3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.
Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel
op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.
Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium,
stelden zij het volgende voor:
a. het maken van nog een millioen kaartengeld;
b. het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die
's lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor
het vrijcorps gekocht; [463] de huur der slaven, die aan de forten
arbeidden enz. enz.;
c. het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas
verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.
Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te
geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier,
in vier klassen te verdeelen:
1o. degenen, die rijk en vermogend waren;
2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke
waarde belast hadden;
3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan 5/8 hadden
verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;
4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen
bedroeg.
De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden,
zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne
der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden
alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken,
konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk
de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel
mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:
a. De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de
bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij
opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven,
enz. enz.
Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt
opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig
vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve
wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs
afgeven.
Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest,
tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt
voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt
worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van
het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden
dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij
behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor
dezen, oordeelden adressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen
voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne
crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te
sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet
genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo
niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden
konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo
den lande nuttig zijn.
b. Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo
onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker,
die onder den naam van »wissel op tijd" plaats vond.
Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde
onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door
hen voorgesteld:
a. opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de
wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte,
en daarvoor in plaatst te stellen:
b. eene belasting van de 40ste of 80ste penning op colloteraal,
verkooping van onroerende goederen, enz; en
c. eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of
Engelsche schippers verkochte goederen.
Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht
was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van
oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot
voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen: