De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog

steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking,

in Suriname's uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden

reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij

den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden

en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen

niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer

ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als

offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de

lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door

meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij

hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.

In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op

nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt,

werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele

vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe

bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden,

maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze

post door Europeanen te laten bedienen. Evenwel was het zaad niet te

vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de

Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan,

door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd

Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats

en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.

Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen,

ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en

houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige

bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne

getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer,

en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om

zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen,

veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie

van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane

uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten

voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om door

hare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen

en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen [1347].

In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor

de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene

stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers,

werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet

doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het

laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde,

uit te wisschen en--bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd

eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen

ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die

Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en

bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een

plan tot afschaffing der slavernij in Suriname, dat--vrij algemeen

afgekeurd--als zeer onpractisch werd beschouwd.

De toenmalige Minister van Koloniën, Mijer, diende in 1857

wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in,

waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch

hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel

was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor

hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later

moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der

Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de

openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.

Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot

hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen

om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele

bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk

besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige

wijzigingen daargesteld [1348].

Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren

benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de

divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving

der slavenreglementen en--alzoo de zich zelven controlerende Heemraden

vervangen.

Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke

overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van

Mr. J. W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter

bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Procureur-Generaal

te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.

Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in

Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand

zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie

en het lot der onderdrukte slaven ter harte ging, dat voor Suriname

weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de

kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren;

doch--die hoop werd verijdeld.

In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar

de naakte werkelijkheid haar verdreven--en in Nederland bleef men nog

eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging,

en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd,

terwijl officieele verslagen berigtten, dat de slavernij er slechts

in naam bestond.

Zoo sluimerde men eenigen tijd voort;--daar deden zich schrille kreten

van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij

over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en

hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen,

wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot

vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig

de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom

de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke

wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens

weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig

weder in en--vergenoegden zich met de gedachte eenmaal toch iets te

hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien--zoo redeneerden

sommigen--men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij

ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet

genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn

naam geplaatst op een der adressen aan Z. M. of aan de Tweede Kamer,

waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon

dit telkens doen?--daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling

te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden,

en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde

geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut:

de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.

Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echter nog altijd

gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel

wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed

is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid,

voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij

weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk

der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun

vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat

goed en Hem welbehagelijk is.

Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het

bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn

intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende

aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige

personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen

strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der

vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven);

hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het

bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en

reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie,

die hiervan het bewijs leverde.

Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw

en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije

bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte

van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat

van de verschuldigde pacht, f 10 per bunder, vrijstelling kon worden

verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd

om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met

de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het

bestuur zou terug genomen worden [1349].

Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van

Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid

te verschaffen, om hunne kinderen eene behoorlijke opvoeding te

doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na

zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit

opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen,

die zeer ten nutte van Suriname's bevolking had kunnen strekken; doch

het werd niet gevolgd en--het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later

daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft

gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.

Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in

het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door

daden;--had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur

te verwachten,--spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder

den invloed der reactionnaire partij.

Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke

beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op

de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze

wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare

zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt

en--van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de

zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder

het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk

gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen,

was haar invloed toegenomen, en--nu een nieuwe Landvoogd aan het

bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf

de teugels van het bestuur in de hand zou nemen,--nu werd het der

reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde

te verkrijgen--en door hem te heerschen.

Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen,

die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden

verwijderd;--men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen,

heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel

gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij

zooveel mogelijk met de partij te identificeren en in den geest

derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat

zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen,

en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds

verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan

(allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was,

in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven

en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele

denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand

van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij,

op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de

kolonie zoude maken, en--prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende

het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad

en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij

veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger

steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging

der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf

zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde;--zij deden alzoo

omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen,

en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en

door hem te regeren.

Vooral verkreeg een gewezen Israëliet, de heer Egbert van Emden,

een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen

leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin

heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft

weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt,

kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid

werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der

reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het

welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna

onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij

voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in

alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te

hebben ingewonnen.

Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der

Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in

zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij

er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats

van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit

wordt aangezien.

Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering,

ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk

o. a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den

Gouverneur.

Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan de Commewijne,

vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd,

moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard,

dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook

slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande

van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen,

dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het

magtwoord: »zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray

op Lustrijk blijven, het koste wat het wil."

Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname

verijdeld werden, blijkt o. a. uit de bekende zaak met de Chinesche

Immigranten. Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan,

wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en

aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om

hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan

den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor

Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een

contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde

voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.

Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter

vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk

bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname

verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend

gemaakt; doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden,

kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen

voordeelige conditiën te bedingen.

Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote

geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo

hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen;

maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April

in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den

Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der

huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.

De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over

de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden

op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst

op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van

den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd

met de bestaande reglementen [1350], met rietslagen door de policie

afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd

herhaald.

De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening

[1351] opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister

van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch--gelijk

meermalen--heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de

Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen

Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig

gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld,

gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te

schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement

in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige

voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking

dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigranten zelven, die

zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus

gemakkelijk beschuldigen kan [1352].

Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk

besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor

eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de

slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden

opgedragen.

In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid,

want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd

de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten,

en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede

bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de

reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk

toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit

zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van

het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den

geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten,

onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een

geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten;

sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen,

het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede,

naar Nederland zijn teruggekeerd.

Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede

strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was

o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker

Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na

eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen,

en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te

verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December

1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sedert

eenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen

van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd

de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan

publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de

Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren

en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen

op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de

genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen

werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren;

doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen

werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het

geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat

toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid

aan 's landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede

beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en

ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen,

gehandeld.

Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk

besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te

geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede

bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd

in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten,

ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel

te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.

De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo

duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon

opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel

verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname

slechts in naam bestond." In krijtende tegenspraak met dergelijke

officieele berigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche

dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk

gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor

de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte in Suriname de

feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend

worden en zelfs in het den 29sten December 1860 aan de Tweede Kamer

ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten

bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen

slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en

meesteressen begaan, en--de koloniale regering beschermde den

zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de

regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren,

dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan

in werkelijkheid bestond [1353]. Ook de hoop, die de slavenvrienden

op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd,

werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en

het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt

ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op

velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht

verlamd en--ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij,

welke Schimpf zoo geheel beheerschte.

Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ook malversatiën in

publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator

Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den

landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere

West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf

meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht

voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de

schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich

door de vlugt aan geregtelijke vervolging.

Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf

daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven

zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig

zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas

in acht; verscheidene 's Landswerken hadden zonder eenig bezwaar

achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven

te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor

rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon

worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd,

zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur

ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij

luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten

niet verkregen.

Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van

Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch,

toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het

bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname

pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden

van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en

dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister van Koloniën

(Rochussen) niet kon vereenigen.

Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den

Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was,

doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te

hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende

wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit

niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De

reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door

adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken;

terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden,

met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in

te willigen.

Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene

middelen aanwendde [1354], werden deze adressen door verscheidene

personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat

zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen

en het werd hem verleend.

Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver

Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in

Suriname kwam en den 11den dier maand het bestuur van Schimpf overnam

[1355].

Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de

zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen;

zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor

de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd

zijn, waarop Suriname trots kon wezen.

Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te

beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich

vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor

Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn

sedert twee jaren verloopen en--ofschoon wij de goede bedoelingen

van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van

werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne

zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter,

dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten

moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die

geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo

onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat

hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den

toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.

Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan

verandering en verbetering groote behoefte.

Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek

van Schimpf opgeheven.

In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering

besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die

inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig

's volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan

het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen

aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen

te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet

bekend zijn.

Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken,

en den 30sten September 1852 was bij Koninklijk besluit eene

staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen

te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indische

koloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het

moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die

invoering, in het belang der koloniën, ten spoedigste gevorderd werd;

en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman,

Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal,

belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe

wetgeving in de West-Indische koloniën, en hem als Secretaris

toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der

Nederlanden.

Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op

voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving

voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van 's Konings nadere

goedkeuring [1356].

Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26sten April 1860

te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te

kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar

hij reeds den 5den October 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler

gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten

tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven;

eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn

stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,

Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van

2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het

overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde

wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman

tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal

Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs

voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd,

maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.

In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den

heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne,

waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden

worden medegedeeld.

Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der

Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel

beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap

werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de

houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan

en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, door

relatiën met zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De

vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in

de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven

[1357]. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen,

hetwelk onder het Caraïbisch opperhoofd, Petrie, staat, werd mede

aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen,

werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt,

uitgedeeld.

Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met

eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen

tevens een soort van gezag uit over de Bonni-negers, afstammelingen

van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne

vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij

in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners

grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers

bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der

Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.

Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten

met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij

werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was;

tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om

deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.

In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan

den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen de provisioneele

Inspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens

belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen,

mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in

bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs

gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch

Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die--èn omdat

zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten

onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie

in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten

vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners--vrij te geven; dat,

indien het Nederlandsch Gouvernement slaven wenscht vrij te geven, dat

het dan met zijne EIGENE SLAVEN een begin moest maken."--Deze rede,

te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot

hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der

Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen

willen, dan dat te gedoogen;" tevens de betuiging doende: »dat de

Aucaners nog magt genoeg bezitten om de blanken te benadeelen; dat de

Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers

hadden toegegeven en hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch

Gouvernement zouden onderwerpen [1358]."

Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen

van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde

Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om

aldaar alles nader te regelen.

Te negen ure des voormiddags van den 18den November (1860) waren de

gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd,

in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut

waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard,

om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden

verkondigd.

De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in

Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het

Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich

nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum

heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast

met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot

de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel

waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde

het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen,

om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met

kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen

ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.

Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle

zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers,

waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens,

in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder

der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins

onderteekend, en daarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie

blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd,

met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens

de hun geschonken vrijheid.

De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong

wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze

op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder

het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp

werden rondgedragen [1359].

Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de

geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze

geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen

eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden

zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft

eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek

der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was

de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding

vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van

die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog

om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van

onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden

herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje

boven!" werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje

blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet."

Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar--het

is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen

achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve

is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den

Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandsch koloniën menschen

van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds,

gekocht en verkocht; nog wordt onder Nederlandsch bestuur het

eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt;

nog worden in Nederlandsche koloniën dikwerf de teederste banden des

bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen

met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd;

nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch--wanhopen

wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in

de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort

en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft

reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij

wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister van Koloniën

Loudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard,

dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp

betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering

en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de

afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover

zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.

Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog

eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van

Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke

bewoners van Suriname's ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen

de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der

natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst

generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan [1360];

straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen,

vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de

ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters

hen daar opgezocht, om hun het Woord des levens te verkondigen, en was

zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In

den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het

voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door

verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de

Indianen op te geven.

Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om

en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt

gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne

hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis

aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige

huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.

De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip

van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden

vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken,

die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest,

door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn [1361].

Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt

geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende

gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het

te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen

deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.

Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge

de wandel der belijders van Christus eene zoodanige zijn, dat die

arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer

gewonnen worden!

De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de

geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij--zij het dan ook in

ruwen vorm--edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen

in de hand hunne vrijheid verwierven en die sedert behielden, leven

nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.

Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht

duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000;

Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers

ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne,

de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of

Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook

(zie bladz. 759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den

linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer

in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.

De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen

gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij

eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne

verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt

verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In

het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge

van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk

door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In

elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch

over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman

(Gouverneur) genoemd.

Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal

Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken,

die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden

gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en

worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid, partieele

geschenken gegeven [1362].

Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit,

doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met

het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen,

staan als aan het hoofd der Boschnegers en worden door de andere

stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der

Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld

meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij

hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een

Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.

De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst

beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel

is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen

de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de

zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken,

om die toenadering meer volkomen te doen zijn.

In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde

omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de

Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest,

welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien

worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich

steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den

meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die

afkeerigheid echter te wijken--en er wordt ook reeds over gedacht, om

ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe-

of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om

eene behoorlijke opvoeding te erlangen [1363], en ook door hen wordt

Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen

stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt

gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen

en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen,

om te hooren van de groote dingen Gods.

Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook

overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde

hoop op goeden uitslag onder de Boschnegers kan worden gearbeid. Dan

zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en

meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking

met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot

geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen,

en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid

kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de

Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij

zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral

van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade

te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker;

en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te

vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het

rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde

woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.

De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000

personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname

(eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der

slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen

zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling

dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds

zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen

hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen

behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed

vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het

behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.

Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden

beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid

der lieve Broedergemeente.

Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door

de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend

als onder den klank des Evangelies; op ruim 180 plantaadjes wordt

door de Broedergemeente onderwijs gegeven [1364]. Vele belemmeringen

worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg

gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke

toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de

onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven;

het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel

meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij

den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven,

vele struikelblokken weggeruimd worden, indien het afschuwelijk stelsel

der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken

hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven

aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan

veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op

het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door

den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris,

Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt

thans ongeveer 350 personen [1365].

Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver

niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat

door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan

hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder

getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.

De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend

personen. Veel van hetgeen op bladz. 171-78 omtrent hare verdeeling

in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz. 178-201

is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is

echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie

van Suriname bestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar

meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger

hebben doen opmerken, waar wij op bladz. 312 vermeldden: »Het rijk

der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs,

hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche

eigenaars, »Administrateurs" kwamen in de plaats der vorige bezitters

en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op

dien gang van zaken uit."

Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel

weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij

heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook

een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate

van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den

handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande

den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm

hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw,

en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de

voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der

onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt

eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen

der wet ten gunste der slaven.

Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars

van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in

de districten Nickerie en Coronië [1366]; welke districten in bloei

toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook

in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns

lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright,

heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.

De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaansche waren,

vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de

levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap

met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de

markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden

er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van

slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts

voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van

de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden

aangewend.

Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van

plantaadjes. De eens zoo bloeijende Joden-Savanne is nagenoeg geheel

verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijke

Portugeesch-Israëlietiesche geslachten leven daar in ellendige hutten,

met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken

hunner vaderen [1367].

In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart;

men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen

aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.

De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den

laatsten tijd zijn vele joden met het een of ander Gouvernementsambt

bekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats

van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen,

hun deel.

De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen

van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen

zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke

betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er

zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij

genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren

Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe van Wesenhagen, die niet slechts

een sieraad der balie uitmaakten, en de belangrijke hun toevertrouwde

ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op

litterarisch gebied onderscheidden.

De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland

bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen;

hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte

slaven aan.

Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn

graf opgerigt; Palthe van Wesenhagen, die in het vorige jaar overleed,

heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die

landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen;

de arme, de verdrukte--de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;--zelfs

tegenstanders droegen hem eerbied toe.

Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte

ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door

hen uitgeoefend.

Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd,

doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene

de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige

jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel

voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in

deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel

vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op

godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse

der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of

afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden

staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en

onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak,

doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere

omstandigheden niet in aanmerking genomen.

Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid

door vrijen te overwinnen, gelukte dit--zoo als wij zagen--tamelijk

wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben

ingeboezemd; er moest den werkman ook gelegenheid tot arbeiden worden

gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen

tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde

kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden

gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later

door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz. 714)

moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.

»Men zegge niet" merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den

23sten September 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil;

hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje

aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de

straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet

altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen

van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn,

dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt;

intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien

en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs

en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of--gebrek te lijden."

In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat

de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs

opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is het

dat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In

1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van

delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen

gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls

over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het

vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen

vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing

der slavernij in deze verbetering te hopen is.

Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname

aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd

man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie

toevertrouwd; het grootste gedeelte is op de forten Zeelandia en

Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter

ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het

corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man

versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.

De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende

burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.

Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke

kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten,

der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat

uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten,

de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert

1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren

vroeger overleden Wichers aangesteld.

Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede

van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het

Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt

godsdienstig onderwijs.

De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder

zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als

president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der

gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere

wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.

Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders

en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden

evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen

bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen

en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.

Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken

gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en

ander medegedeeld.

