niet slechts om reeds genoemde redenen, maar ook om de minachting,
waarmede de Sociëteit hen, »die toch met den Gouverneur de wettige
regering van Suriname uitmaakten", behandelde. Zij rekenden zich
verpligt om tegen alle infractie van het octrooi te waken en hier
beging de Sociëteit eene nieuwe en alle vorige te boven gaande
infractie. Artikel 27 sprak duidelijk: de onkosten der verdediging
moesten door de Sociëteit gedragen worden.--Bij vroegere conventien
waren hierin, doch echter immer na voorafgaand overleg, eenige
wijzigingen gekomen, maar nu matigde zich de Sociëteit eene magt aan,
die ter naauwernood bij een Despoot denkbaar was. In dit buitengewone
geval verlangden de Raden, dat de ingezetenen werden opgeroepen om
hun gevoelen er over te vernemen [360].
Crommelin verklaarde zich ten sterkste tegen eene oproeping der
ingezetenen. Hij schetste met levendige kleuren de onrust en verwarring
waartoe deze leiden kon; hij trachtte de Raden te doen inzien, dat
het Hof niet geroepen was om te delibereren in hoeverre men zich aan
de bevelen van den Souverein (H.H.M.) zou gedragen, maar slechts hoe
die bevelen het best konden worden ten uitvoer gelegd; hij waarschuwde
tegen de nadeelige gevolgen die uit dergelijke verschillen met den
landsheer (de Sociëteit) konden ontstaan, en haalde tot bewijs daarvoor
de vorige gebeurtenissen onder Mauricius aan. Hij wees ten slotte op
den moeijelijken toestand waarin de kolonie kon geraken, indien eens
onverhoopt de vrede met de boschnegers niet mogt tot stand komen. De
Raden, op hunne beurt, antwoordden, dat zij in de door hen voorgestelde
demonstratie geene oneerbiedigheid jegens den Souverein (H.H.M.) zagen,
te meer daar zij vertrouwden, dat indien H.H.M. goed omtrent de zaken
waren ingelicht, zij zich haasten zouden om dit onregtvaardig besluit
in te trekken; de Raden wenschten mede gaarne met den landsheer (de
Sociëteit) buiten verschil te blijven, maar waar deze het octrooi
schond, konden zij, volgens eed en pligt, hierin niet stilzwijgend
berusten; zij vonden geen vrijheid de ingezetenen met meerdere lasten
te bezwaren,--en indien het der Sociëteit te zwaar viel, om, volgens
het octrooi, zelve voor de verdediging der kolonie te zorgen, dan
immers stond het haar vrij om het regt van eigendom derzelve aan den
souverein (H.H.M.) over te dragen. Dit éénstemmig oordeel der Raden
(slechts de Commandeur de Bauverser koos in dit verschil de zijde van
den Gouverneur) werd in schrift gebragt en aan H.H.M. opgezonden [361].
In December 1760 bragt de Gouverneur deze zaak op nieuw ter sprake. Hij
verdedigde de Sociëteit tegen den blaam, dat zij als in den blinde
rondtastte en verklaarde, dat zij integendeel volgens bepaalde
beginselen en met kennis van zaken handelde. Zij had, vervolgde
Crommelin, tot grondslag genomen, de opbrengst van de kas tegen de
wegloopers in 1757, wanneer deze f 205,974,18 bedroeg, en hieruit
kon het onderhoud worden bekostigd; mogten die kosten onverhoopt
meer beloopen, dan zou de Sociëteit misschien wel weder 1/4 daarvan
willen dragen; daarbij was de versterking der krijgsmagt in meer dan
een opzigt nuttig.--Men zou toch daardoor in staat worden gesteld
om hier en daar militaire posten op te rigten; de zekerheid en
veiligheid der Kolonie zou toenemen, dan ook kon, zonder gevaar,
de kolonisatie aan het Oranjepad, waartegen de Raden steeds zoo veel
bezwaar hadden gehad en die ook zoo weinig aan het oogmerk voldeed,
[362] geheel worden opgeheven; en daar de kosten voor die kolonisatie
de eenige waren, die nog uit de Extra-ordinaire kas moesten worden
betaald, zou die kas kunnen vervallen en het batig saldo er van in
de kas tegen de wegloopers worden gestort. [363]
De Raden antwoordden, dat zij bij hunne ontevredenheid jegens de
Sociëteit bleven volharden. Niettegenstaande hun herhaald protest,
had zij toch de troepen gezonden en nog daarenboven bij de werving
er van slecht toegezien, daar er verscheidene kinderen, Joden en
oude lieden, tot de dienst onbekwaam onder waren. De opheffing der
kolonisatie was geene gratie: de 10 jaren, waartoe men tot hulp en
ondersteuning verbonden was, waren verstreken, men was verder tot niets
verpligt; de opheffing der extra-ordinaire belasting was reeds lang
begeerd en toegezegd. De Raden hoopten nog op gunstige beschikking
van H.H.M. Hunne aangevoerde bezwaren toch waren, naar hunne meening,
zóó gegrond, dat, »hoe habile en subtiele pennen ook van de kant van
Haar Edele Groot Achtbaare, als naar gewoonte, sullen geëmployeerd
worden, de kragt der eenvoudige waarheid en gezonde reden, altoos
zal door de nevelen van kunstige raisonnementen doorstralen." [364]
De heeren Raden werden echter in deze verwachting bedrogen. Den 14den
Junij 1762 deelde Crommelin mede, dat H.H.M. bij hunne resolutie van
21 December 1759, betreffende de overeenkomst tusschen de Sociëteit en
eenige voorname geïnteresseerden, bleven persisteren. Daar de Raden
voorzagen dat verdere tegenstand nutteloos zou zijn, verklaarden
zij na eenig beraad, den 14den Julij 1762, dat zij aan de orders van
H.H.M. zouden gehoorzamen. [365]
Nog onder den indruk dier onaangename stemming door het hier boven
verhaalde veroorzaakt, rezen er nieuwe geschillen tusschen de Sociëteit
en de Raden, en zulks nu over het tractement der predikanten. Daar het,
gelijk wij vroeger reeds aanmerkten, moeijelijk was, om »geschikte
sujetten" voor dat ambt in de Kolonie te verkrijgen, was er besloten,
dat de predikant, die door Directeuren der Sociëteit geëngageerd
werd om naar Suriname te gaan, voor reiskosten enz. een don gratuit
van f 600 zou ontvangen en in de Kolonie, behalve zijn tractement,
vrije woning en twee slaven te zijner dienste.
De Raden die bezuiniging wenschten, rekenden zich over deze kosten
bezwaard, en verzochten Directeuren bij missive het don gratuit in
te trekken [366]. Het antwoord dat zij daarop ontvingen was scherp
en bevatte o. a. de volgende zinsnede: »dat bij haar minder ijver
en genegenheyt tot opbouwing van Gods kerke en verbreidinge van
de leere der zaligheyt werd bespeurt dan bij haar voorzaaten die
van tijd tot tijd de predicanten tractement zoo hebben vermeerderd
[367]." Vooral deze zinsnede gaf aanstoot. Toen Crommelin later (9
Feb. 1764) de belangen der predikanten wilde voorstaan, en daartoe
sprak hoe dezen, indien men het hun vroeger toegestane thans bleef
weigeren, moeijelijk op fatsoenlijke wijze in Suriname leven konden
enz. gaf de verontwaardiging der raden zich lucht in de hevigste
bewoordingen. »Godt de Heere"; zoo spraken zij: »geeft toch in zijn
goedertierenheyt mannen nae zijn hart, die geen Mercenaires zijn,
Herders, die haare schaapen hoeden, als van outs den apostel Paulus,
die het werk zyner handen voegte by den heyligen dienst, dat andere
mede dede, schoon dat hier niet wert gerequireert; van hetgeen
een predikant hier krijgt als hij niet brassen wil, en veel wijn
gebruyken, kan hij zeer wel leven, met de kinderen die Godt hem
geeft, die haar zegen meede brengen. De Raaden zijn 't niet eens
met Sijn WelEd. Gestrenge dat alles veel kostbaarder is geworden,
als voorheen, en de gulhartigheyt zoo niet meer bij de gemeente zou
zijn, als voor deesen; het is wel waar, dat lekkernyen, fyne wynen,
en al was het maar gemeene rooyen, dat het gebruyk daervan kostbaar
is, maar dat zyn zaaken die predikanten in profusie niet behoeven te
gebruiken."--»Zoo de Dominees het hier dan zoo slegt hebben, wat zal
men seggen van officieren, jaa Lieut. Colonels, die noch alles en
alles gerekent, het inkoomen van een leeraar niet hebben, en evens
met veel éclat moeten leven?--Is 't dan maar om het hebben te doen,
en zyn de predikanten dan alleen nooijt te vergenoegen?" Omtrent den
aandrang der Sociëteit hiertoe merkten de Raden aan: »De milddadigheden
zijn faciel wanneer men er niets toe contribueert, Haar Edel Groot
Achtbaare hebben het maar voor 't zeggen, maar uyt de cassa van de
ingeseetenen moeten de betalingen koomen."
Dat deze weigering van het don gratuit en de heftige taal daarover
door de Raden gevoerd, eigenlijk meer voortsproot uit wrevel jegens de
Sociëteit dan uit onwil jegens de predikanten, blijkt o. a. daaruit,
dat kort hierna meermalen, bij resolutie, een douceur aan predikanten
werd toegekend door het Hof zelf of wel door de ingezetenen op voorgang
van Gouverneur en Raden, zooals wij in het Journaal van Crommelin
lezen: »Vermits de Fransche Dominé Sügnens het op bededag zoo wel
ingericht hadde, heeft de heer Gouverneur en Raden van Policie hem
een present van f 500 geschonken [368]".
