Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte,
kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van
Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In
het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst
er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795
wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt,
dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was
ingebragt en voorgelezen [870].
Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend
om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins
gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die
poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent
niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den
Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven
werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de
daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16
April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland
te erkennen [871]. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en
Regeerders zeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe
hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen en Ministers der
Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van
de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak
en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken
in de coloniën moest influenceren." Hij beschrijft zijne positie
als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede,
in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden
te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de
beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij
vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld
bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was,
in acht zouden worden genomen [872].
Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van
de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden
op Dingsdag den 4den Augustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche
vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van
het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter
generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren,
dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname, Jurriaan François
Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen
stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets
dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen
verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor
het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij
eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag
des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven
tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan
te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid
toe te zenden." [873]
In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig
mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1sten Junij 1795 deed hij,
in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij
het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den
mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen,
het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige
adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als
eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon
ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling
als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij,
om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield
die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens
de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde,
leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar
drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid,
gelijkheid en broederschap zou niet slechts agitatie onder de blanken
te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken:
het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen
toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze
en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk
in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd
en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden door de
krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en
orde gebragt. [874]
Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren
stond, want in Demerary was een opstand onder de slaven uitgebroken
en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp
uit Suriname verlangd.
Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen
te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren." Zoo spoedig mogelijk
werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te
schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar
Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders
werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te
geven. [875]
Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers
hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid
wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen
de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon
wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men
Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel
een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder
den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden
[876]. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt
en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug [877].
De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en
niet genoemde omstandigheden werkten alzoo mede dat Friderici van den
toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren
en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte"
(zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen
enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze
colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige
toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de
aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene
aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping
zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene
generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve
na den vaderlande zal kunnen opleveren. [878]
De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog
veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid,
verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten
vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.
Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het
vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde
maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van
het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen
der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat,
ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid
der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot
een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het
Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien
men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude
ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming
met de kapiteins der aanwezige oorlogsschepen moest geschieden [879].
Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van 11 April 1795
aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van
de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart
behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels
van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de
daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger,
mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;"
de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van
den Stadhouder" enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest
en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen
van Oranje," enz. enz.
Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de
koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11
April die wij hier laten volgen blijkt:
»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. Extract uit het Register der
Resolutiën van de Hoogmogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde
Nederlanden.
Sabbathi den 11 April 1795.
Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.
De Gecommiteerden van Holland hebben ter vergadering voorgedragen:
dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive
van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op
gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren
gelast om dien aangaande te doen een voorstel.
Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat
H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor
de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand
de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene
willekeurige interpretatie van Hoogstderzelver publicatie van den
4den Maart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken
eigendunkelijk veranderen.
Dat in tegendeel alle opperhoofden, collegiën van regeringen,
officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds
gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van
zodanige andere Directie waar onder zij gesteld zijn, zullen moeten
respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door
Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen;
gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats
bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met alle
rigeur tegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter
rigoureusten te doen straffen.
En gelasten insgelijks aan alle commandanten van 's lands troepen zo
te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van
rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun
vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten
voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.
En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West
Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden
aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last
om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven
aan de respective coloniën, ten einde alle confusiën voor te komen,
die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.
(Was Geparapheert) J. G. H. Hahn, Vt.
Accordeert met voorz. register.
(Was Getekend) W. Quarles."
Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te
zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend
gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der
Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde
vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden [880].
Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met
de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen
straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte
het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te
stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant
Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den
20sten Julij 1795 werd tot het afleggen derzelve besloten, dat echter,
ten opzigte van de militairen, eerst den 26sten Augustus plaats had
en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag [881].
In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive
van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was
eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling
van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16den Mei
tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk
gesloten, welk tractaat den 4den Junij te Parijs geratificeerd was; een
duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning
van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap
en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij
gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren,
doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte,
hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch,
achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude
verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan
verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte
het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch
liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid
te handelen als hij mogt goedvinden [882].
