[1] Door eene gunstige beschikking van den Minister van Koloniën is
mij later nog inzage verleend van belangrijke bescheiden, betreffende
het bestuur van E. L. Baron van Heeckeren (1831-1838), die op 's
Rijks-Archief gedeponeerd waren. In een naschrift zijn de voornaamste
resultaten daarvan medegedeeld.
[2] De uitvoerigste kaarten, mij bekend, zijn die, welke behooren
tot het werk van Teenstra: "De Landbouw in de kolonie Suriname,"
en de afzonderlijke, bij het werk van jonkh. C. A. van Sypesteyn:
"Beschrijving van Suriname enz." uitgegevene groote kaart, onder
toezigt van genoemden heer vervaardigd. Uit deze werken zijn ook in
deze geschiedenis de opgaven wegens den natuurlijken toestand van
Suriname grootendeels geput.
[3] O. a. J. v. d. Bosch, "Nederlandsche bezittingen in Azië, Amerika
en Afrika." 2e. deel, bladz. 173.
[4] G. B. Bosch. Reizen naar Suriname, enz., bladz 113 enz.
[5] Hartsinck, Beschrijving van de wilde kust of Guiana enz. 1e deel,
bladz. 9 enz.
C. Quandt, Nachricht von Suriname und seinen Einwohnern, sonderlich
den Arawachen, Warauen und Karaïben, u. s. w.
[6] Hartsinck, bl. 125.
[7] Bij Hartsinck, aan wien ook zeer veel bouwstoffen voor onze
geschiedenis ontleend zijn, vindt men de beschrijvingen dier
onderscheidene togten vrij uitvoerig.
[8] Hartsinck, blz. 161.
[9] J. de Laat, Beschrijving van W. I. 15de boek, 21 Cap. blad 509,
Gumella, Histoire de l'Oronoque. Tom. 1. pag. 128.
[10] Resolutiën Holl. 10, 14 Junij, 7 en 22 Julij 1581.
[11] Hartsinck, bl. 207.
[12] Hartsinck, bl. 208.
[13] Hartsinck, bl. 143 enz.
[14] Nog wordt in Suriname eene zekere kreek de Marechals kreek
geheeten.
[15] Sypesteyn, blz. 7.
[16] Hartsinck, 2e deel, blz. 583. Sypesteyn, blz. 8.
[17] Hartsinck, 2e deel, blz. 584. Ik veronderstel, dat onder dit
groote getal van 4000 ook de uit Cayenne en Engeland gekomen Joden
en de door Engelschen en Joden bereids bezeten slaven moeten gerekend
worden.
[18] Historische proeve, 1e deel, blz. 49-50.
[19] Bij Hartsinck vindt men dezen geheel 2e deel, blz. 522 tot 558.
[20] Da Costa. Israël en de volken; H. J. Koenen. Geschiedenis der
Joden in Nederland; Historische proeve enz.
[21] Swalue. Neerlands vlag.
[22] Groen van Prinsterer, Handboek der vaderlandsche geschiedenis,
blz. 554; par. 362.
[23] Hartsinck, 2e. deel, bl. 585.
[24] Hartsinck, 2e. deel, bl. 585.
[25] Historische proeve, 1e. deel, blz. 52.
[26] Hartsinck, 2e deel, pag. 586.
[27] Hartsinck zegt 1e. deel, blz. 164, den 22sten October 1667,
doch deze datum strookt niet met den verderen loop der geschiedenis,
en is alzoo kennelijk een abuis.
[28] Hartsinck, 2e. deel, blz. 588.
[29] Hartsinck, 2e. deel, blz. 599.
[30] Hartsinck, 2e deel, blz. 599.
[31] Van Sypesteyn, bladz. 13.
[32] Sypesteyn, blz. 13.
[33] Sypesteyn, blz. 13.
[34] G. B. Bosch, Reizen naar Suriname, blz. 113.
[35] Historische proeve, 1e deel, bladz. 59.
[36] Hartsinck, 2de deel, blz. 606-607. Historische proeve, 1e. deel,
blz. 59. Sypesteyn, blz. 6-14.
[37] Sypesteyn, blz. 14.
[38] Sypesteyn, blz. 5, 6. Teenstra, blz. 14-18.
[39] Om de belangrijkheid van dit origineele stuk zullen wij dit in
zijn geheel in de bijlagen opnemen.
[40] Het vroegere wapen een koggeschip, werd door drie vervangen, als
dat van Amsterdam, dat van het huis van Sommelsdijk en dat der kolonie.
[41] Hartsinck, 2de deel, blz. 621-646. Sypesteyn, blz. 14. Teenstra,
de landbouw, blz. 27-28.
[42] De Kok, Vaderlandsch Woordenboek, 2de deel, bl. 96 enz.
[43] Pistorius--zie: de Kok, Vaderlandsch Woordenboek, 2de deel,
blz. 100-101.
[44] Van Schaick, Geschiedenis der Herv. kerk in Suriname en
West-Indië, eerste jaarg. bladz. 82.
[45] Van Sypesteyn spreekt dit voorval in zijne bijlage blz. 234
tegen, met te vermelden, dat zijne echtgenoote Margaretha du Puij de
St. André Montraz eerst in het jaar 1693, dus vijf jaren na zijnen
dood, overleed; maar daar de andere schrijvers dit mede niet ontkennen,
zoo denk ik, dat hier geene sprake is van eene wettige vrouw, maar
van een bijwijf, gelijk ik ook als zoodanig vermeld heb.
[46] Hartsinck, 2de deel, blz 650.
[47] Hartsinck, 2de deel, bladz. 648 en Sypesteyn, Historische proeve.
[48] Zie nader: de Kok, Vaderlandsch woordenboek, 2de deel, bladz. 90
enz.
[49] Zij was Marguerite du Puys de St. André Montbrun, oudste dochter
van Alexandre, Marquis de St. André Montbrun, luitenant-generaal,
de beroemde verdediger van Candia, en van Louise Madelaine de la
Nocle. Zij kwam nimmer in Suriname en overleed te 's Gravenhage 1695.
[50] Een en ander van dit berigt wegens de Refugiés is ontleend aan een
opstel in het Tijdschrift, West-Indië, 13de jaargang, blz. 109 enz. Van
den hier genoemden predikaat Dalbas wordt in Surinaamsche berigten
niets aangetroffen. Als eerste Waalsche predikant in Suriname wordt
volgens Sypesteyn, Mauricius, enz. genoemd Jean Briffault, gekomen
in 1690, overl. in 1696; Pierre Terson, gek. 1696, overl. 1697;
Pierre Saurin 1697-1707 enz. Wij veronderstellen, dat Dalbas met
de uitgewekenen is mede gekomen, maar niet geregeld als predikant
aangesteld of erkend is geworden.
[51] Deze bezending had eene moeijelijke reis gehad; door een
zeeschuimer aan boord geklampt, waren zij door hem op hunne bede
wel in het leven gespaard, maar toch van geld, gereedschappen en al
wat waarde had, beroofd, op zijn oud vaartuig, (hij nam dat, waarop
zij zich bevonden voor zich) met een weinig spijs, aan zee en winden
prijs gegeven, hoewel zij toch gelukkiglijk in Suriname aankwamen;
doch men begrijpt ligtelijk in welken toestand.
[52] Het voornaamste aangaande het hier omtrent de Labadisten in
Suriname medegedeelde, is ontleend aan het belangrijke werk van H. van
Berkum. Sneek, 1851, 2de deel, blz. 132 enz.
[53] Pistorius, blz. 102.
[54] Sypesteyn, blz. 16.
[55] Historische proeve, 1e. deel, blz. 42, 43.
[56] Historische proeve, 2de deel, blz. 42 enz.
[57] H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, bladz. 293 enz.
[58] Hartsinck, 2de deel, blz. 647, 648.
[59] Deze publicatie vindt men in zijn geheel bij Sypesteyn,
Geschiedenis van Suriname, blz. 240.
[60] Men vergat hierbij zeker Ds. Baselius, die in 1668 als zoodanig
was aangesteld en eerst in 1689 overleed.
[61] Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 1e. deel, blz. 31.
[62] Hartsinck, 2de deel, blz. 648. Teenstra, 1e. deel, blz. 33.
[63] Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 2de deel, blz. 33.
[64] Hartsinck, 2de deel, blz. 648.
[65] Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32.
[66] Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32.
[67] Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32.
[68] Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 34.
[69] N. G. Kampen. Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de
deel, blz. 288.
[70] Pistorius, blz. 102.
[71] Hartsinck, 2de deel, blz. 631.
[72] Hartsinck, 2de deel, blz. 651.
[73] Hartsinck, 2de deel, blz. 672.
[74] Hartsinck, 2de deel, blz. 672.
[75] Sypesteyn, blz. 21.
[76] Sypesteyn, blz. 21 en 22.
[77] Zie H. J. Koenen, Geschiedenis der Joden in Nederland. Mr. Is. da
Costa, Israël en de Volken. Historische proeve, Hartsinck.
[78] Hartsinck, 2de deel, blz. 674.
[79] Hartsinck, 2de deel, blz. 673, 674.
[80] Hartsinck, 2de deel, blz. 675.
[81] Hartsinck, 2de deel, blz. 674-679. Teenstra, De landbouw,
blz. 37. Sypesteyn blz. 23.
[82] Historische proeve.
[83] Hartsinck, 2de deel, blz. 680.
[84] Sypesteyn, blz. 24.
[85] Hartsinck, 2de deel, blz. 706, 894. Teenstra, De landbouw,
1e. deel, blz. 38. Historische proeve blz. 82. Sypesteyn, blz. 24, 25.
[86] Zie Historische proeve, 1e. deel, blz. 82.
[87] Hartsinck, 2de deel, blz. 682.
[88] Sypesteyn, blz. 25.
[89] De geheele uitvoerige beschrijving van den inval van Cassard
vindt men bij Hartsinck van blz. 700-722.
[90] Ondertusschen had Cassard in November door een gedeelte van
zijn eskader onder den Baron de Mouans, de kolonie Berbice zoodanig
gebrandschat, dat de eigenaars de heeren van Peere, Zeeuwsche
kooplieden, de aldaar afgegeven wissels niet wilden betalen en
de kolonie liever den Franschen overlieten; waarop in 1714 eene
overeenkomst tusschen de reeders en eene Amsterdamsche maatschappij
(van Hoorn en Comp.) tot stand kwam, waarbij aan dezen tegen betaling
der wissels, den eigendom van Berbice verbleef. In 1713 brandschatte
Cassard het eiland Curaçao. (Sypesteyn blz. 26).
[91] Hartsinck, 2de deel, blz. 719.
[92] Hartsinck, 2de deel, blz. 714.
[93] Hartsinck, 2de deel, blz. 718.
[94] Hartsinck, 2de deel, blz. 722 deelt dit uitvoerig mede.
[95] Van Kampen, De Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 419
veronderstelt de mogelijkheid, dat familie-betrekkingen tusschen
de aristocratische regering in Nederland, na den dood van Willem
III, en den gouverneur van Suriname invloed uitoefenden op de
ongunstige beschikking voor de kolonisten, iets dat mij echter minder
waarschijnlijk voorkomt.
[96] Hartsinck, 2e deel, blz. 727, 728 enz.
[97] Sypesteyn, blz. 30.
[98] Redevoering van Mr. C. Ph. Vlier, Surinaamsche almanak 1833,
blz. 278.
[99] Sypesteyn, Mr. Jan Jacob Mauricius, gouverneur-generaal van
Suriname in 1742-1751.
[100] Sypesteyn, blz. 27.
[101] Teenstra, De landbouw in Suriname, 1e deel, blz. 40.
[102] Historische proeve, 1e deel, blz. 98.
[103] Historische proeve, 1e. deel, blz. 98.
[104] West-Indië 2de jaargang, blz. 28, 29. Sypesteyn.
[105] Sypesteyn en Hartsinck.
[106] West-Indië, 2de jaargang, blz. 23. Sypesteyn.
[107] Hartsinck, 2de deel, blz. 741. Historische proeve, 1e. deel,
blz. 94. Sypesteyn, blz. 29. West-Indië, 2de jaarg. blz. 294, 295.
[108] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95.
[109] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95.
[110] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. West-Indië, 2de
jaarg. blz. 150.
[111] Hartsinck, blz. 741. Historische proeve, blz. 94. Sypesteyn,
blz. 29.
[112] Hartsinck, 2de deel, blz. 742.
[113] Hartsinck, 2de deel, blz. 742.
[114] Hartsinck, 2de deel, blz. 743.
[115] Hartsinck, 2de deel, blz. 744-754, alwaar het geheele octrooi
medegedeeld wordt.
[116] G. B. v. d. Bosch, Reizen in Suriname, blz. 49.
[117] In het Journaal van Gouverneur Mauricius, worden nu en dan
bijzonderheden over de bergwerkers medegedeeld; onderlinge twisten
tusschen de hoofden en de ondergeschikten waren ook hier aan de orde
van den dag.