»5 November 1766. De heeren Raaden en de meeste ingezetenen zeer
voldaan zijnde geweest over de predikatiën door Ds. Rogère, Sügnens
en den Luyterse Ds. Zegerquist op gepasseerde Beededag, den 29sten
October, hebben dezelve Raaden en vele andere voorname ingezetenen
een beurs van f 2100:- bij malkanderen verzamelt, en aan ieder der
drie predikanten Ds. Rogère, Sügnens en Zegerquist een present van
f 700--gedaan [369]."
»4 Februarij 1767. In de vergadering van het Hof werd besloten om daar
er eene vacature te Paramaribo bestond en de predikdienst aldaar van
tijd tot tijd door Ds. Johanson, wiens standplaats aan de Commewijne
was, werd waargenomen dezen voor elke predikdienst f 40,-- toe te
leggen [370]."
»9 December 1767. Bij het voortduren der vacature zoo geschiedt
de dienst alleen door den eenigen Nederduitschen en den Franschen
predikant waarom het Hof hun als douceur of nieuwjaarsgift ieder
f 600,-- toekent [371]."
»Ds. Sügnens werd 11den 1768 door het Hof voor de getrouwe waarneming
der predikdienst f 600,-- toegelegd."
En daar er toch moeijelijk predikanten voor Suriname waren te vinden,
werd in 1767 hun tractement verhoogd (voor de stad) op f 2200,--
zonder vrije woning, en voor de distrikten f 1700,-- met vrije
woning. Het weduwen pensioen bedroeg f 500,-- [372].
De heerschzucht van sommige, en het losbandig gedrag van enkele
predikanten gaven meermalen ergernis. Gedurig ontstonden er
geschillen. Crommelin klaagt in zijn dagboek hierover verscheidene
keeren en de notulen en de acta Conventum maken er dikwijls melding
van. De Hervormde predikanten beklaagden zich ook nog al eens over de
Lutherschen, die zij van aanmatiging en zucht om de predominante kerk
te overvleugelen beschuldigden. Deze laatsten beweerden daarentegen
immer dat zij niet buiten en boven hun privilegiën gingen. Het doopen
van kinderen van »nonconformisten", het oprigten eener Luthersche
school, het doen van collecte tot onderhoud van kerk en armen, waren de
voornaamste zaken waarover de verschillen liepen. Crommelin trachtte
zoo veel mogelijk vrede en eendragt onder hen te herstellen en vond
in deze bij de Raden ondersteuning [373].
Het schoolbezoek werd door predikanten en anderen daartoe door
den kerkeraad gecommitteerden vrij getrouw waargenomen. Zelden
leest men in de verslagen daaromtrent gunstige getuigenis over de
Hollandsche school, daarentegen was men doorgaans over den Franschen
en ook over den der Mulatten-onderwijzer wel te vreden. De kerkeraad
stelde in Augustus 1767 voor om tot aanmoediging der schooljeugd eene
prijsuitdeeling te houden. In 1768 had deze voor het eerst plaats en
werd sedert meermalen herhaald. [374]
Met medewerking der classis van Amsterdam werd op verzoek van
het Conventus Deputatorum eene overeenkomst aangegaan met het
Aalmoezeniershuis te Amsterdam om, tegen eene tegemoetkoming van f 100
's jaars, jongens uit het Diakonie-huis van Paramaribo op te nemen en
aan deze jongens in genoemd Aalmoezeniershuis eene goede christelijke
opvoeding te doen geven, een ambacht te laten leeren en hen later,
zoo zij daartoe genegen waren, naar Suriname terug te zenden. Jongens
boven de zeven jaren konden worden opgenomen [375]. Van dezen waarlijk
goeden maatregel werd veel gebruik gemaakt.
De stad Paramaribo werd van tijd tot tijd verfraaid en uitgelegd, en
niettegenstaande de vermeerdering der woningen stegen de huishuren,
daar de aanzienlijke inwoners hoe langer zoo meer de stad tot hunne
vaste woonplaats verkozen en ook andere oorzaken bragten daartoe
het hunne bij. De Portugesche Joden, wier bezittingen in plantaadjes
verminderden, vestigden zich ook meer in Paramaribo, terwijl de Savane
minder gezocht werd. Door de aankomst van vele Hoogduitsche Joden
werd het kroost van Israël in Suriname zeer vermenigvuldigd. Deze
beide gemeenten leefden echter van elkander gescheiden en wij vinden
zelfs melding gemaakt, dat men kerkelijke straf uitoefende jegens
hen, die eene andere Synagoge dan die van hunne eigene gemeente
bezochten. Door sommige leden van het Hof werd een plan ontworpen
en hetzelve ter goedkeuring naar de Sociëteit verzonden, om de Joden
een afzonderlijk kwartier aan te wijzen--een zoogenaamde Joden wijk;
directeuren verklaarden zich hier niet bepaald tegen, maar verlangden
echter, dat men de aan de Joden verleende privilegiën eerbiedigde--en
er hadden verder wel discussiën over plaats, doch het plan kwam niet
tot uitvoering [376].