Friderici liet toen den 31sten Augustus de resolutie omtrent het
tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren
en den 8sten September de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11
April er tegelijk onder werd gedrukt [883].
Den 27sten Augustus werden de civiele autoriteiten door Friderici
van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31sten Augustus de
militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici
om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van
Policie, de kapiteinen der oorlogsschepen en hoofdofficieren der
bezetting werd bijgewoond [884].
Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de
afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. De officieele
tijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden,
èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve
èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het
inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te
doen verwijderen [885].
Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige
bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote
schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te
belemmeren, liet Friderici voor f 12.-- à f 14.000 te Cayenne twee
oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men
daarna bij Braamspunt deed zinken [886].
Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel
mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de
Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in
hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden,
voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan
alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame
voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche
schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname
betalen--alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met
het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk
aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den
anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de
weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten
staat der openbare kassen te beroepen, en tevens het een en ander
wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan
H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen [887].
Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit,
zoo dat men met blijdschap den 12den Mei 1796 het berigt vernam,
dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze
vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit
vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den
17den Mei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20sten Mei in het Hof
van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den
geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogst gunstige
te schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht,
en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden
van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek
van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het
trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt
en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen
afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van
Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5den October
1795 de Directie der Sociëteit van Suriname hadden vernietigd en den
9den in plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de
koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk
Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met
de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier
der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden
belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge
Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren
in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door
suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd;
een Secretaris voor het geheele Committé en een Ontvanger-Generaal,
met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een
jaarlijksch traktement van f 2000, de Advocaat-Fiscaal f 4000, de
Secretaris f 6000 en de Ontvanger-Generaal f 2500; allen ontvingen
daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd
A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal
Jacob Spoors [888].
Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling
van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het
volgende aangevoerd:
»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen,
oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een
commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs
vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde,
zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd
gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam
ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo,
Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs
de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice
wederom door eene afzonderlijke Sociëteit en Directie geadministreerd
werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen,
en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen
worden gemaakt.
»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk
geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook
toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te
water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten
minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame
kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden
verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft
gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert)
zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste op de eerste vertooning
van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te
defendeeren waren.
»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van een ligchaam
van commercie in een van louter administratie haar langzamerhand
buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte
schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal,
dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben
moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet
is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is
geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze,
die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten
als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen
onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden,
en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.
»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1sten Junij 1792 eindelijk, na lange
en breede overleggingen, is aangesteld een Raad over de coloniën in
America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor
nogthans dezelfde coloniën en bezittingen, die te vooren onder de
administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de
directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten:
de coloniën Demerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius
en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa,
terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn
onder de administratie van de zogenoemde Sociëteit van Suriname,
en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene
drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel der
coloniën en tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking
van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.
»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors. coloniën van
den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke
informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te
water als te lande.
»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle de
voorsz. directiën denzelven wel gelieven te informeeren: en dat
deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde,
om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en
inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is
wanneer dezelve coloniën bij geleegenheid van eenen oorlog in eenen
slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand,
en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.
»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indische
coloniën genoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden,
alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen
zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet
considereert, als leden van een en hetzelfde ligchaam, maar veeleer
als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van
elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot
generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur
over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel
eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid
omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene
welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden
te hebben.
»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz. [889]."
Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke
gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen
van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering,
welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen,
alsmede aan het genoemde Committé [890].
Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der
bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden
in den eed te nemen. Deze heeren hadden hiertegen eenige bezwaren,
niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat
zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten
doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna
de noodige publicatiën werden uitgevaardigd [891].
Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door
krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was
door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel:
»Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis," en door
Beeldsnijder een libel: »Hans en 't Schaduwbeeld," die beide »tendeerde
om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer
colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege
te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek
belang." Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan [892]. In
de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder
voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor
de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield
voortaan strenge censuur om dit te voorkomen [893]. Daarenboven liepen
eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden,
doch werden spoedig in arrest gebragt [894]. Ook bij sommige feesten
der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de
predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen
over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici
ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van
Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt
terug [895].