[118] In de journalen der gouverneurs als Mauricius, von Spörche,
Crommelin enz., welke op het rijks archief berusten, vindt men
verscheidene keeren van de Paltzers en later de Zwitsers, melding
gemaakt, dan alles komt in de hoofdzaak overeen met het hier vermelde.
[119] Hartsinck, 2de deel, blz. 740.
[120] Octrooi van 1682, artikel 5.
[121] Sommige verkoopers van slaven scheidden met voordacht de mannen
van hunne vrouwen, de moeders van hare kinderen, om daardoor de koopers
te noodzaken, die daartoe behoorden, ten duurste te koopen om niet
geëxposeerd te zijn, de reeds gekochten door wanhoop te verliezen;
tegen welke kwade praktijken o. a. door Mauricius besluiten werden
uitgevaardigd; zie journaal van Mauricius, 3 Junij 1743.
[122] Hartsinck, 2de deel, blz. 899.
[123] Zie hierover W. Bosman, Naauwkeurige beschrijving van de
Guinesche Goud-, tand- en slavenkust, enz. 1704.--Deze schrijver
heeft vele jaren in Guinea doorgebragt en als raad en opperhoofdman op
het kasteel St. George d'Elmina, was hij wel in staat om, na grondig
onderzoek, een gevestigd oordeel daaromtrent uit te brengen.
[124] W. Bosman, 2de deel, blz. 146.
[125] Hartsinck, 2e deel, blz. 901.
[126] W. Bosman, 2de deel, blz. 147.
[127] Als een voorbeeld uit vele dergelijke gevallen diene de volgende
mededeeling uit het dagboek van jhr. J. J. Mauricius, gouverneur van
Suriname: "11 Februarij 1751, voor den mond der rivier is gearriveerd
kapt. Johan Gerritse, voerende 't schip Middelburgs Welvaren van
Guinea, gedestineerd naar Berbice. Hij heeft het ongeluk gehad, toen
hij met syn schip 2 à 3 dagen van de Afrikaansche kust is geweest,
dat de slaaven een opstand hebben begonnen en op 't scheepsvolk syn
aangevallen, weshalve sy genoodsaakt syn geweest, om daaronder te
moeten schieten. De tegenweer der slaaven is so hevig en langdurende
geweest, dat van ruim 260 maar 30 stuks syn overgebleeven, doch hy
heeft by geluk geen één man van syn volk verlooren."
[128] Stedman, Reize naar Suriname, 1e deel, blz. 275 enz.
[129] Lans, die in onzen tijd door het Ned. Gouvernement naar Suriname
is gezonden, om den suikercultuur na te gaan en zoo mogelijk hierin
verbeteringen te brengen, getuigt in zijne brochure o. a. hetzelfde.
[130] Zie over de geneeskundige behandeling zelfs in lateren tijd
het zeer belangrijke werkje van F. A. Kahn, M.D., Ridder der orde
van den Ned. Leeuw, Chirur. en Chef der W.-I. troepen en hospitalen
te Suriname, mitsgaders stadsdokter en physicus aldaar.--Beschouwing
van den toestand der Surinaamsche plantagie-slaven.
[131] Teenstra zegt in zijn werk: "De negerslaven in de kolonie
Suriname," van de kleurlingen blz. 85 het volgende. "Van alle slaven
zijn de kleurlingslaven het ongelukkigste; deze door blanken en
zwarten als een tusschenras beschouwde wezens, worden van beide kanten
veracht en verstooten. In voeding en kleeding heeft een kleurling
het niet beter dan een negerslaaf; hij is zwakker en ziekelijker,
en toch vordert men even veel en even zwaar werk van hem, terwijl de
snerpende zweep hem op de dunne huid gevoeliger treft dan een neger,
en ofschoon onder de negers werkende, zal hij hun vertrouwen nimmer
deelachtig worden."
[132] Hartsinck, 2de deel, blz. 646. »Van Sommelsdijk bepaalde,
dat voortaan niemand zijne slaven meer zou mogen verminken of met
den dood straffen--er bleef dus nog al eenige ruimte over."
[133] Teenstra, de Negerslaven in de kolonie Suriname, blz. 379.
[134] Hartsinck, 2de deel, blz. 916.
[135] Hartsinck, 2de deel, blz. 916. Bij zwaarder misdrijven moest
de meester een schriftelijk verhaal van het wanbedrijf van den slaaf
in handen van den Raad-Fiscaal stellen, om naar bevinding daarvan
te kunnen handelen (des noods) met kennis van twee raden, die ten
onderzoek gecommitteerd werden. In de notulen van "Gouverneur en Raden
van Suriname" van 19 November 1711 komt o. a. eene bepaling voor,
om hierin een zekeren regel te brengen, daar tot dien tijd toe "vele
irregularitijten syn gepleegt met d'een op meerder hoeken van straaten
te geesselen als andere" en werden de zeven hoeken der straten, waar
geesseling of het toedienen eener Spaansche bok geschieden moest,
nader aangewezen.
[136] Volgens rapport, na gedane huiszoeking door den Raad Fiscaal,
had zij binnen korten tijd, 4 à 5 maanden, 6 harer negers gedood en was
reeds zij voor lang door de onmenschelijke behandeling harer slaven
bekend, waarvan zij "eene menigte om het leven heeft doen brengen,
op tirannique en barbaarse manieren." Notulen Gouverneur en Raaden
24 December 1745.
[137] Stedman, Reizen in Suriname.
[138] Uit de rapporten, door den Raad Fiscaal aan het Hof van Policie
ingeleverd, wordt deze geringachting van den doodstraf, zelfs in den
gruwelijksten vorm, door de slaven, meermalen vermeld. Notulen enz.
[139] Volgens resolutie van 8 December 1686 was anders toch bepaald,
dat negers, door de justitie gestraft wordende, aan de eigenaars uit
de kas der modique lasten moesten betaald worden--doch zoo het om
moord was, werd de schade den meester niet vergoed.
[140] Niettegenstaande dit besluit van 27 Aug. 1744, waarbij het
voorstel van Mauricius werd afgewezen, is men er later op terug
gekomen, en heeft het, eenigzins gewijzigd, meermalen in praktijk
gebragt. Zie o. a. Notulen van 18 Dec. 1745--24 Dec. 1745--4, 7,
28 Februarij 1746 enz.--waaruit blijkt, dat verscheidene negers
en negerinnen zijn veroordeeld, om gegeeseld, op het voorhoofd
gebrandmerkt, de tong uit- en de ooren afgesneden te worden, en daarna
in den ketting strafwerk te verrigten.
[141] Hartsinck, 2de deel, blz. 917.--Deze bepalingen werden
meermalen vernieuwd en strenger gemaakt, en ook tegen het bezoeken
der smokkelkroegen door slaven waren strenge bepalingen; gelijk uit
verscheidene sententiën, door het hof van policie geslagen, blijkt.
[142] Hartsinck, 2de deel, blz. 755.
[143] Historische proeve, 1e. deel, blz. 99.
[144] Van Kampen, Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de deel,
blz. 420.
[145] Van Kampen. De Nederl. buiten Europa. 2de deel, blz. 421.
[146] Surinaamsch placcaatboek, 7 Julij 1685.
[147] Surinaamsch placcaatboek, 10 Julij 1687.
[148] Surinaamsch placcaatboek, 8 Nov. 1698.
[149] Surinaamsch placcaatboek, 20 Feb. 1717 tot 18 Mei 1718.
[150] Notulen Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1742.
[151] Surinaamsch placcaatboek, 24 April 1726 tot 7
Dec. 1742.--Resolutie, 13 Dec. 1742.
[152] Hartsinck. 2de deel, blz. 757.
[153] Van Kampen. De Nederlanders buiten Europa. 2de deel,
blz. 423. Hartsinck, 2de deel, blz. 759.
[154] H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, blz. 297.
[155] Zie notulen Gouverneur en Raden, 20 Mei 1730.
[156] Schadelijk wild?
[157] Zie notulen Gouverneur en Raden, 4 Aug. 1730 en Hartsinck enz.
[158] Notulen, 14 Dec. 1730. Hartsinck, 2de deel, blz. 764 enz.
[159] Stedman. Reizen naar Suriname. 2de deel, blz. 150, gewaagt
mede van eene dergelijke strafoefening, welke een ooggetuige hem
medegedeeld had, waarbij de aldus gefolterde echter geene klagt uitte,
ja zelfs in dien toestand een neger, die onder de galg gegeeseld werd
en bitterlijk kermde, deze uiting van smart verweet, hem toeroepende:
"Zijt gij een man, gij gedraagt u als een kind." Stedman verhaalt
verder, dat genoemde neger drie dagen lang geleefd had, en dat
eindelijk de schildwacht, die bij hem op post stond, medelijden met
zijne folteringen kreeg en er een einde aan maakte, door hem met de
kolf van zijn snaphaan een slag op het hoofd te geven.
[160] Hartsinck, 2de deel, blz. 763-765. Luzac, Hollandsch rijkdom,
2de deel, blz. 173-179. Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa,
3de deel, blz. 114 enz. Notulen van Gouverneur en Raden.
[161] Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel,
blz. 117. Notulen van Gouverneur en Raden, 1738.
[162] De kosten van iederen togt werden op ongeveer f 100,000 begroot.
[163] Over Mauricius enz. zie het volgende hoofdstuk.
[164] Behalve het commando onder Creutz werden te gelijker tijd nog
twee andere expeditiën tegen de boschnegers uitgezonden, als eene
onder Mamre van 60 blanken en 272 slaven, en eene onder Goede van 8
blanken en 28 slaven.
[165] Hartsinck, 2de deel, blz. 768-771.
[166] Mauricius schrijft in zijn dagboek den 7den Julij 1750, daar hij
eenen dergelijken mislukten togt vermeldt, o. a. "Tijding gekregen,
dat de post in Tempate is uit geweest om de wegloopers te vervolgen,
dat se ook het spoor gevonden hebben, doch door de sware regens hebben
moeten wederkeeren, zeer afgemat en ziek, dewijl se tot de keel toe
door de zwampen hebben moeten gaan. NB. Zoo de heeren Amsterdamsche
onderteekenaars" (hij zinspeelt hier op zijne tegenpartij, die zich
tegen den vrede aankantte) "maar één drie dagen een dergelijken tocht
geliefden bij te woonen, zouden se een iedee krijgen, hoe gemakkelijk
't hier is de wegloopers uit te roeijen."
[167] Hartsinck, 2de deel, blz. 776.--Notulen van Gouverneur en
Raden. Journaal van Mauricius, waarin meermalen gewag van deze zaak
wordt gemaakt.
[168] Zie volgende hoofdstuk.
[169] Zoutwater-negers zijn die welke uit Afrika aangevoerd zijn;
de afstammelingen van hen, die in de kolonie geboren zijn, worden
Creolen-Negers genaamd.
[170] Deze slaven waren, na hun meester doodgeslagen te hebben,
gevlugt, Notulen Gouverneur en Raden, 1 Maart 1748.
[171] Zie over de familie Araby het latere gedeelte dezer geschiedenis,
dat meer over de zendingszaak handelt.
[172] De ondervinding toch had geleerd, dat met vrucht weinig tegen de
boschnegers kon verrigt worden, en alzoo besloot men nu tot datgene,
hetwelk reeds 10 jaren vroeger door Mauricius was voorgesteld maar
toen door de meesten verworpen was.
[173] Deze Quako was slaaf bij eene Jodin geweest, die hem,
niettegenstaande hij getrouw en arbeidzaam was, steeds hard behandelde;
lang had hij dit verduurd, maar toen zij hem uit een vreemden gril
neus en ooren wilde doen afsnijden, had hij de vlugt genomen en zich
bij de boschnegers gevoegd.
[174] Een der commissarissen, de heer Zobre, was ongesteld geworden.
[175] Zie Journaal van den Gouverneur, 19, 20, 26, 27 October, 7, 8,
11 December 1760.
[176] Journaal van den Gouverneur, Sept. 1761.
[177] Bij Hartsinck vindt men de togten tegen de negers en de met hen
gesloten verdragen vrij uitvoerig vermeld, 2de deel, blz. 755-813,
verder bij van Kampen "de Nederlanders buiten Europa", 3de deel,
blz. 110-135: Stedman, Reizen in Suriname, 1ste deel, blz. 78-96 en
verder in Teenstra, Sypesteyn en onderscheidene andere geschriften,
en in de notulen van Gouverneur en Raden, terwijl in de Journalen
der Gouverneurs hiervan mede dikwijls melding wordt gemaakt, gelijk
wij reeds hier en daar aangegeven hebben.
[178] Sypensteyn verhaalt daarvan in zijn werk »Mr. Jan Jacob
Mauricius, Gouverneur-Generaal van 1742 tot 1751" dat hij reeds op zijn
zesde jaar eene predikatie hield; op zijn achtste Latijnsche verzen
maakte; op zijn twaalfde een heldendicht uitgaf; op zijn dertiende,
student werd, en nog vóór zijn zestiende, tot doctor in de beide regten
werd bevorderd.--Wij kennen de bron, waaruit Sypensteyn putte, niet
en deelen deze bijzonderheden slechts op zijn gezag mede,--volgens het
oordeel van kenners zijn zijne gedichten, op lateren leeftijd gemaakt,
van weinig poëtische waarde.
[179] Sypensteyn, Jan Jacob Mauricius enz. bladz. 11-15.
[180] In het voorberigt van het octrooi door de Algemeene Staten,
waarbij Suriname in handen en onder directie van de bewindhebbers van
de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde West-Indische Compagnie viel,
wordt ten eerste haar hetzelfde regt als zij op al hare conquesten had
verleend; en ten tweede bepaald, dat de gemelde Compagnie ten eeuwigen
dage niet bevoegd zal zijn, of vermogen eenige de minste verandering
te brengen in datgene, hetwelk bij de Articulen van voorn. octroy in
1682, gelimiteerd staat.
[181] Zie bladz. 84.
[182] Zie Hartsinck, bladz. 889.
[183] Zie notificatie 11 Mei 1742.
[184] Later in 1749 door de oprigting van een kas tegen de wegloopers
verviel deze heffing.
[185] De beschrijving van de onderscheidene collegiën, kantoren,
benevens de vermelding der onderscheidene ambtenaren, is voornamelijk
aan Hartsinck ontleend, (zie 2e deel, bladz. 873-890), en komt volkomen
met het deswege in de officieele bescheiden vermeldde overeen.
[186] Deze algemeene oproepingen waarvan wij ook in het 2de hoofdstuk
3de tijdvak spraken, moet men wel onderscheiden van de proeve van
kolonisatie met Duitschers en Zwitsers.--Zie het zelfde hoofdstuk.
[187] Zie o. a. Teenstra, de Negerslaven en bladz. 37--waar geklaagd
wordt, dat eigenaars en administrateurs van plantaadjes de Duitschers
boven anderen voorthelpen en de eerste posten der regering soms bij
voorkeur aan hen opgedragen worden.
[188] Hartsinck, 2e deel, blz. 876.
[189] Historische proeve. H. J. Koenen, geschiedenis der Joden in
Nederland. Is. da Costa, Israël en de volken.
[190] Recueil echte stukken 2e. dl., blz. 183.
[191] Teenstra deelt in "de Negerslaven" op blz. 43--en een ongenoemde
schrijver in een werkje "Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand,"
bladz. 48, hierover verscheidene bijzonderheden van lateren tijd mede,
welke grootendeels overeenkomen met het hier vermelde.
[192] Journaal van Mauricius, 29 Jan. 1748.
[193] Amerikaansch Voyagiën, door Adriaan van Berkel, uitgegeven tot
Amsterdam bij Johan ten Hoorn, 1695.
[194] Beschrijvinge van de volkplantinge Zuriname, door J. D. H. L.,
te Leeuwarden bij Meindert Injema, Boekdrukker en verkooper, vooraan
in de St. Jakobsstraat, 1718 blz. 46.
[195] Recueil echte stukken bl. 518.
[196] Notulen, 23 Mei 1746.
[197] Notulen, 11 Junij 1748.
[198] De Hoogduitsche Joden maakten gebruik van een gesticht dat door
de Portugesche Joodsche gemeente in 1719 was daargesteld, maar in
1744 bij besluit der geoctroyeerde sociëteit aan hen was afgestaan,
en, bij de aanwas dier gemeente, aanmerkelijk vergroot werd.
[199] Om den lezer eenigermate een denkbeeld te geven van de uiterlijke
gedaante der stad, hopen wij een paar platen te geven, waarin
Paramaribo in twee onderscheidene tijdperken zal worden voorgesteld.
[200] Notulen Gouverneur en Raden, 11 Junij 1748.
[201] Recueil echte stukken, 2e deel, blz. 517.
[202] Wel was dit bij placaten verboden, doch de overtreding derzelven
kon moeijelijk nagegaan worden; o. a. was bij Resolutie, 24 Dec. 1745
bepaald, dat de blanke bedienden, die vleesschelijke gemeenschap met
eene slavin hielden, met f 100 zouden worden beboet. Not. G. en R.
[203] Dichtlievende uitspanning, blz. 167, ook
medegedeeld door Teenstra, De landbouw in Suriname, 2de
bld. 151. Sypensteyn. J. J. Mauricius, blz. 116.
[204] Creool is de algemeene benaming van de in de kolonie
geborenen.--Zoo vindt men blanke Creolen d. i. afstammelingen
van Europesche ouders; gekleurde Creolen of Kleurling-creolen,
afstammelingen van Europesche vaders en mulatinnen of negermoeders,
of ook van Kleurlingen en Kleurlingvrouwen en in het algemeen allen,
die niet tot het onvermengd Europeesch ras behooren, mits zij noch
Karboegers noch negers zijn. Karboegercreolen, namelijk afstammelingen
van een mulat en eene negerin, of van eene mulattin en een
neger. Negercreolen of de in Suriname geboren negers. Zoutwaternegers
werden de negers genaamd, die uit Afrika overgebragt waren.
[205] Journaal Mauricius, 7 Mei 1749.
[206] Journaal Mauricius, 15 en 16 Nov. 1740--10 Feb. 1751
enz. benevens de notulen over deze zaak.
[207] Notulen, 24 Dec. 1745 enz.
[208] Channing.
[209] Als een bewijs van het lage peil der zedelijkheid verhaalt
Stedman, die eenige jaren later in 1776 in Suriname vertoefde,
dat dezelfde vrouwen, die zich luide over de ongetrouwheid harer
mannen beklaagden, vaak aan goede vrienden hare slavinnen, naar eene
willekeurige waardering, voor zekeren prijs in de week aanboden.
[210] Alzoo wordt de slaaf genaamd, die met de verzorging der zieken
is belast. Zie F. A. Kuhn, M. D. Beschouwing van den toestand der
Surinaamsche plantagie-slaven. Te Amsterdam, bij C. G. Sulpke 1828, en
J. Wolbers, de Surinaamsche negerslaaf. Amsterdam, H. de Hoogh. 1854,
bladz. 17, 18.
[211] Mauricius, zie bladz. 13.
[212] Een eigenlijk kerkgebouw bezaten de Hervormden in Paramaribo
niet. Sedert de aankomst van Ds. Baseliers in 1668 tot den aanvang
dezer eeuw, hield de gemeente hare godsdienstoefeningen in een
bovenvertrek van het stadhuis, gewoonlijk het hof genoemd, op het
kerkplein. Het onderste gedeelte diende tot vergaderplaats van
het Hof van Policie en Crimineele Justitie, alsmede de secretarie
enz. "Van Schaïck, de Hervormde Gemeente in Paramaribo. West-Indië,
1ste jaarg. bladz. 30.
[213] Reeds in 1691 was deze gemeente in het bezit van een eigen
predikant, namelijk Ds. Klei.
[214] In de bijlagen zullen wij de naamlijsten der Nederd. en Fransche
predikanten, benevens die der later opgerigte Luthersche gemeenten,
laten volgen.
[215] Niemand ergere zich aan dit woord, het kwam in alle officieele
stukken alzoo voor, en was eene in dien tijd geijkte uitdrukking.
[216] Dit Conventus kwam eenmaal in het jaar, in de maand Februarij,
te Paramaribo tezamen. De predikanten en ouderlingen--zoo der
stadsgemeente als die der divisie, die anders haren afzonderlijken
kerkeraad hadden, verschenen aldaar om èn den staat, èn de behoeften
der kerken en gemeenten te overwegen. In dit Conventus Deputatorum,
ingesteld onder het Gouvernement van den heer Scharphuys, zaten ook
twee Raden van Policie als Commissarissen politiek.
[217] Journaal van Mauricius, 17 Februarij 1748.
[218] Notulen Mei 1733, October 1733 enz.
[219] Notulen, 21 Mei 1733.
[220] Later was hij als predikant te Stevenswaard
werkzaam. "West-Indië, van Schaïck, Hervormde Kerk 1e jaarg. p. 86."
[221] Ds. Duvoisin had kort vóór de ontvangst van dezen brief reeds
zijne betrekking nedergelegd.
[222] Journaal Mauricius.
[223] Journaal Mauricius.
[224] Not. G. en R.
[225] Not. G. en R.
[226] De vertaling was reeds door zijn zoon geschied.--Recueil 2
d. bl. 4.
[227] Recueil 2 dl. bijl. 110.
[228] De Heer zij gedankt, dat de Hernhutters niet zoo oordeelden,
want dan verkeerde de bevolking in Suriname nog bijna geheel in de
magt des Heidendoms.
[229] Journaal Mauricius, 4 April 1746.
[230] Genoemde Jan Ark.
[231] Zie Notulen, 3 Mei 1743.
[232] Zij schijnen het hiermede echter niet zeer gelukkig getroffen
te hebben; spoedig ontstond er oneenigheid tusschen den predikant,
den kerkeraad en de gemeente.
Ds. Pfaff preekte slechts zelden, soms werd hij er door bevel der
regering toe gedwongen.--In 1744 werd de eerste steen van de kerk
gelegd en in 1744 voltooid en ingewijd.
[233] Hartsinck, 2e deel, bladz. 891.
[234] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 December 1745.
Schetsreekening of Calculatie, waeruyt het Tantum aan den heer Fiscaal
toe te leggen, mitsgaders de tractementen zoo aan den Exploiteur
of Deurwaarder en deszelfs twee Substituten, alsmede alle kosten
rakende het Exploiteur-ambt, te vinden zijn en de inkomsten van
't zelve Exploitementen.
Surinaamsch geld
Men rekent, dat aan den heer Raad Fiscaal, volgens
ZEd. eisch zal kunnen toeleggen jaarlijks f 6000
De nieuw aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder f 2000
De twee Substituut-Exploiteurs ieder f 500, dus f 1000
Huur van twee sloepen, die de Exploiteur uit zijn
privé-beurs moet betalen, jaarlijks voor ieder f 100 f 200
Onderhoud van 10 slaven, die door het land zouden
moeten worden gekocht, te weten voor kost, noodig
onderhoud en chirurgijnsloon aan den Exploiteur
toe te leggen f 300
Interest van eene somme van f 5000, dat men rekent
de 10 aan te koopen slaven zullen kosten, à 8 pCt.
in het jaar f 400
----
f 9900
Waartegen men rekent, dat het Exploiteurschap zoude opbrengen, grosse
mode namelijk
dat alle jaren aan citatiën, zoo voor de beide hoven van
Policie en Civiele Justitie, als voor het Collegie van
Kleine Zaken, boven de f 100 worden uitgegeven 500 stuks,
ieder gerekend à f 4.10 f 2025
Aan Exploiten, die jaarlijks worden gedaan, zoo schat men
zulks op 300 stuks, ieder gerekend op f 7.10 f 2250
Aan huur van twee sloepen en 10 stuks slaven, tot het doen
van Exploiten in de rivieren met de vacantiën, welke men
vooraf alhier verdeeld, namelijk, dat wanneer een Exploit
wordt gedaan op plantaadjes, één getij van Paramaribo
gelegen, f 18 en verder voor ieder getij meer f 18, rekent
men op te brengen f 1800
Voor 't derigeren der Executiën, ieder jaar f 10 à 20 f 200
Proclamatiën, Edictaales Citatiën, maken van Inventaris,
alles met de aankleve van dien, alsmede voor het visiteeren
in civiele gijzelingen, rekent men hoogstens f 1800
Voorgestelde heffing van 5 pCt. voor de koopers van losse,
vaste goederen bij Executie verkocht, daar men vermeent, dat
de kooper weinig zien zal, rekent men f 1000
----
f 9075
Te kort alzoo volgens Calcula f 825
----
f 9900
Schetsrekening of Calculatie, om daeruyt te vinden een jaarlijksch
bestaan voor een aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder voor
beide hoven.
De Exploiteur zal ten zijnen kosten moeten koopen twee
bekwame scheepssloepen, welke men rekent dat zullen kosten
hoogst f 400, die sloepen twee jaren dienende, zoo kost hem
zulks jaarlijks f 200
Voor kost en onderhoud van 10 slaven, mitsgaders
chirurgijnsloon à 50 per slaaf f 500
Voor het maken van een tentbootloods f 200; men rekent dat
deze 4 jaren goed blijft, is dus ieder jaar f 50
----
f 750
Alzoo kan de Exploiteur jaarlijks overhouden f 2050
----
f 2800
Want hij zal genieten:
1. Een vast jaarlijks tractement f 2000
2. Voor huur van de twee sloepen f 200
3. Voor het onderhoud der 10 slaven f 300
4. Opbrengst huurloos, wanneer hij de slaven niet voor de
dienst noodig heeft, rekent men f 30 per slaaf f 300
----
wordt f 2800
Volgens de Notulen van 14 December 1745 werd bij de Instructie voor
den nieuwen Exploiteur in artikel 29 de declaratiën bepaald.
Voor een Citatie f 4.10;--Insinuatie f 7.10;--Sommatie f 7.10;--
Renovatie f 7.10; --Aanwijzing van goederen f 7.10.
