ZESDE HOOFDSTUK.

Van den dood van Nepveu (1779) tot de overgave der Kolonie aan de

Engelschen (1804). Aanvaarding van het Bestuur door B. Texier;

toestand van Suriname tijdens den Engelschen oorlog (1780-83);

gebeurtenissen gedurende de Regering der Gouverneurs Wichers

en Friderici; tusschenbestuur onder het protectoraat van den

Koning van Engeland; korte regering van Beranger; invloed der

revolutionaire begrippen in Nederland op den toestand in Suriname;

letterkundige ontwikkeling in de Kolonie, enz., enz.

Den 28sten Februarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd,

als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den

overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard

Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij

aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van

de zijde van het Hof [599].

Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in 1763, reeds

gunstig onderscheiden [600]. In 1764 tot 2den Raad Fiscaal benoemd,

had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar

was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier

opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden;

doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem

in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw

ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en

vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich

dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier

goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief

Gouverneur den 12den November van hetzelfde jaar ontving hij vele

blijken van hartelijke deelneming [601].

Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig

man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de

grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden

noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig

krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der

geschiedenis verder blijken zal.

De strijd met de wegloopers heette geëindigd; het overschot der

hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni

had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne

teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,--doch dit gaf geen

waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der

kolonie.

Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen

de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden

telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig

verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op

zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen

en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Het corps negerjagers

verrigtte hierbij uitstekende diensten [602]. Texier liet de onder

Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij

zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven [603].

De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers

betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij

hielpen de kampen der wegloopers verwoesten [604]. De Aucaners

ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over

de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig

(meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag

reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien

geduchten naam trokken zij terug [605].

Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met

Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang

mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk

later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen [606]. De Aucaners

verklaarden: »dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen,

en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden

[607]". De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden,

wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni

verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen",

echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der

blanken moest strekken". Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien

vrede tot stand [608].

»Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen", luidt eene merkwaardige

spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolonisten. Die vrede tusschen

de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde

plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs

gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener

vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom

schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: »God geve er

zijnen zegen toe." Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!

De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven

nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als

slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele

soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en

de posten kon men naauwelijks bezetten [609]. De dienst der militairen

werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt

onttrokken. De desertiën namen zeer toe [610].

»In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden;

het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat

de stinkvogels er niet op azen wilden." Deze ziekte (zij schijnt van

eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder 't vee,

maar ook onder de menschen: »dagelijks hoort men van sterfte, en

in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder

leggen." [611] Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte,

veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen

stierven. [612]

Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te

kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig

verwezentlijkt.

De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en

Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen

tijd geduurd. Wel was onze republiek nog onzijdig gebleven, doch reeds

onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche

kapers gehad.

De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek

van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang

der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs

niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: »om in deze

critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te

ontblooten," wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit

Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden

zij den steven en verlieten de kolonie. [613]

Na hun vertrek kruisten de Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de

kust, en maakten jagt op de Amerikaansche schepen, die met provisiën

beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering

te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakte

dan ook vele Amerikaansche schepen buit. [614]

In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi

uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk

aan Blom (meel), zooals »zulks de oudste coloniërs niet heugden." »De

menschen schreeuwen en lamenteeren om brood, dat er bijna niet te

krijgen is, en 't weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen

worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en

andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk

getal zich ook de officieren bevinden." [615]

De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie

roggebrooden uit de Sociëteits-bakkerij mogt worden verstrekt, tegen

inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk

toegestaan.

Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen,

Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de

negen stuivers de bos te bekomen.

Texier schrijft: »het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en

veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood...!" Zij

wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der

directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier

maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het

Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te

komen, 's wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de

burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.

Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisie zouden

binnenkomen [616]. Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21sten

Maart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de

magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden

voor de kolonie.

Den 6den Maart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die

eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding

aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde

Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein

A. de Broek, commandant van 's lands oorlogsschip, die met drie op

de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had

den schipper Hermans bevolen, onmiddellijk naar Paramaribo terug te

keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijke gebeurtenis te

geven [617].

Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland

na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te

schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de

geschiedenis van Nederland. Wij houden ons streng aan de bepaling om

slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er

in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen

slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minder onmiddellijk in

betrokken werd.

Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien

tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was

opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding

van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier

was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.

Na het vertrek der oorlogsschepen, onder het bevel van de kapiteins

Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd

ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden

toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met 's lands fregat,

de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten

tijd vertoefd.

Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te

vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea

tegen vreemden overval te dekken [618]. Dat verwachte schip, onder

bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust

van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman

had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien [619]. Met veel

moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen [620];

het kwam den 9den Mei voor Paramaribo ten anker [621]; doch beide

schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.

Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, vertoefde

slechts eenige dagen en zette koers naar Curaçao [622], maar tot

groote blijdschap van Texier kwamen den 4den Februarij 1781 twee

oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein

Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie

door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te

blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven,

kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het

Hof van Policie.

Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging

te nemen. Hij riep onmiddellijk het Hof bijeen; hield des morgens

eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de

officieren der krijgsmagt en der oorlogsschepen.

Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche

vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven

in arrest gebragt [623]. Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast,

naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op

zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te

gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar

Paramaribo te zenden [624]. Den volgenden dag werd er eene expresse

over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den

Gouverneur te waarschuwen. Onmiddellijk werd er ook een begin gemaakt,

om het fort Nieuw Amsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend,

benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te

brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den

Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17 Julij 1747, toegekend;

hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als

oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche;

allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man

bezet [625].

Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde

hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des

gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten

ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene

heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen

klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf

zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan,

om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te

zijn [626].

Reeds den 9den Maart trokken de militairen uit het garnizoen te

Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie

sergeants, drie corporaals, drie tamboers en acht en dertig gemeenen

(de kleermakers hieronder begrepen) over [627]. Bij trommelslag werd

bekend gemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden f 100.--

handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De

matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent

de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen

waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de

lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers

waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen;

Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins [628].

De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche en

Saramaccaansche boschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en

veertig van hen werden op de redoute geplaatst [629]. Texier hield zoo

veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen,

ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw

nemen en de werklieden aansporen [630]. Met vertrouwen schreef hij

dan ook den 19den Maart in zijn dagboek: »Wij stellen ons (zoo veel

het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets

versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden" [631].

Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van

een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij

nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon,

den heer Smissaerd, waarin officieele mededeeling van het uitbreken

des oorlogs werd gegeven.

Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar

kon hij in 1/2 uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in 3/4

uur naar Paramaribo komen [632]; hij trachtte in alle takken van

bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond

hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd

inspectie op de schepen te nemen [633]. De ijver en zorg van Texier

droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.

Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen

vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der

bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de »fatale tijding",

dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien

Hollandsche schepen hadden buit gemaakt [634].

Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had

Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit

Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte,

dat St. Eustatius door de Engelschen veroverd was en, dat Curaçao

door hen werd bedreigd [635]. Negentien Hollandsche matrozen, die

uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar

geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd [636].

Een expresse uit de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan

de Engelschen was overgegeven [637]; eenige dagen later ontving men

hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo [638].

In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles

gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog

uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te

vormen [639]; een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen

de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te

voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en

de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte

voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en

gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere

verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden,

die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden [640].

Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de

gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee

slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname

bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de

Motkreek buit gemaakt [641]; de communicatie en daardoor de toevoer

van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een

inval der vijanden verschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan

bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo

naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen

daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de

Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren,

bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op

den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede

zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten,

een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen

en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer

bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen [642].

In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanica-kreek, digt bij

Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige

Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd

[643].

Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid

tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het

vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins

zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met

den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden,

te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo

ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte,

dat de mogelijke kans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins

niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de

mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene

zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor

korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte

hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien [644].

