens hun wit
en smakelijk vleesch vangt men ze veel in netten en aan den hengel,
vooral in den rijtijd, omdat zij dan minder schuw zijn dan gewoonlijk.
De Alvers of Alvertjes (Alburnus) onderscheiden zich van de Roofkarpers
vooral door den scherpen hoek, dien de zijden van het lichaam naar
onderen vormen en doordat ieder keelgatsbeen een buitenste reeks van 2
en een binnenste reeks van 5 tanden draagt. De achterste binnentanden
zijn haakvormig gekromd en gelijken dus op grijptanden; soms zijn
zij glad, soms met inkervingen voorzien. De ruglijn is minder sterk
gebogen dan de buiklijn; de korte rugvin begint achter de buikvinnen,
de lange aarsvin achter of onder de rugvin; de schubben vertoonen
een sterken zilverglans en uitpuilende, straalsgewijs van een
middelpunt uitgaande lijsten; de mondopening is naar boven gericht
en de eenigszins verdikte spits van de onderkaak wordt, evenals bij
het vorige geslacht, in een inkerving van de tusschenkaak opgenomen.
Het Alvertje, ook wel Alfertje, Halvertje, Alvenaar, Alft, Alvertien
en Alver genoemd (Alburnus alburnus), bewoont nagenoeg alle zoete
wateren van Europa ten noorden van de Alpen, vooral die met weinig
strooming. Deze Visch komt in ons land zeer algemeen voor, het
meest in de rivieren, ook in die gedeelten van haar benedenloop,
waar ebbe en vloed heerschen. In werken uit de vorige eeuw vindt
men hem aangeduid met den naam "Alphenaar," die, volgens Gronovius
(1741), ontleend is aan het dorp Alphen, "waar hij in de maand Augustus
veelvuldig in den Rijn gevangen wordt." Evenals Leuciscus vulgaris en
Leuciscus cephalus noemt men het Alvertje soms Hesseling, Esseling en
Witvisch, ook wel Moertje of Nesteling, in Overijsel meestal Over-
of Bovenleupertien. Bij de vischverkoopers heet het Panharing,
daar het door den algemeenen vorm van zijn sterk samengedrukt, met
glanzige schubben bekleed lichaam aan een kleine soort van Haring
herinnert. Oude exemplaren worden als Koning van den Nesteling (of van
den Asterling) betiteld. De lengte bedraagt 10 à 18 cM. De blauwachtige
of groenachtige kleur van de bovendeelen maakt op de zijden plaats
voor het fraaie zilverwit der buikzijde; de rugvin en de staartvin zijn
grijsachtig, de overige vinnen geelachtig. Een nadere omschrijving kan
niet gegeven worden, daar zoowel de kleur als de vorm bij deze soort
aan veel afwisseling onderhevig is; bijna iedere rivier, ieder meer
herbergt verschillende exemplaren. Verscheidene van deze afwijkingen
zijn zoo standvastig, dat men ze als soorten heeft aangemerkt.
Belangrijker echter is het verschil tusschen de gewone soort en het
nagenoeg even groote Zwartgestipte Alvertje (Alburnus bipunctatus),
welks eindstandige mondopening een minder scheeve mondspleet en een
minder sterk verdikte, minder vooruitstekende spits aan de onderkaak
heeft; het lichaam is meer ineengedrongen en hooger; de kroon van
de tanden der binnenste reeks heeft geen inkervingen, zooals bij
de vorige soort; de aarsvin begint achter het einde van de rugvin
en neemt naar achteren niet noemenswaard in hoogte af. De kleur,
die op den rug donkergrijs is, wordt op de zijden lichter en gaat
op den buik in zuiver zilverwit over; boven en onder de zijdestreep
komt een reeks van zwarte stipjes voor, die aanleiding heeft gegeven
tot den naam der soort. Deze werd in de Maas bij Rotterdam, in den
Krommen Rijn bij Utrecht, in den Rijn bij Leiden, over 't algemeen
in rivieren met zandigen bodem waargenomen. Haar verbreidingsgebied
kan nog niet nauwkeurig omschreven worden. In de meeste rivieren en
meren van Middel-Europa komt zij zeer veelvuldig voor, voor zoover
het water er helder en niet te woelig is.
De Alvertjes zijn gezelliger van aard dan vele andere Visschen,
vormen altijd groote, soms ontzaglijke scholen en maken bij warm,
stil weer veel beweging in de nabijheid van den waterspiegel, waar
zij Insecten en dergelijke diertjes vangen. Zij zijn niet zeer schuw,
maar nieuwsgierig en vraatzuchtig; als men in hun nabijheid iets in het
water werpt, vluchten zij aanvankelijk, maar keeren dadelijk terug om
te kijken wat er gebeurd is, happen naar het voorwerp dat hun schrik
aanjoeg en spuwen het uit, wanneer het hun niet bevalt. De hengelaar,
wien het er slechts om te doen is zooveel mogelijk te vangen,
rekent hen daarom onder de prettigste Visschen, daar zij zonder
eenig voorbehoud happen naar ieder lokaas, dat men hen toewerpt. De
voortplanting heeft in de maanden Mei en Juni plaats, maar begint soms
reeds in Maart en duurt vaak tot in Augustus. Zij vermenigvuldigen
zich buitengewoon sterk; hun levensduur is echter betrekkelijk kort;
daar zij wegens hun gezelligen aard en hun voorliefde voor de bovenste
waterlagen dikwijls de prooi worden van de roofvisschen en watervogels,
die hunne scholen voortdurend volgen.
Hoewel aan de Alvers in 't algemeen, ook aan de onze, als voedsel
geen waarde wordt gehecht, houdt men zich toch op sommige plaatsen
geregeld met de vangst dezer Visschen bezig, omdat zij, behalve als
voedsel voor den mensch en als lokaas bij de vischvangst, voor de
bereiding van de "Essence d'Orient" dienst doen. Met behulp van de
bedoelde "essence", welker samenstelling langen tijd geheim werd
gehouden, worden de valsche parels gemaakt, die, zooals bekend is,
soms zeer moeielijk van de echte te onderscheiden zijn, hetgeen
den prijs van deze aanmerkelijk heeft doen dalen. In het midden van
de vorige eeuw kwam een fabrikant van bidsnoeren of "rozekransen"
in Frankrijk op het denkbeeld holle, glazen bolletjes van binnen met
fijngestooten vischschubben te bedekken en hen op deze wijze den glans
van parels te verschaffen; sedert dien tijd wordt deze uitvinding
op vrij groote schaal toegepast. De Alvertjes (die men daarom ook
wel Schrapvisch noemt) worden afgeschubd, de schubben in een bak
met water geworpen en hierin zoo fijn mogelijk stukgewreven. Het
water, dat op deze wijze spoedig de kleur van zilver verkrijgt,
wordt in een groot glas overgegoten, en blijft hierin verscheidene
uren achtereen op een stille plaats staan, om het zilverachtige
poeder te laten bezinken. Zoodra dit zich op den bodem heeft afgezet,
wordt het daarboven staande water, door het glas scheef te houden,
voorzichtig afgegoten van de olieachtige, dikke, vloeibare massa, die
"Essence d'Orient" heet. Het gebruik, dat hiervan gemaakt wordt, berust
op de eigenschap der als zilver glinsterende, fijne plaatjes van in
ammoniak geen verandering te ondergaan. Met ammoniak vermengd, wordt de
"essence" in de holle, glazen bolletjes gegoten, aan welker binnenste
oppervlakte de plaatjes zich hechten, terwijl de vloeistof, voor zoover
zij er niet uitgegoten kan worden, verdampt.--50 KG. Alvertjes leveren
2 KG. schubben; voor 500 gram "essence" zijn wel 20,000 Visschen
noodig. Deze soort is trouwens zoo veelvuldig, dat men niet zelden
de genoemde hoeveelheid bij één vangst buit maakt. In het meer van
Constanz b.v. heeft men soms met één trek van het net 10 "Eimer"
(à 65 L.) Alvertjes gevangen. "De Alver," schrijft Dr. Hoek, "is op
het Hollandsch Diep een zeer gewoon vischje, echter niet het geheele
jaar, maar voornamelijk in de zomermaanden. In dien tijd visschen de
kantoren stelselmatig op Alver. De beste markt voor dit vischje schijnt
Parijs te zijn: een goede prijs--zooal geen hooge--is het, wanneer van
elk mandje (een zoogenaamd rond mandje van 120 à 130 stuks) een franc
schoon geld komt. Dit vischje heeft de eigenaardige gewoonte groote
scholen te vormen en zich in zulke scholen te verplaatsen; dergelijke
scholen schijnen met groote onregelmatigheid rond te dolen over het
bovengedeelte der benedenrivieren; vandaag zitten zij hier, morgen
daar. Komt een dergelijke school voor of in een ankerkuil, dan stroomt
het want letterlijk vol; dit geschiedt hoofdzakelijk bij vloed. Soms is
de visscher dan genoodzaakt zijn kuil te lichten, voordat het tij "af"
is, wil hij het gevaar niet loopen, het net te zien scheuren onder
het gewicht der persing van de opdringende Alvers. Een dergelijke
overvloedige vischvangst woonden wij bij op 30 Juli 1886, zoowel
's ochtends in de vroegte om 3 uur, als met het volgende vloedtij
's namiddags nabij het Havenhoofd van Lage Zwaluwe. Twee groote
roeibooten zagen wij uit één kuil geheel met Alver vullen, een
hoeveelheid Visch, die zeker op eenige honderden mandjes geschat kan
worden." De Alvertjes zijn uitstekend geschikt voor een aquarium; meer
dan andere kleine Visschen onderscheiden zij zich door speelschheid,
zoodat zij den toeschouwer een aangenaam tijdverdrijf verschaffen;
onophoudelijk in beweging, op alles acht gevend, springen zij toe op
ieder vliegje of in 't algemeen naar ieder voorwerp, dat men in het
water werpt en schijnen even tevreden als onvermoeid te zijn.