A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der
eerste zitting den 2den November 1795 o. a. de volgende woorden:
»Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten
is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal,
de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen;
welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft,
schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des
staats" [896]. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat
werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds
in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den
Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd
[897]. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de
kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen
meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen
voor de post aan de Marowyne waren afgezonden [898].
Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen
van verdediging der kolonie, doch den 12den Augustus 1796 overleed
de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had
getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak,
die hem opgedragen was, trachtte te vervullen [899]. Het bevel over
het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van
tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.
Den 5den September 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het
Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie
representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der
toenmalige regering die voor een wijle in plaats van H. H. M. was
gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje [900].
De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij
de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In
November zonden zij o. a. een pakket aan den Gouverneur, die het in
tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief
aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren,
die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en
nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd
[901]. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje
boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat
de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren [902].
Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen
en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde, vermeerderden de
moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over
het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen;
in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne
betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop
gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen
ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde
zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde
zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad
Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den
Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels
had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere
Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam
de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten
door het Committé bepaald [903]. Friderici zag echter geen kans om
anders in de bestaande behoefde te voorzien, dan door het maken van
kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve
der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk
voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in
Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797
voor 350 mille, in April 1798 voor f 400,000, in November 1798 voor
f 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de
maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en--hoewel hij genegen
was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren," stelde hem
(volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt,
de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de
noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij
geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien
vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede
de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken [904]". Het
Raadslid Docher werd dan ook ontslagen [905], en Friderici ging voort
om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in
het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van
het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn
gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar
hij in Julij 1797 in zijn privé f 21,000 ontving, als vermeerdering
van tractement ad f 6000 's jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op
welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht
[906].
In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de
Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal
door de Engelschen geslagen was [907].
Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandsche
weldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de
Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk
na het vernemen van die ramp f 500 aan Friderici toegezonden ter
tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van
de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in
[908].
Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd
uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige
bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en
vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende
Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had
er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy,
Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18den
Fructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd,
en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met
gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje)
naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9den Junij 1798 aan de
Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen
van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig
echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op,
doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze
uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze
te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie
hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde
correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek
oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het
door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen,
en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich
dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs,
Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayenne hem,
ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot
last dan tot genoegen strekte [909].
De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het
administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie
van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan [910]; in
's lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig
gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum
Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats
en Friderici had werk om het een en ander, ten minste eenigermate, in
goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook
nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene
stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie
door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de
verdoemenis." De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen
echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen [911]. De
wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen
vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen
zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden
[912].
De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer
de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte,
met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte
mede niet gunstig op Suriname. De onophoudelijke veranderingen in
het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten
het handelen met energie onmogelijk.
In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het
uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en
in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale
vergadering verviel [913]. Andere publicatiën over het inrigten
van schepen ter kaapvaart volgden [914]; doch wat baatte de daartoe
verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak
en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed
Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de
Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij
1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat
hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen
om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie
te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De
Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat
Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had
geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te
stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21
Maart 1799 Suriname verliet [915].
Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij
1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van
Don Manuel D'amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van
Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van
Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij
kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd
[916]. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch
de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst
moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje;
»de snijders moeten voor het corps Wallons maken 600 kamisoolen met
mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;"
hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen,
waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt
werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.
Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt
geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé
geschreven den 31sten Januarij 1799.
De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:
1o het politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij
aangesteld;
2o den landbouw en den staat der ingezetenen;
3o den toestand der magazijnen;
4o het militaire wezen en defensie;
5o den toestand der finantiën.
Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de
moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te
vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven,
leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie
tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns;
over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer,
enz. enz. enz.
Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.
Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid
der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan
afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting
van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een
vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten
waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De
katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes
in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De
koffij- en Cacaoteelt echter ging achteruit.
Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel
voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoo sterk, dat
verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden,
waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen,
tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven
en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den
landmeter Helleday ontworpen.
Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden;
de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd" en binnen
weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking
worden gebragt.
Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers
en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan;
vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten
opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo
en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25
pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze
tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier
en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk
aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu
niet opgeëischt wierden." De staat der magazijnen werd in die missive
opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende
wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog
minder van ammunitie voorzien." Het militair- en defensiewezen liet
veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt;
het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen
ter defensie der kolonie ontvallen, werd zeer door Friderici betreurd;
hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig
gesloten werd.
Vooral omtrent de finantiën is de missive uitvoerig. Door de
exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader
en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest;
daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en
voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of
langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.
De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het
moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had
alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk
de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het
Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici
ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds
hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen
guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere
van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld en
obligatiën dan rouleerde toen in de kolonie f4,513,242 : 15 stuivers
aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand
had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende
kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers,
waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.
Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie;
als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver
geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling
of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30
pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen
kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster
nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het
Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander
middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.
Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze
gelegenheid aan het Committé gerestitueerd f 342,366 : 9 stuivers,
en uit de kas der hoofdgelden f 199,304: 7 : 4 in differente
wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het
Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor
het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden
gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor
in staat zou worden esteld, om eenige der hoogst noodige artikelen
voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden [917].
Den 22sten Junij 1799 verzond Friderici weder een brief naar
het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren
geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de
arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen
van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief
veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche
republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele
oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en
alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden
zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig
[918].
De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den
13den Augustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene
Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk
getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond
zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer,
doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de
gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16den
Augustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In
den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de
omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond,
eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene
andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling
en verwoesting te bevrijden" de capitulatie hier en daar eenigzins
gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder
immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit."
De artikelen der aangeboden capitulatie waren:
1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;
2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije
uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.
De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden
uitgezonderd;
3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden
overgeleverd aan de Engelschen;
4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone
belastingen;
5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of
nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide
partijen;
6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt
blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen
in West-Indië ontvangen;
7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in
dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;
8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan
Z. B. M.
Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:
1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;
2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de
Amerikaansche;
3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in
de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om
zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen
om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;
4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;
5o en 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der
forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;
7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het
2e artikel der capitulatie bedoeld.
Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan;
betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen
worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden;
omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou
overvoeren, doch hen als krijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen
uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2e alinea werd
gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden
en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie
zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere
gedragslijn zouden voorschrijven [919].
Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé,
waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de
inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale
generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen
verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland
hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid
zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben
ondergaan."
Den 20sten stevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er
heerschten rust en stilte; den 22sten werden de forten overgegeven;
den 26sten ontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie
de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich
en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge,
om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George
den derde af te leggen [920].
Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de
nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo
werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet
veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij
slechts f 50:- handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven
f 25:- aan te bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken
[921]. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname
belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat
hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en
f 18000,-- 's jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt,
enz. enz. [922].
Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal
white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van
Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas
genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice
noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde
uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in
de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan
was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven,
zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte
deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel
soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst
van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde
uitgaaf van f 15000,-- geschat, werd nolens volens voldaan [923].
Den 2den September 1799 werden door den Engelschen bevelhebber Trigge
drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle
ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af
te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning
in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de
capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.
De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan
onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche
republiek, die in Suriname woonden.
De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen:
een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende
8 engels op f 22,--. Had men voor eenige weken vrees voor een overval
der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, -- nu de
kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne
hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de
Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens
verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche
hoofdkwartier te onderhouden.
Hiertoe werd uit de kas der modique lasten f 40,000,-- gefourneerd
[924].
Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en
de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene
van anderen aard. De benoodigdheden voor 's lands gasthuis werden
vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten
waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien
en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot f 90,000,-- [925];
de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een
nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde
Hortus Surinamensis voor f 20,000,-- willen aankoopen, doch daar zich
sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen,
toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was
en voor f 10,000,-- kon verkregen worden, had men dit laatste
perceel gekocht [926]. Het heerschen der kinderpokken, waartegen
voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven
vereischt [927]. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte
men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg
als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig door
Friderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te
brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield,
had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt [928]. De toestand
der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte,
waardoor ook hierin moest voorzien worden [929]. Door den toevloed
van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de
omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen
en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd
vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok,
roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie
aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving
een degen, de policiedienaren sabels [930]. Dit alles kostte geld en
de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in
Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen,
kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene
onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den
Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de
25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd
echter geen gevolg gegeven [931]. Ook uit Engeland kwamen missives van
de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche
regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in
neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor
Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok
als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk,
dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover
hadden belangrijke discussiën plaats. Het Hof vermeende, in de eerste
plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest,
tot dat Engelsche schepen dezelven kwamen afhalen, een groot gedeelte
opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus
voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche
regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande
regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald", zoo luidde
de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de
in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas der Sociëteit,
doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En
thans--vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der
modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften
der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald
waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de
wegloopers bragt f 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps
kostte jaarlijks ruim f 200,000, dat van het cordon f 74,000; daarbij
was er f 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld
en de obligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die
het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn." Verder
beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren
van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal
ingrepen; »en" hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder
protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van." Men verzocht
den Gouverneur over een en ander de noodige remonstrantiën te doen
bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen [932].
Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook
ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en
zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de
voeding van dit corps had moeten zorgen [933]. De Britsche bevelhebber
Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres
ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus 1799
tot 27 Junij 1800 verstrekt ad f 110,578:19" [934]. Friderici drong
er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om
het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke
dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks
met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou
worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend
corps deszelfs plaats zou innemen [935]. Na herhaalde en breedvoerige
discussiën werd eindelijk den 13den Januarij 1802 besloten, om den
Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor
zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet
in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen [936].
Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat
zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam
van voorstad Zeelandia ingedeeld [937]; eene nieuwe quotisatie der
huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801
[938]. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud
der bruggen en wegen enz., werden te gelijker tijd uitgevaardigd. De
luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit
meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven
bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door
meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en
slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen
hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen
niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen
uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel
zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige
voedsel. Op een bloot vermoeden liet hij een neger zwaar kastijden,
daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om
den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood
zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en
alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting"
om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en
de aanklagers ontvingen een Spaansche bok [939].
Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op
vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had
aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen
en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden
geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en
daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op
last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte
kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met
tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke
wijze" gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien
onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered [940].
In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een
paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de
moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening
uitgevaardigd [941].
Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen
of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om
gebonden aan een paal levend te worden verbrand [942]; Spaansche
bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia
toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie
door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te
belemmeren en beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend
spectakel onaangenaam en rebutant was." Er werd hierover in het Hof
gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de
slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun
toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke
straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren [943].
Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den
11den December 1799 overleed Ds. de Vos en den 1sten Maart 1800
Ds. Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijd onvervuld. Het
Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden,
dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzocht Friderici
zich daartoe aan Z. B. M. te wenden [944].
De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood
veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie [945].
In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene
wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham
van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en
later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname
aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond
slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen [946].
Den 18den December 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan
het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt
had ontvangen dat den 1sten October 1801 de Preliminaires of peace
tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige
dagen later geratificeerd [947]. Er was alzoo stilstand van wapenen
ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is,
den 27sten Maart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat
de Engelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën,
behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche
commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles
provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken
en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen
staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de
koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De
Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname
de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en
's lands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd
doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand
van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en
troepen te gemoet zien.
Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der
schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13den November 1802
eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter
zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne)
aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin
reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven;
nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary
en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met 's rijks fregat
Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.
Er bevonden zich nog wel 2 Engelsche oorlogsschepen, doch de
transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren,
niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden
reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot
overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te
gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de
Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van
Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten
varen. Den 28sten November werden de Bataafsche troepen ontscheept
en voorloopig in sommige publieke gebouwen gehuisvest. Twee Engelsche
transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op
te nemen.
Den 2den December werd er door den Engelschen Commandant
A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten
en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan,
werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der
forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag
te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden
en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. 's Avonds
waren vele huizen van particulieren geïllumineerd; de Engelsche magt
verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle
weder eene Nederlandsche bezitting [948].
Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het
staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij
1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop
de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem
door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter
zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking" van
den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van
Treslong zeer geprezen [949]. Friderici verliet de kolonie niet,
als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust
van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door
velen geacht en bemind overleed hij den 11den October 1812 en werd in
den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen
gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde
zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van
den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren
gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier
staat te weenen, oprigten [950].
Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds
met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste
weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich
zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon,
mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als
de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het
belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer
zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van
overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan
den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt
hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en
andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten
over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere
geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken
van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem
geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot
onberekenbaar nut der colonie". De landbouw had groote verpligting
aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen
over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen
den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door
het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te
vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij
willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de
bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk
Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.
Den 4den December 1802 presideerde Blois van Treslong in eene
buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December
maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij
gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van
Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat
door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn [951].
Eenige publicatiën werden uitgevaardigd als: eene behelzende de
bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van
het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij
berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der
Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling
door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën
gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen
der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden
van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders,
D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene
waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den
ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar
zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van
den 19den Februarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de
wegloopers weder in te voeren [952].
Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig,
want de publieke kassen waren in een »deplorablen" toestand.
Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat
blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten
aan zilver en goud geld aanwezig was
voor eene somma van f 6896.--
oud en ongangbaar geld f 935.--
zoo dat te zamen f 7831.--
aan specie in die kas was: dit was de eenige specie in 's lands
kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën
en wissels eene som van f 1782:14. 9 2/3
in de kas der hoofdgelden f 53136:17.12 2/3
in die der venduregten f 100361:12.12
Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke
waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog
verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique
lasten was aanwezig (altijd aan papieren geld)
eene som van f 409,659: 5. 8
doch zij was schuldig f 660,509:11. 7 2/3
in de kas der gemeene weiden eene som van f 157,9:12 2/3
en schuldig f 1491: 4. 8
Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in
ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te
vorderen f 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad
Amsterdam f 700,000:- aan de voormalige sociëteit f 1,707,987:12:3,
behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven,
die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond,
dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren,
men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening
dier kas niet opgemaakt [953].
Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland
gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel,
weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname
toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31sten Januarij
1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij alle negotiatiën, zonder
voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden [954]. Er
waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren
reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken;
veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder
spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet
voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in
het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven [955], en
er heerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om,
daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen [956],
met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel
te bevorderen.
De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd;
behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden
in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke
en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van
Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan
Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het
Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent
hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het
noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun
geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond
echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne
mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van
Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij
zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden
en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den
eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes
van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet [957].
Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene
kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer
spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met
anderen [958].
Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene
staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen
de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper
Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet
ter-gelijkertijd hetgeen in Holland daarvoor in de plaats was gekomen,
in werking wierd gebragt.
Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.
In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris
van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van
Suriname. Berranger kwam den 5den December 1803 in de kolonie aan,
en nam den 9den December het bewind over.
In zijne eerste missive aan den Raad der coloniën, dato 28 December
1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed,
daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden,
»die hij echter niet naspeuren wilde." Reeds dadelijk beklaagde hij
zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woorden te
water en te lande," waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie
het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft", schrijft Berranger verder,
»zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets
omtrent den dienst beval--en ik zal dit toch moeten doen, daar ik
volgens artikel 9 mijner Instructie alleen verantwoordelijk ben; het
zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor
de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende
magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen" [959]. Dat deze
spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk
wij nader zullen zien.
Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg
1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde
de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe
ook de schutterij op; hij inspecteerde haar--en hoewel zij sedert de
installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter
haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij
bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel
een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door
officieren en beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt,
de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de
geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een
gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten." Na een paar
maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt [960]. De Roomsch
Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare
verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door
Berranger (zelf R. C.) weder geopend [961]. Ook werd door hem,
in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen
staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802
zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen
met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den
kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en
werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd [962].
Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling
der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle
ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en
hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken [963]. Het verspreiden
van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van
f 500 verboden [964]. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de
slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen,
dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van f 2000
moest stellen [965].
Berranger stelde ook aan den Raad der coloniën een nieuw
belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert,
de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt,
door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van
hunne verhuring ontvangt, en de eigenaars van woningen in Paramaribo,
die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch
de landbouwer daarentegen ontlast worden.
Daar in den regel de uitgaven 1 1/2 millioen gulden bedroegen, stelde
hij tot dekking daarvan voor, het volgende:
12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te
belasten met 1 stuiver per pond f 600,000.
20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met f 20
het vat f 400,000.
3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2
stuivers per pond f 300,000.
500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met 3/4
stuiver per pond f 18,750.
10 pCt. op de houtplantaadjes f 30,000.
Idem op het zegel f 150,000.
80 schepen van 100 ton jaarlijks f 20 per ton f 160,000.
Op de slaven te Paramaribo f 10 per hoofd f 100,000.
Op de venduen f 30,000.
---------
Te zamen f 1,888,700.
Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als:
kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te
schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen,
kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare
gebouwen enz.
Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken
nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren
later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald,
dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld,
waardoor verwarringen zouden worden voorkomen [966].
Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de
colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten
waren levendig en ieder is te vreden." Dat Berranger zich wel wat
veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen
veronderstellen; evenwel de scheepvaart nam toe, in korten tijd
waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht,
vertrokken [967]; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene
verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.
De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs
werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt de koloniën
van den staat. Den 25sten April 1804 vertoonden zich 31 Engelsche
grootere en kleinere oorlogsschepen aan de kust, bij Saramacca en
Braamspunt; den 27sten bemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken,
na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar
aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen
gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28sten
April, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan
den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar
de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond
om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers
Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje
Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad
wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat
»de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging
over te geven." De raden van policie als vertegenwoordigers van den
burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo
aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen
zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand." Berranger deed
opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren
tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden
en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen,
waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat
men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij
in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede,
de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven."
De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich
hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde
of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene
capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van
Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen
van zijn presidialen zetel op en na het zeggen: »zoo gij mijn gezag
ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden
voorwaarden afslaan," keerde hij toornig naar Paramaribo terug,
om aldaar de rust te bewaren.
Den 30sten ontscheepte de vijand zijne manschappen aan de
Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici
stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden
weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen
eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen
Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden
rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij
op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort
van achteren aan te tasten [968]. Vijf honderd man landden aan de
Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu
van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te
gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps
vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen,
zoodat Berranger geen middel van »contrainte" voorhanden hebbende,
aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten
einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen [969]. »Batenburg,
ongeacht de uitventing zijner dapperheid," gaf Berranger kennis van
het gevoel zijner onmagt--en eindigde met, zonder Berranger te kennen,
eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in
alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen
eervol en voordeelig voor de militairen, doch schadelijk en nadeelig
voor de kolonie was.
Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen,
eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich
af en op den kolonel Batenburg wierp [970].
Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden
op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij
het derde tijdvak.
De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683-1804)
heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats
ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste
als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben
wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier
en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van
sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op
den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot
die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden
bodem van Suriname door 's menschen hand een giftboom geplant, welks
wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt
maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die
aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds
de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de
slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar
slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der
slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.
Wel is Suriname eene productieve kolonie geweest, doch eigenlijken
bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar
wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de
landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die
oogsten, kwam tot de ooren van den Heer der Heirscharen, tot Hem die
liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den
apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede", die eisch der
christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht --men vertrad den
broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort,
werd als een zaak beschouwd, als--en soms minder dan--een redeloos
dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet
erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij
een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun
midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand,
den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus,
aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak
zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods
en ook over die Zijner waardige dienstknechten.
Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der
geschiedkundige feiten, Suriname's lotgevallen in de drie eerste
tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede
verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der
geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te
doen stellen, dan tot heden wordt betoond.