Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren;

want toen dezen later het 6de artikel, waarbij verboden werd,

dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden

uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden

Gouverneur en Raden: »dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot

hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit

politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden

te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die

onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden

kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden

geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het

grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye

geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te

compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald,

omtrent oft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis,

die een zoodanige, veelligt nyt overtuiging zoude willen aanneemen."

Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef

en niet zou worden uitgebreid [740]; gelijk dan ook dienovereenkomstig

is geschied.

In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne

hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst

zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen

gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot

eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo

Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.

Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd,

onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der

beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en

woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk

groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden

bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken

hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën,

die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.

De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering

der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en

begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt [741].

Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde

jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed

den 10den November 1787 [742]; doch reeds in het begin van 1788 kwam

de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.

Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering,

zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de

eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot

aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging

hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 3 der voorwaarden

op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk

geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de

Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg

dragen [743].

Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel

verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die

bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden [744],

zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen

op kerkelijk gebied.

Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene

kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling

was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door

H. H. M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren der sociëteit

in 1754 bekrachtigd [745]. De behoefte naar veranderingen deed zich

thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop

sterk aan.

De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de

algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie

der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8sten Maart 1785,

waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie

werd besproken, besloot men deze over te laten »aan de zorgen en het

bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover

naar zijne wijsheid oordeelen mogt [746]." Wichers ontving alzoo

»de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen

als hij tot reforme en redres onder de Portugeesche Joodsche natie,

zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth' Usantiën, costumen als

finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden" [747].

Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader

was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de

Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten

dienste stond, achtte hij het noodig, »alvoorens eenige pogingen van

reforme of redres te beramen," het getal der Regenten te vergrooten

en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald,

in hun ambt te doen continueren, »om daardoor met gestadigheid, zorg

en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis

van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld

plan van reforme uit te werken." Zeven Regenten werden toen voor drie

en een half jaar aangesteld en onder dezen D. I. C. Nassy. Deze nieuwe

Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den

Gouverneur opgedragen, »de gemoederen der leden in het bijzonder voor

te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe

instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan

de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en

vervolgens goedgekeurd te worden." Dit geschiedde in gepaste orde en

met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur

aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren

zond, om door hen en H. H. M. te worden geapprobeerd [748].

Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig

jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden

Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd

(zie bladz. 72) en den 12den October 1785 werd het eeuwfeest dier

stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste

leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die

de natie daaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd,

als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van

1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken,

vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken,

enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden

voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte)

het feest besloot [749].

Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk

aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts

een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en

vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De

natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz. 313, 14,

15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden,

die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven

van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon;

doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks

het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de

viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen

van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig

staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane

bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren

deelgenooten van de kleine danspartijen en andere vreugdebedrijven door

de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid,

die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er

werd gemaakt; dit alles tezamen maakte de Savane voor den tijd van

vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen

en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder

doodsch en treurig [750].

Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden,

bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de

Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën,

die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten;

grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.;

en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen,

welke goede opbrengsten gaven.

Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend

gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste

gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de

behoeftigen.

De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de

verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische

gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in

Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne

Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen

der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging

hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van

zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in

het geheel geen bedelaars onder hen op 's Heeren straten aantrof [751].

Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht

duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente

nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden,

als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven;

de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten,

grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de

zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging

van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd

ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed

[752].

Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee

plannen tot het houden van loterijen gevormd; eene van f 50,000.-- en

eene van f 30,000.--. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën

voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie

het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden,

dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan,--»doch geene meer,

voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo

nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben,

als dit in Europa het geval was" [753]. (Zonderlinge redenering.)

Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het

in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied

in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de

oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen

wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers

der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.

»Misschien," redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche

wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich

zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als

in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige

geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet

naar hetgeen hij 't best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse

zijner ziele."

Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener

Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap

zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in

Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis,

waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken,

scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten," voegde hij er bij,

»aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de

volmaakste eensgezindheid."

Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een jood van groote

belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit;

zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde

godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier

dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn

eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was

in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was,

de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon

een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna

overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan [754].

Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de

verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij

alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding

van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te

gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen

over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig

het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die

hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is

een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts

wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam

jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis

aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.

Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets

nader beschouwen.

De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius

volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden

opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid

beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken

aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden,

hun vaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden

de lust voor letterkunde aldaar aan.

Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard,

tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers,

toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz. 383)

en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef

hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering

gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen

en bediscussieerd.

De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk

de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische

waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte

der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen,

de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.

De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de

wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit

genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische,

chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite,

om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen,

en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene

dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname

geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg

aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te

begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander

kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij

Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool

door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij

inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij

dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp

in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid

er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren [755].

Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien

de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan

hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en

een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch

het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust [756].

Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan

een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van

de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot

beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde

correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van

wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele

boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.

De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de

geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere

liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene

bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij

destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene

groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde

nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren

bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige

voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te

rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur."

Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16den Februarij

1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit

stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was

ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog,

de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde

maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als

het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te

leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte en

schromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de

oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te

brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken,

en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken

tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd

en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden."

Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van

een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid

en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap,

wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der

menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er

minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van

publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek

in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden,

benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.

Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen

worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als

voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche

en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en

ook over wijsbegeerte.

De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden,

en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om

lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de

onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van

beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder,

na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden

toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den

25sten Februarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne

goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine

aanmerkingen maakte. [757]

Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker

leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud

van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland

ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen [758].

Een ander collegie onder den naam van Surinaamsche lettervrienden

werd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche

dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn

smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden

getoetst en verbeterd werd [759]. Jaarlijks werden te Paramaribo een of

twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie

gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel "Surinaamsche

mengelpoëzij" heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van

politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap

[760].

In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende

deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste

reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium

geklaagd over het licentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een

dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de "uitspanningen der

Surinaamsche lettervrienden." In dit vers getiteld: "de Wijsgeer op

zijn sterfbedde, door N. C. L." kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden

voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk;

waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze

zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg

waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende,

geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het

Hof gesproken was, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der

gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze

keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen,

dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door

hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was,

vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo

[761]. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert

dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen: Licentieus boekdrukken.

In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den

titel van "Surinaamsche Spectator" bij de wed. J. Tresson, Junior,

een periodiek werk werd uitgegeven, "dat", zoo luidde zijne aanklagt,

"er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte

termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en

omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten

onbetamelijk waren."

Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem

waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent "eenige

uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare

godsdienst." Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de

wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde

bepaald te onthouden [762].

Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken,

dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder

Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was,

dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen;

er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme

zich daarvan geene te groote verwachtingen. "De letteren," merken

schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: "maakten

in Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs

verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel

moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van

letterkunde te hooren spreken; 't welk dikwijls te weeg bragt, dat op

de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame

leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite

gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen" [763].

De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als

wij dat op bladz. 181 enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten

worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In

de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend

worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot

vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot

vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht;

speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen,

bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.

Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er

echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes,

die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht,

vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.

In de behandeling der slaven was weinig verbetering te bespeuren. De

revolutionaire vrijheidskoorts, van Frankrijk ook in Suriname

overgebragt, had daarop geen invloed. Wel waren de meeste blanken

ijverige aanhangers der revolutionaire begrippen van dien tijd,

doch vertraden de eerste en heiligste regten hunner donker gekleurde

natuurgenooten met de voeten; zij schreeuwden voor zich zelven om

eene onbestaanbare vrijheid en handhaafden tegelijk de gruwelijkste

slavernij; men--maar wij vervolgen de geschiedenis.

Bij de beschouwing van den kerkelijken toestand en de armverzorging

te dier tijde in Suriname, en bij het vermelden van de letterkundige

ontwikkeling, zagen wij Wichers reeds hier en daar handelende

optreden. Wij hadden meermalen gelegenheid om op te merken, dat

de lofspraak, hem kwistig in de Historische proeve en ook elders

toegezwaaid, niet onverdiend was.