De Meskarper (Pelecus cultratus), de eenige vertegenwoordiger van
een gelijknamig geslacht, heeft een langwerpig, sterk zijdelings
samengedrukt lichaam met rechtlijnigen rug- en scherpen, sterk
benedenwaarts gebogen buikkant, een bijna loodrecht geplaatste
mondspleet met naar boven gerichte opening, buitengewoon lange,
smalle, spitse, eenigszins sikkelvormige borstvinnen, kleine
buikvinnen, een zeer korte rugvin, welker aanhechtingsplaats ver
naar achteren tegenover het begin van de lange aarsvin is gelegen,
een golfsgewijs gekromde zijdestreep, licht afvallende schubben en
op ieder keelgatsbeen tanden met zaagvormig ingesneden kroon op 2
reeksen (2 op de buitenste, 5 op de binnenste). De nek is staalblauw
of blauwgroen, de rug grijsbruin; de zijden zijn zilverwit met
rooskleurigen weerschijn, de rugvin en de staartvin grijsachtig, alle
overige vinnen roodachtig of geelachtig. Deze Visch kan 46 cM. lang
en 1 KG. zwaar worden.
Opmerkelijk is het verbreidingsgebied van den Meskarper; hij bewoont in
het noorden van Europa alleen de Oostzee en de met haar in gemeenschap
staande zoetwatermeren en rivieren; bovendien treft men hem in de
Zwarte Zee en de hierin uitmondende stroomen aan. Een echte zeevisch
is hij niet, een riviervisch evenmin; naar het schijnt, bevalt het hem
in zoutwater even goed als in zoet. Zijn verblijfplaats is gelegen in
de nabijheid van den oever van een helder stroomend water. Door aard,
gewoonten en voedingswijze stemt hij met de overige Karpervisschen
overeen. Als spijs heeft deze Visch weinig waarde, daar zijn vleesch
week en rijk aan graten is; de vangst loont daarom de moeite niet.
De Modderkruipers zijn kleine Karpervisschen met een zeer langwerpig,
min of meer zijdelings samengedrukt lichaam, dat nagenoeg overal
gelijk van dikte en met een slijmerige, op den kop naakte, op den
romp en den staart van zeer kleine schubben voorziene huid bedekt is;
de kieuwspleten zijn nauw; de kop is klein, de mondopening omgeven
door zuiglippen met 6 à 10 voeldraden; de rand van de bovenkaak
wordt alleen door de tusschenkaaksbeenderen gesteund; de buikvinnen
en de rugvin zijn tamelijk ver naar achteren geplaatst; de staartvin
is, bij de Europeesche soorten althans, afgerond; de zwemblaas is,
voorzoover aanwezig, in een rechter en een linker helft verdeeld.
Deze afdeeling is zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld
vertegenwoordigd, in Europa door drie geslachten. De 3 inheemsche
soorten komen ook in de overige landen van Middel-Europa voor, één
van hen (de grootste) ontbreekt echter in Groot-Brittannië. Sommige
houden van modderig en stilstaand, andere van zuiver en stroomend
water. Alle verkeeren gewoonlijk op den bodem, rusten, in den
modder of onder steenen verborgen, gedurende den dag en beginnen
met zonsondergang of bij donker weer op allerlei kleine waterdieren
jacht te maken. Twee soorten zijn zeer teer, de derde daarentegen is
beter bestand tegen ongunstige omstandigheden en meer bepaaldelijk
tegen vervuiling van het water. Zij kunnen leven in water, waarin
weinig zuurstof opgelost is, omdat zij, behalve door kieuwen,
ook nog op een andere wijze ademen dan de meeste overige Visschen,
n.l. door het spijskanaal. Met dit doel begeven zij zich naar den
waterspiegel, slikken, terwijl zij den snuit boven het water uitsteken,
een zekere hoeveelheid lucht in, die zij door sterke samendrukking
van de kieuwdeksels in het korte, rechtlijnige darmkanaal stuwen;
tevens worden door de aarsopening eenige luchtbellen met gedruisch
naar buiten geperst. In frisch, zuurstofrijk water maken zij zelden
gebruik van de laatstgenoemde wijze van ademhaling, die in de vrije
natuur nog niet bij hen waargenomen werd; in de gevangenschap zijn
zij weldra genoodzaakt van dit redmiddel gebruik te maken, wanneer
het water in hun woning niet dikwijls ververscht wordt. Men vermoedt,
dat zij op hunne natuurlijke verblijfplaatsen alleen dan door den darm
ademen, als zij door het wegvloeien en verdampen van het water in hun
omgeving gedwongen worden zich in het slijk of den modder te begraven.
Ondanks hun geringe grootte zijn minstens twee van de inheemsche
Modderkruipers als spijs zeer gezocht en worden zelfs in voor hen
bestemde vijvers gekweekt. Lekker smaken deze vischjes, wanneer
men zoo weinig mogelijk tijd laat verloopen tusschen de vangst en
de toebereiding.
Bij den ongeveer 30 cM. langen Modderkruiper, in Noord- en Zuidholland
gewoonlijk Weeraal en Donderaal, soms Stootvisch, in Gelderland en
Overijsel Meerpoet, in Groningen Weervisch en Poetaal, in Friesland
Aalpieper genoemd (Misgurnus fossilis), is de mond door 10 voeldraden
omgeven, waarvan 4 aan de boven- en 6 aan de onderlip; de romp is
op zwartachtigen grond met 5 gele en bruine, overlangsche strepen,
de buik op lichten grond met zwarte stippels geteekend.
Deze Visschen, die bij ons in kleine hoeveelheid in stilstaande,
modderige wateren voorkomen en soms in rivieren, b.v. in den IJsel en
den Berkel, aangetroffen worden, zijn over een groot deel van Noord- en
Oost-Europa verbreid. Men vindt ze uitsluitend in rivieren en meren met
modderigen bodem, eigenlijk nergens in grooten getale. Gedurende den
winter en ook wanneer des zomers het water van de door hen bewoonde
plas verdampt is, verbergen zij zich in het slijk, waar zij eenige
maanden achtereen zonder bezwaar kunnen vertoeven, zonder in een
toestand van verstijving of van slaap te verkeeren. Zoodra men hen
in het water terugbrengt, toonen zij door vlugge bewegingen, dat
het gedwongen verblijf in een oogenschijnlijk voor hen ongeschikte
schuilplaats in het geheel geen nadeelige gevolgen heeft gehad. Hieraan
danken zij hun gewonen en hun wetenschappelijken soortnaam. In den
zomer kan men deze Visschen in sommige uitgedroogde moerassige oorden
uit den grond graven. Varkens, die in zulke moerassen gedreven worden,
verkrijgen hierdoor soms een lekker maal.
Zeer gevoelig is de Modderkruiper voor electrische verschijnselen. Bij
het naderen van een onweer toont hij zich zeer onrustig, komt aan
de oppervlakte van 't water en zwemt hier met kenteekenen van angst
en voortdurend lucht happend rond. Daar hij reeds 24 uur voordat het
onweer losbarst, op deze wijze te keer gaat, geeft men hem te recht
de namen Weervisch, Weeraal en Donderaal. In vele streken houdt men
hem daarom als weervoorspeller gevangen in een glazen bak, welks bodem
met een zandlaag van eenige cM. dikte bedekt is; hij kan het hier lang
in uithouden, wanneer het water minstens één-, liever tweemaal per
week ververscht wordt; als voedsel zijn eenige broodkruimels voldoende.
Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine, in 't water en in den
modder levende lagere en jonge dieren en uit vischkuit, doch ook
uit rottende plantaardige stoffen. Het vleesch van dit dier smaakt
grondig en wordt daarom door den mensch niet gegeten.
De Gebaarde Modderkruiper (Nemachilus barbatulus), ook wel Bermpje
genoemd (evenals Barbus fluviatilis), bereikt een lengte van 10
(hoogstens 15) cM. Van de vorige soort onderscheidt hij zich vooral
door het bezit van slechts 6 voeldraden, die alle aan de bovenlip
voorkomen. Het lichaam is nagenoeg rolvormig, de kleur van den rug
donkergroen, van de zijden geelachtig, van de onderdeelen lichtgrijs;
de kop, de rug en de zijden zijn met onregelmatige, bruinzwarte
stippels, vlekken en strepen geteekend, de rug-, staart- en borstvinnen
gevlekt, de aars- en buikvinnen geelachtig wit en ongevlekt. Bij
de vischsoorten, die Schlegel en Van den Ende in ons land hebben
waargenomen, komt de Gebaarde Modderkruiper niet voor; volgens andere
schrijvers is hij inheemsch. Evenals zijne verwanten treft men hem in
een groot deel van Europa aan, oostwaarts tot bij den Oeral, zuidwaarts
tot aan de Alpen; naar Zweden werd deze Visch, die als zeer smakelijk
wordt geroemd, door Koning Frederik I (1720-1751) uit Duitschland
overgebracht. Vooral in Saksen, Brandenburg, Hessen, Zwitserland en
Tirol vindt men hem in grooten getale, maar ook in de overige landen
ten noorden van de Alpen (o. a. in België en Groot-Brittannië)
is hij niet zeldzaam. In tegenstelling met zijn grootere verwant
bewoont hij, zoo niet uitsluitend, dan toch bij voorkeur stroomend
water, liefst ondiepe beken met steenachtigen of zandigen bodem en
snellen stroom. Over dag houdt hij zich hier verborgen in een holte
onder een steen; men ziet hem slechts bij uitzondering vrijwillig uit
deze veilige rustplaats te voorschijn komen, n.l. als een gemakkelijk
verkrijgbare buit hem tot dit waagstuk verleidt. Tegen zonsondergang
begint voor hem de tijd van jagen; waarschijnlijk blijft hij gedurende
den geheelen nacht in beweging. De groote staartvin stelt hem tot zeer
goed zwemmen in staat; hij doet dit echter steeds bij rukken en niet
gaarne lang achtereen. Na het voorzichtig optillen van den steen,
die zijn schuilhoek bedekt, ziet men hem eerst eenige oogenblikken
rustig op dezelfde plaats blijven, daarna pijlsnel voortschieten en,
door plotseling te zwenken of onverhoeds naar den grond te zinken,
een nieuwe schuilplaats bereiken. Bij 't naderen van een onweer
geeft ook hij bewijzen van onrust, alsof de electrische spanning
ook hem onaangenaam aandoet. De Gebaarde Modderkruiper heeft een
veel geringer weerstandsvermogen dan zijn grootere verwant en sterft
buiten het water na weinige minuten. Zijn voedsel bestaat uit allerlei
kleine waterdieren, Insecten van verschillenden leeftijd en vischkuit,
waarschijnlijk ook uit plantaardige stoffen. (Die, welke men in vijvers
kweekt, worden althans met lijnkoeken en papaverzaad gevoederd.) Het
kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente; in Maart
en April zijn de eierstokken overvuld met tallooze eitjes; van Mei
tot Juli wemelt het op sommige plaatsen van jongen, die sinds kort het
ei verlieten. Het wijfje legt de eieren in een gat, dat het mannetje
graaft en waarbij het de wacht houdt, totdat de jongen uitkomen.