Na de overgave der naburige koloniën aan de Engelschen kwamen er

gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen

dienst bij den vijand wilden nemen. Sommigen ontvlugtten over land

en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden

den overtogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen

uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst

aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst

gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer

op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat

zij »het getal eters" te sterk vermeerderden en er nog steeds groote

schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw

Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden

provisioneel als soldaten geëngageerd [645]. Algemeen getuigden de uit

Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen

aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot die koloniën

gemakkelijk zou kunnen veroveren, doch over iets dergelijks behoefde

men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging

zorgen. [646]

De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld

voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende

stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene

week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens

tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing

des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het

oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest

zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen [647]. In

Julij was het werk, niettegenstaande de genoemde belemmeringen, zoo

ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw

Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden [648].

In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis. [649] Texier hield

er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o. a. de waag, die

sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting

vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er

bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid. [650] Door een veertigtal

negers deed hij ook zoo goed mogelijk de Sociëteits-kostgrond, Voorburg

in orde brengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war;

er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een »miserablen

toestand." [651]

Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel

bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen

trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te

trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven. [652] Nu bleek

het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden,

daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren. [653]

Ook andere artikelen werden schaarsch, o. a. het zoo onontbeerlijke

zout. Texier had reeds vroeger voor de Sociëteit willen

opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze

voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf hij verlof om 9 vaten zout

te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden

reeds f 75. [654]

Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam,

genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De

kwaliteit was vrij goed, doch de kosten liepen te hoog. De fabrikant,

die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij

werd gestaakt. [655]

Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en

bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers

openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk

veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en

door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na

onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede

diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping

te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed

was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit

corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk

liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici,

die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die

keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement

f 3000.-- erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te

handelen en op zijn tijd verhooging van rang. [656]

De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening,

dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige

meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden

gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig,--doch droevig was het,

dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging. [657]

De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de

Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te

zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had,

indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele

blanken zouden spoedig »ellendig gemassacreerd" zijn geworden--maar

bij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken

verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.

De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den

24sten December 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de

heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van

Martinique, op den 25sten November St. Eustatius heroverd en aan de

Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk,

was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche

vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden,

afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek van Rodney

nog niet betaald, doch later geïncasseerd waren; de ingezetenen, die

hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingen

onmiddellijk restitutie, terwijl het overige voor de afwezige

eigenaars bewaard bleef. [658] Ook Saba en Martin viel den Franschen in

handen. Den 22sten Januarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den

Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede,

dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en

daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen,

omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht

ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op

zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne

gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk

voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide

Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan,

om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend

voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering

der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz.,

enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary

en Essequebo, niet noodig te hebben, doch wilde die van Berbice wel

voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps

uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den

aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk

tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen

was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering

weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk

vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de

voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten

en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het

mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën

deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden,

dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de

eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van

weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven

der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe,

tot groote blijdschap van Texier. [659]

Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31sten Januarij,

door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche

Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid

aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten

hersteld waren [660]; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van

betere tijdingen verheugen. Den 6den Maart 1782 kwamen Indianen over

land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde

volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben

gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven. [661]

Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee

ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname

meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds

den 3den October 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch,

tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er

weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt. [662]

Den 28sten derzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met

plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30sten October

arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van

den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere

»zeer te pas komende goederen," dat 11, 15 en 16 November door andere

schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd. [663]

De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt

zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur

Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen

te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar

evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon

naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te

doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld

en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint,

ter besparing van kosten, provisiën mede. [664] Niettegenstaande

dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de

voorraad der levensmiddelen op de oorlogsschepen was bijna verteerd

en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.