Vooral sprong hierbij in het oog de hem toegeschrevene deugd van

verdraagzaamheid, waarvan hij verscheidene bewijzen gaf. Bij de door de

Roomsch-Catholieken toch verzochte vrijheid tot openlijke uitoefening

hunner eeredienst, had de stem en voorspraak van Wichers in het Hof

grooten invloed op de gereede toestemming van dat verzoek. Ook de

Luthersche gemeente wilde hij gaarne in den nood, waarin haar armenkas

verkeerde, helpen, en diende haar met goeden raad. Dat die raad,

niettegenstaande de Luthersche gemeente dien opvolgde, niet baatte,

lag niet aan Wichers, daar de Boekhouder-Generaal niet te bewegen

was, om een gunstig advies op haar rekwest om subsidie uit te brengen

(zie bladz. 414), en overeenkomstig dit advies werd tegen den wensch

van Wichers, genoemd rekwest gewezen van de hand. De Hernhutters en

hun arbeid nam Wichers welwillend in bescherming. Den Joden, door

onderlinge twisten verdeeld, weigerde hij geene medewerking om hunne

instellingen te regelen, en het door hen in hem getoonde vertrouwen

beantwoordde hij door met ijver hunne zaken ter hand te nemen en tot

een vrij goed einde te brengen.

Die verdraagzaamheid had echter hare grens: streng werd door Wichers

de ongodsdienstige strekking van sommigen, gedurende zijne regering,

in Suriname uitgekomen, geschriften gegispt en hiertegen maatregelen

verordend. In het politieke scheen hij geen wrijving van gedachten

te schuwen, want niettegenstaande de reeds vermelde klagt van den

Raad-Fiscaal over de Surinaamsche Spectator, vinden wij geene berigten

eener nadere vervolging.

De liefde van Wichers voor de fraaije letteren deed hem de daartoe

eenigzins in de Kolonie ontwaakten lust aanmoedigen: terwijl de

waarheid der bewering: dat hij een kundig en verlicht man was, door

zijne andere handelingen, tijdens hij het bewind over Suriname voerde,

bevestigd werd.

Suriname genoot na het eindigen van den oorlog met Engeland eene

betrekkelijke rust. Daar er echter eenige vrees voor het uitbreken van

vijandelijkheden tusschen onze republiek en den Keizer van Oostenrijk

bestond, werd het garnizoen op het fort Nieuw Amsterdam vrij voltallig

gehouden en een paar gewapende schepen op die hoogte in de rivier

geposteerd [764]. Later werden de gemoederen weder verontrust door

de uit Europa overgebragte tijdingen omtrent eene tusschen Engeland

en Frankrijk te verwachten vredebreuk; waardoor de kolonie Suriname,

zoo tusschen beider bezittingen gelegen, ligt in ongelegenheid zou

kunnen geraken; waarom dan ook eenige voorzorgen niet overbodig werden

geacht [765]. De komst van Fransche schepen, die depêches van den

Gouverneur van Cayenne overbragten, werd toen met een wantrouwend oog

aangezien [766]; terwijl ook de houding van het Fransche Gouvernement

dier kolonie, ten opzigte der Bonni-negers, dit wantrouwen versterkte

[767]. Het geschil tusschen Oostenrijk en onze republiek, bepaalde zich

tot Europa en had geen dadelijke nadeelige gevolgen voor Suriname; de

verwikkelingen tusschen Engeland en Frankrijk, waarbij ons vaderland

werd betrokken, strekten zich onder de regering van Wichers nog niet

tot Suriname uit. Wichers had alzoo gedurende zijn bestuur geen inval

van buitenlandsche vijanden te wederstaan; de vaart werd niet gestremd

zoo als onder Texier; men behoefde niet als toen vrees voor een door

die stremming veroorzaakte hongersnood te koesteren en men kon alzoo

aan de overige belangen der kolonie meer zorg wijden.

Van die betrekkelijke rust werd dan ook door Wichers gebruik

gemaakt, om door gepaste maatregelen de cultuur te bevorderen en

den gezondheidstoestand te verbeteren. Aan de Mot-, Matappica-

en Warappakreeken werden van tijd tot tijd plantaadjes aangelegd,

voornamelijk ter bebouwing van katoen. Digt gewassen kreupelhout

belette echter de weldadige werking der zeelucht, belemmerde de cultuur

en was van nadeeligen invloed op den gezondheidstoestand. Wichers liet

hierom veel hout omhouwen en deze openkappingen, die den frisschen

zeewind vrij spel gaven, waardoor de lucht werd afgekoeld, begunstigde

de cultuur en verbeterde den gezondheidstoestand [768].

Een landbouwkundig genootschap, dat in Suriname werd opgerigt,

genoot zeer de gunst en bescherming van den Gouverneur. Hij

woonde soms deszelfs vergaderingen bij en verleende gaarne zijne

voorspraak bij heeren Directeuren om goedkeuring op hunne pogingen

tot wetenschappelijke behandeling van den landbouw te erlangen [769].

Echter ging de landbouw niet vooruit; vele plantaadjes werden verlaten:

door gebrek aan de benoodigde slavenmagt, waarover bittere klagten

werden aangeheven [770], door het gemis aan het onontbeerlijk kapitaal,

de afwezigheid der eigenaren en door vele andere oorzaken.

Gedurig werden plantaadjes voor schuld aan den hypotheekhouder verkocht

en telkens vindt men in de notulen gewag gemaakt van aanzoeken tot het

Hof, om ontheffing van de verschuldigde 3 pCt. transportkosten. (Dit

werd meestal toegestaan, totdat de Boekhouder-Generaal hiertegen

opkwam en daarna wees het Hof dergelijke verzoeken meermalen van de

hand [771].)

In 1789 en 90 rees de waarde der producten. De prijs die jaarlijks werd

vastgesteld, waarvan de 5 pCt. belasting moest worden betaald, was in

1789 het vat suiker f 90, het pond heele koffij 9 stuivers, gebroken

dito 7 stuivers, schoone katoen het pond 18 stuivers, vuile dito 10

stuivers, cacao het pond 4 stuivers. In 1790 werd de prijs der suiker

tot f 100 per vat gebragt. Sommige planters trachtten deze voordeelen

nog te vergrooten door suikervaten te doen vervaardigen, waarin soms

1300 pond werd geladen; men wilde alzoo de verhoogde belasting ontgaan,

doch de Boekhouder-Generaal protesteerde tegen deze kwade practijken

en verzocht hiertegen voorziening [772]. Deze voordeelen waren echter

niet in staat het toenemende verval te wederhouden; behalve de reeds

meermalen genoemde oorzaken, werkten ook andere omstandigheden,

die wij later zullen vermelden, hiertoe mede.

Gingen de plantaadjes achteruit, de stad Paramaribo nam echter voor

het uiterlijke zeer in bloei toe. Bij een plan tot straatverlichting,

in de notulen opgenomen, werden 230 lantaarnen noodig geacht, waaruit

reeds eenigermate de uitgestrektheid der stad blijkt. Het getal

huizen werd hierbij opgegeven 1776 te bedragen, dus ongeveer 700 meer

dan Teenstra en Sypensteyn vermelden [773]. Die straatverlichting

kwam echter niet tot stand en nog heden heerscht bij avond en nacht

duisternis op Paramaribo's straten. Om den voortdurenden aanwas der

bevolking te gemoet te komen, werd door Wichers den grond gelegd voor

eene voorstad of buitenwijk. Het Combé (een aloude Indiaansche naam),

gelegen tusschen de stad en het fort Zeelandia, werd daartoe uitgemeten

en in erven en tuinen verdeeld [774].

Wichers liet het Gouvernementshuis verfraaijen en van eene beneden

galerij voorzien [775]; doch openbare gebouwen werden onder zijn

bestuur niet opgerigt. Een houten gebouw voor eene vischmarkt toch,

kan men bijna niet als zoodanig noemen. Evenwel was het eene goede

zaak; er werd nu een verbod uitgevaardigd, om elders in de stad

visch te verkoopen en de walgelijke overblijfsels van den visch,

die vroeger hier en daar werden nedergeworpen, verpesten niet

langer de lucht door onaangename reuk; terwijl nu tevens een beter

toezigt op de hoedanigheid van den aangeboden visch kon worden

uitgeoefend. Zindelijkheid en gezondheid werden alzoo beide hierdoor

bevorderd [776].

De behoefte aan eene inrigting ter verpleging van Boassie-zieken,

afgezonderd van alle anderen, was reeds sedert lang in de kolonie

gevoeld. Bij het heerschen der kinderpokken in 1764 was in de

nabijheid der stad Paramaribo wel tijdelijk een gebouw opgerigt

(zie bladz. 274), waar de lijders aan die epidemie moesten worden

verpleegd; doch dit ligt getimmerd gebouw kwam spoedig in verval en

werd geheel ongeschikt tot het opnemen van zieken. Het was hoogst

wenschelijk, eene dergelijke inrigting tot stand te brengen, want

jaarlijks breidde zich die vreesselijke Boassie uit. Ook nu werd

deze zaak in het Hof op nieuw herhaaldelijk ter sprake gebragt en

in Augustus 1786 werd daarover eene missive aan H. H. Directeuren

gezonden [777]. De kerkeraad der Luthersche gemeente drong mede op

het nemen van afdoende maatregelen aan; hij verzocht, om voor de

door Boassie besmette armen, die zich tot de Diaconie der Luthersche

gemeente vervoegden, een plaats aan te wijzen, waar zij afgezonderd

van anderen konden worden verpleegd. Ofschoon de armenkas in slechten

toestand verkeerde, (zie bladz. 405) bood de kerkeraad echter aan,

om hiervoor, naar evenredigheid, uit die kas bij te dragen [778].

Het duurde, niettegenstaande herhaalden drang, nog een geruimen tijd

vóór hieraan gevolg werd gegeven. Eindelijk in 1790 bragt de Raad van

Policie Becker een ontwerp ter tafel, dat breedvoerig bediscussieerd

en met eenige wijzigingen aangenomen werd [779].

Nog in hetzelfde jaar, doch reeds na het vertrek van Wichers, werd een

etablissement »Voorzorg" geheeten, in Saramacca, daartoe aangewezen,

provisioneel voor slaven, doch hetwelk, volgens later te maken

bepalingen, ook voor blanke lijders zou kunnen dienen; de opzigter

werd f 600 traktement, rantsoen, schrijfbehoeften toegekend [780].

Werd er alzoo eenige voorziening gebragt in de verzorging der slaven,

die aan de Boassie leden, het was minder om hun lot te verzachten,

dan wel om gevreesde besmetting voor te komen. Verbetering van het lot

des slaafs was geene zaak, die de harten of hoofden der kolonisten

bezig hield, en een man als P. F. Roos, die der vrijheid bezong, en

o. a. in zijn vers »Suriname verheerlijkt," in kreupeldicht aandringt,

»om tempelen der vrijheid gewijd op te rigten," verheugt zich,

eenige regelen lager, in het vooruitziet: »dat Africa op nieuw voor

Nederland een magazijn van kloeke slaven zal wezen" [781]. De verzen

van dien door velen gevierden man, vloeijen over van allerlei schampere

aanmerkingen jegens de arme negers: hij (de vrijheidsvriend?) keurt

het ten hoogste af en is zeer verontwaardigd, indien zij den arbeid

weigeren, omdat zij noch voedsel, noch kleeding ontvangen [782].

Wichers wordt door sommige schrijvers (Stedman en andere) geprezen,

dat hij ook jegens de slaven menschlievendheid betoonde, doch behalve

het feit, dat hij een neger (Apollo, weglooper van La Bonne Amitie)

door het Hof ter dood veroordeeld, die straf kwijt schold en hem in

plaats daarvan in boeijen aan 's landswerken liet arbeiden [783],

vinden wij in de officieele bescheiden hiervan weinig vermeld. De

vreesselijke straffen jegens de slaven bleven in volle kracht; in

Augustus 1787 werd ook de wreede en onmenschelijke straf, het afzetten

van een been onder de knie, weder toegepast op den neger Jakje [784].

Dat Wichers òf in het algemeene vooroordeel van dien tijd omtrent de

behandeling der slaven deelde, òf dat hij geen zedelijke kracht genoeg

had om hier tegen te getuigen, is ons niet volkomen duidelijk. Aan

welke oorzaken dit dan moet worden toegeschreven beslissen wij niet;

maar zeker is het, dat de vermelding van het volgende, een pijnlijken

indruk op vele lezers zal maken:

Bij mondelinge overeenkomst met de bevredigde boschnegers was

bepaald, dat de weggeloopen slaven, die door hen gevangen en aan

de regering werden overgeleverd, niet met den dood gestraft, maar

slechts veroordeeld zouden worden, om, in boeijen, voor het land aan

de forten of op het Cordon te arbeiden [785]; de meester ontving voor

het gemis van den arbeid zijns slaafs f 200.-- restitutie uit de kas

tegen de wegloopers. Het niet voltrekken der doodstraf aan de gevangen

genomen wegloopers maakte wel geen artikel van het met de boschnegers

gesloten vredesverdrag uit, maar was aan dezen op dringend verzoek

later toegestemd en tot 1788 getrouw nageleefd. Toen echter werd die

belofte ingetrokken, daar men vermeende: »dat het wegloopen hierdoor

werd aangemoedigd" en het Hof besloot, dat voortaan de weggeloopen

slaven, die door de boschnegers gevangen en aan de regering werden

overgeleverd, op dezelfde wijze als anderen zouden worden gestraft

[786].

Het wegloopen nam evenwel gestadig toe en de aanvallen der Marrons

op de plantaadjes herhaalden zich telkens [787]. De meeste diensten

ter beteugeling huns overmoeds werden door het vrijcorps verrigt, en

terwijl men dit moest erkennen, wenschte men er dan ook de uitbreiding

van; doch het bezwaar hiertegen lag in de groote kosten, die vereischt

werden tot de vorming en het onderhoud van dit corps. Voornamelijk

door de uitgaven hiertoe benoodigd en door die van het aanleggen van

het Cordon was er een te kort in de kas tegen de wegloopers ontstaan,

tot welks dekking men schulden had moeten aangaan: de stad Amsterdam

alleen had een voorschot gedaan van f 700,000.-- en heeren Directeuren

f 719,314.-- [788]. Die schuld te vermeerderen was niet raadzaam;

de belasting op de producten te verhoogen had ook vele bezwaren, en

toch het vrijcorps moest ten minste in stand worden gehouden. Wichers

stelde hiertoe aan het Hof voor: om de vroegere belasting van f 1,--

hoofdgeld voor ieder persoon (vrije of slaaf), die sedert eenige jaren

afgeschaft was, weder in te voeren; daarenboven als nieuwe belasting te

verordenen dat ieder slaaf, die voortaan met de vrijheid zou worden

begiftigd, hiervoor f 100.-- aan de kas tegen de wegloopers zou

betalen en ieder slavin f 50.--. De te manumitteeren slaven konden,

indien zij hiertoe geschiktheid bezaten, door driejarige dienst bij

het vrijcorps, van het betalen dier genoemde som worden vrijgesteld

[789]. Wichers vermeende (zoo drukte hij zich uit), dat de vrijheid een

zoo kostbaar geschenk was, dat hij, die dezelve ontving, gaarne eene

dergelijke som zou willen betalen, of zich tot eene vrijwillige dienst

bij het vrijcorps verbinden; maar Wichers bedacht ongetwijfeld niet,

dat er eene groote onbillijkheid en onregtvaardigheid in gelegen was,

om den arme bij een eindelijk toekennen van natuurlijke, doch lang

onthouden regten, hiervoor nog te laten betalen. Dergelijke redenen

golden te dier tijde weinig; het Hof vond de beide voorstellen van

Wichers zeer aannemelijk; HH. Directeuren schonken er hunne toestemming

aan en ze werden in resolutiën geconverteerd [790].

De geldkwestie heeft steeds ongunstig op de vrijmaking der slaven

gewerkt; niet slechts deed zij in het hier genoemde op nieuw

onbillijkheden begaan; zij oefende ook een noodlottigen invloed

uit op het kwijten eener schuld jegens de kleurlingslaven, welks

grootheid men eenigermate had beginnen te gevoelen. De kleurlingslaaf

was nog ongelukkiger dan de negerslaaf. Uit gemengd bloed gesproten,

van zwakker ligchaamsgestel, was hij voor den zwaren arbeid minder

dan de negers geschikt. Viel die arbeid hem zwaar, dubbel pijnlijk

troffen hem de vernederingen en beleedigingen, die hij als slaaf

moest verdragen; want ook in zijne aderen stroomde het bloed zijner

vaderen. En trilde de vader van verontwaardiging bij de geringste

aanranding zijner vrijheid; diens kind moest lijden en zwijgen, zelfs

de bij grofste schending, en zijn medelotgenoot, de zwarte negerslaaf,

beschouwde den kleurlingmakker met wantrouwen.

In 1781, onder den wakkeren Texier, was eene commissie benoemd om:

zoo mogelijk maatregelen te beramen, ten einde kinderen, gesproten uit

gemengde geslachten, den schat der vrijheid te bezorgen. Die commissie

hield vergaderingen, discussiën, bragt verslag uit en--dit duurde tot

1790--eindelijk werd door het Hof besloten de zaak provisioneel te

laten rusten: 's lands finantiën lieten niet toe, om den koopprijs

aan de eigenaren te betalen; het was moeijelijk, om daarenboven die

kinderen eene goede opvoeding te doen erlangen, en--men troostte zich

hiermede: dat er door de vaders dier kinderen meermalen brieven van

manumissie werden aangevraagd [791].

Zij die door hunne ontvlugting zich zelven de vrijheid hadden

verworven; die tot behoud daarvan een strijd met Europesche soldaten

niet hadden geschroomd en slechts door den moed van het vrijcorps

gedwongen waren geworden de kolonie te verlaten, en over de Marowijne

een veilig toevlugtsoord te zoeken, bragten nog meermalen vrees en

schrik in de kolonie. De Marrons, die met hun opperhoofd Bonni, den

man van gemengd bloed, in 1776 over de Marowijne waren getrokken,

hadden zich eenigen tijd rustig gehouden, doch in de laatste tijden

weder van zich doen hooren en de kolonisten door enkele strooptogten

verontrust. Die onrust bij de kolonisten werd vermeerderd door

geruchten omtrent eene dubbelzinnige houding van het Fransche

Gouvernement van Cayenne, dat toch schijnbaar in vriendschap met

het onze verkeerde. Er kwamen namelijk klagten over verstandhouding

tusschen dat Gouvernement en de Bonni-negers; men verhaalde dat zij

er door van allerlei gereedschappen en ook oorlogsbehoeften werden

voorzien, ja dat er sprake van was, dat eenige Franschen zich bij hen

zouden vestigen. Zelfs de Aucaner-boschnegers, (onze bondgenooten)

waren hierover niet geheel zonder ongerustheid [792].

Het Gouvernement van Suriname besloot op zijne hoede te zijn en

trachtte in de eerste plaats het wantrouwen der Aucaners tegen Bonni

te vermeerderen, om van die zijde steun te erlangen en ten tweede

versterkte men het vrijcorps, om in staat te zijn de gevreesde

aanvallen, zoo mogelijk, te keeren.

Men hield een wakend oog en het bleef nog eenigen tijd vrij rustig;

Bonni verschalkte hen echter. In Augustus 1788 berigtte de Joodsche

Burgerkapitein, dat er een gerucht liep: »een gedeelte der bende van

Bonni was over de Marowijne getrokken en bedreigde de plantaadjes"

[793]. Nog bleef het een wijle stil; zou het een onwaar en valsch

gerucht zijn geweest? Neen! weldra werd het bevestigd; daar klinkt

eensklaps de droevige mare door de kolonie: De mannen van Bonni hebben

de plantaadje Clarenbeek aangevallen den blankofficier gedood, vier

soldaten gekwetst, het grootste gedeelte der slavenmagt medegenomen

en als gevangene den directeur Merle [794].

Vooral dit laatste bragt eene algemeene schrik teweeg; men stelde

zich in de kolonie voor, dat Bonni de Merle onder des uitgezochtste

martelingen zou doen sterven. Bonni deed echter niet alzoo; hij

behandelde de Merle goed en wilde hem, blijkens een brief door dezen,

aan eenige vrienden in Paramaribo, geschreven, tegen een behoorlijke

losprijs vrijgeven [795].

Wat nu te doen? Bonni vervolgde zijne strooptogten en achtervolgens

werden nog drie plantaadjes door hem overvallen. De nood steeg; er

moest met kracht worden gehandeld. De dappere Friderici, de bekwame

opperbevelhebber van het vrijcorps, was in 1785 tot hoofdofficier

bij de troepen der kolonie en Inspecteur der linie van defensie

benoemd; niettegenstaande zijne werkzaamheden hierdoor zeer waren

vermeerderd en men hem alzoo een officier tot eigenlijken chef van het

vrijcorps had moeten toevoegen, was hij echter in naam chef gebleven

(voorzigtigheidshalve, omdat hij er zoo zeer bij bemind was). [796]

Friderici, die beter dan iemand anders in staat was over de waarde

van het vrijcorps te oordeelen, verwachtte van deszelfs diensten bij

eene geregelde expeditie tegen Bonni, de beste resultaten. [797]

Hij stelde voor met gezegd korps offensief te handelen en tot dekking

daarvan eene goede militaire post aan de Marowijne te plaatsen. Om

den aanval met kracht te kunnen doorzetten, wenschte hij het vrijcorps

onmiddellijk te versterken, door aankoop van schutternegers. Het Hof

kon zich hiermede in theorie wel vereenigen, maar--het ontbrak aan

genoegzame soldaten en aan geld tot aankoop »van schutternegers"--men

zou zich alzoo tot verdedigings-maatregelen moeten bepalen [798].

Aan de Marowijne werd een militaire post, uit soldaten en een groot

gedeelte van het vrijcorps bestaande, opgerigt. Zoo ver klom de

stoutmoedigheid van Bonni, dat hij met zijne bende den 5den November

1789 hierop een aanval beproefde. De eerste conducteur van het

vrijcorps Stoelman en zijne onderhebbende manschappen weerden zich

echter zoo dapper, dat de aanval mislukte en de Marrons de vlugt

moesten nemen. [799]

Bonni en zijne mannen hadden hunne dooden en gekwetsten medegevoerd en

zich op een der talrijke eilanden in de Marowijne terug getrokken. Hen

hier te vervolgen had vele moeijelijkheden, maar wat moed of beleid

niet vermogt, werd door verraad gemakkelijk gemaakt. Bij Bonni bevond

zich een neger, Ascaan genaamd, zijn onderhoofdman die zijn vertrouwen

genoot. Deze neger echter was een verrader, hij verliet Bonni,

kwam tot de Aucaners en gaf zijn voornemen te kennen om de blanken

te dienen, terwijl hij, als bewijs zijner goede trouw, zijne vrouw

en een zoon als gijzelaars aan hun wilde overlaten. Dit voorstel,

der regering aangeboden, werd gretig door haar aangenomen. Door den

verrader geleid gelukte het op den 30sten April 1790 Bonni's dorp,

Aroukoe op een eiland in de Marowijne gelegen, te overvallen. Bonni

bood dapperen wederstand, maar van verscheiden zijden aangetast

moest hij wijken. De Marrons leden groote verliezen: zes negerinnen

vielen den overwinnaars in handen. Van Merle, die nog altijd door

Bonni als gijzelaar werd gehouden, had zich gedurende het gevecht

in een Birri Birrimoeras verborgen en werd daar door kapitein Kremer

gevonden. Na de vlugtenden zoo veel mogelijk afbreuk te hebben gedaan,

liet men de verdere vervolging voor het oogenblik varen, en keerde

met vreugdegejuich naar Paramaribo terug. [800]

Ascaan ontving tot loon voor zijn verraad, de vrijheid,

onderofficiers-gagie en f 100 douceur.

Hoewel een groot gedeelte van Bonni's bende ontkwam, was echter zijne

kracht gebroken; kommer, ellende en hongersnood waren voortaan het

deel zijner mannen. Bonni was niet langer gevaarlijk voor de kolonie.