Bruggen, aanlegplaatsen voor de schepen, afzonderlijke plaatsen voor
het houden van markten werden verbeterd en hun aantal vermeerderd.
De toren van het raadhuis, tevens de Hervormde kerk, werd in 1768 van
een klok voorzien, die met het stellen f 2000 kostte en te gelijker
tijd werd een klokkenist tegen eene jaarwedde van f 500 aangesteld
[377].
In 1758-60 werd een zeer doelmatig, ruim, luchtig militair hospitaal
gebouwd, dat in eene groote behoefte voorzag.
Een geschikt gebouw waarin besmettelijke zieken, als door Jaas, Boassie
enz. aangetastten, afgescheiden van anderen, konden worden verpleegd,
ontbrak echter. Wel werden van tijd tot tijd voorstellen daaromtrent
gedaan, doch de schraalheid der kas hield de uitvoering daarvan tegen
[378].
In 1764 heerschte de kinderpokken in eene hevige mate onder de slaven,
vele stierven en de lijken werden zoo slecht begraven, dat het Hof
zich, ter voorkoming van verdere uitbreiding dier vreesselijke ziekte,
genoodzaakt zag een besluit uit te vaardigen waarbij deze zorgelooze
handelwijze streng verboden werd. Het besloot toen ook een houten
gebouw ter verpleging der besmettelijke zieken op de Savane buiten
Paramaribo te laten maken, en de chirurgijns op poene van f 100 te
verbieden dergelijke lijders bij hunne meesters of in hunne huizen
te helpen [379]. Het blijkt echter uit verscheiden feiten, dat deze
heilzame verordeningen slecht of in het geheel niet opgevolgd werden.
In den nacht tusschen den 18den en 19den April 1763 barstte er in
Paramaribo een hevige brand uit en dreigde de grootendeels uit houten
huizen bestaande stad met eene geduchte verwoesting. Het gevaar werd
gelukkig nog afgewend. Het elders mede wel meer aangewende middel om
eenige digt bij de hand staande huizen te laten omverhalen, werd ook
hier met goed gevolg aangewend. De eigenaars dier woningen stelden
een eisch tot schadevergoeding in en hieraan werd in zooverre voldaan,
dat zij een renteloos voorschot van f 19,500 tot herstelling en opbouw
derzelve ontvingen [380].
Op nieuw ondervond men het gemis van brandspuiten [381] en ofschoon
bij een nieuw brand-reglement bepaald werd, dat in cas van brand
ieder ingezeten eene gewone glazen spuit en eene tobbe met water ter
beschikking moest stellen, [382] begreep men toch, dat dit weinig
baten zou en ontbood vier brandspuiten uit Nederland. In Augustus 1764
werden de twee eerste brandspuiten in Paramaribo aangebragt [383],
zij voldeden vrij goed en werden sedert meermalen gebruikt [384].
Om aan het gebrek aan drinkbaar water, dat zich, bij groote droogte,
sterk deed gevoelen, te gemoet te komen en ter voorzorg bij het
mogelijk ontstaan van brand, werden te Paramaribo in 1764 en eenige
volgende jaren, openbare putten gemaakt [385]. Bij het delven van eene
dier putten op de hoek van de Heeren- en Kerkhofstraten, werd op eene
diepte van circa 12 voet, eene ader ontdekt, die zeer veel »stofgoud"
scheen uit te leveren. Crommelin liet dit nader door docter Moesner
onderzoeken, doch daar men er verder geen gewag van gemaakt vindt,
veronderstellen wij, dat de resultaten van het onderzoek weinig
bevredigende uitkomsten hebben opgeleverd [386].
Door de groote droogte ontstonden somwijlen boschbranden, voornamelijk
in October en November 1767, welke in hevigheid die van 1746 evenaarden
[387].
Een, voor Suriname zeer ongewoon, natuurverschijnsel verschrikte de
inwoners van Paramaribo in den vroegen morgen van den 21sten October
1766, namelijk eene aardbeving, die wij in het dagboek van Crommelin
aldus beschreven vinden: »Heden morgen, circa 5 uuren, begon men
hier swaar onderaarts gedruys te hooren, dat eenige minuten lang
vermeerderde en toen met eene groote aardbeeving eyndigde. Alles
met elkanderen duurden 15 à 16 minuten, ingevolge nauwkeurige
observatie van den premier luitenant Dirks, die juyst bij desselfs
sieke kind op sat, de gebouwen door geheel Paramaribo kraakten,
en men meende telken oogenblikken, dat deselve instorten souden,
want deuren en vensters oopenden en slooten sig weederom, het water
in de putten, vaaten en tobbens kabbelde als baaren in de zee; aan
't Gouvernement heeft het geevel-eynde aan de oostkant, synde een
steene muur, een groote scheur gekreegen en ook het Commandement 5 à
6 scheuren; de sieken in 't Hospitaal syn alle daaruyt gevlugt; alle
de slingerhorologies hebben stil gestaan 20 minuten over 5 uuren,
dog aan de scheepen en op 't waater is de schudding niet soo sterk
als aan de wal geweest, hebbende alleenig eenige beweegingen aan de
hangmatten kunnen bespeuren; zijn Excellentie is meede blootsvoets
uyt 't Gouvernement gevlugt, met groot gevaar dat telken oogenblikke
vreesden hetselve instorten soude, want alle de gebouwen en selfs de
aarde beweegde zig als golven in de zee: dog God dank het is tot nog
toe by die schrik gebleeven en met geen verdere ongelukken verseld,
ten minste zooveel men kennisse daarvan heeft, except dat den persoon
van Daniel Forques, geweezene adsist. van 't comptoir van de modique
lasten, door schrik van de verdieping van een huys door 't venster op
de grond is gesprongen en sig deerlyk beseert, soodat daardoor dan 't
bloedspuyen is geraakt; beneevens nog op eenige andere plaatsen eenig
porcelyn en glaasen gebrooken. Geen mensch weet sig te herinneren,
dat ooyt of ooyt soo lange hier Europeërs syn geweest zulk eene swaare
aardbeevinge als deese hier is gevoeld geworden."
In de vergadering van het Hof op dien zelfden dag, werd op voorstel van
Crommelin tegen den 29sten October een dank- en bededag uitgeschreven,
om den Heere God voor de genadige bewaring te danken.
Eenige dagen later herhaalden zich die schuddingen, gelijk in het
dagboek gemeld wordt, als:
"25 October, 1766. Gepasseerde nagt, circa een uuren, heeft men al
weederom eenige schuddingen gevoeld, synde egter niet zoo sterk als
de voorgaande geweest.
27 October, 1766. Gepasseerde nagt ter twaalf en heeden morgen circa
half seeven uuren, bij stil en helder weeder, onderaarts gedruys
gehoord, vergezelt met eenige schuddingen, die egter iets sterker
zijn geweest als de laatste, synde de schockingen ook op 't waater
bespeurt geworden."
In Januarij van het volgende jaar, had weder eene aardbeving plaats,
waarvan is aangeteekend:
"18 Januarij 1767. Gepasseerde nagt, circa half twee uuren, heeft
men weederom een onderaarts gedruys gehoort, 't welk tot ruym vier
uuren heeft geduurd, zynde ook eenige ingeseetenen deezer colonie in
de verbeelding geweest een weinig beweging te hebben gevoelt.
Ook heeft sijn Excellentie tijding ontfangen, als dat de scheepen,
welke laatst in zee gestooken hebben, na een verblijf van 24 uuren
weederom syn binnen geloopen weegens swaar onweer en contrarie winden."
Strijd tegen Buitenlandsche vijanden was er, tijdens het bestuur
van Crommelin, niet te voeren. Bij den oorlog, die in 1760 tusschen
Frankrijk en Engeland uitbrak, bleef Nederland onzijdig [388]. Evenwel
had de kolonie zeer veel overlast van de Fransche kapers, die aan den
mond der Suriname kruisten en jagt op de Engelsche schepen maakten,
wier lading als paarden, muilezels, hoornvee en proviand voor
Suriname bestemd was. Hierdoor ontstond schaarschte aan proviand,
doch voornamelijk aan paarden en deze waren tot het in beweging
brengen der suikermolens onontbeerlijk [389].
Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier
en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne
op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks
tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.
De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand der Engelschen
was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit
wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der
aan elkander grenzende koloniën Cayenne en Suriname. Het wantrouwen
der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de
stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de
Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche
schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort
Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs
had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig
waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te
gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door
Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde
zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het
vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof
daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen
was, »want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was,
dat zy slaaven waaren." Zij werden dan ook terug gegeven [390].
Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te
voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een
aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden
met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven,
dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald
is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen
wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders
de eenige mijlen oostelijker gelegen rivier de Sinemary. Beiden
voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen
beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de
Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken
dien strijd.
In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet
in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deelden zij Crommelin
mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande
etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts
5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met
de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden,
in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne
dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk," volgens het oordeel dier
heeren, »het terrain van den Koning van Vrankrijk was," »en indien
die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te
doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over
de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien
ter oorzaake van dat volk" (de boschnegers) »eenige differentiën
tusschen beide koloniën ontstonden." Om dit te voorkomen, stelden
zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders
ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te
verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde
vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:--»hij rekende zich hiertoe
niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven."
Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen,
stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te
bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun
vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien
overeenkomstig werd besloten [391]. Het later daaromtrent ontvangen
schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden
geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer
op. Deserteurs berigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog
slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de
overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten,
zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere
weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben
genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt [392] [393].
De in 's lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt
naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den
anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de
Notulen van 6 Aug. 1765 geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke
bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen;
het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over
een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was [394]. De
Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen
voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen
Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den
Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was
slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en
slaven te verhinderen [395].