Deze Vischsoort wordt wegens haar smakelijk vleesch in sommige landen,
vooral in Bohemen, in bepaaldelijk voor haar bestemde vijvers gekweekt;
in den regel zijn dit kleine kuilen van 3 M. lengte, 1 M. diepte en
verschillende breedte; men bekleedt ze met mandewerk en vult de ruimte,
die hiertusschen en den wand van den kuil overblijft, met schapenmest
om de ontwikkeling van insectenlarven te bevorderen. Een voortdurende
toevoer van versch water is volstrekt noodig voor het goed gedijen van
deze half-gevangen Modderkruipers, die zich in gunstige omstandigheden
buitengewoon snel vermenigvuldigen; de onderneming levert in dit geval
voordeel op, hoewel slechts op weinige plaatsen een flinke prijs voor
de vischjes betaald wordt.
Behalve de mensch maken ook Waterspitsmuizen en Waterratten, Eenden
en vele Moerasvogels jacht op de Modderkruipers; vooral de IJsvogel
verkrijgt waarschijnlijk het grootste deel van zijn voedsel door
het vangen van deze dieren, die bovendien veel te lijden hebben van
Visschen, die, evenals zij, op den bodem leven.
In goed ingerichte aquariën kunnen de Modderkruipers lang in 't
leven blijven. Veel tijdverdrijf verschaffen zij trouwens niet. Zij
verslinden een ongeloofelijk groote hoeveelheid Wormen en dergelijke
dieren, waarbij zij een beweging maken, alsof zij bezig zijn een
kolossalen buit te overweldigen.
De Kleine Modderkruiper, vroeger ook wel Grundel genoemd (Cobitis
taenia), onderscheidt zich van zijne reeds genoemde verwanten vooral
door het bezit van een gevorkt stekeltje, dat opgericht en neergelegd
kan worden, boven ieder oog. De bovenkaak is voorzien van 6 zeer korte
voeldraden. Het lichaam is zijdelings sterk samengedrukt, vooral aan
den kop, heeft overal nagenoeg denzelfden vorm en is met buitengewoon
kleine schubben geheel bedekt. Dit vischje wordt hoogstens 10 cM. lang
en is op oranjegelen grond zeer fraai geteekend met overlangsche
reeksen van afgeronde, zwarte vlekken; die van de onderste reeks zijn
de grootste en op het midden van den afstand tusschen de ruglijn en
de buiklijn gelegen; een tweede reeks van kleinere vlekken strekt
zich boven de eerste van kop tot staart uit; de zijden en de staart
zijn bovendien nog met kleine, onregelmatige vlekken en stippels
versierd, die op de keel, de borst en den buik geheel ontbreken;
een bruinzwarte streep gaat van het oog naar de bovenlip en zet
zich naar achteren voort tot aan de spits van het kieuwdeksel; een
andere loopt evenwijdig aan de vorige over de wangen. Bij de meeste
exemplaren vindt men een donkere, gitzwarte, scherp begrensde vlek
aan den wortel van het bovenste deel van de staartvin. De donkere
stippels vormen op de rugvin overlangsche, op de staartvin dwarse
reeksen. De parige vinnen en de aarsvin zijn lichtgeel.
De Kleine Modderkruiper is de eenige soort van zijn onderfamilie,
die ook ten zuiden van de Alpen tot in Dalmatië voorkomt. Naar het
noorden strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan de zeekust,
oostwaarts tot Rusland, westwaarts tot Groot-Brittannië. Voorts bewoont
hij Siberië en Japan. Bij ons komt hij in stilstaand en stroomend
water in kleine hoeveelheid voor op plaatsen, waar de grond zandig of
steenachtig is. In Duitschland en Engeland is hij overal zeldzamer
dan de vorige soort. Zijne levenswijze en gewoonten zijn nog weinig
bekend; men weet althans niet recht, in welke opzichten deze zich
van die der Gebaarde Modderkruipers onderscheiden. Rivieren, beken
en slooten, plassen en meren worden door hem bewoond; hij verschuilt
zich hier onder steenen en maakt jacht op Wormen, larven, Insecten
en dergelijke kleine dieren. Deze Visschen, hoewel klein, mager en
taai van vleesch, worden in sommige streken van Duitschland vóór den
rijtijd, die in Mei valt, gevangen en gegeten.
Verscheidene eigenaardigheden van andere groepen van Luchtbuisvisschen,
treft men vereenigd aan bij de Characinen (Characinidae). Zij
gelijken op de leden der beide vorige familiën door het bezit van
een keten van gehoorbeentjes tusschen het in de schedelholte gelegen
gehoororgaan en de zwemblaas, die, evenals bij de Karpervisschen
in twee opeenvolgende kamers is verdeeld. Zij verschillen van de
reeds genoemde leden der vierde orde en naderen tot de Zalmvisschen
door de sterkere ontwikkeling der bovenkaaksbeenderen; deze nemen
deel aan de begrenzing van de mondspleet, welker bovenrand bij
de Vallen en Karpervisschen alleen door de tusschenkaaksbeenderen
wordt gesteund. Een vetvin achter de rugvin, gelijk bij de meeste
Vallen en alle Zalmvisschen gevonden wordt, is bij hen geen ongewoon
verschijnsel. De rudimentaire (voor hun oorspronkelijke verrichting
in den loop der tijden ongeschikt geworden) ademhalingsorganen,
de zoogenaamde "valsche" kieuwen aan het gehemelte, waardoor de
Zalmvisschen gekenmerkt zijn, ontbreken bij de Characinen. Daarentegen
hebben verscheidene leden dezer familie, evenals sommige Vallen en
eenige Haringvisschen, een met de kieuwholte samenhangend, op een
spiraalsgewijs gewonden buis gelijkend toestel, dat hen in staat
stelt om tijdelijk buiten het water te ademen. Het lichaam is, met
uitzondering van den kop, geschubd; de voeldraden ontbreken.
Deze familie, die meer dan 300 soorten van Zuid-Amerikaansche
en Afrikaansche zoetwatervisschen omvat, is in Europa niet
vertegenwoordigd. Hare leden, die op sommige plaatsen in tallooze
menigte de rivieren bevolken, zijn bijna zonder uitzondering tot
voedsel voor den mensch zeer geschikt; eenige vormen het voornaamste
deel van den buit der van vischvangst levende oeverbewoners, die
echter door sommige dezer Visschen in hooge mate lastig gevallen
en gekweld worden. Vooral geldt dit van eenige Characinen, die
zich kenmerken door den op een zaag gelijkenden buikkant van het
zijdelings samengedrukte lichaam en die men in de onderfamilie van
de Zaagbuikzalmen (Serrasalmonina) samenvat. Deze soorten, die men
gewoonlijk Karaïbenvisschen noemt, worden, ondanks hun geringe grootte,
wegens hun toomelooze vraatzucht niet minder gevreesd dan de Haaien
en andere reusachtige zeedieren; zij richten meer onheil aan dan
de Krokodillen, die dezelfde wateren bewonen; gevaarlijk worden zij
zelfs voor deze roofzuchtige Reptiliën, hoewel deze vooral Visschen
als voedsel gebruiken.
Tot het geslacht der Zaagbuikzalmen (Serrasalmo) brengt men die leden
der gelijknamige onderfamilie, welker groote, driehoekige, snijdende,
spitse tanden zoowel aan de tusschen- als aan de onderkaak op één
rij zijn geplaatst, terwijl meestal ook het gehemelte met één reeks
van soortgelijke tanden gewapend is. De met zeer kleine schubben
bekleede romp en ook de naakte kop zijn hoog en smal. De hooge,
tamelijk lange, met één doorn gewapende rugvin is aan de achterste
helft van het lichaam gehecht en wordt gevolgd door een kleine vetvin;
de aarsvin is lang en wordt voorafgegaan door twee doornen.
Een der meest bekende hiertoe behoorende soorten is de ongeveer 30
cM. lange Piraya (Serrasalmo piraya), die een tandeloos gehemelte heeft
en wiens tanden langs den rand niet gezaagd zijn; de ineengedrongen
romp is zeer hoog, de snuit kort en stomp; zoowel de blauwachtige
bovendeelen als de geelachtige onderdeelen zijn met donkerder vlekken
geteekend. De zaagvormige buikkant bestaat uit 24 à 27 gedoornde
platen.
Alle Karaïbenvisschen bewonen stroomende wateren van Middel- en
Zuid-Amerika. Naar het schijnt, vertoeven zij zelden of nooit in de
nabijheid der zee, in het mondingsgebied der stroomen, maar vertoonen
zich eerst hooger op, het meest houden zij van diepe riviergedeelten
met weinig strooming, vooral van bochten, die door rotsachtige oevers
omgeven en door steenklompen afgebroken zijn. Deze gewoonlijk op den
bodem levende dieren, verschijnen bij duizenden aan de oppervlakte van
't water, zoodra zij hier een buit opmerken. Op bevaarbare stroomen
begeleiden of omringen zij de vaartuigen om op het juiste oogenblik
bij de hand te zijn. "Wanneer hun niets wordt toegeworpen," verhaalt
Bates, "blijven zij op den bodem; hoogstens ziet men enkele exemplaren
hier en daar verspreid, die alle vol verwachting den kop naar den
bezoeker keeren. Zoodra echter het een of andere afval overboord
wordt geworpen, neemt het water plotseling een donkere kleur aan
door de menigte Visschen, die zich rondom den buit verzamelen. Een
woedende strijd vangt aan; dikwijls gelukt het een der strijders
een brok te vermeesteren, dat door een ander reeds half verzwolgen
was. Als een Vlieg of een Bij dicht bij den waterspiegel vliegt,
springen de Visschen alle te gelijk er als razenden op af, zoo
plotseling, alsof zij door een electrischen schok in beweging worden
gebracht." Alexander von Humboldt had reeds veel vroeger dergelijke
ervaringen opgedaan. "Het werpen van een paar druppels bloed in 't
water," zegt hij, "is voldoende om in den volkomen helderen stroom
op een plaats waar geen levend wezen te zien was, eensklaps duizende
Visschen uit de diepte naar boven te lokken. Om de kleine, bloederige
stukjes vleesch, die wij in 't water wierpen, waren binnen weinige
minuten talrijke zwermen van Karaïbenvisschen verzameld, die elkander
den buit betwistten."