Dirigeren eene Executie eens vooral buiten vacatie f 20.00
Presentie-geld van ieder Raad in de rivieren per dag f 20.00
Presentie-geld van ieder Raad in Paramaribo per dag f 5.00
Omslag voor den tamboer f 1.10; voor vacatie in de rivieren
in de 24 uren f 10.00
Huurvaartuigen en slaven, ieder 24 uren of vacatie f 8.00
Inventaris zonder voortgang der Executie f 7.10
Sondags-Proclamatie van 1, 2, 3 en 4de gebod, voor ieder f 7.10
Exploit op mandement van purge, soo wegens het afkondigen,
uitroepen als het citeeren van een iegelijk, die sich
partij zoude willen maken f 7.10
Copie van 't mandement op een zegel aan het raadhuis f 5.00
Het relaas of acte van Exploite f 5.00
Exploit van een mandement van ministerie en van policie f 7.10
Emolument voor den Substituut-copie van 't mandement f 1.16
Exploit op 't mandement van Benifice van Inventaris f 5.00
Edicaale Citatie op zegels, aan 't raadhuis en in de
rivieren, ieder f 5.00
Het maken van Inventaris, Estimatie van goederen en
verklaring bij acte doet stellen f 9.18
Vacatie per dag f 10. Copie van gedane Exploit f 4.
Arresten Interdict mitsgaders dagvaarding f 7.10.
Emolument substituut. Copie met zegel f 1.16. Presentie ter rolle
f 1.16. Exploit van opdaging f 7.10. Copie der weetbrief van het
arrest, mitsgaders obligatie en verdere documenten, neftens de
schriftexempl. aan de overgedaagde f 4.10. Exploit van beteekening en
gijzeling f 7.10. Visitatie in die gijzeling eens f 3. Copie van het
rekwest en origineel mandement van gijzeling, mitsgaders 't Exploit
van de beteekening derzelve en acte op zegel f 3.15.
Een insinuatie op verleende surcheange f 7.10
Een insinuatie om wederom in gijzeling te gaan f 7.10
Een edictaale citatie op 't zegel van het raadhuis en in de rivieren,
alwaar de affectie is, voor ieder f 5.
Emolument voor den substituut, 't presenteren ter rolle van ieder
Crediteur daarin gemeld, 6 stuivers.
[235] Recueil echte stukken, 1e deel, bl. 4 enz.
[236] In de notulen van 28 Febr. 1746 wordt ook gewag gemaakt van een
voorstel van den Gouverneur om eene algemeene Landkaart te laten maken.
[237] Journaal van Mauricius, 8 Maart 1746. Na eene inspectie der
nieuwe fortres deelt hij zijn oordeel daarover mede met deze woorden:
"In 't geheel sie ik die fortresse aan met oogen van verdriet, als een
lastig houkind, sonder dat het nut ooit geproportionneerd sal weesen
na de kosten. Ze maakt een schoone parade op de kaart en als ze in
Brabant lag, geloof ik, dat het een schoon stuk werk sou wesen.--Doch
in den ganschen aanleg is geen attentie gemaakt op de omstandigheden
van dit land. Zelfs de casernen zijn gemaakt, als of 't in 't noorden
was, van steen en dichte benaauwde kamertjes, elk met een schoorsteen,
correct op 't model van 't Amsterdamsche oude mannenhuis.
[238] Sypesteyn, Geschiedenis van Suriname bl. 32; Sypesteyn,
J. J. Mauricius, bl. 32. Hartsinck, 2e deel, bl. 729-39; bij den
laatsten schrijver vindt men het stuk in zijn geheel.
[239] Notulen van Gouv. en Raden, 25 en 26 Aug. 1744.
[240] Journaal van Mauricius, 5 Feb. 1745.
[241] Als een staaltje van de wijze, waarop de publieke opinie in
Suriname zich bij dergelijke gelegenheden openbaarde, zie notulen 4
Mei 1744.
"Bij gelegenheid der verkiezing van een nieuw raadslid, gaf Mauricius
zijne verontwaardiging te kennen, dat op de stembriefjes, die overluid
voorgelezen moesten worden, soms baldadige en moedwillige beschimping
van personen voorkwamen, ja de impertinentste en canailleuste
declamatiën, waarom besloten werd dat voortaan bij dergelijke
nominatiën niet anders dan de namen der bedoeld wordende personen
zouden worden gelezen--en dat zoo er meer op mogt vermeld zijn dit
als nietig zoude worden beschouwd."
[242] Journaal van Mauricius, 14 Dec. 1746.
[243] Journaal van Mauricius, 3 April 1748.
[244] Scherping was secretaris van het hof; hij stond alzoo
onmiddellijk onder den gouverneur.
[245] Zij huwde in December 1721 te Paramaribo met Hendrik Temming,
die na het overlijden van Jean Coutier, den 10den Oct. 1721 tot
Gouverneur-Generaal van Suriname benoemd was en die den 1sten Maart
1722 het bestuur dier Kolonie aanvaardde. Na zijn overlijden hertrouwde
zij den 17den Julij 1729 met den toenmaligen Gouverneur C. E. H. de
Cheusses, welke den 1sten Februarij 1734 overleed, waarna zij ten
derde male in het huwelijk trad den 10den Februarij 1737, en nu met
den Gouverneur Joan Raije, die haar echter reeds den 11den Augustus
van datzelfde jaar door den dood ontrukt werd. Den 7den Januarij 1742
huwde zij andermaal, nu met den predikant bij de Waalsche gemeente
te Paramaribo, Anthony Audra, welke echter reeds den 17den Mei 1744
overleed, waarna zij eindelijk voor den vijfden keer (27 Mei 1748) in
den echt trad met Louis Duvoisin, predikant bij de Waalsche gemeente,
dien zij ook overleefde.
[246] Journaal Mauricius, 6 Febr. 1744.--Ook Sypesteyn deelt deze
bijzonderheid mede.
[247] Notulen, 16 Mei 1748 enz.
[248] Journaal Mauricius, 6 Junij 1748.
[249] Kapitein der Artillerie, anders geen vriend van Mauricius.
[250] De negotie van Indiaansche of roode slaven was een voordeel aan
de betrekking van Gouverneur verbonden. Daarvoor hadden de Gouverneurs
zoogenaamde wervers "Bokkenruilders" in dienst, die de bovenlanden
doorreisden en van de met het Gouvernement bevriende Indiaansche
stammen, de door hen op andere gemaakte krijgsgevangenen opkochten,
meestal in ruiling tegen blaauw katoen, kralen, ijzerwaren of sterke
drank. Deze roode slaven werden in de stad gebragt, door een tolk
onderzocht, of zij ook behoorden tot eene bevriende Natie en in het
tegenovergestelde geval, namens den Gouverneur, aan de ingezetenen
verkocht, die hen als huisbedienden of jagers gebruikten. Vroeger
had deze hatelijke handel vele voordeelen opgeleverd; ten tijde
van Mauricius echter bragt hij, doordat de Indianen verder in de
binnenlanden trokken, zoo weinig op, dat de kosten naauwelijks uit
den verkoop gedekt werden. De beschuldiging, dat Mauricius twee,
hem door den vrijen neger Quassie aangebragte, roode slaven van een
bevrienden stam zou verkocht hebben, was onwaar--de bedoelde slaven
behoorden tot den niet bevredigden stam de Brouhahan's, enz.--Sypesteyn
(Mauricius blad 90-92.)
[251] Journaal Mauricius, 13 Aug. 1743.
[252] Journaal Mauricius, 27 Dec. 1749.
[253] Journaal Mauricius, 26 Maart 1749.
[254] Journaal Mauricius, 8 Julij 1849 onder hevige koortsen uit.
24 Julij 1749. De ziekten onder de Zwitsers nemen toe, ook de
ontevredenheid en wanorde.--Zij willen niet naar het hospitaal, zij
willen niet innemen, zij willen voor de overgeblevene kinderen der
overledenen niet de minste zorg dragen, zij willen geene bedekking
van soldaten. Wat een onwil!
[255] Journaal Mauricius, 13 Nov. 1743.
[256] Journaal Mauricius, 8 Jan. 1745.--Bij deze gelegenheid
drong Mauricius zeer aan op het uit Nederland doen overkomen van
brandpalen. Zie blad. 295, 96.
[257] Journaal Mauricius, 13 Nov. 23 Nov. 25 Nov. 1, 2, 12 Dec. 1746.
[258] In 1797 in Februarij, ontstond er weder een boschbrand, die met
afwisselende hevigheid woedende, eerst in April door den aanhoudende
regen tot staan kwam.
[259] Notulen, 28 Feb. 1744.
[260] Zie Notulen, 18 Feb. 1745.
[261] Notulen, 4 Julij 1747.
[262] Journaal van Mauricius, 22 Julij 1748.
[263] 1 Mei 1749 werd door G. en R. verzoek gedaan tot het oprigten
van een kas voor de wegloopers.
[264] Zie Notulen, 19 Dec. 1747.
[265] Zie bldz. 147 enz.
[266] Recueil 4 d. bl. 98 enz.
[267] Recueil 4e. deel, bldz. 347.
[268] Journaal van Mauricius, 24 Dec. 1750.
[269] Dit adres is vervolgens door HH. Commissarissen aan
H. K. H. Prinses Anna (Willem de 4e was inmiddels overleden)
overgegeven, die daarop berigt van HH. Directeurs inwon, welke het
Mauricius in handen gaven, die er eene scherpe kritiek op leverde;
daarna deed H. K. H. uitspraak, die door H.H.M. den 20sten Julij des
jaars 1763 bekrachtigd werd.
Dit zeer belangrijk stuk zal met de aanmerkingen van Mauricius en de
uitspraak van H.H.M. in de bijlagen worden opgenomen.
[270] Journaal van Mauricius van 11, 12, 13 April 1751.
[271] Volgens Journaal van Mauricius van 5 en 6 April 1751, waren
genoemde heeren door den Commandeur, uit naam der HH. Commissarissen,
geadverteerd, dat zij wel zouden doen met hunne demissie te vragen.
[272] Op de Vries was de Cabale zeer verbitterd en moest hij alzoo
het veld ruimen.
[273] De benoeming van Pichot tot Prov. Fiscaal is nimmer door
Directeuren erkend.
[274] Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1751.
[275] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Mei 1731.
[276] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 en 29 Julij 1731.
[277] De Raad Fiscaal deed hiervan in de vergadering van het Hof
mededeeling, waarop dit voor het vervolg streng verboden werd.
[278] Historische proeve 2e. deel, bladz. 135.
[279] Notulen G. en R.--12 en 16 Mei 1751.
[280] Eerst in 1754 kwam deze regeling tot stand en werd deze onder den
naam "Ascamoth" door H.H.M. en de prinses Gouvernante en de Directeuren
der Sociëteit bekrachtigd, terwijl alstoen tevens bij onderlinge
schikking "voor deese reyse en zonder gevolg voor het toekomende"
nieuwe regenten werden aangesteld: Hist. proeve 1e. d. bl. 135.
[281] Notulen G. R., 15 Mei 1731.
[282] Notulen G. R., 8 Julij 1732. Deze notulen zijn hier zeer
belangrijk.
[283] Notulen, 3 Sept. 1731.
[284] Notulen van Gouv. en Raden, 16 Feb. 1752.
[285] Vóór dit Hoofdstuk ten einde is, zullen wij hier reeds op
terugkomen.
[286] Later ging dit huis aan de familie Marselis Hartsinck over.
[287] Daar de Notulen van Gouvern. en Raden, anders zoo volledig der
maand November 1751 ontbreken, kan dit plan der negotiatie door mij
niet in zijn geheel worden medegedeeld. Ik heb het nu moeten opmaken
uit de Notulen van 27 December 1751, 11 Januarij en 30 en 31 Mei 1752,
toen deze zaak in discussie werd gebragt.
[288] De rente werd door Deutz gesteld op 6 percent. (Sypesteyn,
bladz. 40.)
[289] De beschrijving dezer lijkstaatsie vindt men in de Notulen van
Gouverneur en Raden van den 8sten September 1752 en wordt ook door
van Sypensteyn medegedeeld op bladz. 50-52 van het tijdschrift van
West-Indië 2de deel.
[290] Zie Notulen Gouverneur en Raden van 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15
September 1752. Journaal van Crommelin van 5, 6, 7 en 8 September 1752
en 2 Februarij 1753 en mede Sypensteyn. Geschiedkundige aanteekeningen
in het Tijdschrift "West-Indië", 2de deel, bladz. 36-47.
[291] Journaal van Crommelin van 2 Februarij 1753.
[292] Verschuer overleed reeds den 17den Mei 1753.
[293] Journaal van Crommelin, van 4 Febr. 1753.
[294] Journaal van Crommelin, van 5 Febr. 1759.
[295] Notulen van Gouverneur en Raden, 13 Februarij 1753.
[296] Notulen van Gouverneur en Raden, 1, 6 en 7 Maart 1753.
[297] Notulen van het Hof van Civiele Justitie, 10 April 1753.
[298] Notulen idem, 22 Mei 1753.
[299] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Maart 1753.
[300] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1753.
[301] Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Mei 1753.
[302] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 April 1753.
[303] Notulen van Gouverneur en Raden, 19 Maart, 22 en 24 Mei 1753.
[304] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Aug. 1753.
[305] Notulen van Gouverneur en Raden, 23 Aug. 1753.
[306] Journaal van Crommelin van 1 Mei 1753.
[307] Journaal van Crommelin van 6 Mei 1753.
[308] Journaal van Crommelin, 11 Mei 1753.
[309] Notulen Gouverneur en Raden, 5 en 6 Julij 1753.
[310] Journaal van Crommelin, 27 September 1753.
[311] Journaal van Crommelin, 4 Julij 1753. Notulen Gouverneur en
Raden, 4 Julij 1753.
[312] Journaal van Crommelin 11 Julij 1753. Jonkh. van Sypensteyn--in
zijn "Mr. J. J. Mauricius," bladz. 117 en 118, vermeldt, dat zoowel de
Fiscaal als Mauricius eene actie van injurie tegen Duplessis instelde,
hetgeen ten gevolge had, dat hij voorloopig op de gevangenpoort te
's Gravenhage in hechtenis werd gehouden--en later bij de algemeene
amnestie voor alles wat de Surinaamsche geschillen betrof, werd
uitgezonderd. Eindelijk werd hem op zijn dringend verzoek vergiffenis
geschonken, echter onder de voorwaarde, dat hij Duplessis alle gemaakte
onkosten onmiddellijk voldoen en nimmer naar Suriname terugkeeren zou.
[313] Eene der meest beruchte cabalisten, Mevrouw de Wed. Duvoisin,
overleed den 6 Aug. 1753.--Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1753.
[314] Notulen, Gouverneur en Raden, 29 Oct. 1753, Journaal van
Crommelin, van den zelfden dag.
[315] Alléén Strübe was van de oude raden op nieuw gekozen.
[316] Zie bijlage.
[317] Notulen Gouverneur en Raden, 6 Nov. 1753.
[318] In de meeste werken, en zelfs in eenige Staatsstukken wordt
er steeds van 600 man staatsche troepen gesproken, die met de
Commissarissen mede kwamen, doch uit het Journaal van Mauricius,
gelijk als uit de belangrijke mededeeling daaromtrent gedaan door
Jonkh. van Sypensteyn in het Tijdschrift "West Indie" 2de deel,
bladz. 48 en 90, blijkt dat er slechts een getal van 392 soldaten
waaronder 44 officieren in Suriname arriveerde.
[319] Notulen Gouverneur en Raden, 24 Junij 1754.
[320] Als eene der laatste stuiptrekkingen van de cabale wordt nog
vermeld dat een harer bekende aanvoerders, de heer Jan David Cellier,
zich bij het uitvaardigen der amnestie in zeer beleedigende woorden
hierover uitliet op eene openbare plaats, in de kolfbaan van Paul
Noortman, en zich onderscheiden dreigementen tegen de thans in de
regering van Suriname gezeten personen veroorloofde. Hij werd hierover
aangeklaagd, in Zeelandia gevangen gezet, en na een langdurig proces,
den tweeden December 1754, veroordeeld tot eene boete van f 15,000. 1/3
voor den Fiscaal, 1/3 voor de Modique lasten, 1/6 voor de armen van
Paramaribo, en 1/6 voor het Sociëteits-hospitaal. Notulen, 5 Aug. 2
Dec. 1754 enz.
[321] Notulen Gouverneur en Raden, 24 October, 4 Nov., 9 Nov., 10 Dec.,
11 Dec 1754 en 20 Februarij 1755.
[322] Deze moeijelijkheden herhaalden zich telkens; het verschil over
de verdediging der kolonie was eene bron waaruit onophoudelijk twist en
tweedragt ontstond. Terwijl de Sociëteit van haar invloed op de Hooge
regering in Nederland gebruik maakte om zooveel mogelijk de balans
ten haren voordeele te doen overslaan, gaven de kolonisten ook nimmer
dan schoorvoetende toe en niet altijd waren zij hier in het ongelijk,
niet altijd werd hun regt gedaan. Om de gedurige moeijelijkheden met
de schippers, in geval van noodzakelijke verdediging te voorkomen,
besloot men later (6 Mei 1756) aan de Sociëteit te verzoeken om alsdan
twee oorlogsschepen te posteren. Notulen, 6 Mei 1756.
[323] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Aug. 1755 bijlage Not. 30
Aug. 1755 enz.
[324] Notulen Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1756.
[325] Notulen Gouverneur en Raden, 23 Dec. 1755.
[326] Notulen, 6 Aug. 1754.
[327] Journaal van der Meer, 11 Dec. 1754.
[328] Notulen, 6 en 26 Maart 1755 bijlage Notulen van 6 Maart No. 15
Mei 1755 enz.
[329] Notulen Gouverneur en Raden en bijlagen van 15 Mei, 3, 4, 12,
13 Junij 12 en 18 Aug. 17 Sept., 7, 24 October 1755, 24 Januarij 1756
enz. enz. enz.
[330] Journaal van van der Meer, Januarij 1755.
[331] Notulen Gouverneur en Raden, 27 Febr., 13 Junij en 9 Oct. 1755,
8 Oct., 5 Julij en 23 Julij 1756, bij deze laatstgenoemde notulen
vindt men de Concept-Instructie der nieuwe weeskamer 24 Sept. 1756.
[332] Journaal van van der Meer, 18 Dec. 1755.
[333] Acta van het Conventus Deputatorum 26 Mei 1757.
[334] Bij de behandeling der zendingszaak vermelden wij een en ander
uitvoeriger.
[335] Notulen G. en R., 31 Aug. 1756.
[336] Notulen G. en R., 17 Dec. 1756.
[337] Not. G. en R., 23 Dec. 1756.
[338] Not. G. en R., 7 Sept. en 24 Dec. 1756.
[339] Notulen G. en R., 27 en 28 Dec. 1756, 7 Februarij 1757. Journaal
v. Crommelin, 18, 21 en 23 Jan.
[340] Not. G. en R., 8 Februarij 1757.
[341] Notulen G. en R., 7, 10, 20 Maart April en Mei 1757.
[342] Bijlage der Notulen, 26 Mei 1757.
[343] Notulen G. en R., 15 Sept. 1757.
[344] In 1761 werden zij door de heeren J. L. van Son en D. F. Dandiran
vervangen. (Not. G. en R., 20 Aug. 1761).
[345] Journaal Crommelin, 12 en 17 Jan. 1758. Bijlage van Not. G. en
R., 25 Julij 1758.
[346] In 1765 en 66 vermenigvuldigden zich de verkoopingen en het onder
sequestratie brengen van plantaadjes van wege het kantoor Marselis.
[347] Notulen, 8 Febr. 1764.--Volgens besluit van het Hof,
19 Febr. 1767, mogten o. a. de voordeeligste katoenboomen bij
waardeering niet hooger dan 12 stuivers gepriseerd worden--de minderen
in kwaliteit, naar evenredigheid.
[348] Zekere Johannes Bock, die 32 jaren in Suriname had gewoond
en daarna, zoo voor eigene zaken als in het belang dezer zaak, naar
Nederland was gegaan, had zich hiervoor veel moeite gegeven.
[349] Notulen van G. en R. van 13 Febr. 1764 en van 4 Febr. 1765.
[350] Notulen van Gouverneur en Raden van 25 Januarij 1736.
[351] Notulen van Gouverneur en Raden van 27 Maart 1761.
[352] Notulen van 19 Mei 1761.
Hartsinck, 2de deel, bladz. 857 en 858. Bij dezen schrijver vindt
men ook eene afbeelding van dit kaartengeld, doch over de uitgifte
is hij niet in alle opzigten naauwkeurig geweest en op zijn voorbeeld
hebben ook andere schrijvers gedwaald.
[353] Zie notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums.
[354] Notulen Gouverneur en Raden, 20 Februarij 1765.
[355] Notulen Gouverneur en Raden, 3 Dec. 1765.
[356] Notulen, 8 Mei 1764. Wegens gebrek aan muntspeciën werden
Directeuren verzocht f 6000 aan stuivers, f 2000 aan duiten te zenden
en tevens aan ieder schipper een zak met f 600 mede te geven.
[357] Not. G. en R., 23 Aug. 1765.
[358] Notulen G. en R. 23 Maart 1767.
[359] Zie bldz. 251.
[360] Notulen van Gouverneur en Raden van 26 Junij 1760.
[361] Notulen van Gouverneur en Raden van 27 en 28 Junij 1760.
[362] Een voorstel van Crommelin, om op het pad weder een schout te
plaatsen, werd door de Raden afgewezen. Notulen, 17 Febr. 1762. Doch
des niettegenstaande werd op 20 Mei 1763 een schout aangesteld. Aan de
aanvraag om een eigen predikant werd nimmer voldaan: de predikanten
van Paramaribo zouden er preken. In 1760 werd er eene predikatie
gedaan en in 1764 weder eene. Notulen van 9 Mei 1764.
[363] Reeds vroeger had Crommelin voorgesteld, om die gehate
extra-ordinaire belasting te verminderen; (zie Notulen, 17 Nov. 1758)
terwijl uit de Notulen van 16 Dec. 1762 blijkt, dat er alstoen
in genoemde kas een saldo van f 227,345,1 voorhanden was en de
vermoedelijke uitgaven op slechts 50 à 60 duizend geraamd werden.
[364] Notulen van G. en R. van 4 en 8 Dec. 1760 en 3 Febr. 1761.
[365] Notulen van G. en R. van 14 Junij en 14 Julij 1762.
[366] Notulen Gouverneur en Raden, 19 Feb. 1763.
[367] Notulen G. en R., 20 Dec. 1763.
[368] Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1765.
[369] Journaal van Crommelin, 29 Oct. 1766.
[370] Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767.
[371] Journaal van Crommelin, 9 Dec. 1767.
[372] Journaal van Crommelin, 11 Aug. 1768.
[373] Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767.--
Bij de blijvende moeijelijkheid om predikanten te verkrijgen, werd
in December 1768 besloten, het tractement weder te verhoogen en
hetzelve te brengen; voor de stad op f 2500, voor de districten op
f 2000,--terwijl toen ook bepaald werd dat de weduwen haar pensioen
buiten de kolonie mogten verteren.
Notulen G. en R., 3 Oct. 1751, 12 Aug. en 18 Dec. 1766. Journaal
van Crommelin, 16 Dec. 1751, 23 Febr., 28 Maart, 16 April, 22 April,
2 Julij 1767, 29 Dec. 1767, 11 Aug. 1768 enz., enz., enz.
[374] Notulen G. en R., 2 Junij 1758, 28 Oct. 1759, 12 Aug. 1765,
10 Mei 1768, 4 Mei 1769, 11 1769 tot 14 Mei 1770 enz., enz.
[375] Notulen van Gouverneur en Raden van 28 Februarij 1759 en 8
Februarij 1762.
[376] Notulen van Gouverneur en Raden van 20 Augustus 1761 en 9
Februarij 1762.
[377] Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Mei 1768.
[378] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Mei en 13 Augustus
1760 enz.
[379] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Februarij 1764.
[380] Journaal van Crommelin van 19 April 1763. Notulen van Gouverneur
en Raden van 2 Mei 1763.
[381] Zie hierover bladz. 170-80.
[382] Notulen van Gouverneur en Raden van 23 Mei 1763.
[383] Notulen van Gouverneur en Raden van 7 Augustus 1764.
[384] Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Augustus 1766 enz.
[385] Notulen van Gouverneur en Raden van 6 December 1764, 22 Augustus
en 5 October 1766.
[386] Journaal van Crommelin van 10 September 1767.
[387] Zie bladz. 219-20.
[388] In 1767 kwamen in Suriname wel verontrustende tijdingen uit
Nederland over geheime voornemens, welke men vermoedde dat Engeland
koesterde, om een aanval op de kolonie te doen. Men besloot toen ook
wel om op zijne hoede te zijn en zich ongemerkt in staat van tegenweer
te stellen, doch het opgevatte vermoeden omtrent kwade bedoelingen
van Engeland bleek ongegrond te zijn geweest.
Zie Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Mei 1767, enz.
[389] De Engelsche schippers waren dan ook immer verpligt om paarden
aan te voeren; de Engelsche schipper die geene paarden aanbragt moest,
zonder verder zijne lading te mogen verkoopen de kolonie verlaten. Aan
deze bepaling volgens placaat van 1704 werd streng de hand gehouden.
[390] Notulen van Gouverneur en Raden van 2 April 1760.
[391] Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Junij 1764.
[392] Notulen van Gouverneur en Raden van 10 December 1764.
[393] De Deserteurs werden naar Holland gezonden. Wederzijdsche
uitlevering van gevlugte slaven had wel van tijd tot tijd plaats doch
deze zaak was toch nog niet bepaald geregeld. Eerst in 1770 werd er
tusschen Frankrijk en H.H.M. een cartel gesloten over de wederzijdsche
uitlevering van Deserteurs en gevlugte slaven.