De bekende tegenstander der Marrons, de vrijneger Quassy, was in

Mei 1787 in hoogen ouderdom overleden. [801] Deze merkwaardige man,

die getrouw aan de blanken, evenwel een buitengewonen invloed op

zijne zwarte landslieden bezat, welke hem voor een Obia-man, een

toovenaar ja voor een godheid aanzagen, was reeds door Mauricius tot

onderhandelingen met de Marrons gebruikt. De vijanden van Mauricius

hadden zijn trouw verdacht gemaakt, doch de uitkomst heeft geleerd,

dat deze beschuldigingen valsch waren en meermalen werden van zijne

goede diensten door opvolgende Gouverneurs gebruik gemaakt. [802]

Hij had dikwijls belooningen van Gouverneurs en Raden ontvangen;

de Prins van Oranje had hem een fraaijen met goud gegallonneerden

rok en punthoed, benevens een gouden gedenkpenning geschonken. In de

laatste jaren woonde hij in een goed huis te Paramaribo, hetwelk hem,

benevens het gebruik van een paar slaven tot zijne dienst, kosteloos,

door de regering ten gebruike was afgestaan. In 1730 had hij den

geneeskrachtigen wortel, die sedert naar hem Quassy-hout genoemd is,

ontdekt. Door die ontdekking en de gunsten welke hij van de regering

genoot, had hij zich groote rijkdommen kunnen vergaderen, doch een

ongebonden zedeloos leven was zijn ongeluk. [803]

Den 10den November 1785 had de bijzonderheid plaats, dat op de rivier

Suriname een eenmast vaartuig arriveerde, met slechts één eenigen

persoon J. Schakfort, bemand, komende van Londen, laatstelijk van

l'Orient (eene zeestad met 17,800 inwoners, in het Fransche departement

Mortriban, aan de baai port Louis en den mond der Scarpe), van waar

het den 6den Julij 1785 vertrokken was, hebbende niets dan krijt tot

lading [804].

Buitengewone voorvallen als groote branden, zware ziekten, enz. vielen

tijdens het bestuur van Wichers niet voor; alleen werd er op den dag

zijner aankomst, den 22sten November 1784, eene ligte aardschudding

waargenomen, welke echter evenmin als die twee jaren later, den 21

Julij 1787, plaats vond, eenige schade veroorzaakte [805].

Wichers genoot groote eere en onderscheiding van zijne meesters,

de Directeuren en Regeerders der Kolonie. Op hun verzoek ook werd

door H. H. M., bij Resolutie van 7 Maart 1785, hem den rang van

Generaal-Majoor bij de troepen van den Staat toegekend. Door deze

rangsverhooging (de vorige Gouverneurs waren slechts kolonels) werd

dan ook de titel van WelEdelGestrenge in dien van HoogEdelGestrenge

veranderd. Die benoeming was den meesten Surinamers aangenaam en bij

de daaropgevolgde felicitaties werd hem veel hartelijkheid betoond

[806]. Wichers was vrij algemeen bemind en de verhouding met de beide

Hoven was zeer vriendelijk en welwillend, In de laatste jaren van

zijn verblijf kwamen er echter weder moeijelijkheden. Het begeven

van ambten door den Gouverneur alléén, tot welks begeving het Hof

oordeelde mede regt te hebben, was gelijk meermalen weder eene bron

van onaangenaamheden [807]. Voornamelijk evenwel kwam er verschil over

de ten uitvoerlegging van een besluit van HH. Directeuren betreffende

de weeskamer.

Het departement der weeskamer liet steeds veel te wenschen over. Door

verscheidene Gouverneurs waren er wel verbeteringen beproefd, doch zij

hadden weinig gebaat. Ook Wichers had veranderingen aangebragt. Het

tractement der Weesmeesters was door hem van f 3500 tot f 4000

verhoogd, terwijl dan de provisiën aan de kas en niet aan Weesmeesters

vervielen. [808] Radicale verbetering bleef echter noodig. Directeuren

wenschten eene nieuwe Wees-Curatele en onbeheerde Boedelskamer op

te rigten en zonden daartoe een instructie aan Gouverneur en Raden,

waarbij zij tevens sterk aandrongen, dat deze zaak spoedig tot

stand kwam. [809] Hun wil was bepaald uitgedrukt en toen sommige

Raden hier tegen eene sterke oppositie vormden, wenschte Wichers,

dat men, vóór alle dingen gehoorzaamde en daarna beklag deed. De

oppositie was echter zoo krachtig, dat de zaak voor het oogenblik werd

uitgesteld. [810] Directeuren lieten zich hierdoor niet afschrikken

en in November van hetzelfde jaar kwam er een uitdrukkelijk bevel,

dat, ongeacht de bezwaren van sommige Raden, de, den 30sten Julij

1788 in vergadering van HH. Directeuren en Regeerders vastgestelde,

Instructie en Ordonnantie voor de nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde

Boedelskamer der Kolonie Suriname in werking moest worden gebragt. Dit

geschiedde; drie Weesmeesters en Curators werden aangesteld, de twee

oudste op een tractement van f 5000, de jongste op f 4000; terwijl

twee Raden van Policie met het toezigt werden belast [811]. Drie

leden der oppositie leverden een protest in; Wichers liet dat stuk (65

bladzijden fijn geschreven), om hen genoegen te doen, in de notulen

opnemen; Wichers trachtte verzoening te bewerken door o. a. aan twee

leden der oppositie het toezigt op te dragen, doch dezen, de heeren

Wolf en Frouin, weigerden echter, en legden kort na het vertrek van

Wichers hun ambt als Raden van Policie neder en getroosten zich,

om gewillig de f 6000 boete te betalen [812].

Behalve de onaangenaamheden hieruit ontstaan, kwamen er ook klagten

over de aanmatigingen der door Wichers aangestelde Joodsche Regenten,

hetwelk hem mede veel verdriet veroorzaakte.

Wichers verlangde naar eenige ontspanning en misschien ook wel

wenschte hij in Holland een en ander nader te bespreken. Hij verzocht

verlof om een reis naar het vaderland te mogen doen, wat hem werd

toegestaan. Den 11den Junij 1790 deelde hij dit in de vergadering

van het Hof mede en nam van hetzelve een hartelijk afscheid. Tot

zijn plaatsvervanger, bij zijne afwezigheid, was door Directeuren

benoemd, de heer Jurriaan François Friderici. Deze heer was reeds

een maand te voren, ter vergelding van zijn betoonden vlijt en ijver

door HH. Directeuren benoemd tot Commandeur en eersten Raad van het

Hof van Policie [813]. Hij zou dezelfde magt als een Gouverneur ad

Interim hebben, de gewone eed van getrouwheid moest in zijne handen

worden afgelegd--doch de plegtige installatie achterwege blijven.

Twee dagen later vertrok Wichers naar zijne plantaadje, digt bij

Paramaribo; ging den volgende dag den 14 Junij 1790 scheep op het

fregatschip de Standvastigheid, kapitein Bosman Prahl en aanvaardde de

reis naar Nederland [814]. Hij keerde echter niet naar Suriname terug.

Uit het medegedeelde zal men de vroeger gemaakte opmerking moeten

toestemmen, dat Wichers onmiskenbare verdiensten had en onder de

beste Gouverneurs van Suriname kan worden gerekend, doch dat de lof,

dat hij tegen de gruwelijke behandeling der slaven, met allen ijver,

zou hebben gewaakt, onverdiend was.

Friderici, de dappere Friderici, werd algemeen geacht en door het

vrijcorps als een vader bemind. Men zag het alzoo met genoegen, dat bij

het vertrek van Wichers, aan Friderici het bestuur der kolonie werd

toevertrouwd. Hij aanvaardde dit echter niet onder den gewonen titel

van Gouverneur ad Interim, maar als Commandeur die »verder door de

Edele Groot Achtbare Heeren Directeuren en Regeerders der opgemelde

colonie geauthoriseerd was, omme het Gouvernement, geduurende het

verlof van den Gouverneur-Generaal Wichers waar te nemen."