Te recht worden zij door Schomburgk de gulzigste roofvisschen van
het zoetwater genoemd en met Hyenas vergeleken. Zij overtreffen zelfs
de Hyenas in roofzucht, de Gieren in gulzigheid. Van hun vraatzucht
kan men trouwens door een vergelijking met andere dieren geen juiste
voorstelling verkrijgen. Ieder dier, dat zich in hun nabijheid waagt,
wordt door hen aangevallen, zelfs Visschen, die tienmaal grooter
zijn dan zij zelf. Geen zoogdier, dat de rivier overzwemt, ontkomt
aan hun roofzucht, zelfs de pooten der watervogels, de Schildpadden
en de teenen van den Alligator zijn niet veilig voor hen.
Niet zelden wordt, naar men verhaalt, een Rund, een Tapir of een ander
groot dier, dat zwemmend te midden van een school dezer vreeselijke
Visschen geraakt, door hen opgevreten. Door tallooze beten geteisterd,
door bloedverlies verzwakt, kan het slachtoffer den oever niet
meer bereiken en verdrinkt. De dieren, die aan de oevers der door
Karaïbenvisschen bewoonde rivieren leven, kennen het gevaar, waaraan
zij bloot staan; zij durven bij het drinken het water niet in beweging
te brengen of troebel te maken, uit vrees van hunne afschuwelijke
vijanden aan te lokken. De Paarden en Honden maken van de volgende
list gebruik: zij brengen het water op één plaats in hevige beweging,
vluchten ten spoedigste zoodra de Karaïbenvisschen hier op afgekomen
zijn en gaan drinken op een andere plaats, die nu veilig is wegens het
vertrek der Visschen, die zich hier vroeger ophielden. Toch worden
hun, ondanks deze voorzorgsmaatregel, maar al te vaak stukken uit
den neus en de lippen gebeten. Een van de onderzoekers uit lateren
tijd, Karl Sachs, zegt van deze Visschen: "Moeielijk kan men zich een
voorstelling vormen van de krachtige werking hunner op een scherpe
zaag gelijkende tanden; een hardhouten stok ter dikte van een vinger,
dien ik een reeds afgemat exemplaar voor den bek hield, werd in een
oogwenk doorgebeten; zelfs dikke, stalen hengelhaken zijn tegen hun
gebit niet bestand. Hoewel het aantal en de gevaarlijkheid dezer
Visschen in sommige reisbeschrijvingen met al te schelle kleuren
zijn afgeschilderd, is het toch een feit, dat waarschijnlijk geen
der Llanero's, die zich met vischvangst bezig houden, vrij is van
litteekens van door Zaagbuikzalmen toegebrachte beten. Gelukkig hij,
die in een dergelijk geval dicht genoeg bij den oever is, om dezen
schielijk te kunnen bereiken! Want het bloed, dat in het water wordt
uitgestort, lokt dadelijk een groote school van deze Visschen aan, die
in ongeloofelijk korten tijd hun slachtoffer op de vreeselijkste wijze
verminken. Menschen of dieren, die bij het overtrekken van een rivier,
op grooten afstand van den oever door Karaïbenvisschen overvallen
worden, zijn reddeloos verloren, want zelfs indien de toegebrachte
wonden niet doodelijk zijn, kan het slachtoffer niet aan zijne
vijanden ontkomen, daar het wegens bloedverlies niet vlug zwemmen
kan. Dergelijke gevallen komen echter niet dikwijls voor. Ondanks
het zooeven geschilderde gevaar worden aanhoudend vele rivieren
overgetrokken, waarin zich, naar men zeker weet, een groot aantal
Karaïbenvisschen ophouden; ook bestaan hier groote visscherijen,
waar vele menschen voor een karig loon verscheidene dagen achtereen
naakt in het water werkzaam zijn."
Het kost natuurlijk niet veel moeite zulke vraatzuchtige Visschen te
vangen. Ieder lokaas is hiervoor geschikt; zelfs door een rooden lap
in 't water te werpen, kan men duizenden van Zaagbuikzalmen op één
plaats bijeenlokken en zooveel vangen als men wil.
De Tandkarpers (Cyprinodontidae), die een meer dan 100 soorten
omvattende familie vormen, worden zoo genoemd, omdat zij over 't
geheel genomen op Karpers gelijken, evenals deze, een uitsluitend
door de tusschenkaaksbeenderen gesteunden bovensten mondrand
en slechts één rugvin hebben. Het gebit is echter op een geheel
andere wijze ingericht: de onderste keelbeenderen zijn niet met een
betrekkelijk gering aantal vrij groote, maar met talrijke, kleine,
hekelvormige tanden bezet; zulke tandjes vindt men ook aan de bovenste
keelbeenderen, in plaats van den zoogenaamden "karpersteen"; de
kaken zelf zijn niet tandeloos, maar met kleine tandjes gewapend. De
zwemblaas is enkelvoudig en niet door een keten van beentjes met het
gehoororgaan verbonden. Schubben bedekken niet slechts den geheelen
romp, maar ook den kop, de kieuwdeksels en de wangen.
In Europa, n.l. in Spanje, wordt deze familie slechts door één geslacht
van zoetwatervisschen (Fundulus) vertegenwoordigd, terwijl een ander
geslacht (Cyprinodon) in de Middellandsche Zee gevonden wordt. Haar
eigenlijk gebied is Amerika. Hier bewonen hare leden de zee, zoowel
als de rivieren en meren; in de Andes komen zij tot op een hoogte van
4000 M. boven den zeespiegel voor. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk,
zoo niet uitsluitend, uit dierlijke stoffen. Eenige soorten brengen
levende jongen ter wereld. Voor de huishouding van den mensch zijn
zij zonder beteekenis.
De Vieroogige Hoogkijker der kolonisten (Anableps tetrophthalmus), die
in vorm eenigszins op een Modderkruiper gelijkt, trekt zeer de aandacht
door het zonderlinge maaksel der bovenwaarts gerichte oogen. Deze
puilen uit boven een aan weerszijden van den kop gelegen opzwelling
van het onderste voorhoofdsbeen; hun bol, doorschijnend gedeelte wordt
door een nagenoeg horizontale strook van het bindvlies in twee bijna
gelijke stukken verdeeld, waarvan het bovenste het grootste is: het is,
alsof dit vischje vier oogen heeft. Het hoornvlies is niet slechts van
buiten, maar ook van binnen in tweeën gescheiden; het regenboogvlies
vertoont in het midden een van den omtrek uitgaande insnoering,
zoodat er een dubbele pupil ontstaat; aan den kristallens en aan het
glaslichaam is echter geen verdeeling op te merken. Bij geen enkel
ander dier treft men een dergelijke inrichting van het oog aan.--Deze
Visch wordt 15 à 20 cM. lang. Op vuil groenachtig gelen grond, vertoont
zijn lichaam aan weerszijden 5 smalle, zwartbruine strepen. Hoewel men
hem reeds kort na de ontdekking van Amerika heeft leeren kennen, zijn
de berichten over zijn levenswijze nog zeer onvolledig. Hij bewoont
Guyana en Noord-Brazilië, vooral de slijkbanken langs de kust en den
mond der hier in zee stroomende rivieren. Op sommige plaatsen, vooral
op ondiepten, die in de onmiddellijke nabijheid van de kust gelegen
zijn, komen niet zelden tallooze scholen van deze Visschen voor. Zij
worden in de naburige dorpen en steden veelvuldig te koop aangeboden,
hoewel hun vleesch niet als smakelijk bekend staat.
Naar men zegt, zwemt deze Visch zóó, dat de bovenste helft van het
oog boven, de onderste helft onder den waterspiegel ziet.--Reeds voor
lang werd opgemerkt, dat het wijfje levendbarend is.
De familie der Makreelsnoekvisschen (Scomberesocidae) omvat ongeveer
140 voor 't meerendeel langwerpige Visschen met geen andere dan gelede
vinstralen, welker onderste keelbeenderen op soortgelijke wijze als
bij de Lipvisschen tot één stuk vergroeid zijn; aan weerszijden van
den buik hebben zij een reeks van gekielde schubben; de rugvin is
tegenover de aarsvin aan den betrekkelijken korten staart gehecht. Door
het laatstgenoemde kenmerk en doordat de bovenkaaksbeenderen aan de
vorming van den bovenrand der mondspleet deelnemen, stemmen zij met
de Snoeken overeen.
Ongeveer 50 soorten vormen het geslacht der Geepen (Belone); het
onderscheidt zich door een zeer lang, aalvormig lichaam en een
snavelvormigen bek, gevormd door de sterk verlengde tusschenkaak
en de nog langere onderkaak; beide zijn met scherpe tanden gewapend
(een dubbele rij zeer kleine aan den buitenrand, verder binnenwaarts
grootere, kegelvormige); op de keelbeenderen komen plaveiselvormige
tanden voor. De schubben vallen, met uitzondering van die, welke bij
alle familieleden aan weerszijden van den buik voorkomen, weinig in
't oog.
De Geep (Belone belone), die over alle Europeesche zeeën en ook
verder verbreid is, kan een lengte van meer dan 1 M. bereiken, maar
weegt zelden meer dan 1 KG. De bovendeelen zijn blauwachtig groen,
de onderdeelen zilverwit.
