DERDE HOOFDSTUK.

Van de optrede van R. F. Baron van Raders als Gouverneur van

Suriname (1845) tot het tegenwoordig bestuur van R. F. van

Lansberge 1861.

De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van

Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den

9den October 1845 te Suriname aan.

De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van

zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie

van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de

slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter

uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd

den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het

muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij

aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig

geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat

dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die

daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet;

men voldeed hieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het

genot dat de vrijen smaakten [1293].

Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door 's Konings

keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere

handelingen waren daarmede in overeenstemming.

Den 13den October 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over

[1294].

Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te

voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige

berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de

aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de

Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand

aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot

dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten

geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde

echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met

den nieuwen Gouverneur.

De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10den Mei 1845 hadden de

schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten

(29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen,

onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren

ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig

en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende

dezelve overleden; dertig dagen later (den 9den Junij) kwamen beide

schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen

de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene

andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de

noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en

12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.

De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het

opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren te blijven, was

ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming

te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.

In den morgen van den 21sten Junij 1845 bereikte de Susanna-Maria

Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle

kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren

weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed,

was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken,

sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen

horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend

gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er

aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en

kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik

hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De

meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden

bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan [1295].

Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden,

stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend

werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige

taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het

hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de

Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.

Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles

was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De

levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in

vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten

rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was

defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich

hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.

Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat

nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10 personen moesten huisvesten;

de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post

Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.

De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling,

die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra

vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn,

met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn

bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.

Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van

Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne

ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen

Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde

personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.

Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave

gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig

karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen,

Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en

ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was

te laat!

De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden

aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de Plantaadje Mijn

Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan

dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner

weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen

kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde

bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders

den 15den October 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht

door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde

kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet

trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een

galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend

van uitwerking.

Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven,

waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting,

maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en

bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.

Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van

bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt

bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed,

nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met

nieuwen moed bezield.

Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg,

als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post

Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder f 700.-- dus te

zamen f 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden

hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens

de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander

vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch--veel

geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is

mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat

het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en

de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe

de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de

geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.

Van Raders die reeds op Curaçao met ijver getracht had den landbouw

aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder

zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben

opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste

vermogen te bevorderen.

Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van

Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen,

zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in

plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen

slechts een en ander aanstippen.

Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweeken van Paragras

den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed,

doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen,

waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan

banannen konden erlangen, (zie "Eenige woorden ter aanprijzing van

den Maïsbouw in de kolonie Suriname"); men bleef echter liever den

ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt

tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of

door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op

gezonde landbouwkundige beginselen rustten.

In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij,

ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen

voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld,

welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd [1296].

Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt

door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende

vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.

Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname,

werkte in alle opzigten nadeelig.

Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch

moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen

in de oogen van anderen vernederde, en--zoo sprak men--met de slaven op

eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering

wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen,

doch vruchteloos.

In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als

eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd,

doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord

[1297]. Kleine stukken land rondom de stad waren uitgegeven en de

arbeid aldaar aangemoedigd [1298]; dit was wel niet geheel onvruchtbaar

gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen,

te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.

Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon

overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar

dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij

latere kolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.

Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen,

over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de

vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil

voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca,

zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door

de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe

mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet

afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende

mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste

middelen hetzelve te bereiken.

Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het

Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde;

een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk

aan, en--om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk

werk door vrijen, weg te nemen--leende de Gouverneur soms de hand

tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage,

vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds

hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die

blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet

even zoo als zij?" Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.

Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden,

hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun

vak. Van Raders bewoog hen in zijn tuin te arbeiden en gaf hun ieder

een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname,

tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den

Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin,

maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk

met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.

Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan;

eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde

werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog

ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam

de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat

voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen

tijd--en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door

vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije

kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende,

met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning

blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer

in Suriname was gezien.

In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent

het volgende:

»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die

immer voor Suriname's burgers is aangebroken; een dag waarop een

nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.

In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia,

den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter

reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen,

de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten,

de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de

plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder

opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de

aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde

vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge

Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames,

verzamelden zich in eene op het veld keurig ingerigte en met vlaggen,

bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde

eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.

Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met

Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door

eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.

Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de

Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het

programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend

terrein.

De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het

bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard,

en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van

hun aangevangen werk."

De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.

»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten,

en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een

saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie

de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de

verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de

dames zulks met den troffel verrigtten."

Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner

dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede

met het aanheffen van den juichtoon:

»Leve de Baron van Raders!" welke uitroep door al de arbeiders met

geestdrift herhaald werd.

De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den

besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk

voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.

De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid

voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van

Raders, weergalmde door de lucht. 's Middags hadden volksvermaken

plaats; 's avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten

geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.

Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen,

weg te nemen, was bereikt.

De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven,

aan welks boord ongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd

worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.

Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks f 80,000 zou

noodig zijn; hij deelde dit den Minister van Koloniën mede en vroeg

om drie maandelijksche toezendingen van f 20,000. De Minister echter

keurde het plan af en 25 December 1846 ontving van Raders bevel het

werk te staken.

Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van

het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen;

hij zelf stelde f 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen

Raad te zamen f 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen

voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van

dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst

schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit

de naburige koloniën Cayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke

geschriften en officieele rapporten, met hooge ingenomenheid, van de

proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen,

en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze

maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd

als aanmoediging te verdienen,--doch de Minister van Koloniën bleef

die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het

was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid

en bragt vruchten voort. De veldarbeid is door van Raders in Suriname

meer in eere gebragt.

Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije

bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten

lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te

kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp

haar door particulieren toegezegd (de som van f 31,800.-- was voor

het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts f 19,100) en door

het buitengewoon droog saisoen, [1299] waren de uitkomsten gering;

evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet

geheel vruchteloos [1300].

Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo

betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers

door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij

verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige

boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod

om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die

verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe

onder eenige bepalingen verlof kon krijgen [1301].

Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet,

maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie

vermogt.

De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere

West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling

van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke

som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna

Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde

redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na

1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje

genoemd.

De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders

in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven,

waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning

der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje,

was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en

Cail gezonden, die aldaar, op last van den Minister van Koloniën,

moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek

aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor

zij volstrekt niet voldeed.

Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude

batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden

gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig

kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten

komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener

verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die

volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname

vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een

millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon

zich met dat denkbeeld niet vereenigen [1302].

De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders

ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden

berokkende, doch 's lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder

een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats

van 3 1/3 okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt,

klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren [1303]. De verkorting van den

werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders stelde

grooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen,

als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door

hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid;

men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen,

wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;"

en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder

voort te gaan.

Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van

plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de

andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande

Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847,

herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te

verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter

niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te

schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te

gebruiken;--ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte

der slaven niet erkend werden [1304].

Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze

hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden,

op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking

der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen

tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden,

en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.

In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich

per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de

kolonie en drong met ernst aan:

1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke

straffen:--beperking van de magt daartoe aan de directeurs en

plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij

bevoegde autoriteiten.

2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt,

dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom

rein en open gehouden worden.

3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven

tot dus ver bekwamen.

4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.

5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9

uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen,

maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.

6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der

zwangere vrouwen en kinderen.--De behandeling der slaven liet veel te

wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen

reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert

dien tijd nog niets gedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene

zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren

plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren

en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en

menschkundige bedoelingen;" men hield nog eenige vergaderingen,

benoemde eene commissie--en toen bleef alles bij het oude.

Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd

te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren

immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was

de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen

de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente

in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland,

in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland,

eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij

in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid

aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen,

en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen

weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de

Engelsche koloniën en Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën

in West-Indië", zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen

der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel

genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met

zedelijkheid en kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en

kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar

te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk

het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed

kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname

reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden in West-Indië en

Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst,

dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen

gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en

door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den

arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar

dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene

klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als

bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen

de Spanjaarden."

Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde

tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger

zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo

als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie" te bemoeijen,

de waardige Tank was van dezen regel afgeweken: hij kon niet langer

zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland;

in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel

tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te

maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger

was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.

Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.

Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin

trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname

tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander

der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen

ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te

wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voor

Pfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke

positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er,

naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije

bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den

liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij

antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om,

tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige

toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke

aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten,

als »een niet genoeg overdachten stap."

Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor

zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd

gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest,

zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft

gesproken [1305].

Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde

sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze

dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten

zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige

droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen,

getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk

viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon,

volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al

wat openbaar maakt is licht."

Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet

zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven

vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en

lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou

voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer

worden betaald, dan f 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid

verleend, tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt

[1306]. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk

besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op

het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in

Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van

6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet

erlangden [1307].

Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de

wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren

later werd hiertoe overgegaan--en ofschoon werkelijk milder dan het

reglement van 1784,--was toch ook dat van 1851: 1o. te streng voor

den slaaf; 2o. te toegevend voor mishandelingen; en 3o. ongenoegzaam

met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.

De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in

Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname,

was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de

slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent

den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen

in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild

jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering,

volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen

ongestraft derzelver mildste bepalingen.

Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen,

en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was

aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847,

bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden

ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in

Nederlandsche muntspeciën [1308].

Vijftien duizend schatkistbilletten elk van f 100.-- werden

achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot [1309]. In September 1849

werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier

niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850

[1310]. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan

de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname

te bestaan.

Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het

Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans

opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in

Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.

Den 22sten Maart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van

17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op

de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het

koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft [1311]. Den 20sten

April werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten

op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien

in Nederlandsche [1312]. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849

werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd. [1313]

Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige

mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld [1314].

Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname

verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermate verlevendigd;

evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie

als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of

hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der

fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie

meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen

voor plantaadje-gebruik van daar verzonden.

Den 11den Mei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede,

te Tilburg op den 16den Maart, in het 57ste jaar zijns levens, en de

aanvaarding der Regering door Z. K. H. den Prins van Oranje, onder

den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend

gemaakt [1315].

In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking

afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen

[1316]. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke

gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet

te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet

besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan

de Saramacca te werpen.

Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging,

Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der

kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra

zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk,

en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt

naar huis terugkeeren.

In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning

en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken

gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt

vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande

in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz.,

opgevat en voortgezet.

Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig een stad zou

worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste

landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein

ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de

stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het

klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne

behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden

aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer,

het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw,

zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.

Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor

de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten

de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond

verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw,

maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip

van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den

Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie

vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door

het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg

aangelegd.

De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten,

een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte

van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en

deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten

keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun

onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.

Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen

hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige

maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten;

doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop

derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe

producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande

welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.

Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den

aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen

in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te

druk met de administratieve bureau-arbeid, om zich veel met den

landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf

hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der

landbouwers in oogenschouw te nemen.

Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve

onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich

tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen,

doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor

den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van

levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk

opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten

de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname,

echter met ongelukkig gevolg.

De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan

in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg

op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen

de magt,--die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd

was--voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de

voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide,

op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven

aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor

het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds

eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.

Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven

genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.

Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan

voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden

in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen

èn op het plan, waarnaar de onderneming was aangevangen en door den

bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6 1/2 tonde gouds werd verspild,

van welke som de kolonisten zelven hoogstens 1/6 hebben genoten.

En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname

wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne

gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan

vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen,

tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen

voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en

later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot

betrekkelijke welvaart gekomen [1317].

In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer

epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene

zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die

nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast

en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies

onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze

gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden

de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip de

Venezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen

verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.

Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom

en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de

heer P. R. Planteau beproefde om de overgebleven schepelingen van

hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch

te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde

Boedels overgaf.

Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het

schip, liet het ontzegelen en inventariseren, en, ingevolge Art. 19

van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest,

binnen vier weken, bedoeld schip worden verkocht.

Vóór dit collegie hiertoe overging rigtte zij zich per missive tot

van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot

verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van

het geval--met afwijking van het bestaande reglement,--maatregelen

wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere

personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide

te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders

zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van

bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen

van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden,

nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk

zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip

weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood

hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan;

die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven,

zich hiermede in te laten.

Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden,

om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde

bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde,

zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak,

die met het welzijn of het nut der kolonie in naauw verband stond,

aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij

Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel

schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid

van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven:

»vermits" zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworene verpligting

om den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te

staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw

Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt

zijn moet aan eene ongekrenkte naleving van het Regerings-reglement,

en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of

bijzondere instructiën of bevelen."

Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige

teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den

Minister ontvangen, om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde

de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij

weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer

overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige

voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten."

Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, die met

het welzijn der kolonie in geen verband stond geene discretionaire

magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak

hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd

vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September

1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart

Lyon voor de som van f 5100.

Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen

overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling

oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er

zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden

van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister van Koloniën

Pahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit

afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders

een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te

verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de

Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd [1318].

Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie

opgeofferd, of--beter gezegd--aan eene reactionaire partij, zoo in

Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden

deed.

Den 1sten Maart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van

den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter,

Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur

a. i. aanvaardde. [1319]

In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid

getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder

nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was

de koloniale kas f 190,000.-- aan de Reserve-kas verschuldigd; bij de

aftreding van van Raders lag daarentegen f 80,000.-- ter beschikking;

's Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in

beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door

het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van

den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het

bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen,

namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen

soliede waarborg bezat, was door Nederlandsche muntspeciën vervangen;

de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was

voor vreemde natiën opengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde

reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.

Van Raders vertoefde nog tot den 8sten April in de kolonie. Hij ontving

voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een

adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie

aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten

erkend; een aantal der vrije werklieden bragten hem in persoon hunne

hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij

vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid,

met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten,

gevestigd aan het kanaal van Kwatta dankten hem, bij een adres, in

ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.

Van Raders verliet den 8sten April Suriname, en keerde naar Nederland

terug.

Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid

van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet

op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen

bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijke commissiën,

dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het

ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting

van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met

hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den

bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg

was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.

De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14den Junij 1852,

waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk

bestuur op zich nam [1320].

Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde

Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt

auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22sten Junij 1852 het bewind

aanvaardde [1321].

Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen, omtrent handel en

zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz. 722) met eenige,

thans met vele bevriende natiën tractaten gesloten, waarbij die

beginsels gehuldigd werden; [1322] de kustvaart werd aangemoedigd

door vermindering van baak-, los- en steigergeld [1323]; de openbare

verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden

werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene

lastige formaliteiten [1324]; de briefwisseling werd nader geregeld

en door verlaging van het port bevorderd [1325].

De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden

standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voor

West-Indië verbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie

te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden

koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in 's lands kassen

konden worden gebezigd [1326].

In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van

Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der

slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd

meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering

en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging

veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte

verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede,

dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en

dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der

kolonie was.

De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei

opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond

in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de

Nederlandsche wet." In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van

het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen

vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden;

de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg,

werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionaire partij

voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de

opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.

Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als

onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die

tot het oud regime behoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren

nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid

bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September

1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent

verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld [1327].

De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en

het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene

toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd [1328];

de premien vroeger gesteld [1329] op den invoer van slaven van de

West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer

niet langer belast [1330] en alzoo ten minste de handel in slaven

niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren van enkele slaven

van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en

de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven [1331].

Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent

de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde

zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer

overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve

dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk

tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en

vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven

plaats, die de menschheid onteerden.

De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan

Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten

opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling

van de zijde hunner meesters. Niet--zoo als Elias gewenscht had,--aan

onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was

de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen,

en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn,

kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.

Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den

ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem

in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed

te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde

bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige

wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen

te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan

de herstellingen het drie dubbele zijner zoogenaamde besparingen

heeft gekost.

Den 28sten November 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van

Weldadigheid haar 25-jarig bestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde

Gemeente.

In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de

geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige

toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de

feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen

waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van

belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel

uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de

bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris

uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij

ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige

hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken

en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen,

met eere hun brood te verdienen, en slechts bij uitersten nood meer

bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen

behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend

middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl

zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit

mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen

opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid

bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte

zeer gunstig. Het oprigten van een weduwen- en weezenfonds, had om

de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook

gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is

echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.

De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch

aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van

het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene

gift van f 100.-- uit naam van Koningin Victoria uit Groot-Brittanje

toegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen

en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog

steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte

der behoeftigen in Suriname te arbeiden.

Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op

gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering

van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche

bevolking in de kolonie Suriname, die den 4den Julij 1854 haar 25-jarig

bestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest,

om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som

van f 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom

f 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige

was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder

uit interessen en vooral ook door subsidiën van het koloniaal

Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne

belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was

niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.

De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een

personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken

trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in

zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt,

19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd

[1332]. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne

kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.

De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer

achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens

het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te

Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den

gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt auf

Altenstadt koeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt

tot December 1853, tot een gezamenlijk bedrag van p. m. f 4000,

dus p. m. f 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne

eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal

vee, dat bij hunne vestiging 18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43

stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die

onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu

reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden

te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe,

en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich

in de nabijheid der stad neder te zetten [1333].

Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet

belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven

heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerd genomen

voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging

en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der

kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.

In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd

door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie

genomen.

Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet

ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van

een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post

Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher,

August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling

van zeer interessante gebeurtenissen en omstandigheden, welke hij

ten deele in een werkje [1334] heeft bekend gemaakt, en waarbij hij

eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad

bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van

eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.

Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot

Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor

welke betrekking hij f 700.-- ontving, had in die streek 10 akkers

land geheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar

een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten

geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats

handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers,

een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.

Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met

het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis

hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde

briefwissel kwam.

De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers

aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, en ten gevolge daarvan

vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur

hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte,

vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de

Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles,

die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt

had, [1335] en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een

eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven

eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich

als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers

weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen

vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig

elkanders bloed dronken.

Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen

assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een

voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken

kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als "Coprali"

(korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen

zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten

zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera"

(arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.

Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo

al niet zeer--echter toch meer--bemiddeld was dan Kappler, die niet

had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in

Paramaribo afbetalen moest.

Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van

de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers

ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste

levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden,

over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in

Fransch Guijana ter verkoop bragt.

Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstond om

Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname

te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken,

deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet

ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.

Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger

en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor

de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen,

terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport

voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester,

Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar

Suriname zou vertrekken.

In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was,

met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.

De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan

zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet

geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond

aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen

met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de

Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.

Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne

gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden

tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden

aangegaan contract, om hun f 1.-- per dag, vrije huisvesting,

vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon

niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden

somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel

bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.

Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en

zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak

en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische

Broedergemeente, de overeenstemming tusschen Kappler en de werklieden

te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.

Den 23sten April 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen

(10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van

Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen

Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man,

maar vol roode socialistische denkbeelden was.

Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen

tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den

Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te

verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts,

die toenmaals te Paramaribo heerschte.

De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den

arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan,

doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden

houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger

en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven f 30,000;

Kappler had f 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor f 21,000

aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden

genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te

steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden

belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de

tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan

koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;--slechts als

landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst

opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé

was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het

gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze

onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.--Op Montecattini's

oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven

en aan de verwachting beantwoordden.

Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen, J. Schunk,

C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na

te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten,

in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt

zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen,

om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot

stand te brengen.

Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide

overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck

nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering

onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet

tot stand.

Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is

ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz

en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief

berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen

toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze,

met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in het tijdschrift van genoemd

Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste

bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend

[1336].

Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch

gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking

van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en

droeg het bestuur der kolonie, den 23sten Augustus 1855, over aan den

Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot

Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde [1337].

Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van

vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire

agenten van bevriende natiën in Suriname aangesteld, en hieromtrent

tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoe het eerst eene overeenkomst

aangegaan [1338]; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar,

en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid

ook met andere natiën gesloten. [1339]

Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende

zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt

meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de

schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij

of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd

bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan

gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen

[1340]. Waren--zoo als wij op bladz. 723 aanmerkten--in het eerst de

voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen

de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd,

dreven de behoudsmannen daarmede den spot.--Men waande de kluisters,

waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de

melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel

konden uitvoeren.--Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten)

zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen

der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden

afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat

aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen

onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De

Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs

van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk

eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer

tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en

suiker, cacao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor

werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene

kleinhandelaars traden op en kochten de cargas der Amerikaansche

schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en

de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de

melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën

aan de plantaadjes werden opgeschreven,--en waarvan de administrateurs

10 procent genoten--daalden verbazend, ten voordeele der effecten,

terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene

plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de

ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden--in compagnie

met de administrateuren,--daarvan trokken, aangehouden werden, nu

publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe

eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den

vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunne slavenprovisiën goedkoop

in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende

prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel

veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich

ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al de in Suriname gevestigde

eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan

schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname

vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit

aan de vaart op Suriname hadden gedacht.--Zijn door vrijen handel

reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er

verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid

met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen,

waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.

Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie,

eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie

met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.

In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd [1341]; verschillende

verordeningen tot betere regeling van civiele en strafzaken bij het

regtswezen gemaakt [1342]; de werkzaamheden van den Procureur-Generaal

verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele

commissaris aan te stellen [1343]; terwijl tevens, door vermeerdering

van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie,

een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen,

waterleidingen enz. kon plaats vinden [1344]. Ook werd het reglement

op het brandwezen gewijzigd [1345]; de burgerlijke geneeskundige

dienst nieuw geregeld [1346] en verder verschillende huishoudelijke

reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.

Geschiedenis van Suriname · 第 40 / 86 题