[394] Eene gansch niet onbelangrijke mededeeling omtrent die mislukte
kolonisatie vindt men in het Tijdschrift "Onze Tijd" Jaargang
1859. Afl. Januarij in een artikel getiteld "Cayenne."
[395] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1766.
[396] Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1763 en 5 Julij
1763, enz.
[397] Als eene bijzonderheid deelen wij het tarief mede, volgens
hetwelk de soldaten die naar de Berbices gingen, bij verlies van een
of meerdere ledematen een zoogenaamd soulagement zou worden toegelegd:
Voor het verlies van beide oogen f 1500.
,, ,, ,, ,, een oog f 300.
,, ,, ,, ,, beide armen f 1500.
,, ,, ,, ,, regter arm f 450.
,, ,, ,, ,, linker arm f 350.
,, ,, ,, ,, beide handen f 1200.
,, ,, ,, ,, regter hand f 350.
,, ,, ,, ,, linker hand f 300.
,, ,, ,, ,, beide beenen f 700.
,, ,, ,, ,, een been f 350.
,, ,, ,, ,, beide voeten f 450.
,, ,, ,, ,, een voet f 200.
Notulen van Gouverneur en Raden van 5 Julij 1763.
[398] Journaal van Crommelin 20 en 26 December 1757, 22 Augustus
1760, enz.
[399] Over de woekerwinsten der vettewariers kwamen meermalen
klagten. Zij kochten zooveel mogelijk alles op en dwongen daardoor de
markt. Het Hof besloot hun reeds tot 14 gestegen getal te verminderen
tot 10 (zie Notulen Gouverneur en Raden, 5 Februarij 1766) doch daar
hierdoor het kwaad, in plaats van te verminderen, verergerd werd
moest men spoedig op dit besluit terug komen.
[400] Journaal van Crommelin 28 November 1757 en 2 Januarij 1758.
[401] Journaal van Crommelin 23 December 1758 en 3 September 1760.
[402] Journaal van de Meer, 9 Maart 1756.
Journaal van Crommelin, 13 November 1767.
Zie verder over dezen hatelijken handel, bladz. 218.
[403] Zie bladz. 153-160.
[404] Notulen, Gouverneur en Raden, 12 Februarij 1762.
[405] Notulen Gouverneur en Raden, 5 Aug. 1767. Omtrent die zending
vindt men aldaar vermeld: dat er weder drie Moravische broeders
waren aangekomen, die verlof verzochten om als zendelingen onder de
Saramaccaner boschnegers te gaan. De brief van den president van het
zendelings-departement Hernhutt, aan Gouverneur en Raden, ademde een
regt liefelijken Christelijken geest, en maakte ook een goeden indruk
op het Hof. Men noemde het plan nuttig en gaf de gevraagde toestemming.
[406] Hartinck, 2e deel, bladz. 812.
Notulen Gouverneur en Raden, 2 November, 6 November 1766, 29 Januarij,
22 Junij 1767, enz.
[407] Meermalen verhuurden de boschnegers zich tot veldarbeid op
de plantaadjes. Verscheidene meesters echter weigerden later het
door hen bedongen loon uit te betalen, hierom werd eene resolutie
tot rigtige nakoming der wederzijdsche verpligtingen uitgevaardigd
(zie Notulen Gouverneur en Raden, 20 December 1764). De boschnegers,
de gedurige twisten daarover moede, trokken zich terug.
[408] Notulen van Gouverneur en Raden, 3 December 1764.
Nog dikwijls wordt in de notulen van deze jongelingen melding
gemaakt. Een derzelve Jeboach, schijnt een korzelig humeur te hebben
gehad en werd naar Holland gezonden. Na ontvangen onderwijs in het
Aalmoezeniershuis, wordt hij tot het ambacht van schilderen opgeleid en
werd na zijne terugkomst in Suriname meermalen in belangrijke zendingen
gebruikt en oefende een grooten invloed op zijne stamgenooten uit;
twee andere werden timmerlieden.
[409] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1762.
[410] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Februarij en 12 September
1757.
[411] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Julij 1757.
[412] In December 1757 had zij op haar ingediend verzoek scheiding
van tafel, bed en bijwoning van haren man verkregen.
Notulen van Gouverneur en Raden, 13 December 1757.
[413] Notulen van Gouverneur en Raden van 11 Sept. 1759.
[414] Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Julij en 3 Augustus 1761.
[415] Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Julij en 3 Augustus 1761.
[416] Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Augustus 1761.
[417] Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Augustus 1761.
[418] Notulen van Gouverneur en Raden van 15 Julij 1762.
[419] Notulen van Gouverneur en Raden van 1 September 1762.
[420] Deze manier word eertijds meêr in Suriname gevolgd,
zie o. a. "Beschrijvinge van de Volkplantingen in Zuriname"
door J. D. H. L. te Leeuwarden bij Meindert Injewa 1718,
bladz. 112." Straffen der Slaven. Als wanneer zij eenig kwaad, buiten
de straffe des doods verdiend hebben (bedrijven), zoo werd dezelve door
order van de meester, of ook wel door hem zelfs gestraft: werdende
de misdadige de handen met touw te zamen gebonden, na boven aan een
boom opgetrokken (of over een balk van 't huis op zekere hoogte van
de grond) en daar vastgemaakt zijnde, zoo wordt hem 50 ponds op de
grond staande aan de voeten vastgemaakt en die aan een gebonden, om
daardoor het slingeren, schoppen met de voeten te beletten; gehouden
zijnde deze strengen straf nog geduldig te lijden, of ten minste
met wringen en schreeuwen haar groote ellende te beklagen..... wordt
hem eerst door de meester of eenige blanke dienaren en gevolgelijk
door de swarte broedergezellen, zoodanig met een zweep (gevlogten
van water pinas, een soort van zeer taai riet, met scherpe doornen)
geslagen en gegeeseld, dat hij eerder een gevilde of gestroopten hond
gelijkende is, als een mensch. En wanneer men bevind, dat zij soms
door aangedrongen pijnen so kwaadaardig zijn, dat zij somtijds haar
zoeken te stikken, wijl zij de kop in de borst zetten en de adem weten
in te houden, daarbij de tong nog dubbeld leggen, om door stikken haar
leven te benemen, neemt men een stuk brandhout en stoot haar dat voor
de tanden, so dat haar de lippen digter schroeijen als die doch anders
zijn, so dat zij adem halen; en als wanneer men oordeeld haar genoeg
gekastijd te hebben, losgelaten zijnde, dat de lapperige stukkende
huid met een scherp zuur van lamoenzap, met pulver vermengt zijnde,
dat de vorige ellendige pijnen moeten vermeerderen voor een korte wijl,
strekkende verder tot ettering en de geheele genezing der wonden.....
[421] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 en 18 Dec. 1762.
[422] Notulen van Gouverneur en Raden van 31 Augustus 1762.
[423] Notulen van Gouverneur en Raden van 29 September 1762.
[424] Notulen van Gouverneur en Raden van 11 September 1760.
[425] Notulen van Gouverneur en Raden van 14 Mei 1767.
[426] Notulen van Gouverneur en Raden van 5 Mei 1763.
[427] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1758, 20 October
1760 en 28 December 1765 enz.
[428] Notulen van Gouverneur en Raden van 5 September 1765. Om
eenigzins een denkbeeld te kunnen maken van de groote kosten dier
commando's, zie men wat voor een commando berekend werd, dat drie
weken zouden duren en bestaan uit: 3 officieren, 6 onder-officieren,
3 chirurgijns, 65 soldaten en 183 lastdragers; namelijk: 1080
pond vleesch, 540 brooden, 270 stoop gort, 18 pullen dram, 6 kisten
patronen, 3 dito medicijnen, 18 kratsers, 150 vuursteenen, 75 ijzeren
houwers, en voor de lastdragers 2448 pond bakkeljaauw, 1254 brooden,
336 stoop gort.
[429] Historische proeve, 1e deel, bladz. 155.
[430] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 December 1762. Uit
aanmerking van de hooge prijzen, die in Nederland voor de suiker,
cacao en katoen betaald werd, besloot men in evenredigheid daarvan,
de calcula voor de belasting te verhoogen, en werd de suiker gebragt op
f 75 het oxhoofd, de cacao op 10 stuivers het pond en de katoen op 15
stuivers het pond. De koffij werd toen eerst verlaagd tot 4 stuivers
het pond, doch ook deze steeg spoedig weder in prijs, en werd in 1770
tot 6 stuivers het pond gekocht, Journaal van Nepveu, 21 Sept. 1770.
[431] Historische proeve, 1e deel, bladz. 155.
[432] Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Nov. 1768. Crommelin
beklaagde zich in zijne afscheidsrede met bitterheid over deze
omstandigheid, en de Raden bleven een scherp antwoord niet schuldig.
[433] Journaal van Nepveu, 17 Junij 1769 enz.
[434] Journaal van Nepveu, 25 November 1768 enz.
[435] Journaal van Nepveu, 23 November 1768.
[436] Journaal van Nepveu, 17 Junij 1769.
[437] Journaal van Nepveu, 11 Mei 1770. Crommelin scheepte zich met
zijne vrouw en twee dochters den 11 Mei 1770 in, en verliet eenige
dagen later voor goed de kolonie.
[438] Journaal van Nepveu, 8 Maart 1770.
[439] Journaal van Nepveu, 9 Maart 1770.
[440] Journaal van Nepveu, 16 Maart 1770.
[441] Journaal van Nepveu, 12-15 October 1770.
[442] Journaal van Nepveu, 15 November 1772. Een groot feest had
o. a. plaats toen de tijding in de kolonie kwam dat Prins Willem V
een zoon, onze latere Koning Willem I was geboren.
[443] Journaal van Nepveu, 13 December 1769 en vervolgens, zie ook
bladz. 275.
[444] Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1771.
[445] Journaal van Nepveu, 9 Februarij 1769. De Fransche Gouverneur
van Martinique, d'Ennery, bezocht met een gevolg van 24 officieren in
1769 Suriname. Nepveu liet hem het merkwaardigste der kolonie zien. De
heer d'Ennery was als opgetogen over vele dingen, maar voornamelijk
"over de extra groote reê met kostelijke schepen," en "over de
heerlijke gebouwen, o. a. op de plantaadje Tout lui fait en over het
zindelijk onderhoud en de properheid die overal doorstraalde." Hij kon
echter niet nalaten de opmerking te maken, "dat het folien waren, wyl
dergelijke kapitalen geen evenredige interessen voor eene plantaadje
konden geven, waarbij hun altijd het oog opgehouden werd."
[446] Beide zijn gezegden van Nepveu, zie Journaal van Nepveu, 28
Sept. 1770 en Notulen van Gouverneur en Raden van 7 April 1774.
[447] Historische proeve, 1e deel, bladz. 155. Aan dit werk ontleenen
wij verscheidene, elders niet geboekte bijzonderheden, van dien
ontstanen finantiëelen crisis.
[448] Historische proeve, 1e deel, bladz. 156.
[449] Historische proeve, 1e deel, bladz. 157.
[450] Notulen van Gouverneur en Raden van 19 Augustus 1771. Zekere
A. Geselschap pleegde falsiteit in het verbinden en verhypothekeren
zijner eigene plantaadje en in zijn ambt als priseur. Hij werd
dien ten gevolge veroordeeld tot eene boete van f 1000 Surinaamsch,
ontslag uit zijne functien en de kosten van het proces. Notulen van
Gouverneur en Raden van 21 Augustus 1771. Door het te hoog taxeeren
der plantaadjes werd het crediet der kolonie zeer geschokt, waarop
"de instructie der priseurs verscherpt werd." Verscheidene fraudes,
zoo omtrent te hooge taxatiën als van het, als vrij en onbelast
verkoopen van slaven, die reeds onder hypothecair verband stonden,
werden ontdekt en gestraft met geldboete van f 2000 enz. enz. Journaal
van Nepveu, 21 Augustus 1773 enz. enz.
[451] In 1765 werden gekeurd 21506 oxhoofden suiker, in 1773 slechts
16486.
[452] Journaal van Nepveu, 27 Julij 1769. De slaven, laatst aangebragt
door kapitein J. Boeque op den 18 gemeld, zijn meest verkocht tot
f 650; zoo dat het telkens opslaat.
Notulen van Gouverneur en Raden van 14 Mei 1770.
De gezagvoerders der slavenschepen verkochten meermalen hunne
lading "menschelijke wezens" uit de hand, en in massa aan groote
planters. Vele ingezetenen kwamen hiertegen op, want de slaven stegen
zoo hoog in prijs, dat men f 600 à f 700 per hoofd moest betalen. Het
Hof hernieuwde daarom het placaat, waarbij bepaald was, dat de verkoop
van slaven niet uit de hand, maar op vendue moest geschieden.
Journaal van Nepveu, 21 Junij 1770.
"De slaven worden verkocht voor 700 à 800 gulden, het gebrek aan
slaven blijft echter groot" enz. enz.
[453] Journaal van Nepveu, 26 April 1771.
[454] Journaal van Nepveu, 24 April 1770.