De Geepen komen van Maart tot Juni gewoonlijk zeer overvloedig, in
andere tijden van het jaar zeer zeldzaam in onze zeeën voor. Bij
andere Europeesche kusten verschijnen zij in den regel met de
Makreelenscholen, als welker aanvoerders de visschen haar velerwege
beschouwen. In de Middellandsche Zee treft men haar veelvuldig, in de
Britsche wateren niet zelden, o.a. aan de kust van Cornwallis dikwijls
in grooten getale aan. Behalve in de Noordzee, worden zij ook in de
Oostzee in sommige maanden veelvuldig gevangen. Meestal komen zij
bij groote scholen op het land af en bewegen zich met slangsgewijze
kronkelingen zeer levendig op korten afstand van de oppervlakte,
waarboven zij zich gaarne met kolossale sprongen verheffen; soms
geschiedt dit vele malen achtereen. Opmerkelijkerwijze valt de Geep,
na loodrecht boven het water uit geschoten te zijn, er steeds op den
staart weer in. De drijvende voorwerpen, die zij op haar weg ontmoet,
maken haar nieuwsgierig of wekken haar toorn.
Volgens Benecke en Heincke voedt de Geep zich voornamelijk met jonge
Haringen, Sprotten en Stekelbaarsjes en maakt jacht op ieder levend
wezen, dat zij, al is het dan ook na groote inspanning, in haar
spijskanaal kan stuwen. Zelden gelukt het haar den buit onmiddellijk
te verzwelgen. Omdat zij niet in staat is er een stuk af te bijten,
wordt het voedsel meestal geruimen tijd in den bek gehouden, voordat
het in den slokdarm verdwijnt; het is vaak voorgekomen, dat zij een
lokaas letterlijk in vezeltjes verdeelde. Terwijl zij aan den haak
spartelt, wordt de inhoud van de maag in den regel uitgebraakt; zoo
is men te weten gekomen, dat kleine Vischjes, b.v. Zeestekelbaarzen,
het meest door haar verslonden worden. Nauwkeurige berichten over
de voortplanting der Geepen ontbreken tot dusver; het kuitschieten
heeft plaats in de laatste maanden van de lente.
Hoewel de Geep, nadat zij uit het water is gehaald, een zeer
onaangenamen reuk verbreidt, hoewel onze visschers haar mager en
dor vleesch gering schatten en het bij voorkeur als lokaas voor
betere Visschen gebruiken, wordt zij bij vele kusten, ook bij de
onze, in groote hoeveelheid gevangen. Op de Londensche markt komen
geregeld scheepsladingen van deze Visch, die door liefhebbers deels
uit nieuwsgierigheid, deels om haar lagen prijs gekocht wordt. Hare
beenderen hebben, evenals die van den Magaal, een fraaie, groene
kleur. Ook in ons land worden versche en gerookte Geepen in sommige
jaren veelvuldig te koop aangeboden. Een hoogeren prijs besteedt
men er echter voor in de landen om de Oostzee. Men vangt ze hier in
haringnetten of aan den hengel of steekt ze met een soort van elger met
vele spitsen; het steken van de Geep geschiedt echter alleen des nachts
bij fakkellicht, welks ongewoon schijnsel deze Visschen bijeenlokt.
De Makreelsnoeken of Makreelgeepen (Scomberesox) gelijken door vorm
en lichaamsbouw het meest op de leden van het vorige geslacht; aan de
Makreelen herinneren zij echter door het maaksel van de rugvin en de
aarsvin, welker achterste vinstralen een bovenste en een onderste reeks
van kleine vinnen vormen, die zich tot aan de staartvin uitstrekken. De
kaken bezitten slechts één rij van tandjes.
De Makreelgeep (Scomberesox saurus) wordt 30 à 40 cM. lang,
heeft glinsterend zilverwitte wangen en kieuwdeksels, donkerblauwe
bovendeelen, lichter gekleurde, groen glinsterende zijden, zilverwitte
onderdeelen en dofbruine vinnen. Op de rugvin volgen 5, op de aarsvin
6 kleinere vinnen. Volgens Prof. Van Swinderen ("Initia faunae
Groninganae," 1826) wordt deze soort van tijd tot tijd aan de kust
van Groningen gevangen. Zij behoort eigenlijk in den Atlantischen
Oceaan tehuis, maar verschijnt in de maand Juni bij scholen in het
Kanaal, aan de geheele westkust van Groot-Brittannië en ook aan de
oostkust van dit rijk. Van hier verdwalen van tijd tot tijd enkele
exemplaren meer oostelijk tot bij onze kust en tot in den Sond. Dit
schijnt echter hoogst zelden te gebeuren. Na 1826 is geen enkel geval
van het vinden van dezen Visch aan onze kust bekend geworden. In de
Middellandsche Zee treft men hem niet aan, wel een verwante soort (of
verscheidenheid). Tegen het einde van het najaar keert de Makreelgeep
naar de diepten der zee terug en wordt dan tot in den volgenden zomer
niet meer bij de kust waargenomen. Soms worden deze Visschen bij
storm in menigte aan de kust gedreven; ook blijven zij soms bij eb
tusschen de zandbanken achter; zij zitten dan met den langen snuit in
het zand of de slib vast. Wanneer Bruinvisschen, Bonito's of Tonijnen
de dicht opeengedrongen scholen van Makreelgeepen vervolgen, trachten
deze zich niet slechts door sprongen boven het water te redden, maar
schieten zelfs eenige tientallen Meters ver boven de oppervlakte van
het water voort, zonder onder te duiken. Deze beweging, die men met
vliegen vergeleken heeft, levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op,
en is des te opmerkelijker, daar de vinnen dezer Visschen zich niet
door buitengewone grootte onderscheiden.
Het vleesch van de Makreelgeepen is vet en gelijkt op dat van de
Makreelen. Zij worden daarom door alle visschers gaarne gezien en
ijverig vervolgd. Om deze Visschen te vangen, maakt men van netten
gebruik, daar zij slechts zelden aan een lokaas bijten.
De Vliegende Visschen, die de reiziger in het ruime sop te zien krijgt,
behooren bijna uitsluitend tot het geslacht der Hoogvliegende Visschen
(Exocoetus). Zij onderscheiden zich hoofdzakelijk door de buitengewoon
sterke ontwikkeling hunner vinnen, vooral van de spits toeloopende
borstvinnen, welker lengte ongeveer twee derden en welker breedte
omstreeks een derde van de lichaamslengte bedraagt en die ten opzichte
van den zeer forschen, onder een dikke spierlaag gelegen schoudergordel
een vrijer beweging hebben, dan bij de overige Visschen voorkomt. Door
hun gestalte komen de Hoogvliegende Visschen, wanneer men de vinnen
buiten rekening laat, eenigermate met de Haringen overeen; de naam
Vliegende Haring, die hun soms gegeven wordt, is dus niet slecht
gekozen. Zij hebben echter een meer gedrongen lichaamsbouw, zijn op
den rug en in de borststreek sterker afgerond, hebben een dikken en
stompen snuit, zijn dus over 't geheel genomen plomper van gedaante
en onderscheiden zich ook door de buitengewone grootte der oogen.
Van de inwendige deelen valt op te merken, dat de zwemblaas kolossaal
groot is, de helft van de lichaamsholte inneemt en dus veel bijdraagt
tot de lichtheid van dezen Visch. Er is reden voor de bewering,
dat deze luchtzak een veel belangrijker rol speelt bij het vliegen
dan bij het zwemmen; proefnemingen hebben geleerd, dat de Visschen,
die dit orgaan bezitten, volstrekt niet beter geschikt zijn om uit
de diepte naar de oppervlakte te stijgen, dan zij, die het missen.
Tusschen de Vliegende Haringen is de overeenkomst zoo groot, dat
men tot voor betrekkelijk korten tijd er slechts weinige soorten
van onderscheidde. Valenciennes heeft een 30-tal beschreven; latere
onderzoekers hebben eenige nieuwe vormen ontdekt, zoodat het aantal
soorten van dit geslacht thans 44 bedraagt. Alle hebben nagenoeg
dezelfde levenswijze. In ontzaglijke menigte bevolken zij de zeeën
en vooral den Oceaan van de heete luchtstreek en van de aangrenzende
gedeelten der gematigde aardgordels; zij houden zich hier volstrekt
niet uitsluitend langs de kust, maar letterlijk overal op; ver van het
land ontmoet men ze zelfs in grooter aantal dan op korten afstand van
de kust. Zelden dwalen zij naar onze breedten af: aan de Engelsche
kust heeft men twee soorten eenige malen waargenomen. Van hun leven
in 't water, van de wijze waarop zij zwemmen, van hun voortplanting
is tot dusver niets bekend; alle waargenomen feiten hebben strikt
genomen alleen betrekking op hun leven in de lucht, op de beweging
die met vliegen vergeleken wordt en waardoor zij aan hunne vijanden
trachten te ontkomen.
De boven water verkeerende Vliegende Haringen leveren een zeer
eigenaardig schouwspel op. De reiziger ziet, zoodra hij het door
deze Visschen bewoonde gebied bereikt, het schip aan alle zijden
door hen omringd; zoo ver het oog reikt, ziet hij ze voortdurend in
meer of minder groot aantal boven het water opstijgen en er weer in
afdalen. A. von Humboldt zegt, dat men hun beweging zeer goed kan
vergelijken met die van een over het water scheerenden platten steen,
die, neervallend en weer teruggekaatst, een paar meter hoog boven de
golven voortschiet. De Vliegende Haringen springen n.l. in den regel,
zoolang er geen bijzondere reden voor een hoogeren sprong bestaat,
slechts 1.5 à 2 M. hoog boven den waterspiegel op; ook bewegen zij
zich niet ver ineens, maar vallen spoedig weer neer; de eene Visch
volgt echter zoo schielijk op den anderen, dat oogenschijnlijk de
eerste telkens slechts even met het water in aanraking komt, zich een
nieuwen stoot geeft en een tweeden sprong doet, hoewel in werkelijkheid
het eene exemplaar over het andere heenspringt. Niet zelden komt het
voor, dat een talrijke school van honderden of duizenden Visschen
zich gelijktijdig boven het water verheft. Dan merkt men op, dat
steeds een groot aantal van de naar boven gestegen exemplaren na een
korten sprong in het water terugvallen, terwijl de overige hun weg
vervolgen en eerst op veel grooteren afstand van hun uitgangspunt
weer met de golven in aanraking komen. De op deze wijze gevolgde baan
kan zeer verschillend zijn. In gewone omstandigheden verheffen de
Vliegende Visschen zich ongeveer één meter boven den zeespiegel; over
de toppen der golven heenglijdend, vallen zij in het water terug na het
afleggen van een korten weg; groote exemplaren kunnen door buitengewone
krachtsinspanning bij uitzondering een hoogte van 4 of 5 M., misschien
wel van 6 M. bereiken, om daarna langs een zwak gebogen lijn naar een
punt dat 100 à 150 M. verder gelegen is, in zeldzame gevallen misschien
tweemaal zoo ver, voort te schieten. Voor den wind af, in den wind op
en bij windstilte beschrijven zij gewoonlijk een rechtlijnigen weg, bij
zijwind heeft altijd een afwijking in zijdelingsche richting plaats.