De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie
Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer
de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en
bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te
stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd,
ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.
Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste
deel over Guiana van bladz. 369-517 uitvoerig beschreven. Die
hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den
oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand,
als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden
der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal
van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre
melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.
De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar
de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd
alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite
werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald
voor f 1200 Hol. [396] [397].
De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk
dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in
Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men
steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand
bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene
derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven
van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen
genomen soldaten met den dood gestraft.
Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van
het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De
aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de
droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van
ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu
slechts een enkel woord over de Indianen zelven.
De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en
daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen
stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen
zij den tegenwoordigen heeren van het schoone land, dat hun eenmaal
toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna
ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en
dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger
aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde
der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van
Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de
gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor
gestelde premien te ontvangen [398]. Dit bloedgeld bragt hen echter
weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken
der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden
tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum
of dram aangeschaft [399]. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen
in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk,
die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe
brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet
langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden,
vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk
verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten,
hetgeen hem toegestaan werd.
Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens
hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernement onthaald
en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene
Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.
Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne
terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te
begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks
door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de
tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap,
waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met
een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig
ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor
hem gehad hebben,"--»synde" vervolgt het Journaal van Crommelin,
»te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden,
waarvan veel goeds te hoopen is" [400].
Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke
dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene
voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen
bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd
dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758
kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren,
kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of
Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten
te brengen en dit scheen hem te gelukken--doch eenige dagen later
kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris
hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6
opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts
in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak
werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe,
en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de
geleende geweren terug [401].
Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder den naam van »Roode
slaven" in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius,
bragten de Bokken-ruilders soms de roode menschen uit de digte wouden
tot dat doel in de stad [402].
Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin
was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin
tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca
[403].
Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over
het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond
meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen
verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een
blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven
ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene
som van f 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis
naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van
Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de
blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren
[404]. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de
afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren
genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen
te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij
in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick
en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun
de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.
Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang
te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en
ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending
der Broedergemeente [405]. Toen een der hoofden Musinga, die door
een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere
redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige
plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini
hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga
ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig,
die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter
zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen,
de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard [406].
De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam
der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd
hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd
beter [407]. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te
Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs
en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot
opwekking werd hun o. a. tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met
zilveren kriel vereerd [408].
Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de
belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne
belangen het Hof konden bekend maken.
Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het
eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet,
dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later
ook den officiersrang bekwam. Bij de Saramaccaners vervulde Luitenant
Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd, zoodat zij
meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben
gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor
onaangenaamheden te vrijwaren.
Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der
bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men
tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den
vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig
mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer
wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de
geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.
De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de
boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De
regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig
beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers
wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en
ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren
ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op
velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt
namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte
hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al
wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt--en
evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te
leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel
zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.
Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen en de
boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd
in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven,
die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen
straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige
genade, met den dood zouden worden gestraft [409]. Van tijd tot tijd
week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze
laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Raden
dat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der
meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover
uitspraak zou doen en de schuldigen straffen. Dat deze belofte in eene
slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter
weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk,
en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van
mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen,
eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der
boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke
opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.
Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van
Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden,
dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen
had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:
Blijkens gedane informatiën en getuigenverhoor van den neger-officier
en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur
op de plantaadje La Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de
slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd,
die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan", gebragt in
het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van
de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna
hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet
hij hem zijn tong uitsteken, sneed die met een scheermes af, waarna
hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong
nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte
uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude
tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder
hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te
steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte
echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem
daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens
nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.--Om deze
en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces
tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om: als Directeur ontslagen
en uit het land gebannen te worden [410]. Wij gaan een tijdvak van
tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan
stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat
het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.
De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom
gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw
los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten,
den geest gaf. Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande. [411]
Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw, [412]
was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij
uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had
dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met
Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het
bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal
zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde
haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen
administreren. Het Hof vermeende hier op zeer te moeten aandringen,
omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen
vreesde.
Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich
zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren [413].
Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,--in Julij 1761 o. a. 21
te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een
nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun
terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven
er zeer slecht en mishandeld uitzagen." [414]
Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde
wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant
Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat
de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij
drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van:
»ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch
zal rondloopen," liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken
slaan en »half afschinden of villen." Een neger en twee negerinnen
bezweken onder deze mishandeling [415].
De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren,
en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar
het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok,
op verzoek, van het Hof, naar Holland [416]. Bij haar tweede huwelijk
verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde
wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.