[455] Journaal van Nepveu, 29 April 1771.
[456] Historische proeve, 1e deel, bladz. 157.
[457] Notulen van Gouverneur en Raden van 10 Augustus 1769.
[458] Journaal van Nepveu, 6 December 1769.
[459] Notulen van Gouverneur en Raden van 12 Augustus 1771.
[460] De kosten der regtspleging enz. waren inderdaad ongehoord;
als een klein bewijs diene o. a. het volgende: voor het doen van
één exploit, over eene som beneden de f 100, was f 26 onkosten
gevallen. Notulen Gouverneur en Raden, 14 Februarij 1775.--"Heeren
Raaden van Civiele Justitie nemen voor het simpel teekenen van een
authorisatie op den Exploiteur, tot het in bewaarenderhand nemen van
een effect, f 20 hetwelk HH. rekenmeesters voorkomt in de calamiteuse
omstandigheeden tot vermeerdering van lasten voor de ongelukkigen te
zijn." Notulen Gouverneur en Raden, 2 Sept. 1776. "In consideratie de
zware kosten, ten laste der ongelukkige ingeseetenen, wier effecten
in bewaarenderhand worden genomen of anderzints gedeposeert, achten
HH. rekenmeesters het onbillijk, dat de HH. Raaden van Civiele Justitie
die kosten zoozeer vermeerderen door haare hooggestelde vacatiën, voor
provisiën en mondbehoeften bij gedaane assistentie in de rivieren,
zelfs voor het teekenen van authorisatie, terwijl de bediening der
Raden, volgens art. 26 van het octrooi, moet zijn: alleen uyt liefde
en ten beste van 't gemeen, sonder vergelding te genieten." Notulen
van Gouverneur en Raden, 14 Augustus 1778.--Wij konden de voorbeelden
zeer vermenigvuldigen.
[461] Dat besluit was genomen tijdens het bestuur van den Gouverneur
Gerard van der Schepper, wanneer men om finantiële moeijelijkheden,
reeds onder den Gouverneur Joan Raye ontstaan, voorloopig eene generale
surcheance had toegestaan, die door HH. M. gewraakt werd.
[462] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Augustus 1773.
[463] Van dit vrijcorps zullen wij later melding maken.
[464] Zie Notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums.
[465] Notulen van Gouv. en Raden, 10 Maart 1774 en 6 April 1774.
[466] Notulen van Gouverneur en Raden, 7 April 1774.
[467] Volgens de schrijvers der Historische proeve--zie 1e deel,
bladz. 163--werden er in 1786 slechts 80 à 90 eigenaars van plantaadjes
in Suriname gevonden, terwijl het getal plantaadjes over de 500
bedroeg. Journaal van Nepveu, 1776. "Er heerscht hier tegenwoordig zoo
groote armoede, dat veele blanken, die men 't niet aan zoude sien,
sig met een drooge bananne moeten behelpen." Journaal van Nepveu,
5 Januarij 1779. Twee Raden van Policie hadden hunne betrekking
nedergelegd: "het is zeer moeijelijk goede sujetten te verkrijgen,
want diegenen, die er nog capabel en goed voor zouden weezen, sitten
zoo ellendig in hunne affaires, dat men se desweegens niet op de
nominatie brengen durft."
[468] Sypensteyn, bladz. 24.
[469] Historische proeve, 1e deel, bladz. 164 en 169.
[470] Reeds gaven wij hiervan eenige bewijzen bij de beschrijving der
regering van Mauricius, van Spörche en Crommelin. Wij zouden die tot
een groot aantal kunnen vermeerderen, zie o. a. Notulen, van Gouv. en
Raden, 15 September 1769, 15 en 20 Februarij 1770 en 28 Nov. 1772,
Journaal van Nepveu, 28 Junij 1770, Notulen van Gouverneur en Raden,
1775, enz. enz. enz.--doch wij zouden hierdoor te uitvoerig worden.
[471] Dit werd echter door de directeuren der Sociëteit tegengehouden.
[472] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1770 en
1773. Journaal van Nepveu, 8 Junij 1773.
[473] Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1772.
[474] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Feb. 1774. De gegijzelde
moest aan den kastelein voor kosten betalen:
de eerste 14 dagen f 3 per dag;
de tweede id. f 2 id.
en verder id. f 1 id.
[475] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Aug. 1772.
[476] Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Feb. 1774.
[477] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 en 17 Mei 1774.
[478] Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Mei 1774.
[479] Journaal van Nepveu, 10 Aug. 1774. Notulen van Gouverneur en
Raden, 12 Aug. 1774.
[480] In Februarij 1764 had zekere C. P. van Brabant verzocht tot den
huwelijken staat te worden aangeteekend met eene Elisabeth Samson,
eene rijke vrije negerin, waarschijnlijk dezelfde of eene bloedverwante
der meer genoemde dame. Het Hof had toen zwarigheid gemaakt dit toe
te staan, omdat in de beschrijving van Suriname, door J. D. Herlein
in 1718 uitgegeven, staat, dat ten tijde van van Sommelsdijk "soodanig
huwelijk by placaten zoude syn geprohibiteerd--omdat zulks toegelaten
wordende op dezelve vrije blanke vrouwen met vrije neegers soude
trouwen, hetwelk van seer nadeelige gevolgen voor deese colonie konde
sijn." Die zaak maakte veel éclat. Het advies der heeren directeuren
van de sociëteit werd hierover door het Hof ingewonnen en Elisabeth
Samson diende hun een rekwest in. Het definitief antwoord hierop kwam
eerst in Augustus 1767. Directeuren vermeenden, dat er geen termen
bestonden om dit huwelijk te verhinderen. De zwarte dame huwde toen met
zekere H. D. Zobre. (Zie Notulen van Gouv. en Raden, 13 Feb. 1764 en
17 Aug. 1767). Tegen het ongebonden in ontucht met negerinnen leven
vond men geen bezwaar, wel in eene echtelijke verbindtenis.
[481] Journaal van Nepveu, 19 Feb. 1773.
[482] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Feb. 1774.
[483] Historische proeve 1e deel, bladz. 181.
[484] Journaal van Nepveu, 18 en 22 Julij en 4 Aug. 1769.
[485] Journaal van Nepveu, 5 Junij 1770.
Directeuren hadden reeds vroeger in 1768 zekeren timmerman,
J. M. Augerstein, een octrooi van 6 jaren verleend tot het maken
van een bijzonder soort van molens. Op het schenden van dat verleend
octrooi was eene boete van f 6000. gesteld.
[486] Wij konden hiervan uit de officieele stukken een lang relaas
geven, maar het zou eene gedurige herhaling zijn van zelfde feiten,
die wij reeds van tijd tot tijd mededeelden.
[487] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Feb. 1770.
De versterking der militaire posten was zeer noodig--want zij, die van
weinig manschappen voorzien waren, werden door de Marrons overvallen
en verstrooid.
[488] Over het daarstellen van dit Cordon komen wij weder later terug.
[489] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1770 en 22 Mei 1772.
[490] Notulen, Gouv. en Raden, 6 Mei 1772 en 18 Februarij 1773.
[491] Volgens Notulen van Gouv. en Raden, 3 Mei 1773 en 4 Junij 1773,
blijkt, dat, sedert men had opgehouden aan de soldaten dram te geven,
ziekte en sterfte onder hen zeer toenamen, waarom men besloot hun
op nieuw een rantsoen sterke drank te verschaffen. Het slechte water
moest alzoo gecorrigeerd worden.
[492] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 April 1772. Op 9 buiten
posten alleen lagen 145 soldaten.
[493] De premiën op het dooden of vangen van weggeloopen slaven
gesteld, zouden evenzeer door hen genoten worden.
[494] Journaal van Nepveu, 15 Julij 1772, Notulen van Gouverneur en
Raden, 15 Julij 1772. Twee der 116 slaven voor het vrijcorps werden
door de eigenaars het land ten geschenke gegeven; de overige 114
werden gezamenlijk gewaardeerd op f 143,400. Die som was enorm hoog,
daar de minste op f 800 geschat was terwijl o. a. bekwame timmernegers
tot den prijs van f 2400, ja f 3400 werden gebragt.
[495] Notulen van Gouverneur en Raden, 3 Aug. 1773 en 26 Aug. 1773,
8 slaven werden geschat op f 10,000 en 190 dito op f 227,955.
[496] Somwijlen werd voor een tijd het opperbevel aan een, hooger
in rang staande, officier opgedragen: zoo voerde o. a. de kapitein
luitenant Frederici en, na zijn overgang tot de Staatsche troepen,
een tijd lang de kapitein Stoelman over hen het bevel.
[497] Op deze muts stond het volgnummer van hun corps; later bekwamen
zij eene groene montering.
[498] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1777. Deze uitspraak
is ontleend aan eene door den Raad Fiscaal ingeleverde memorie van
het Hof van Policie, waarbij hij opkwam tegen de klagten door sommige
leden, over de wanordelijkheid der slaven en het slechte toezigt door
het Fiscalaat daaromtrent geoefend.
[499] Men vindt in de Notulen enkele gevallen van leden van het
vrijcorps, die, om verzuim in de dienst, weder tot den staat der
slavernij werden terug gebragt. Notulen van Gouverneur en Raden,
van 9 Aug. 1773, enz.
[500] Meermalen werd ook door hen verzoek gedaan om uit de krijgsdienst
te worden ontslagen en werd hun dit verzoek toegestaan, mits betalende
de som, waarvoor zij door het land waren overgenomen, o. a. volgens
Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Februarij 1777, 3 personen,
een voor f 800-, een voor f 1000-, een voor f 1200 enz. enz.
[501] Ook hiervan worden verscheidene bijzonderheden in de Notulen
gevonden.
[502] De obligatiën waren verdeeld als volgt:
100 ps. à f 1000-- f 100,000--
200 ps. à f 500-- f 100,000--
250 ps. à f 400-- f 100,000--
250 ps. à f 200-- f 50,000--
500 ps. à f 100-- f 50,000--
---------
te zamen f 400,000--
(Zie Notulen van Gouverneur en Raden van 8 Februarij 1774).
[503] Notulen van Gouverneur en Raden van 18 October 1773, en 20 Mei
1774, enz.
[504] Notulen van Gouverneur en Raden van 30 Augustus 1774.
[505] Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Januarij en 5 Februarij 1773.
[506] Teenstra. De Landbouw in de kolonie Suriname, 1e. deel,
bladz. 43.
[507] Journaal van Nepveu, 20 Februarij 1771.
[508] Notulen van Gouverneur en Raden, 20 Dec. 1770. Journaal van
Nepveu, 10 Januarij 1771. Zie ook bladzijde 319.
[509] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Maart 1771. Journaal van
Nepveu, 14 Maart 1771.
[510] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Junij, 6 Julij, 16
Sept. 1771, enz. Journaal van Nepveu, 10 Junij, 3 en 5 Julij 1771, enz.
[511] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Junij, 6 Julij 1771, enz.
[512] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij 1771. "Meer en meer
loopen de slaven weg, nemen hunne geweren mede en voegen zich bij de
bende van Baron. Idem 29 Junij 1772. De wegloopers hebben de Plantaadje
Poelwijk afgeloopen en o. a. 21 geweren en eene groote hoeveelheid
kruid medegenomen." Het Hof besloot: om te bevelen, dat de geweren,
welke de slaven op de plantaadjes bezitten, naar Paramaribo moesten
worden opgezonden, daar men de slaven niet meer vertrouwen kon.
[513] Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Julij 1772. 16 Aug.,
enz. Journaal van Nepveu.
[514] Stedman, reize naar Suriname, 1e deel, bladz. 117 en 18.
[515] Ook Stedman verhaalt deze en andere bijzonderheden, die wij
echter, soms bijna woordelijk, overnemen, uit het uitnemend geschreven
boekske: "Een Levensteeken op een dooden veld, door J. Herman de
Ridder, bladz. 12-17.
[516] J. Herman de Ridder, Een levensteeken op een dooden veld,
bladz. 16-17.
[517] Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Sept. 1771. Journaal van
Nepveu, 22 Sept. 1771.
[518] Notulen van Gouverneur en Raden, 13 October 1771. Journaal van
Nepveu, 13 October 1771.
[519] Zie Notulen van Gouverneur en Raden van November, December 1771,
enz. enz.
[520] Journaal van Nepveu, 22 October 1771.
[521] Journaal van Nepveu, 16 November 1771.
[522] Notulen van Gouverneur en Raden, 7 December 1771, 27 Julij 1772
en Journaal van Nepveu, 7 December 1771.
[523] Journaal van Nepveu, 1 Januarij, 27 Januarij en 4 Junij
1772. Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Julij en 16 Augustus 1772,
enz.
[524] Journaal van Nepveu, 19 Januarij 1772. Die neger ontvlugtte
later uit de boeijen.
[525] Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Mei 1772. Stedman, Reize
naar Suriname, 1e deel, bladz. 113, enz.
[526] Journaal van Nepveu, 15 Junij 1772.
[527] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Julij 1771. Journaal van
Nepveu, 9 Julij 1771.