Den 3den April 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimen tijd, een

Hollandsch schip ter anker voor Paramaribo. Het was uit Rotterdam

en bragt wel brieven voor particulieren, maar geen depêches voor den

Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere

tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij

klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met

de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate

voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden,

veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput;

door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en, bij

gebrek aan geneesmiddelen en ververschingen, de zieken van »miserie

moeten vergaan." [665] Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2den Mei

liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen,

en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek,

85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden

roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn,

1 dito genever en daarenboven diverse ammunitie: o. a. 2600 pond kruid;

andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in

Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een

schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading

o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de

heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen

het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie,

gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door

wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en

de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood

eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te

verkoopen, mits betalende f 15 recognitie voor ieder slaaf. [666]

Eindelijk, den 10den Junij 1782, voer de lang verwachte vloot, de

rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en

dertien zoogenaamde Lettres de Marque. [667] Het gebrek was nu geweken,

en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed

van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke

vlag, met provisie geladen, den 14den September 1782 in Suriname

gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden

minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname,

om elders een voordeeliger markt op te zoeken. [668]

Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te

stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen

toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt

in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt [669], zoodat hunne vloot

thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber

telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney,

om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen

en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op

alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.

Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie,

minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit

1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had

Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er

heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden

en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De

voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten

lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van

hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline,

die vroeger »exactelijk geobserveerd" werd, lag geheel in duigen,

en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De

vrijwilligers van de Aucaner boschnegers, die op het fort waren

geplaatst, werden ook zoo »malcontent," dat zij weigerden langer te

dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms

een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de

bezetting van het cordon. [670] De hulp door de bemanning der Lettres

de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst

vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen) [671]

was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline; »er geschiedde

vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen,

gedroegen zich zeer »arrogant;" zij matigden zich veel gezag aan en

lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo

hooren en zien als verging." [672] In overleg met de kapiteins der

oorlogsschepen werd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.

Den 26sten October 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de

kolonie en werden geconvoyeerd door de oorlogsschepen de Thetis

en de Valk. [673] Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke

bescherming der oorlogsschepen beroofd zijn geweest, zoo niet 's lands

oorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein

van Raders, den 4den October 1782 voor Paramaribo was gekomen. [674]

Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter

te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur

te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering

van den mogelijk te verwachten vijand. Noch over ceremonieel, noch

over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die

anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog

twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde:

met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het

dringend verzoek van Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot

primo Maart 1783. [675]

Van Raders verliet den 3den Maart 1783 met zijn schip de kolonie en

nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque: [676]

doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar

nog in diezelfde maand, een ander Hollandsch oorlogsschip, (den 16den

Februarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins

van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot

den wapenstilstand met Engeland. [677] Het gevaar voor het oogenblik

was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen,

kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21sten Augustus ontving

Texier de officieele mededeeling van den Nederlandschen Gezant te

Parijs, den heer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden

waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen

kroon, [678] welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen

en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd. [679]

Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor de Sociëteit en

voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met

kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw

bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers,

doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal

Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had

Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle,

tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door

bedaardheid en overleg, was het aan Texier ook gelukt den vrede en

de eendragt, tusschen de officieren in dienst der Sociëteit en die

der door HH. MM. gezonden oorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit

met regt een zware taak mogt worden genoemd.

Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door

getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche

vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames

ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der

zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de

Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte

genomen.

Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd

worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron,

waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten. [680] Die onder

de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen,

maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd

Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld)

werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop

en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed

getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot

algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn

invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te

bewaren. [681] Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven

goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij

Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen,

ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering

waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren." De

talrijkheid der tot de Christelijke religie overgaande negerslaven

maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen

gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en

behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne

geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent,

met de Raden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid

toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het

volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is

te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot

het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die

geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een

groot onderscheid ten goede." [682]

Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad;

zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar

dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking

dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij

ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus

1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en

banken te laten prediken en allen naar de Luthersche kerk te gaan,

om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren." Hij liet

daarop den Lutherschen predikant bij zich komen en stelde hem voor,

ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te

prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag 's morgens

in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; 's middags in de

Luthersche kerk, en 's avonds weder in de Gereformeerde kerk in het

Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij

kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit

politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar

den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar

wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging

des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending

der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het

volgende:

In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie,

als recruten in Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede

getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien;

zij gedroegen zich dan ook uitmuntend, waarom Texier genoopt werd een

derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster

en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij

talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot

stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van

dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij

genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement"

eene gratificatie van f 400. [683]

Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December

1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap

tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd,

om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam

Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering,

die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk

bezocht. De heer Raad Fiscaal Wichers, president van het collegie,

hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden

lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig

gebied betrekking hebbende, voor. [684]

De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men

in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor

het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.