De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht,
dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij
der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop
met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen
eene Spaansche bok onder de galg,--en de meesteres werd aanbevolen
om: voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te
behandelen. [417]
De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen,
dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd
veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en f 300 boete. [418]
Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die
mishandeling dood bleef.--Van straf over deze daad vinden wij niets
vermeld. [419]
De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan
de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard,
opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent
uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De
directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben
omgegaan," opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen
geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te
verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf,
en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven
bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was
door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij
de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij
dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem
even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in
het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op
diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte
om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden,
hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij
voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een
einde aan hun leven te maken. [420] Het Hof, na kennis van deze zaken
te hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester
gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn
meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven en vermaande den
directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke
grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie
over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen. [421]
Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was
als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds
ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er
weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij
het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten,
welke door het niet tegenwoordig zijn van blanken, die als getuigen
konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er
bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij
hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar
hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te
bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen
bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen" tot
de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of
die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;--»en,"
zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden
en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen;
dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer
toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo 't al ter kennisse komt),
dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar
toevallig is gevolgd, en vermits de voorsze mesures niet alleen voor
de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook
het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk
met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren,
door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer
verschijdentlijk word geüseerd omtrent de slaven, die door ongeluk
omkomen, of zig selfs om 't leeven te brengen; bij welk laatste geval
dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt
en op staken gezet."
Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren
met de volgende artikels:
1o. »Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas
bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan 't om 't leeven
brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven,
zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden
worden te behooren."
2o. »Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een
blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om
't leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste
buuren te vervoegen om met haar het doode ligchaam te inspecteeren,
en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij
zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;"
»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het
afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen,
eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de
buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor
de eerste keer met f 500, de tweede keer het dubbele dier som," enz.
3o. »Dat de straffen bij 't 15de artikel van »het reglement voor de
blanke bedienden," de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen
gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden,
als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter
zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen
maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden."
4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke
ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen
zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal
moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene
die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of
andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen,
enz." [422]
Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren
Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben
laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge
overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het
mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden
zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen
haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan
moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige
gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal
der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den
Hove, men genoodzaakt was dusdaanige baldaadigheeden te straffen,
maar aan den anderen kant" (hierop volgde de oude redenering over
den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare
straffe," tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat,
ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over
slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is
dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters
het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden
zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan
van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden."--De
Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak,
tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het
getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor
het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof
aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad
lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het
derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden
»seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven,
soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn,
en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude
worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de
ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels
ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën"--en zij rekenden,
»dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de
slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden
mogt als in presentie van getuygen."--Na uitvoerige discussiën werd
het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der
heeren Raden in een resolutie geconverteerd. [423]
De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in
Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef
Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe,
»het houden eener onnutte sleep van een legioen huisslaven." Hij
drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van
door »swarte negers," door »blanke livry-bedienden" lieten bedienen,
daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen
naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden
gebaat. [424]
Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze
vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te
trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden
hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden. [425]
De zoo dikwijls door de sociëteit geëischte vermeerdering van blanke
bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te
kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.
De Raden wenschten dat de sociëteit een regiment militairen afdankte:
»hierdoor toch," vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten
worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen
zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen
verbinden." [426]
Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld,
maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van
dezelfde wreedheid.
De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen,
werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms
sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en--alsof de
vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam
waren--werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende
tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde
zwevende ongelukkige. [427] Het levend verbranden der slaven was zeer
gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op
de plantaadjes plaats.
En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der
slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando's keerden
doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers
vermeerderde, en de kassen werden uitgeput. [428]
Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont
dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden
der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker
dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen,
om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de
geschiedschrijver--wil hij de waarheid getrouw zijn--verpligt is
te leveren.
Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder
ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en
welvaart der kolonie had kunnen strekken.
Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst, [429] noch de
stijgende prijs der andere stapel-producten, [430] noch de gelukkige
afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para, [431] noch het
zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche
kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart
brengen. Integendeel, die voordeelen van het oogenblik, deden de oogen
voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder
Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.
Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie
doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd
gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur
Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer
ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst
a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde,
een »echt sociëteitsman" te zijn.
Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien
tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens de sociëteit en
den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd
tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie,
op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte
droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo
weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in
lichterlaaije vlam te doen opstijgen.
Sommige onstaatkundige maatregelen der sociëteit en de ijver van
Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het
sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en
andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere
heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten
der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen
[432] en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt
vielen in en buiten de Raadkamers voor.
Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In
het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren der sociëteit
verlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd
hem verleend, en den 22sten November 1768 gaf hij het bewind over
aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.
Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch,
hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig
korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn
opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken. [433]
Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest,
maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene
omstandigheden hadden bijgedragen. Vooral werd Nepveu door Mevrouw
Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan
in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis
niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen [434]; dat zij bij
zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;" [435] dat zij
»selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze
dat het sedert zes weken gevraagd werd" [436]; en meer dergelijke
kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een
bewijs der onderlinge verhouding geven.
Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn
bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den
5den Februarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van
Suriname benoemd en den 8sten Maart plegtig geïnstalleerd. [437]
Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in
de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede
eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht
voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen
loods, van 150 voet lang, eene voor de mindere bedienden der sociëteit,
schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.
Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het
niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en
een vuurwerk besloot het feest van dien dag. [438]
Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu
was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het
gouvernementshuis.
Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal
naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke
optogt. De kapitein van het ter reede liggend oorlogsschip de
Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren,
verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te
ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid
van kleeding en juweelen" verre hunne verwachting overtrof [439].
Den 16den Maart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de
Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de
synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd [440].
In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd
en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats [441].
Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten [442];
indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den
toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit
komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en
welvaart genoot.
Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd
jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen de huurprijzen,
er was bijna geen huis te verkrijgen [443]; het aantal paarden
en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht," vermeerderde gestadig,
zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven [444]; op
de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs
de bewondering van vreemden opwekten [445].
Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn,
waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd
gehouden,--en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd
deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan
wilden,--bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer
toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen." [446]
De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.
Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven
geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname's ingezetenen stapelden
dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden,
en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu
een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den
stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden
verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want
het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige
kennis der kolonie.
Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle
rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van
Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel
had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen der sociëteit
verworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie
bladz. 261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie,
vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke
zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe,
en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten
van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin
geweest was.
Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval
der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen
niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden
door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze
verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een
tijd weder vermeerderd crediet.
Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij
thans een weinig verder beschouwen.
Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene
geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes,
met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz. 233-236) vele
kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren,
kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz
(Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie
werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters
werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een
ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te
bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten,
(zie bladz. 261-62).
Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De
kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven
door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedige
wraakneming op te zetten, en om aan den anderen kant hunne wankelende
fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest,
zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden
af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te
sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland
en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men--men denkt zoo gaarne
hetgeen men wenscht--dat de Surinaamsche planters door de geregtelijke
vervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied,
geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde
op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met
nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in
Holland werden voorgesteld; toen een voordeelige koffijoogst twee
jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor
de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen
der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.
In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van
niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor
te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie
geopend ware;" merken de schrijvers der Historische Proeve aan [447],
»de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de
vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten,
en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich
reeds de gelukkigste van geheel Amerika."
Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname
bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame
verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten
verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig
met de aanbieding van geld te werk gingen.
In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten, van
procuratiën voorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te
bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie
eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste
plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname's
ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld
geluk. En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle
klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne
bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor
andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal
hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige
tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars
van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel
aanzien gaf, te worden.
Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix,
agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix,
»de doortrapste van alle agenten," [448] had onbepaalde orders
om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood,
handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld
had om 't noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden;
en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser
landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken,
door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan
van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen,
slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan 't
gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomelooze
weelde in de kolonie aan de orde van den dag werden." [449]
Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste
middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à
viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als
vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen
werden door het Hof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd,
en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft [450], doch ook
deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken"
te beletten.
De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang
blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk,
had weldra een einde.
De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden
opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken
wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en
aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar;
want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht,
en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst [451], de
verhoogde prijs der slaven [452], maakten het hun onmogelijk, hunne
verpligtingen na te komen en hunne goederen gingen over in de handen
der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.
Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters," die op
agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten,
op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze
wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne
ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels
kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof
van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze
fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het
slechts 60 à 80. [453]
In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over
de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé
aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven,
door hen q.q. geëndosseerd. [454]
Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op
de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de
eischers gecondamneerd in de kosten van het proces. [455]
Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene
schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden. [456]
Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes,
geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen
niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden
rijkdom ontwaken.
Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet
beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de
geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.
Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een
jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen den zin van Raden, tot
deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt,
en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas
achterlatende. [457] Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier
veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur
was van f 2000 tot f 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van
f 500 tot f 1000, van den tweede tot f 800 en van den derde tot f 600,
terwijl de emolumenten werden verminderd. [458] Maar niettegenstaande
deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de
te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest
vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den
exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement
van f 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten,
een vijfde aan te stellen. [459]
Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand
van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus
1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde
zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door
36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin
over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den
eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of
door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de
eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het
droeve geval zal komen," merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen
van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd,
daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde
worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge
kosten der regtspleging [460] enz. worden geabsorbeerd en er alzoo
algemeene armoede te wachten is." De rekwestranten schreven de oorzaak
van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van
een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit
den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al
te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot
beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt,
en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan 4 millioen gulden
aan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met
protest geretourneerd, met den exorbetanten herwissel van 25 pCt.,
alzoo een millioen bedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was
genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en
de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder
gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door
het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en
ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele
faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt,"
terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale
producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen
in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan
alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Joden oud en arm te
zijn," waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof,
maatregelen tot herstel te beramen.
Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én
Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname's ingezetenen er
naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te
bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen
in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijke executiën
te bedoelen--maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar
HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het
verleenen eener generale surcheance verboden werd. [461] Daar het Hof
echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was
omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten
uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan
het Hof over te leggen. [462]
De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof
van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat
plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd,
daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld
waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:
1o. gebrek aan circulerend medium;