De gewone eed van getrouwheid werd alzoo wel door de civiele en

militaire authoriteiten aan Friderici gedaan, doch de plegtige

installatie bleef achterwege. Ruim twee jaren bleef hij onder dezen

titel de kolonie besturen en altijd nog bleef men de terugkomst van

Wichers verwachten. In eene vergadering van het Hof van Policie

den 8sten Maart 1792 echter legde Friderici eene missive van

H. H. Directeuren van 30 November 1791, over, waarbij kennis werd

gegeven, dat Wichers zijne demissie als Gouverneur-Generaal had erlangd

[815].

Nadat men hiervan zekerheid had bekomen, hoopte men dat Friderici

definitief als Gouverneur zou worden aangesteld. Die hoop werd niet

teleurgesteld.

Den 7den Augustus deszelfden jaars, de verjaardag van H. K. H. de

Princes van Oranje, gaf Friderici op de parade mededeeling van zijne

aanstelling als Gouverneur-Generaal der kolonie Suriname. Op den

24sten Augustus 1792, de verjaardag van den Erfprins van Oranje (later

Koning Willem I), werd hij als zoodanig plegtig geïnstalleerd [816]. In

December 1798 ontving hij zijne benoeming als Generaal-Majoor.

De gewone feesten als parade, gastmaal, bal enz. bleven niet

achterwege; terwijl ook daarenboven het huis van den heer Raad van

Policie Stolkert en van andere particulieren inwoners der kolonie,

mitsgaders twee op de reede liggende schepen, met de wapens van

Friderici en toepasselijke bijschriften prijkten en prachtig waren

geïllumineerd.

Nog verscheidene dagen lang duurden de feestelijkheden, die eindelijk

den 13den Augustus werden besloten met een brillant souper aan het

Gouvernementshuis van 250 couverts, gevolgd door een bal, dat tot

's morgens 1/2 6 ure werd voortgezet [817].

Zooveel mogelijk trachtte Friderici bij voor hem en voor de

kolonie belangrijke gebeurtenissen, die hij wenschte te vieren,

die feestviering te doen plaats hebben op die dagen, waarop een der

leden van het vorstelijk geslacht verjaarde, en steeds werden die

herinneringsdagen door hem met luister herdacht, want Friderici was

een warm voorstander van het Huis van Oranje.

Friderici ging in dezen niet mede met den tijdgeest, die meer en meer

de banden, die ons Vaderland aan Oranje verbonden, vaneen trachtte

te rijten.

De beginselen der Fransche vrijdenkers, die de revolutie in Frankrijk

te voorschijn riepen, waardoor een braaf vorst boeten moest voor de

misdrijven zijner voorgangers en waardoor de ongebreidelde hartstogten

der volkeren in beweging werden gebragt, hadden ook in ons Vaderland

verdervend gewerkt; ook aldaar waren de gemoederen verhit en door

allerlei drogredenen was het eene partij gelukt om Neêrlands volk van

Oranje te vervreemden. De invloed dier beginselen werd ook in Suriname

gevoeld en hierdoor ontstonden verwikkelingen, die noodlottige gevolgen

voor de kolonie na zich sleepte, welke Friderici niet kon verhoeden.

De algemeene toestand van Suriname was bij den aanvang der regering

van Friderici niet zoo geheel ongunstig te noemen, als eenige jaren

vroeger. Friderici was door en door met de koloniale belangen bekend

en een ijverig voorstander van landbouw en industrie; men hoopte,

dat onder zijn wijs en voorzigtig bestuur de kolonie tot meerderen

bloei en meerdere welvaart zou geraken. Die hoop nog werd vermeerderd

door het stijgen der prijzen van de koloniale producten, en hoewel

de schaarschte aan geld zich nog wel pijnlijk deed gevoelen, en er

nog gedurig plantaadjes in handen der hypotheekhouders voor schuld

overgingen--troostte men zich met de betere vooruitzigten.

Suriname was nog steeds eene belangrijke kolonie: volgens authentieke

opgaaf van 1791 telde zij 591 plantaadjes, onder welke 46 waren,

die aan de Joden toebehoorden. Wel zijn onder dat getal van ongeveer

600 plantaadjes ook begrepen de kleine kostgronden, aan welke bijna

de naam van plantaadje niet toekwam, doch de uitvoer bewees dat men

de kolonie niet gering moest achten; hij bedroeg in 1790 ruim 15,000

tot 20,000 okshoofden suiker, terwijl de belastbare waarde van een

oxhoofd suiker tot f 200 was gestegen [818]. Verscheidene keeren

vindt men gewag gemaakt van pogingen om de daarvan aan de Sociëteit te

betalen belasting te ontduiken of ter sluiks suiker en andere verboden

producten met Amerikaansche schepen te vervoeren [819]. Soms werden

er belangrijke aanhalingen gedaan: o. a. in October 1791 werd door

den Raad Fiscaal een pont met suiker, cacao, koffij enz. geladen, in

beslag genomen, beneden de redoute Purmerend en voor een Amerikaansch

schip bestemd. De netto opbrengst der geconfisceerde goederen bedroeg

f 8251,12.10 2/3 [820].

De bevolking der kolonie werd in 1791 begroot op:

Zielen.

Christenen, Blanken op de plantaadjes 1,080

Blanken te Paramaribo 950

Portugesche Joden, op de plantaadjes en Joden Savane 250

in de stad Paramaribo 620

Hoogduitsche Joden, op de plantaadjes 30

in de stad Paramaribo 430

Mulatten en vrije negers 1,760

Slaven, op de plantaadjes 45,000

in de stad Paramaribo 8,000 [821]

De aanvoer der slaven was in de laatste jaren mede toegenomen, echter

werden er steeds hooge prijzen besteed [822], want de slavenmagt--zoo

zij niet gestadig werd aangevuld--nam af, zoo ten gevolge van hevige

ziekten als door uitputting en door wegloopen.

Hield het wegloopen der slaven nog steeds aan, de vrees voor hunne

aanvallen op de plantaadjes was veel verminderd sedert den slag bij

Aroukoe, waar Bonni een zoo groot verlies was toegebragt. Bonni

had zijne kracht verloren; vele zijner volgelingen verlieten hem

of vielen in handen der aan de Marowyne geposteerde krijgsmagt,

die van daar verscheidene expeditiën deed. In September 1791 werd

o. a. onder bevel van den Luitenant-kolonel Beutler, een aanval op

de bende van Bonni beproefd, die met eene overwinning van onze zijde

eindigde waarvoor de genoemde Kolonel den 1sten Januarij 1792, wegens

»zijn gehouden conduite" op de parade met eene eeredegen werd beloond

[823]. In December 1791 liepen 3 vrouwen en 1 jongen van Bonni weg;

in Maart, April en Mei 1792 werden verscheidene overloopers en

gevangenen van zijne bende te Paramaribo opgebragt [824]. Bonni

wenschte zelf vrede te maken en had kort na den slag bij Aroukoe

daartoe pogingen aangewend; men had dit niet geheel afgeslagen, [825]

doch voornamelijk om hierdoor het terrein beter te verkennen en tijd

te winnen en tevens wantrouwen tusschen hem en de Aucaners, die zich

onzijdig wilden houden, te verwekken [826]. Dit gelukte, en terwijl den

Aucaners hun eenigermate dubbelzinnig gedrag werd vergeven, trachtte

men hen tegen Bonni op te hitsen, en vorderde als een bewijs hunner

goede gezindheid, dat zij onze troepen zouden ondersteunen. Indien men

let op vele de krachten, die in het werk werden gesteld, om een man,

die reeds door zoo velen verlaten was en die thans met zijne weinige

getrouwen in kommer en ellende doorbragt en vaak honger en gebrek moest

lijden, geheel ten onder te brengen, dan moet men tot de overtuiging

komen, dat Bonni geen gewoon man was, maar iemand die onder andere

omstandigheden als een held en onversaagd verdediger der regten zijner

landslieden zou beschouwd zijn geworden. Die Mulat was een moedig man

en toen men hem bijna als geheel verslagen achtte, gaf hij op nieuw

een schitterend bewijs van dien moed. In Augustus 1792 tastte zijn

zoon Agouroe het dorp der Aucaners, Anderblaauw, aan en nam o. a. de

beide blanke soldaten, die aldaar de post van bijleggers vervulden, als

gevangenen mede [827]. Nu echter had hij zich de Aucaners tot geslagen

vijanden gemaakt en weldra boden 72 strijdbare mannen onder hen aan,

om eene expeditie naar het dorp van Bonni te ondernemen. Gaarne nam

het Gouvernement die krachtige hulp aan en in Februarij 1792 trokken

zij onder aanvoering van hun opperhoofd Bambi op weg, om Bonni te

overvallen [828]. Die expeditie bereikte volkomen het voorgestelde

doel. Bonni werd overrompeld en daar hij zich moedig verdedigde,

door Bambi gedood. Het zelfde lot onderging zijne onderbevelhebbers

Cormantijn Cojo, Paedje en nog tien andere negers; zes en dertig zoo

vrouwen als kinderen werden levend gevangen. De Aucaners maakten verder

een vrij belangrijk buit aan ammunitie, corjalen, gereedschappen enz:

door het omslaan der corjalen, waarin dit alles was geladen, op de

klippen, werd slechts een klein gedeelte hiervan in Paramaribo gebragt

[829]. Er heerschte groote vreugde over dezen uitslag der expeditie en

in de buitengewone vergadering van het Hof, werd Friderici verzocht, om

den Aucaners eene goede belooning hiervoor te geven; ook werd dankbaar

de diensten erkend, die de Gouverneur in dezen nu en vroeger door

zijne goed overlegde maatregelen had bewezen en hem verzocht een dag

te bepalen, waarop hij de plegtige felicitatie zou kunnen verwachten.

Tevens werd besloten om de aan de Marowyne commandeerenden Officier

Zegelaar te belasten, om een detachement uit te zenden, ten einde de

door Bonni en Cormantyn Cojo nieuw aangelegde kostgronden te verwoesten

en de ontvlugte, hier en daar verstrooide Bonni-negers te vangen of

te dooden [830].

Zoo was dan eindelijk de gevreesde Bonni gedood en de vrees voor

de gestadige aanvallen zijner bende geweken. Men achtte zich in

Suriname zoo veilig, dat, toen Directeuren en Regeerders der kolonie

bij het vernemen van den slavenopstand op St. Domingo, besloten twee

oorlogsschepen naar Suriname te zenden, ten einde de volkplanters bij

een dergelijke gebeurtenis de noodige bescherming te verleenen, er in

het Hof besloten werd om aan Directeuren en Regeerders te berigten,

dan men dergelijke hulp niet noodig had [831], en toen eenige dagen

later de luitenant Verheuil, met 's Lands oorlogsbrik, de Pijl vóór

de stad Paramaribo arriveerde, om de aangeboden hulp te verleenen,

bedankte men hem beleefdelijk, waarop hij koers zette naar Berbice

[832].

Kort na de optrede van Friderici in het bestuur, hadden er geruchten

geloopen omtrent vijandelijkheden tusschen Engeland en Spanje. Bij de

mogelijkheid, dat Suriname daar in op de een of andere wijze betrokken

zou kunnen worden, was men op zijne hoede geweest en het oorlogsfregat

de Eensgezindheid bleef toen ter beveiliging der kolonie op de reede

voor Paramaribo [833]; daar latere tijdingen gunstiger luidden, verliet

genoemd fregat de kolonie [834]; en men dacht zich nu ongestoord aan

de bevordering van landbouw en handel te kunnen overgeven.

Friderici wenschte ook de armverzorging op een beteren voet te brengen,

daar zij, niettegenstaande de telkens vermeerderende subsidiën,

zeer veel te wenschen overliet. Vooral was het slecht bestuur van

het Gereformeerd Diaconiehuis eene zaak, die noodwendig voorziening

behoefde. Er werd daarom op zijn voorstel eene commissie door het Hof

benoemd, om een en ander behoorlijk te onderzoeken. Die commissie

bragt in de vergadering van 28 December 1790 verslag uit van den

staat van het Gereformeerde Diaconiehuis. Dit verslag luidde o. a.:

»men moet verbaesd staan over de slegte ordre, welke in onze Diaconie

is heerschende en welke allengskens door een quaade gewoonte hand

over hand is toegenoomen, en welke van den beginne af aan, had moeten

teegegaan zijn, bij aldien een yder dat wie met soo veel sorgvuldigheyd

toezigt van deese aan de soo veel kostende staat is toevertrouwd en

aanbevoolen, op 't ernstigst zig deese zaak ter herte hadde genoomen."

Er werd--omdat men geene verbetering te gemoet zag indien het

Diaconie-huis onder het beheer van den kerkeraad bleef--besloten, om

aan HH. Directeuren voor te stellen dit gesticht onmiddellijk onder

toezigt van het Hof te brengen. [835] De Directeuren konden zich,

volgens hunne missive in December 1791 ontvangen, zeer goed met dit

voorstel vereenigen [836] en daarop werd deze zaak ten einde gebragt.

Het bestuur werd opgedragen aan vier door het Hof te benoemen regenten;

het toezigt berustte bij twee commissarissen (Raden van Policie);

de binnenvader en moeder ontvingen als vast tractement f 1500

's jaars. Zij waren gehouden de nieuwe reglementen getrouw na te

leven. [837]

Men was hiertoe zoo veel te eerder nog overgegaan, daar het

langzamerhand ook eenigermate het karakter van Gereformeerd diakonie-,

wees- en armhuis had verloren. De knapen werden ter opvoeding naar

Amsterdam gezonden (van de meisjes vindt men geen gewag gemaakt); oude

of gebrekkelijke lieden van andere geloofsbelijdenissen werden er ook

opgenomen. De Luthersche gemeente toch, die nog geen tijding op hare

aanvraag om hulp van directeuren had ontvangen, had verklaard buiten

staat te zijn, om hare armen langer te verzorgen en daarop was besloten

(zonder consequentie voor het vervolg) eenige armen der Luthersche

gemeente in het Gereformeerde diaconiehuis op te nemen [838].

De Katholieken hadden nog geen gevolg gegeven aan hunne belofte in

December 1788 gedaan, om, overeenkomstig artikel 3 der voorwaarden op

hunne toelating gesteld, hunne eigene armen te verzorgen [839]. Men

had dus ook provisioneel eenig Roomsche armen in het Gereformeerd

Diaconie-huis opgenomen--en de pastoor Eeltjes verzocht in Augustus

1791, dat men wilde voortgaan, met die aldaar te verplegen, want het

was hun onmogelijk het zelf te doen. Als bewijs dezer onmogelijkheid

deelde hij mede, dat de geheele ontvangst zoo uit het vaderland als

van diverse personen in de kolonie over 1790 hadden bedragen eene som

van f 6185 : 17 : 8--welke som door de uitgaven overschreden was; tot

30 Junij 1791 bedroegen de ontvangsten f 2836 : 4 : 8 en beliepen de

uitgaven reeds f 2717 : 8, terwijl er aan den apotheker nog te betalen

bleef f 83 : 10 en toch men had de meest mogelijke zuinigheid in acht

genomen; zelfs den pastoor, die op f 2600 tractement was beroepen,

had zich te vreden gesteld met slechts f1500--te ontvangen. Het Hof

stond hierop het verzoek toe, dat men nog een jaar op deze wijze zou

voortgaan, doch dat men, indien dan nog niet door de Roomsch-Catholieke

gemeente voldaan werd aan art. 5, men overeenkomstig het bepaalde

bij artikel 7 de kerk zou doen sluiten [840].

In een volgend jaar werd echter op herhaald verzoek op nieuw een jaar

uitstel verleend; men zou voortgaan met de Roomsch-Catholieke armen

in het Diakonie-huis op te nemen, doch de Roomsch-Catholieke gemeente

nam de verpligting op zich eenige alimentatie-kosten te betalen [841],

doch ook aan deze verpligtingen konden zij niet voldoen [842].