"De Hoogvliegende Visschen," zegt Alexander von Humboldt, "brengen
een groot deel van hun leven in de lucht door; dit maakt hun ellendig
bestaan echter niet gemakkelijker. Wanneer zij de zee verlaten om
aan de vraatzucht der Goudmakreelen te ontkomen, ontmoeten zij in
de lucht Fregatvogels, Albatrossen en andere Zeevogels, die hen in
de vlucht vangen."--"Het vliegen," zegt Baron Von Kittlitz, "schijnt
het laatste redmiddel te zijn, waarvan deze Visschen gebruik maken
om te ontkomen aan hunne vijanden, die men aanhoudend boven het
water ziet opspringen om hen te vangen. Niet minder opmerkelijk dan
het aantal der Vliegende Haringen is de ijver, die de roofvisschen
toonen bij het vervolgen van deze prooi. Wel moeten deze dieren zich
buitengewoon sterk vermenigvuldigen, om bij zulk een felle vervolging
nog zoo talrijk te zijn."
Möbius vat al hetgeen werkelijk van de bewegingen der Vliegende
Visschen waargenomen werd, in de volgende beschrijving samen: "Zonder
te letten op de richting van den wind en den loop der golven verlaten
de Vliegende Visschen met groote snelheid het water. Gedurende het
zweven maken zij geen geregelde fladderende bewegingen met hunne
borst- en buikvinnen, maar spannen deze eenvoudig uit. De uitgebreide
borstvinnen kunnen zeer snelle trillingen vertoonen. Terwijl de
Visschen zweven, is het achterste deel van 't lichaam iets lager
geplaatst dan het voorste. Tegen den wind op vliegen zij gewoonlijk
verder dan voor den wind af, of als hun baan en de windrichting een
hoek vormen. De meeste Vliegende Visschen, die in den wind op of
voor den wind af zweven, behouden gedurende hun geheele vluchtbaan de
richting, die zij bij het opstijgen uit het water hadden; bij zijwind
ondergaat hun oorspronkelijke baan een wijziging, totdat zijn richting
gelijk is aan die van den wind. Over dag komt het zelden voor, dat
Vliegende Visschen op een schip neervallen, meestal geschiedt dit 's
nachts en nooit bij windstilte. Het meest vallen zij neer op schepen,
die niet hooger dan 2 à 3 M. boven het water liggen, terwijl deze voor
den wind of met halven wind zeilen en een goede vaart maken. Nooit
komen de Vliegende Visschen van de lijzijde, steeds van de windzijde
aan boord. Niet zelden beschrijven zij, zoodra hun staartvin in het
water doordringt, in het horizontale vlak van hun baan een boog naar
links of naar rechts. Bij winderig weer en onstuimige zee verschijnen
zij veelvuldiger boven het water dan bij stilte. Voor schepen, die
door de zwemmende scholen heen varen, vluchten de Vliegende Visschen
evenzeer in de lucht als voor roofvisschen en Cetaceën.
A. Seitz, die de Vliegende Visschen in alle zeeën en dus waarschijnlijk
alle soorten opmerkzaam heeft nagegaan, is voor weinige jaren weder
opgetreden als verdediger van de stelling, dat deze Visschen niet
slechts zweven maar gedurende een deel van hun baan ook werkelijk
fladderen. Door de werking hunner zijdespieren verheffen zij zich
boven het water en ondersteunen dezen sprong door een buitengewoon
vlugge, fladderende beweging, waarvan de slagwijdte op het hoogste
punt van de baan 10 à 12 cM. kan bedragen. Vervolgens worden de
borstvinnen in horizontale richting uitgebreid, of, vaker nog,
een weinig naar boven gericht; het neerdalende gedeelte van de
buitengewoon lang uitgerekte boogvormige baan wordt op deze wijze
zonder eenige regelmatige beweging afgelegd. Het fladderen wordt
hervat, zoodra de Visch opnieuw gaat stijgen. Ook Pechuel-Loesche
heeft telkens als hij, hetzij van 't schip of van de boot of van
't land op de Vliegende Visschen lette, steeds den indruk gekregen,
dat deze dieren, terwijl zij uit het water oprijzen en als zij er
toevallig mede in aanraking komen, zich duidelijk fladderend bewegen
op de door Seitz beschreven wijze. Toch is en blijft dit "vliegen"
niets anders dan een kunstmatig verlengde sprong en komt eenigermate
overeen met het omhoogstijgen van de Sprinkhanen op de weide. Het
meer of minder duidelijke trillen der vinnen, dat door sommigen aan
de drukking van de lucht, door anderen aan de werking van den op het
water rustende staart wordt toegeschreven, heeft plaats, terwijl de
dieren zwevend een groot deel van hun baan afleggen, maar kan niet
met het eigenlijke fladderen op een lijn gesteld worden.
De Hoogvliegende Visschen worden overal, ongetwijfeld op goeden grond,
als een uitmuntend gerecht beschouwd; daar zij in sommige tijden en
op bepaalde plaatsen in verbazend groot aantal voorkomen, houden soms
vele visschers in booten zich met de vangst van deze Visschen bezig.
De meest bekende soort van deze familie is de Zwaluwvisch (Exocoetus
volitans), die in de Middellandsche Zee aangetroffen wordt. Hij is
ongeveer 30 cM. lang. De bovendeelen zijn hemelsblauw, de onderdeelen
zilverwit; het vlies van de borstvinnen heeft een fraaie, doorschijnend
blauwe kleur.
De familie der Snoeken (Esocidae) omvat een tiental soorten van
geschubde zoetwatervisschen, zonder vetvin, met klierachtig gezwollen
valsche kieuwen; de bovenrand van de mondspleet wordt in 't midden door
de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door de bovenkaaksbeenderen
gesteund.
Bijna alle leden der familie behooren tot hetzelfde geslacht en
gelijken in levenswijze op onzen Snoek (Esox lucius), den meest
gevreesden roover van de Europeesche meren en rivieren, die te recht
door Antonides "Vijverwolf", door Lacépède de "Haai van het zoetwater"
wordt genoemd. Bij de leden van dit geslacht zijn niet slechts
de tusschen- en onderkaaksbeenderen, maar ook de ploegschaar-,
gehemelte- en keelbeenderen en zelfs de tong met tanden bezet;
alleen de bovenkaaksbeenderen zijn tandeloos; op de tusschenkaak
zijn zij klein, op de onderkaak lang; groote hekeltanden bedekken
het gehemelte. De kleine, cycloïde schubben zijn stevig in de huid
bevestigd, de valsche kieuwen uitwendig niet zichtbaar, de buikvinnen
op het midden van den buik, de rugvin en de aarsvin aan het einde van
't lichaam op korten afstand van de zeer groote, gegaffelde staartvin
aangehecht. Zeer kenmerkend voor den Snoek zijn voorts de van boven
naar onderen afgeplatte kop, de breede, snavelvormige snuit en de
groote mondspleet. De kleur en de teekening van de bovengenoemde
inheemsche soort, den eenigen Europeeschen vertegenwoordiger van zijn
geslacht, loopen zeer uiteen: het eenige wat er in 't algemeen van
gezegd kan worden, is, dat de bovendeelen zwartachtig, de zijden grijs
en de onderdeelen wit zijn; de rug is min of meer effen van kleur;
de zijden zijn gemarmerd of met dwarse vlekken geteekend; de buik is
zwart gestippeld. De parige vinnen hebben een roodachtige, de rugvin
en de aarsvin een bruinachtige tint; de staartvin vertoont aan haar
bovenrand gewoonlijk zwarte vlekken. In het eerste levensjaar hebben
groenachtige tinten de overhand. Wat lengte betreft, staat de Snoek
bij geen der Zalmvisschen achter; alleen de Gewone Zalm en de Donauzalm
kunnen misschien soms iets zwaarder worden. Men heeft Snoeken gevangen
van 2 M. lengte en 35 KG. gewicht; exemplaren van 1.3 M. lengte en
25 KG. gewicht behooren echter reeds tot de uitzonderingen; bij ons
zijn Snoeken van meer dan 20 KG. reeds zeer schaarsch. De grootste
Snoeken treft men tegenwoordig in Zuid-Rusland, vooral in den Wolga,
aan; er zijn niet zelden exemplaren van 15 à 20 KG. bij.
De Snoek bewoont nagenoeg alle Europeesche binnenwateren en ook
Azië en Amerika, voor zoover deze werelddeelen met het onze in
klimaat overeenkomen; naar men zegt, ontbreekt hij in Spanje, en
op IJsland. In de Alpen ontmoet men hem nog op een hoogte van 1500
M., in de gebergten van Zuid-Europa vermoedelijk op nog grootere
hoogte. Zeldzaam is hij nergens, in de meeste gewesten veeleer talrijk;
waarschijnlijk is echter geen enkel water zoo talrijk aan Snoeken als
de Ob en zijne bijrivieren, waar alle voor het gedijen dezer Visschen
gunstige omstandigheden vereenigd voorkomen. De Snoek weet zich
echter te schikken naar de plaatselijke gesteldheid en schijnt zich
in ondiepe moerassen even goed op zijn plaats te gevoelen als in een
diep meer met helder water. In ons land is hij een zeer gewone Visch,
die nog in de kleinste slooten aangetroffen wordt, onverschillig of
hun bodem uit veen, modder of zand bestaat, hetzij het water zoet
is of halfbrak; een enkele maal heeft men hem zelfs bij 't visschen
met den ankerkuil bij den Moerdijk gevangen (Hoek). Onze visschers
onderscheiden "Smalbekken" en "Breedbekken"; volgens sommigen moet
dit verschil aan den leeftijd toegeschreven worden, volgens anderen
heeft men hier met standvastige variëteiten te doen. Merkwaardig
zijn de kracht en behendigheid, die de Snoek bij 't zwemmen toont en
de groote scherpte van zijne zintuigen, welke eigenschappen hem in
staat stellen als een geweldigen roover op te treden. Voortgestuwd
door een krachtig roeiorgaan, aan welks vorming alle onparige vinnen
deelnemen, schiet hij als een pijl uit den boog door 't water, kijkt
intusschen opmerkzaam in alle richtingen en overvalt zijn buit met
een zelden falende zekerheid van beweging. Bij zonnig weer "staat"
hij dikwijls geruimen tijd achtereen, d. i. blijft onbeweeglijk
op dezelfde plaats loeren. Hij is vraatzuchtiger dan eenige andere
zoetwatervisch; geen buit is hem te gering. Hij verslindt Visschen
van allerlei slag, ook leden van zijn eigen soort, bovendien alle
Vorschen, Vogels en Zoogdieren, die hij met zijn wijd gapenden muil
kan omvatten. In Engeland heeft men hem den kop van een slobberenden
Zwaan zien vastgrijpen; hij liet dit lichaamsdeel niet los, ondanks het
geweldig tegenspartelen van den grooten, krachtigen Vogel, die er het
leven bij inschoot. Hij aanvaardt den strijd met den Vischotter, hapt
naar de hand of den voet van de in 't water staande of zich wasschende
vrouw en valt, door gulzigheid verblind, zelfs op groote Zoogdieren
aan. Jonge Ganzen, Eenden, Waterhoenderen heeft men dikwijls in zijn
maag gevonden, ook Slangen, nooit echter Padden. Visschen met stekelige
rugvin, zooals de Baars, slikt hij niet dadelijk door, maar houdt
ze tusschen de tanden, totdat zij dood zijn; den in zijn nabijheid
zwemmenden Stekelbaars daarentegen laat hij ongemoeid en waagt het
niet hem aan te vallen. Voor deze voorzichtigheid bestaat een goede
reden, gelijk o.a. blijkt uit een door Van den Ende medegedeeld geval:
"Langs het water wandelend, dat mijn huis omgeeft, zagen wij een dood
vischje aan den kant liggen. Bij nader onderzoek bleek het een Snoek
te zijn van ongeveer een vinger lang; het had in den bek een jong
Stekelbaarsje (Gasterosteus aculeatus), waarvan alleen de staart nog
zichtbaar was. De twee stekels van de buikvinnen van den Stekelbaars
waren den roover gedurende het verslinden van den buit in en door
het kieuwdekselvlies gedrongen. Bovendien had het slachtoffer de 3
rugstekels opgericht, zoodat deze vastzaten in het gehemelte van den
Snoek, die nu zijn prooi evenmin doorslikken als weer uitspuwen kon
en in de onmogelijkheid verkeerde om adem te halen. Uit den gaven
toestand, waarin de Stekelbaars verkeerde, bleek, dat de Snoek kort
na den mislukten aanslag gestorven was."
Als men een Snoek gevangen houdt en zijn nooit verminderenden
honger tracht te stillen, kan men zich een denkbeeld vormen van de
ontzaglijke hoeveelheid voedsel, die deze Visch verbruikt. "Acht
Snoeken," verhaalt Jesse, "die ieder 2 KG. zwaar waren, verslonden
binnen 3 weken ongeveer 800 Grondels en waren werkelijk niet te
verzadigen. Op een morgen wierp ik een van hen achtereenvolgens 5
gewone Voorns van ongeveer 10 cM. lengte toe. Hij verzwolg er 4 van,
greep toen den vijfden, hield dezen eenigen tijd in den bek en liet
hem daarna eveneens door het keelgat glijden." Het is dan ook niet te
verwonderen, dat deze vraatzuchtige dieren buitengewoon snel groeien,
reeds in 't eerste jaar 1, in 't volgende 2 en bij rijkelijke voeding
zelfs 4 of 5 KG. zwaar kunnen worden.
Het kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente,
dikwijls reeds in het begin van Maart, maar wordt soms uitgesteld
tot in Mei. In een wijfje van 4 KG. vond men ongeveer 150000
eieren. Deze worden op ondiepe, met riet en andere waterplanten
begroeide plaatsen in het water gelegd en reeds na weinige dagen door
de jongen verlaten. Deze vinden voor een groot deel hun graf in de
maag van oudere Snoeken; niet veel geringer is waarschijnlijk het
aantal jongen, die als voedsel voor hunne broers en zusters dienen;
deze groeien des te sneller, naarmate zij beter in de gelegenheid
zijn hun honger te stillen. Naar men zegt, kunnen zij een zeer hoogen
ouderdom bereiken. Zeer oude en zware exemplaren worden in Zuid-Holland
Mossnoeken genoemd.
De Romeinen der oudheid stelden geen hoogen prijs op het vleesch van
den Snoek. Later begon men er anders over te denken; eeuwen lang werd
in Engeland althans het vleesch van den Snoek als beter beschouwd
dan dat van den Zalm. Ook thans nog wordt een goed toebereide Snoek
in eere gehouden; men maakt voortdurend jacht op dezen roofvisch,
niet alleen wegens de schade, die hij aanricht, maar ook wegens
zijn vleesch. Voor plaatsen, waar veel Snoek voorkomt, zooals langs
den Oder, de Spree, den Havel en bij de Duitsche Oostzeekusten vormt
gezouten Snoek een niet onbelangrijk handelsartikel. Hij wordt behalve
in netten en fuiken, ook gevangen in een strik van koperdraad, die
hem gedurende het "staan" voorzichtig om het lichaam wordt geschoven
en vervolgens dicht getrokken, voorts met den hengel, zeer dikwijls
ook met de zoogenaamde zetlijn of fleur. In Zwitserland is men gewoon
de Snoeken gedurende den rijtijd te schieten. Ook worden zij wel des
nachts bij fakkellicht geharpoeneerd. Men kan de Snoeken zeer goed
en met voordeel in vijvers fokken, mits er voor gezorgd worde, dat
zij geen slachting onder duurdere Visschen aanrichten en steeds over
een voldoenden voorraad van voor ons waardelooze Visschen beschikken
kunnen. Zij gedijen zoowel in hard (veel kalkzouten bevattend) als in
zacht (zuiverder) water; maar mogen er niet gedurende den rijtijd in
gebracht worden, omdat zij dan licht ziek worden en sterven. Zooals
reeds gezegd werd, houdt men ze in karpervijvers om de trage Karpers
tot beweging te nopen; men kan hiervoor echter geen andere dan kleine
Snoeken gebruiken, die geen kwaad kunnen doen, en moet ze bij 't
leegvisschen van den vijver zorgvuldig opzoeken en verwijderen.
De Borstplooivisschen (Sternoptychidae) zijn merkwaardig door het
bezit van fosforesceerende (licht voortbrengende) organen aan de
buikzijde van het lichaam. Hierdoor zijn deze kleine of middelmatig
groote zeebewoners geschikt om in de duisternis te leven. De bedoelde
organen worden vooral gevonden bij dieren, die verblijf houden op de
ontzaglijk groote diepten, waar geen lichtstraal doordringt. Dat
verscheidene Borstplooivisschen niet voortdurend in de diepte
vertoeven, maar althans 's nachts aan de oppervlakte verkeeren,
blijkt uit de vangst van verscheidene vertegenwoordigers dezer
groep met het plankton-net (waardoor de bovenste waterlaag wordt
afgevischt). Een daarvan is de Fosforvisch (Photichthys argenteus),
die in de Cooks-straat bij Nieuw-Zeeland aangetroffen werd.
Op zeer groote diepten leven de Stekelbekvisschen (Stomiatidae),
die zich onderscheiden door een voeldraad aan het tongbeen en een
zeer sterk ontwikkeld gebit. Evenals bij de leden der vorige familie,
vindt men bij den Gebaarden Egelbek (Echiostoma barbatum) een groot
aantal licht voortbrengende organen.
De Zalmvisschen (Salmonidae) mag men de edelste leden van de orde der
Luchtbuisvisschen noemen. Zij hebben een ongeschubden kop, een met
schubben bekleeden, langwerpigen, afgeronden romp en een niet door
stralen gesteunde vin (vetvin) achter de rugvin; de kieuwspleet is
groot, strekt zich uit tot aan de keel; de bek, welks bovenrand in 't
midden door de tusschenkaaks- en verderop door de bovenkaaksbeenderen
gesteund wordt, is op zeer verschillende wijze gewapend; aan het
gehemelte komen steeds kamvormige "valsche" kieuwen voor.
Naar het gebit worden de Zalmvisschen in twee scherp begrensde groepen
verdeeld: die, welker kleine bek tandeloos of althans geen andere dan
gebrekkige, spoedig uitvallende tanden draagt en die, welke een goed
ontwikkeld tandenstelsel bezitten. De eerstgenoemde herinneren aan
de Karpers en de Haringen, de overige, die de kern van de familie
uitmaken, zijn echte roovers. Tusschen het maaksel van 't gebit en
de bedekking van het lichaam bestaat in zooverre verband, dat bij
de leden der eerste groep de schubben gewoonlijk groot, bij die der
tweede in den regel klein zijn; van dit onderscheidend kenmerk maken
de visschers gebruik bij de bepaling van de waarde der voor voedsel
dienende Zalmvisschen. De kleur varieert bij leden van dezelfde soort
niet slechts met den leeftijd, maar wijzigt zich ook bij den aanvang
en bij het einde van de voortplantingsperiode.
Van de inwendige organen verdienen vooral de eierstokken vermelding. De
eieren ontwikkelen zich n.l. niet in gesloten zakken, zooals bij de
meeste overige Visschen, maar op huidplooien, die aan de binnenste
oppervlakte van den wand der buikholte uitpuilen. Deze inrichting is
voor den zalmkweeker van groot belang, daar zij hem het verkrijgen van
eieren door het uitoefenen van een zachte drukking op den lichaamswand
van den rijpen kuiter gemakkelijk maakt; hierdoor zijn de Zalmen zoo
bijzonder geschikt voor de kunstmatige vischteelt.