De oprigting van het Collegium Medicum, had mede onder het bestuur van

Texier plaats. Den 6den December 1778 en den 18den Mei 1781 waren in

het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijke discussiën

gevoerd; den 8sten Augustus 1781 werd een concept-instructie van 16

artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers

werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden

uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21sten Februarij 1782

onderging de instructie eenige wijzingen en werd de Taxa, waarnaar

de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen

vastgesteld. [685]

Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na

zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779)

eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle

gedistingueerde heeren en dames in de kolonie." Hij kwam hierdoor in

dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen

alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om

de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren. [686]

De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan

en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden

zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was, gesloopt. Vooral in

het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden [687]; den 18den

September 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvan hij

niet weder opstond; den 25sten September des namiddags ten twee uren

blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van 57

jaren, 1 maand en 7 dagen.

Voor zoo ver wij uit de officieele en andere bescheiden kunnen

oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en

die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels van het bewind over

Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne

voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens

den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij,

dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral

echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de

verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo

wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.

Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij

echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen, die van eene bezorgdheid

getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt;

die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent

de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke

vredebreuk met hen; doch--als vertegenwoordiger der blanke bevolking

in Suriname beschouwd--drukte Texier slechts haar gevoelen uit,

en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.

Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door

velen in Suriname hartelijk betreurd.

Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone

vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent

de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De

eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot

Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven,

daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was

evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad

en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan,

om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het

overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop

ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het

Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige

Raden van Politie en aanvaardde het bewind [688].

Den volgenden dag, den 26sten September 1783, werd het lijk van Texier,

met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van

dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte

van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu,

tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen

had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen,

en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde

tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene

beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven."

Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hof en

den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps

zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees,

volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting

voor den overledene" de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den

Interims-Gouverneur [689].

De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te

voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden,

verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo

opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te

celebreren" en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.

De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in

plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse

wijze daaromtrent remonstrantiën te doen, maakten verscheidene Joodsche

burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde

zelfs den heer Interims-Gouverneur."

Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging,

en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die

zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een

regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof--om het niet geheel

ongestraft te laten--bij resolutie van 15 December 1784 besloot:

de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de

wapenen te komen [690].

Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd

gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam,

en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15

Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken [691].

Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal

geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte

met die bekwaamheden in zijne nieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij

zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname

in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der

geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte

crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.

Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering

zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een

goeden weg in, namelijk: hij beproefde om door onderling overleg met

de ingezetenen gewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen

toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting

van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen,

die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.

In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met

elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen;

na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden

een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke

belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier

personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen

te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig

verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop

een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde,

dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij

hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk,

met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen [692].

Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten,

verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken

naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële

kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent

voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.

Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een

rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam; nam Beeldsnijder

Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der

kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren

Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den

lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder

Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees

hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger

bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende,

dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat,

zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze

de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon,

waarop hij het volgende voorstelde:

In plaats van 1000 stuks obligatiën à f 250.-- te verbranden, (waartoe

men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede

waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen)

ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te

Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes

6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën

in te ruilen en eerst daarna te verbranden [693]. Eenigzins gewijzigd

is hieraan gevolg gegeven.

Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen

door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den

31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste

behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters

aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke

waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door

te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld

op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde

bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien

Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen

ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars

6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschieters slechts 4

procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen

oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der

obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering,

zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.

Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid

aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij

grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het

Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur

en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en

H. H. M. toegezonden [694].

In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens

verwarring [695]. Texier had wel getracht, zoo veel hem mogelijk was,

ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren

daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter

verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval

hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had

ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens

daarvan opgemaakte rekening bedroeg o. a. alleen: de huur voor slaven

tot den arbeid aan 's lands werken voor de defensie der kolonie,

de vergoeding der in 's lands dienst overledenen aan hunne meesters

en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781-83

eene som van f 40,772.19 [696].

Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk

was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te

brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijne poging, om de

belangrijke vorderingen, die de sociëteit aan de koloniale kas had,

te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon

hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.

Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en

de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien

zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men

nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg [697].

Den 21sten November 1783 echter bragt een Hollandsch fregat de

officieele tijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen

Staat en de Engelsche Kroon den 2den September 1783 te Parijs geteekend

waren [698], en den 17 November 1784 ontving men de copie van het

definitieve vredestractaat [699].

De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit

oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een

anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de

teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district

Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié

hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd,

anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was,

volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en

vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste

bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en

zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons

de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was

maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen

hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: »Zoo

hebt gij blanken ook met ons gehandeld" [700]; zoodat zij eenvoudig

de wet der wedervergelding toepasten. Een gedeelte van het vrijcorps

werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch »de vogels waren

gevlogen." Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder

oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig

of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede

hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op

plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van

het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en

de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen

verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling

van een eminent hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk

liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed

uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist

de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig,

doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf

ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens

de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.

In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden

zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene

door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de

dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder

voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden

besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen

en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden,

in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije

mulatten of negers te engageren tegen f 12.-- maandelijksche soldij,

het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien

een handgeld zouden ontvangen [701]. Ook namen eenige der Aucaansche

negers dienst bij dit corps.

Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt

door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men

hen goed verzorgde en billijke verzoeken toestond. Zoo werd ook van

tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering

geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek

meestal onder eenige restrictie toegestaan werd [702]. Ook kochten

zij soms bloedverwanten vrij [703] en sommigen verhieven zich tot

den rang van welgezeten burgers.

De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door

Nepveu opgerigt [704], voldeden minder goed en vond men hier dezelfde

ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken

bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.

De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden

was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.

Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane;

had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was

aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met

digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte

liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het

eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal

en nabij hetzelve de zoogenaamde »huishoudelijke woning", die door

Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd [705].

Deze woning, »Gouverneurs lust" geheeten, was met schoone

tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en

moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen,

bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden

en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de

onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden

en had een aangenaam voorkomen, dat echter getemperd werd indien men

een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven,

die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten,

om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.

Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door

kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar

te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij

mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan

gaven de directeuren het toch nog niet op.

In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het

Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op

allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen

zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder

Matroos liet nieuwe proeven nemen en een en ander werd in gereedheid

gebragt, waarvan de onkosten f 1874.5 bedroegen [706]; doch de nieuwe

proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een

kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin

tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen

enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten,

die naar Paramaribo terugkeerde.

Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek

aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze

gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder

Matroos o. a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op

zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin

aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en

twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met

huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam

's avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon

vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke

welvaart; men verdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs

nog over. »Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door

HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond

er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,"

besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering

van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne

toestemmen--maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden [707].

Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid

in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen

Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën

door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels

voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte

was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk

voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een

hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen,

daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee

muilezels en waarbij twee à drie slaven als voerlieden dienden, men

meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien

last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan

ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur [708].

Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds

Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten

omtrent verwikkelingen en mogelijke vredebreuk tusschen onzen staat

en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid

en maatregelen van voorzorg [709]; maar milder begrippen omtrent den

handel wonnen in Suriname veld, waarvan o. a. het volgende getuigt:

In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missive overgezonden

van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut

in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1783, waarop

door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd

verzocht. Genoemde heer had aan de W. I. Sociëteit voorstellen tot

een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie

te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor

hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken

melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo

magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne

schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij

verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf

verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie

voor de planters en de Sociëteit zouden voortvloeijen, enz. Gouverneur

en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan

voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te

verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven

[710]: de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.

Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive

van HH. directeuren van den 17den December 1783, betreffende het

permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen

en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog

vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van

den 23sten April 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en

gealtereerd worden [711]. Gunstig werd hierover aan HH. directeuren

geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel

van de vele kwellende banden te bevrijden, bleek uit verscheidene

Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden

wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er

sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en

overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verboden goederen

met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen

maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te

belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden:

dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken,

maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen

hinderpalen in den weg te leggen [712].

Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling

van het verzenden der brieven en depêches naar Berbice, Demerary

en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig;

soms werden brieven of depêches door de Indianen overgebragt; soms

belastten zich de schippers, die van de eene naar de andere plaats

voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men

soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van

den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald:

dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven

van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen;

behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit 's lands

kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice

naar Suriname f 30.-- en voor de terugreis f 10.-- [713].

Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de

luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester

H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen

te leeren, tegen eene belooning van f 400.-- 's jaars en voor ieder

leerling daarenboven 1/2 riem papier, 1 1/2 bottel inkt en 4 bos pennen

[714].

De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond

was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat

brengen en van een planken vloer voorzien [715]. En niet slechts

zorgde Beeldsnijder Matroos voor de intellectueele belangen der

soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens

verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn

bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten [716]. Wie

echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren

niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden

zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde:

hij was onbedreven in de »huishoudelijke zaken der natie" en zijn

spoedig aftreden »een geluk voor de natie" [717]. Zij respecteerden

en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden

van Policie moesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig

verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen

de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het

liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur

[718]. Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de

Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar

zijnen wil leiden kon.

Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag

der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de

teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden

Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding

dier benoeming was den 1sten December 1784 te Suriname aangekomen,

en 21 dagen later, den 22sten December 1784, zeilde het Hollandsche

fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer

Wichers bevond, die den 24sten December het bestuur van Beeldsnijder

Matroos overnam [719].

De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bij dergelijke

gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge

achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers

als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de

zaken had bestuurd [720].

De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van

Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend

en daar hij in het moeijelijk ambt om: »het regt der hooge overheid

alom waar te nemen" zich veel achting had verworven, werd zijne

terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal,

over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den

Surinaamschen dichter P. F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd,

en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16den Maart 1785

aangeboden, wordt die komst genoemd: »een heilstraal die Suriname

kwam beschijnen;" de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden

van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die

men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.

Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en

hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke

als religieuse toegeschreven.

Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen

toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent

eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de

ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen

als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen

als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde

verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ook zwakheden en

gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der

omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te

schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.

Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging

ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik

op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde

kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen,

waaruit wij kunnen putten, de acta's van het Conventus Deputatorum,

werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde

slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan

het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie

jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd [721].

Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge

twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk

hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder

eens eene klagt over de Hernhutters: »die menschen maatigen zich

aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen

in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen;

hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden." Aan

HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken,

opdat het Hof hiertegen waken kon [722].

Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet

van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met

ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der

slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger

op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden

vindt men een berigt als wij lezen in de acta van het Conventus van

1788, »de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den

Christelijken godsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst

Messias" [723].

De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar

gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter

geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het

kerkgebouw verviel en werd later gesloopt [724].

In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld

door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van

Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J. C. de Cros.

Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij

1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen

door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor

gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant

dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo

beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en

Cottica sedert onvervuld bleef [725]).

Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten

geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie

predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na

zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek

den 29sten Januarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1sten

Februarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat:

»hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel

verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest,

dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept

te worden" [726]. Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig

getuigenis: »Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een

opregt Evangelie-dienaar konden worden toegelegd; zijn overlijden is

een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn"

[727].

Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de

predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen;

terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de

overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in

1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde

(Waalsche) gemeente geweest.

De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de

vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven

aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte

der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden

de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de

onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De

Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van

Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan

en eene jaarlijksche subsidie van f 3000 verleend, die in 1789 tot

f 5000 werd verhoogd [728].

Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden,

vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo

ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het

ophalen der gelden geschiedde met »verregaande negligentie"; het

toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel

verkwisting [729].

Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de

notulen van het Hof vindt men o. a. in 1789 hernieuwde klagten dat

de diaconiale kas »deerlijk in de war" was [730].

De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.

In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen

eener jaarlijksche belasting van f 600, tot onderhoud van het

hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741

begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche

predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz. 200). Sedert

dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten

gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende;

anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad

ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van

predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo

goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling,

die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte

te stichtten.

Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in

Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen

geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en

cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte

der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.

In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht,

in Suriname en hield zijne intreerede den 28sten November 1784.

Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname

godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op

verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente,

de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan,

na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het

scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende

vaartuigen werd beantwoord [731].

De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster

enz. moesten worden betaald en dat tevens strekken moest voor het

onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van

f 600.-- aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een

aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land,

groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt

tot het aanleggen van eene koffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der

gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen

en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven

werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege

eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins

deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het

oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan

om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken;

doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.

Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging

daarvan, in 1758 eene som van f 8000.-- op hypotheek te nemen bij

den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter,

en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten

deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van f 25,000.--

en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd

waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer

Broen competerende saldo was geklommen tot f 74,745.--. Op verzoek

van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude

hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage

van 5/8 der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand

Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene

waarde van f 149,900.-- (de hypotheek bedroeg alzoo f 93,182.10).

Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J. G. Telbingen

aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een

voorschot van f 400.-- te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie

in kleine aandeelen van f 150.--, f 200.--, f 300-- en f 500.--

à 4 procent 's jaars daargesteld, waarin voor f 7000.-- deelgenomen

werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze

gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven

voor de plantaadje [732].

Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den

hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering

in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de

plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.

Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling

van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de

Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien

hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten

koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter

geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André,

schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den

heer Broen, verliepen nog eenige jaren [733].

De drukkende belasting van 's jaarlijks f 600.-- aan 's Rijks-Hospitaal

uit te keeren was in 1768 voor eene som van f 8000.-- afgekocht. Men

was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den

oud-ouderling J. G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene

middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de

kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op

den dag der plaatsing werd f 700.-- voor het onderhoud er van

gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken;

gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch

gingen de finantiën achteruit.

De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten

veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel

over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname

wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk

kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.

Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen

(twee kerkmeesters o. a. lieten bij hun overlijden een duchtig

deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten,

wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen

droevigen staat mede.

Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal

behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds

toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten

brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De

Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785,

tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het

jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis

te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot

geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.

Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde

in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig

rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om

eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande,

ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het

Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en

daarop werd dit verzoek gewezen van de hand [734].

Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen;

daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd

nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof

op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men

zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving

bij HH. Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788

alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:

1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een

voorgenomen adres aan HH. Directeuren der Sociëteit om ondersteuning;

2o. Eene driemaandelijksche toelage van f 1500.--, bij wijze van

leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.

Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den

11den Augustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede,

na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit

van den 21sten derzelfde maand, gewezen van de hand.

Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige

commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden

zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij

zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden

commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden

voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder

moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven

van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of

zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur

werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de

in- en opgezetenen gedaan [735].

De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De

Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en

niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd

deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren

liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In

Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den

Gouverneur met het verzoek, om een door hen aangewezen stuk grond

aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente

af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der

plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de

vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de

waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een

ander geschikte grond geschonken en--men verwachtte veel goeds van

de vestiging der Morarische broeders [736].

Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen

opmerken [737].

De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen

pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst

openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren

die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.

Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de

belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden

zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der

kolonie Suriname [738] gewend. Dezen zonden dit rekwest naar Suriname,

om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen. Het

Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive,

daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt:

»In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele

vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer

hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur

en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan,

echter onder de volgende restrictiën:

1o. dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn

mag dan te Paramaribo;

2o. hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een

gewoon burgerhuis;

3o. slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van

wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de

kolonie kunnen worden weggezonden;

4o. omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op

straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;

5o. hunne armen niet komen ten laste van den staat;

6o. geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;

7o. zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen,

hunne kerk gesloten worde;

8o. zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en

bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland,

omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.

Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en

bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten [739].

Geschiedenis van Suriname · 第 24 / 86 题