OVERZIGT VAN DEN ZENDINGSARBEID DER BROEDERGEMEENTE IN SURINAME.

Bij onze inleiding van de Geschiedenis van Suriname beloofden wij

aan het einde een overzigt te geven: van den zendingsarbeid der

Broedergemeente, welke zoo zeer door den Heer gezegend werd. Wij

voldoen gaarne aan deze belofte, doch, daar de Geschiedenis zelve bij

de bewerking uitgebreider is geworden, dan volgens ons oorspronkelijk

plan, zoo moeten wij--ofschoon noode--korter zijn, dan wij wel

gewenscht hadden.

Uitzending der Broederen naar Suriname en eerste vestiging aldaar.

Op bladz. 109 vermeldden wij reeds dat de vrome Spangenberg, een der

eerste Bisschoppen van de Moravische broedergemeente, een waardig

medestander van den edelen graaf van Zinzendorf, op zijne doorreize

naar Engeland te Amsterdam vertoefde. In Holland werd belangstelling

voor de Broedergemeente opgewekt, en eenige jaren later vestigden,

voornamelijk op aanzoek van de vorstelijke weduwe MARIA LOUISE VAN

ORANJE, sommige Broeders zich in de Nederlanden.

Deze vestiging, den strijd, die de Broeders weldra tegen sommige

Hervormde predikanten te voeren hadden, en de vele moeijelijkheden

welke zij aldaar hadden te overwinnen, gaan wij thans stilzwijgend

voorbij.

Spangenberg trad in onderhandeling met de directeuren der Sociëteit

van Suriname, en, nadat men het over de voorloopige voorwaarde eens

was geworden, werden drie Broeders, George Piesch, George Berwig

en Christiaan von Larisch, in het jaar 1735, tot onderzoek daartoe

afgevaardigd.

Von Larisch overleed te Suriname en de beide eerstgenoemden keerden

in 1736 naar Holland terug, om verslag van hunne zending te doen.

Het oorspronkelijk doel was om aan de negerslaven in Paramaribo en op

de omliggende plantaadjes het Evangelie te verkondigen. In hetzelfde

jaar 1736 gingen twee Broeders, Johan Güttner en Christoffel Dähne,

op uitnoodiging van een heer in Amsterdam, naar Berbice, om aldaar

aan de negers op zijne plantaadje het woord des levens te brengen. De

onderhandelingen met de Directeuren der Sociëteit van Suriname werden

voortgezet en in 1739 erlangde de Broedergemeente eene concessie ter

nederzetting aan de Suriname.

Vijf Broeders werden daarop afgezonden, die behouden in Suriname

aankwamen. In eene kleine woning aldaar moesten zij zich kommerlijk

behelpen en in hun onderhoud door eigen handenarbeid voorzien.

Dit zou hen echter niet hebben verdroten, zoo zij aan hun vromen

wensch, om het arme slavenvolk te spreken van een Heer, die ook

hen lief had, gevolg hadden kunnen geven--doch die wensch werd nog

niet vervuld.

De eigenaars der slaven en de andere in Paramaribo wonende

Europeanen waren voor het grootste gedeelte tegen de Hernhutters

ingenomen; verschillende lasterschriften, niet slechts van eenige

Aterlingen, maar zelfs van Gereformeerde kerkeraden, uit Holland

gezonden, werden in Suriname verspreid en valsche geruchten jegens

hen uitgestrooid. Hunne huiselijke godsdienstoefeningen, waaraan ook

weldra andere heilbegeerige zielen deelnamen, waren vooral een doorn

in het oog van den kerkeraad van Paramaribo; door dezen werden zij

zoo zeer gehaat en vijandelijk behandeld, dat zij in het volgend jaar

(1740) zich genoodzaakt zagen de stad te verlaten en zich op eene

nabij liggende, geheel vervallen en kleine plantaadje neder te zetten.

Werd hun hier den weg versperd, zij verloren echter den moed niet

en beproefden toen onder de Indianen hunne zendingswerkzaamheden aan

te vangen.

Geschiedenis van Suriname · 第 42 / 86 题