Hadden de Diaconen door hun slecht beheer oorzaak gegeven, dat

de zaak zoo ver was gekomen--zij wilden dit echter niet erkennen

en protesteerden op hoogen toon tegen deze--zoo als zij het

noemden--schennis hunner regten; de kerkeraad trok gedeeltelijk hunne

partij en op sommigen vergaderingen vielen hevige tooneelen voor en

werden de Commissarissen van het Hof beleedigd. Friderici ging echter

voort en vermaande ernstig de predikanten, die niet beter de orde in

de vergaderingen wisten te handhaven [843].

Het etablissement voor de Boassie-lijders aan de Saramacca, Voorzorg

genaamd, voldeed ook vrij goed aan zijne bestemming en telkens werden

de lijders--niet slechts slaven maar ook armen vrije negers, mulatten

en blanken er op overgebragt [844].

Van de betrekkelijke rust in de kolonie wilde Friderici ook gebruik

maken, om de kas tegen de wegloopers, waarin een groot te kort was, in

beteren staat te brengen, waartoe een concept voor een nieuw reglement

in het Hof van Policie werd ingebragt en bediscussieerd. [845] Daar

volgens dit ontwerp de belasting zou worden verhoogd, verklaarden

zich velen in de kolonie hiertegen en weldra werd een uitvoerig,

door vele planters onderteekend rekwest aan het Hof ingediend, waarin

o. a. betuigd werd, »dat de toestand van de volkplanting nog veel

te wenschen overliet." [846] Dat deze betuiging waarheid behelsde,

bleek behalve uit de gedurige overgang van plantaadjes in de handen

der hypotheekhouders ook uit de slechte betaling aan de publieke

kassen. Alleen aan het kantoor der modique lasten bleef, volgens door

den ontvanger in December 1790 ingeleverde staat, door verscheidene

personen nog te betalen f 142,168 : 13; en men kon rekenen, dat

die personen het immer schuldig zouden blijven. [847] De kas tegen

de wegloopers had groote uitgaven moeten doen, en niettegenstaande

belangrijke inkomsten waren er groote schulden gemaakt. Blijkens

den in Mei 1793 door den ontvanger ingeleverden staat, was het jaar

1792 wegens de binnenlandsche rust en de hooge prijs der producten

zeer voordeelig voor de kas geweest: f 412,844,194 was in dat jaar

ontvangen, maar was dit genoegzaam geweest tot bestrijding der

uitgaven, het kon nog weinig baten tot delging der schuld. Die

schuld bedroeg:

aan de Sociëteit f 2,342,474: 4.15

en aan het kantoor der modique lasten f 1,590,582:17.6

Alzoo te zamen. f 3,933,087: 2.5

of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de

Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te

boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich

voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de

inwoners èn de sociëteit hiertoe op den duur onmagtig waren. [848]

Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds

duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds

zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het

schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook

de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt

verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden

gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.

Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de

ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven,

maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd

en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene

publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige

correspondentie te verbieden [849].

Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.

In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur

was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, die

nu het vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering

van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om

uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici

aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde

dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij

er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal

ontfangen die bescherming komen reclameeren."--Men strekte dit toen

echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een

artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was [850].

Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door

een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te

doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar

gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins

hersteld. Een Gouverneur, Ordonateur en Commissaris-Civiel kwamen,

daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon

van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de

vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De

per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag der

provisioneele bewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en

beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo

mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd

daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader

te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche

volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld,

doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij,

reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken [851].

Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen

in Suriname op nieuw verontrust.

Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf

en verkregen telkens meer zekerheid [852]: het berigt dat de koning

van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het

schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis

had ondergaan, bereikte den 26sten Maart 1793 Suriname [853]; een

Engelsch schip bragt den 3den April eene missive van den heer Parry,

Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan

Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der

regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek

der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om,

bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te

bewijzen [854].

Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijk versterkt

was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er

bevond zich in de kolonie slechts een oorlogsschip, de Jason, kapitein

de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog

eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen

gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan

ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken,

ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te

doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.

Den 6den Mei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn,

die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd,

in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur

Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan

Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig

tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen

en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met

eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden

nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en

drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam

en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch

vaartuig werd in beslag genomen [855].

In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding per missive van

H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch

grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met

het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als

bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften

zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des

dierbaren vaderlandschen gronds [856].

De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne

reis naar Nederland aan te nemen en verzochten, zonder Friderici

hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De

Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden

er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde

bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde

ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie

noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren" was men hierover

zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid

om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan." De

Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor

zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek

werd voldaan [857].

Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te

brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof,

waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux

en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij

hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen

voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten

had ter verdediging der kolonie aan te wenden.

Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:

1o Langs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden

echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere

wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote

moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;

2o posteren een gewapend schip bij den mond der Commewijne op de

hoogte der redoute Leiden en op 1/3 breedte der rivier Suriname,

beneden de redoute Purmerend, een oorlogsschip, benevens drie

gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als

drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en

een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort

Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken

staat van tegenweer brengen; de post aan de Marowijne versterken,

doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van

defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen

en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen [858].

Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote

bemoediging toen den 6den October van hetzelfde jaar de

koopvaardijvloot, onder convooi van drie oorlogsschepen,

de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van

Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker

kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand

en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een

vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen

(de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou de

koopvaardijvloot naar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te

Suriname terugkeeren [859]. De kapitein de Virieux ontving den last

om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar

zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden

hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie

in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij

liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het

vaderland te kunnen volbrengen [860]. Aan hun verzoek werd toegegeven;

zij bleven tot den 4den Maart 1794 in de kolonie, wanneer een getal

van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de

Virieux en van Braam, uitzeilden [861].

In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi

van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck,

in Suriname aan. Niettegenstaande de drukkende tijden heerschte er

levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds

verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een

mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging

aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan

in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen:

in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der

Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Fransche koloniën

was afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en

de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat,

zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote

wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien

hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige

kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te

verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste

eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen,

»daar zij," zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder

Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken,

dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten

en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten." Hetgeen de kans op

welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de

militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in

Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en

hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.

De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor

de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking

tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de

onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de

voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te

veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden

van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne,

reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op

Suriname's inwoners en slaven zoude werken [862]. Er werd alzoo geen

verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige

maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters

een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde

gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene

poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek

door het Hof van de hand gewezen [863].

De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het

decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren

der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg,

doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar

de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven,

naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij

voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden

daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen

der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo,

(het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en

baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de

hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts

zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de

daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren)

does enz. verboden of beperkt [864]. De slaven in Suriname die zagen

dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven

zuchtende zich onder hun juk krommen.

In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig

dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen

verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was

geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit

blijdschap gegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt:

zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig

gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet

in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had

de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in

het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone

eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden [865].

Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der

aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle

rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd

verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij

onthaal [866], zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman

Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De

berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der

slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees

daar omtrent niet was verwezenlijkt [867].

Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing

der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven

zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de

Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van

St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne

in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.

Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder

de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlaten en zich naar

de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte

het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open

booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.

Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April

1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor

Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar

Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord

van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden

morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt

terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn

stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen

en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord

waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers

te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in

de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs

bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden

nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt [868].

Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige

vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden

onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde

genomen, waren de notulen, de dagboeken, de officieele missives van

dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken

nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de,

toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,--weldra was alles

veranderd--en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men

verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne [869].

Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beide

koloniën had haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die

in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken

was veranderd.

Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer

omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander

snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene

en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er

onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.

Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden

gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door

een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de

Franschen de verwijdering van Willem de 5de en zijn huis als conditio

sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van

burgerbloed voor te komen, den 18den Januarij 1795, met al de zijnen

van Scheveningen naar Engeland.

In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8sten

Maart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins

van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende

tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop

betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel

gebragt en gelezen. Den 21sten Mei 1795 ontving Friderici een brief

van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:

»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.

Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te

gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname,

te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische

Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren

zoodanige oorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die

van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts

zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en

schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met

Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om te beletten, dat die

colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.

Waarmede,

Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,

Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.

(Get.) W. Pr. van Oranje.

Kew, den 7 Feb. 1795.

Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den

Geheim-secretaris.

(Get.) J. W. Boejink.

Geschiedenis van Suriname · 第 25 / 86 题