Met uitzondering van zes geslachten, waarvan 5 den Oceaan bewonen
en één de binnenwateren van Nieuw-Zeeland bevolkt, behooren de
Zalmvisschen uitsluitend op het noordelijk halfrond thuis. Zij
leven in zee en ook in zoet water, voor zoo ver dit zuiver is,
en komen in noordelijke gewesten in grooter aantal voor dan in
zuidelijke. In aanzienlijke hoeveelheid vindt men ze in de IJszee;
buitengewoon talrijk zijn zij vooral in het noordelijke deel van den
Stillen Oceaan, minder talrijk in de Noordzee en de Oostzee en in het
noordelijkste deel van den Atlantischen Oceaan. Enkele leden van deze
familie schijnen slechts een beperkten verbreidingskring te hebben;
zelfs worden sommige soorten (b.v. Salmo lacustris) uitsluitend in
één of in eenige weinige, dicht bijeen gelegen meren aangetroffen;
zij worden dan echter in andere meren vervangen door verwanten,
waarvan ook nu nog niet met zekerheid kan worden beslist, of zij
niet met de reeds genoemde tot één soort behooren en op geen hoogeren
rang dan dien van variëteiten aanspraak kunnen maken. Zoodra de tijd
van kuitschieten nadert, zwemmen alle Zalmvisschen de stroomen,
rivieren en beken op, ten einde zich voort te planten in hoogerop
gelegen gedeelten van het door hen bewoonde water; om eieren te
leggen keert iedere Visch terug naar de rivier of althans naar het
stroomgebied, waarin hij geboren werd. De Zalmvisschen worden door
zulk een machtigen aandrift tot trekken voortgedreven, dat zij bij 't
opzwemmen van de rivier voor geen hindernissen afdeinzen en zich zelfs
aan levensgevaar blootstellen om die, welke werkelijk onoverkomelijk
zijn, te overwinnen. Alle Zalmvisschen, die de rivieren opzwemmen,
schieten kuit in een vooraf door hen gevormden, ondiepen kuil in 't
zand of 't grint en weten de hiervoor geschikte plaats op schrandere
wijze uit te kiezen. Andere leden dezer familie verlaten gedurende
den rijtijd slechts bij uitzondering de door hen bewoonde meren (in
welk geval zij de rivieren opzwemmen, die in het meer uitmonden),
maar zoeken in den regel ondiepe gedeelten van den oever van het
meer op om er eieren te leggen. Andere eindelijk vertoonen zich
gedurende den voortplantingstijd in verbazend grooten getale aan de
oppervlakte van het water, zonder zich er om te bekommeren, of de
diepte beneden hen weinige cM. of vele Meters bedraagt; terwijl zij
hier dicht opeendringen, en vaak hoog boven het water uitspringen,
worden de kuit en de hom uitgeworpen, die over een grooten afstand
het water troebel maken.
De Zalmvisschen met zwak gebit voeden zich meer op de wijze der Karpers
dan op die der roofvisschen, d. w. z., zij gebruiken allerlei soorten
van lagere dieren, Slakken, Mossels, enz., en ook wel plantaardige
stoffen. Hunne met een krachtig gebit gewapende verwanten daarentegen
zijn alleen in hun prille jeugd met Weekdieren, Wormen, Insecten en
larven tevreden en maken op lateren leeftijd jacht op alle andere
Visschen, waartegen zij opgewassen zijn.
De beteekenis van de Zalmen voor de huishouding van den mensch is zeer
groot. Wat de bruikbaarheid van hun vleesch betreft, behoeven zij bij
geen enkelen Visch achter te staan. Hun vleesch is vrij van graten,
smakelijk en licht verteerbaar, zoodat het zelfs als ziekenkost kan
dienen. Ongelukkig behoort het in ons vaderland, dat betrekkelijk
zeer arm aan zoetwatervisschen geworden is, tot de zeldzame
lekkernijen. Ditzelfde geldt voor de meeste gewesten van Duitschland,
althans voor die, welke niet in de onmiddellijke nabijheid van rivieren
of bergstroomen en bergmeren gelegen zijn. Reeds in Skandinavië,
Rusland en Siberië daarentegen maakt het een belangrijk deel uit van
de voeding der bevolking. Het speelt zelfs een hoofdrol op den disch
van de bewoners der kustlanden van de Stille Zuidzee en van de IJszee,
welker voornaamste bezigheid in het vangen van Zalmvisschen bestaat.
De klachten over de verarming onzer vischwateren hebben hoofdzakelijk
betrekking op de vermindering van het aantal leden der Zalmenfamilie,
die zich van jaar tot jaar duidelijker doet gevoelen en ondanks
alle hiertegen genomen maatregelen slechts moeielijk te verhelpen
is. Berichten uit vroegere eeuwen leeren, dat eertijds de vischrijkdom
van ons zoetwater te groot was om er naar behooren partij van te
trekken; bovendien gewagen deze mededeelingen van nog vroegere tijden,
waarin het aantal Visschen nog grooter moet zijn geweest. Reeds
eeuwen geleden werden wetten uitgevaardigd tot bescherming van deze
belangrijke Visschen, die gemakkelijker dan alle overige uit de
binnenwateren, althans uit sommige rivieren weggevangen en verjaagd
konden worden. Nog beter blijkt echter de overvloed, waarover men
destijds beschikte, uit bepalingen, die noodig werden geacht tot
bescherming van hen, die de Visschen moesten eten, vooral van de
bedienden der oeverbewoners en eigenaars van vischwateren, die vaker
dan hun lief was met de thans zoo hooggeschatte Visschen hun maal
moesten doen. De verordeningen in het belang van de Visschen hebben
niet den gunstigen invloed gehad, dien men er van verwachtte. Eerst
in den laatsten tijd is de toestand aanmerkelijk verbeterd, deels door
wettelijke bepalingen, deels doordat ijverige mannen en vereenigingen
voor een geregelde exploitatie van de vischwateren zorg gedragen
hebben en zich vele opofferingen getroostten om den verminderden schat
langzamerhand weder te doen aangroeien. Voor deze bemoeiingen was
en is het van 't grootste belang, dat men de kunstmatige vischteelt
heeft leeren uitoefenen, waardoor het mogelijk geworden is stroomende
en stilstaande wateren weder met visch te voorzien. Welke uitkomsten
men op deze wijze bereiken kan, valt af te leiden uit het welslagen
van de proefneming om bevruchte eieren van verschillende soorten van
Zalmen te verzenden naar werelddeelen, waar geen Zalmen voorkomen
(o.a. Australië) en de Visschen, die uit deze eieren geboren worden,
in verschillende gewesten te acclimatiseeren, zelfs in zulke, die
in belangrijke opzichten afwijken van het oorspronkelijke woongebied
der soort. Ook in dit opzicht is dus vooruitgang waar te nemen.
De soorten, die in het geslacht der Zalmen (Salmo) samengevat worden,
hebben den edelsten vorm, waarin men zich den Visch kan denken; zij
zijn met kleine schubben bekleed; hun tot onder het oog gespleten
muil is gewapend met een goed ontwikkeld gebit, samengesteld uit
kegelvormige tanden, die over tusschen- en onderkaaks-, gehemelte-
en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn en zelfs de tong bedekken. De
vleugelbeenderen zijn tandeloos. De aarsvin is kort.
Het bepalen van de soort en het nagaan van haar levenswijze levert
bij geen andere groep van Visschen zooveel moeielijkheden op als
bij de Zalmen. Sekse en leeftijd, verblijfplaats en voedingswijze,
geslachtsdrift en ziekte hebben op de eigenaardigheden dezer Visschen
een buitengewoon grooten invloed; hun neiging om gemeenschappelijk met
andere soorten kuit te schieten, de geschiktheid tot het vormen van
hybriden, die misschien (om niet te zeggen waarschijnlijk) onderling
of met een der stamsoorten vruchtbaar zijn, geven ook in hooge mate
aanleiding tot het ontstaan van vormen, voor welker rangschikking een
zeer volledige zaakkennis vereischt wordt. Om deze redenen heerscht
nog tegenwoordig onder deskundigen en leeken, natuuronderzoekers
en visschers een groote spraakverwarring met betrekking tot de
Zalmsoorten, ondanks den grooten overvloed van berichten, die over
dit onderwerp gepubliceerd zijn. De kleur en de teekening van sommige
lichaamsdeelen, zelfs hun vorm (die, naar men zou denken, bij leden
van dezelfde soort niet aan verandering onderhevig is), vertoonen in
verband met sekse, leeftijd, seizoen, verblijfplaats en voedingswijze
aanmerkelijke afwijkingen; de verhoudingen tusschen de verschillende
lichaamsdeelen zijn evenmin standvastig als de grootte en het gewicht.
De Zalm (Salmo salar), het beroemdste lid van het naar hem genoemde
geslacht is kenbaar aan den zeer langwerpigen, zijdelings meer
of minder samengedrukten romp, den naar verhouding zeer kleinen
kop met slanken, ver vooruitstekenden snuit en den vorm van
het ploegschaarbeen, dat uit een tandelooze, korte, vijfhoekige
plaat en een steel met één rij van vroegtijdig uitvallende tanden
samengesteld is. Op den rug is hij blauwachtig grijs, op de zijden
glanzig zilverwit, op de onderdeelen wit en glinsterend; de teekening
van den geslachtsrijpen Visch bestaat uit een klein aantal zwarte
vlekken. De rugvin, vetvin en staartvin zijn donkergrijs, de overige
vinnen bleek van kleur; zelden ziet men op de rugvin enkele zwarte
vlekken. Bij de oude mannetjes is de onderkaak in den rijtijd soms
een weinig langer en haakvormig naar boven gekromd. Vandaar de naam
"haken", dien deze dieren bij onze visschers dragen, terwijl de rijpe
wijfjes "geepen" heeten. De Zalm kan 1.5 M. lang en 45 KG. zwaar
worden; exemplaren van deze grootte vindt men tegenwoordig nergens
anders dan in stroomen van Noord-Rusland; in de overige Europeesche
wateren laat men deze dieren den tijd niet zich tot zulke reuzen
te ontwikkelen. Bij ons wordt een Zalm van 1 M. lengte en 15 of 16
KG. gewicht reeds voor zeer groot gehouden.