De beide Israëlietische gemeenten bestaan: de Nederlandsche

uit ongeveer 750, de Portugesche Israëlieten uit ongeveer 700

personen. Sedert lang waren de beide Israëlietische gemeenten zonder

leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland

gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22sten Januarij 1859

zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in

eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook de

Israëlietische jeugd van hem godsdienstig onderwijs.

In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer

ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij

een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde

psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en

geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen

veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan

ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven

te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en

mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.

Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend,

liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten

wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige

tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van

dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf

mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op

het altaar der liefde geofferd [1368].

Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde

Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de

eigenlijk bedeelden in gering aantal--in 1858 verleende zij alzoo

slechts aan 8 personen onderstand,--doch belangrijk is haar werkkring,

door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot

werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs

is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eener

spaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede

vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank

f 23,833,91.

In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij

Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te

Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie

stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school door

Roomsch-Catholieke geestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen

ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan

520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche

Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar

geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis,

onderwezen.

Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over

en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische

broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig

positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden,

dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel

vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs

voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert

noodzakelijk voorziening [1369].

Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene

gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren,

zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de

oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid

om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene

beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook

nu veel minder dan vroeger.

Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering

van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te

bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds

in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en

het leven met concubines is er nog zoo zeer in zwang, dat slechts

weinigen er zich over ergeren.

Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden

geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in

dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen,

waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij

de Lutherschen 120 kinderen van vrijen [1370], waarvan 29 in echt

en 91 buiten echt;--dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255

onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan 3/4 bedraagt.

Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de

slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die

te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden,

die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf

de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te

onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil

der zedelijkheid in Suriname en--in alle slavenkoloniën. Ook dit is

een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk

stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.

De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene

redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft,

ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de

indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts

de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij,

waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der

zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande."

Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie

godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de

afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware

het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden

wenschen; doch ook dit is niet het geval.

Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het

stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering

en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan

hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd,

dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart

heeft gekend;--en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den

Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen

landbouw en handel in die kolonie.

Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur

gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures

daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der

suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der

slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der

slaven--de productieve kracht van Suriname--gestadig af. Gedurende de

onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft

geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen,

die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te

mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren:

»après nous le déluge," of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt,

in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en

vrolijk zijn, want morgen sterven wij," het betere gedeelte, de kern

der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der

slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname

bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk

ten val moet komen.

En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname

tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te

vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben

belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen

zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder

wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte

der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren

van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij

reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele

Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het

aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde

hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën

eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls

geen enkelen cent uit hunne privé-beurs zullen derven als de gansche

hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met

de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud

der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken,

ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het

tegenwoordige het rijk der Administrateuren nog voort, het begint

te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche

regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan,

de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft,

en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere

toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden

daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen

ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden

weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal

meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid,

mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, met eere het brood

huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.

Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca

hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een

gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie

aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben

wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in

de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350

runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan

p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in

vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij

aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die

f 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat

140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden,

terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf

zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen [1371]. Immigranten

uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname

komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede

gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking

den landbouw uitbreiden.

Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies,

zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen

zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen,

ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling

worden ondervonden en zal hierdoor de neger genoopt worden zich in

de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin

billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor

hem sidderde.

Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen

zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden,

en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op

waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij

besta in Suriname.

Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij,

geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en

regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk

van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame

degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig,

maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen,

tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle,

achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter

gesteld, om enkele familiën als met ambten te overladen; geen ambt zij

langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren

en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden

hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland

is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing

werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze

tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking,

ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare

vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor

zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten

en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden

van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en

tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen,

die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.

Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog

eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde

alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardige wetten beperkt

en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de

nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige

beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar,

om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog

betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde

door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij

anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou

willen houden.

Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en

uitgebreid.

De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen

en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met

het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht

en kennis [1372].

De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.

Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering

wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets

anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met

de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles" en

ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door

leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.

Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.

Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare

kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst

uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde;

onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder

zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds

te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige

Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil

van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname

een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.

Geschiedenis van Suriname · 第 41 / 86 题