[528] Journaal van Nepveu, 10 Aug. 1772. Notulen van Gouverneur en
Raden, 10 Aug. 1772.
[529] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Sept. 1772. Journaal van
Nepveu, 25 Sept. 1777.
[530] Journaal van Nepveu, 27 Sept. 1772.
[531] Journaal van Nepveu, 26 Sept. 1772.
[532] Journaal van Nepveu, 7 Oct. 1772.
[533] Journaal van Nepveu, 26 Oct. 1772.
[534] Journaal van Nepveu, 2 en 9 Dec. 1772.
[535] Journaal van Nepveu, 11 Dec. 1772.
[536] Journaal van Nepveu 27 Dec. 1772.
[537] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij 1773.
[538] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij, 31 Januarij en
5 en 9 Febr. 1773. Journaal van Nepveu, 27 Januarij en 2, 4, 8 en 9
Febr. 1773.
[539] Journaal van Nepveu, 19 Julij 1773. Fourgeoud wenschte zijn
volk naar de buitenposten te zenden: "alsoo se aan Paramaribo door
Debauches vry meer onbequaam en buyten staat raakten: klaagende dat
se genoegsaam alle aan Venus-siekte laboreerenden."
[540] Notulen van Gouverneur en Raden, 1 Maart 1773.
[541] Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Maart 1773.
[542] Journaal van Nepveu, 6 April 1773.
[543] Men vindt in de Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Maart 1773
eene door de posthouders bij de beide stammen opgemaakte begrooting
van het aantal en de sterkte der Saramaccaansche en der Aukaansche
bevredigde boschnegers. De eerstgenoemden woonden in 12 dorpen, die
3, 6, 7 en 12 uren van elkander en 12 dagen reizens van Paramaribo
verwijderd lagen. Onder hen waren 600 strijdbare mannen. De Aukaners
bewoonden 12 dorpen en onder hen waren mede ruim 600 weerbare mannen.
[544] Notulen van Gouverneur en Raden, 10 April 1773.
[545] Notulen van Gouverneur en Raden, 19 en 20 April en 3 Mei 1773,
enz.
[546] Notulen van Gouverneur en Raden, 4 en 8 Junij 1773.
[547] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Mei 1773.
[548] Journaal van Nepveu, 8 Junij 1773. Stedman. Reizen naar
Surinamen, 1e deel, bladz. 153 en 154.
[549] Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Junij 1773. Journaal van
Nepveu, 14 Junij 1773.
[550] Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Junij 1773. Stedman,
1e. deel, bladz. 155 en 56, 304 enz.
[551] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Junij 1773.
[552] Journaal van Nepveu, 17 Junij 1773.
[553] Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Junij 1773.
[554] Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1773.
[555] Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Junij 1772.
[556] Stedman, 1ste deel blz. 303.
[557] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Sept. 1773. Journaal van
Nepveu, 12 Sept., 18 en 30 Oct. 1773.
[558] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Nov., 13 Dec. 1773 en
16 Januarij 1774. Journaal van Nepveu, 18 en 30 Oct. 1773 en 17
Januarij 1774.
[559] Stedman, reize naar Surinamen, 1e deel, bladz. 249 en 50.
[560] Stedman, reize naar Surinamen, 1e deel, bladz. 250 en 51.
[561] Dergelijke hutten werden van de dikste takken der Manicola-boom
gebouwd; met een sabel of bijl vormde men sommigen tot hoekpalen,
anderen tot latten of riggels; de bladeren dienden tot dak; de Nebis
of het boschtouw om een en ander zamen te hechten.
[562] Gedurig vindt men in het Journaal van Nepveu scherpe aanmerkingen
over de dwaasheid van Fourgeoud, "die door in de regentijd in het
bosch te gaan, nutteloos menschenlevens verspilt." Journaal van Nepveu,
1 Junij 1775, enz. enz. enz.
[563] Journaal van Nepveu, 6 Januarij, 30 Januarij, 1 Februarij,
2 Februarij, 6 Februarij 1775 enz.
[564] Journaal van Nepveu, 30 Januarij en 10 Februarij 1775.
[565] Stedman zinspeelt hier op een voorval, dat veel overeenkomst had
met dat, hetgeen de afdeeling onder de Luitenant Leppert was overkomen.
[566] Deze Matakys, ook trompetters genaamd, wijl zij even als dat
instrument gedraaid zijn, verheffen zich uit den grond tot eene
onmetelijke lengte, en zoo digt in elkander, dat geen hond er door
kruipen kan, en bij het overstappen of overspringen verwart men er
gedurig met den voet in.
[567] Fourgeoud had in het eerst weinig met dit vrijkorps op,
doch erkende later het groote nut, dat zij in de boschtogten
bewezen. Stedman acht een Negersoldaat in de bosschen van Guiana meer
waard dan zes Europeanen.
[568] De namen van de dorpen der Marrons waren: Boucou (tot stof
vervallen), Gado Saby (God alleen kent my), Corsary (kom zoo gij
durft), Tessy sy (Ruik er aan), Mely my (Ontrust mij), Boussy cray
(De bosschen schrijen), Me Salasy (Ik zal genomen worden), Kebry my
(Verberg mij); behalve deze zinrijke namen waren er ook van de ligging
enz. afgeleid, als: Quammy Condre, naar den naam van een opperhoofd
Quammy, Pynenburg, naar de Pyn of Latanus-boomen, die dit dorp van
voren omringden, Caro Condre, van de menigte korenvelden, Reizy Condre,
van de menigte daarbij gelegen rijstvelden enz.
[569] Stedman, reizen naar Suriname, 3e deel, bladz. 1-51.
[570] Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Dec. 1775, 26 Februarij,
8 Maart, 19 Aug., 27 Aug. 1776 enz.
[571] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Oct. 1776 enz.
[572] Journaal van Nepveu, 26 Julij 1776. Nepveu voegt na deze
mededeeling er het volgende bij:
"Zij moesten hoezee roepen, maar hadden er niet veel lust in. Door
een soopje en vooral ook met de stok werden sommigen hiertoe
gebragt. Volgens naauwkeurige berekening is het corps staaten troepen
366 hoofden, alle medegerekent: 80 man zijn ziek en 100 man zijn
afgekeurt, die teruggezonden zullen worden, zoodat er omstreeks 200 man
overblijven; welk getal van weynig influenzie kan weesen, daar men, om
een goede coup te doen, het beste volk der sociëteits-troupen hiermede
moet vereenigen, terwijl door die vrugtelooze tochten in de bosschen
geen volk genoeg tot dekking der plantaadjes overblijft en alzoo het
langer verblijf der staaten-troepen meer na- als voordeel geeft.
[573] Journaal van Nepveu, 6 December 1776. Notulen van Gouverneur
en Raden, 16 Dec. 1775.
[574] Notulen van Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1772.
[575] Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Mei 1777. Zie verder Notulen,
23 Dec. 1776, 13 en 31 Januarij, 4 Februarij en 9 Mei 1776 enz.
[576] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Mei 1777.
[577] Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Februarij 1777.
[578] Journaal van Nepveu, 1 April 1777. Slechts een gedeelte,
niet het geheele aantal der troepen, zooals Sypensteyn abusivelijk
op bladz. 40 vermeldt--waren scheep gegaan. Fourgeoud ook bleef tot
April 1778 in de kolonie.
[579] Journaal van Nepveu, 16 en 18 Julij, 13 Aug. 1777 enz.
[580] Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Julij, 6 Aug. en 18
Aug. 1777 enz.
[581] Notulen van Gouverneur en Raden, 26 Julij 1777.
[582] Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Februarij 1778.
[583] Notulen van Gouverneur en Raden, van 1 Januarij 1778.
[584] Stedman, reize naar Suriname, 4e deel, bladz. 47.
[585] Journaal van Nepveu, 1 April 1778. Notulen van Gouverneur en
Raden, 4 April 1779.
[586] Fourgeoud overleed kort na zijne terugkomst in Holland, en werd
met alle krijgseer in den Haag begraven.
[587] Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777.
[588] Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777.
[589] Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777.
[590] Notulen van Gouverneur en Raden, 8 December 1777.
[591] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Febr. 1778.
[592] Journaal van Nepveu, 4 Junij 1778.
[593] Journaal van Nepveu, 17 April en 28 Septemb. 1779, enz.
[594] Journaal van Nepveu, 13 Junij 1778.
[595] Journaal van Nepveu, 17 Junij 1778.
[596] Journaal van Nepveu, 4 Junij, 21 Julij, 14 Octob., 27
Decemb. 1778, enz.
[597] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Februarij 1779.
[598] Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 41.
[599] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Febr. 1779. Journaal van
Texier, 28 Febr. 1779.
[600] Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 41.
[601] Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Nov. 1779. Journaal van
Texier, 12 Nov. 1779.
[602] Journaal van Texier, 19 Junij, 23 Julij, 31 Augustus, 25 October,
10 November 1779, enz., enz., enz.
[603] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 December 1779.
[604] Journaal van Texier, 12 October, 31 October, 24 December 1779,
enz.
[605] Journaal van Texier, 31 October 1779.
[606] Journaal van Texier, 18 Januarij 1780.
[607] Journaal van Texier, 6 Januarij 1781.
[608] Journaal van Texier, 15 Maart 1781.
[609] Journaal van Texier, 2 September 1779.
[610] Journaal van Texier, 3 September 1779.
[611] Journaal van Texier, 23 October 1779.
[612] Journaal van Texier, 3 September 1779.
[613] Journaal van Texier, 25 Junij en 5 Julij 1779.
[614] Journaal van Texier, 22 en 29 Maart, 11 Julij 1779, 6 Febr.,
10 Maart 1780, enz., enz.
[615] Journaal van Texier, 7 December 1779.
[616] Journaal van Texier, 8 December 1779.
[617] Journaal van Texier, 6 Maart 1781.
[618] Journaal van Texier, 6 en 7 Maart 1780.
[619] Journaal van Texier, 23 Maart 1780. Dikwijls gebeurde het dat
de stuurlieden, die voor het eerst Suriname bezochten, deze dwaling
begingen, terwijl de schepen dan groot gevaar liepen van verbrijzeld
te worden. Texier wenschte dit voor het vervolg te voorkomen; hij riep
de aanwezige schippers bijeen, ten einde met hen hiertegen maatregelen
te nemen. De schippers waren hierover zeer verheugd en raadden aan
een Kaap op te rigten, om den hoek bij Braamspunt, op het Rif bij de
Winiwinibo kreek en boodden aan daarvoor ieder voor zijn schip f 20
kaapgeld te betalen. Journaal van Texier, 24 Mei 1780.
[620] Journaal van Texier, 5 Junij 1780. De kapitein van een tot
assistentie gepreste Bark, leverde eene rekening van daghuur: 50
dagen à f 100 en verdere schaden en kosten f 4000, dus te zamen f 9000.
[621] Journaal van Texier, 9 Mei 1780.
[622] Journaal van Texier, 13 Januarij 1781.
[623] Journaal van Texier, 6 Maart 1781. De Engelsche schippers en een
Engelsch koopman, die zich op een dier vaartuigen bevond, verzochten
weldra uit de gevangenis te worden ontslagen. Met algemeene stemmen
werd dit verzoek door het Hof toegestaan en hun veroorloofd op hun
eerewoord in Paramaribo te gaan, onder voorwaarde, dat zij zich bij
het eerste alarm weder in arrest zouden begeven. Journaal van Texier,
17 Maart 1781.
[624] Journaal van Texier, 6 Maart 1781.
[625] Journaal van Texier, 7 Maart 1781. In de sociëteits-magazijnen
was slechts 30,000 pond kanonkruid en 7000 pond fijn kruid voorhanden,
doch van de koopvaardijschepen werd de aanwezige voorraad mede ter
beschikking gesteld.
[626] Journaal van Texier, 9 Maart 1781.
[627] Journaal van Texier, 9 Maart 1781.
[628] Journaal van Texier, 10 Maart 1781.
[629] Journaal van Texier, 15 en 30 Maart 1781.
[630] Journaal van Texier, 17 Maart 1781.
[631] Journaal van Texier, 19 Maart 1781.
[632] Journaal van Texier, 28 Augustus 1781.
[633] Journaal van Texier, 16 en 28 Julij 1781.
[634] Journaal van Texier, 22 Maart 1781.
[635] Journaal van Texier, 4 April 1781, notulen van Gouverneur en
Raden zelfde datum.
[636] Journaal van Texier, 7 April 1781.
[637] Journaal van Texier, 11 April 1781.
[638] Journaal van Texier, 28 April 1781.
[639] Journaal van Texier, 12 April 1781.
[640] Journaal van Texier, 10 en 14 Mei 1781, notulen van Gouverneur
en Raden zelfde datum.
[641] Journaal van Texier, 21 Augustus 1781.
[642] Journaal van Texier, 27 Julij 1781.
[643] Journaal van Texier, 8 April 1781.
[644] Journaal van Texier, 10 April 1781.
[645] Journaal van Texier, 7 en 28 April, 3--10, 18 Mei, 5 Junij. 4,
6, 10 en 17 Julij 1781, enz. enz.