1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en

2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of

Engelsche schippers verkochte goederen.

Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd

uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger

intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels,

carga's enz. ten hoogste 1 procent 's maands, terwijl de boete op de

overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op

f 1000 en voor de tweede op f 3000. Doch de woeker hield niet op en

de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.

De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven

belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte

goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.

Reeds vroeger, den 1sten September 1755 en den 9den Januarij 1756,

had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door

de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op

den 17den December 1762 weder in te trekken [464]. Ook nu lieten

de schippers zich »deze verkorting hunner regten" gelijk zij deze

belasting kwalificeerden, niet welgevallen.

Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs

om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen; [465] en

men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten

om de verzochte lading in te nemen.

Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7den

April 1774, [466] aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht

werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden,

daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen

hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets

te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere

rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest

men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux,

Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.

De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der

Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de

hypotheekhouders in Holland over. [467]

Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd

eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad

Amsterdam, den 19den April 1770, het 1/3 aandeel in de kolonie van

de erven van Sommelsdijk, voor eene som van f 700.000, te betalen in

drie termijnen [468].

De stad Amsterdam werd alzoo voor 2/3 eigenaar, de W. I. Compagnie,

welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere

1/3, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in

eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of

kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.

Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der

Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten

der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs" kwamen in de plaats der

vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten

invloed op den gang der zaken uit.

Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet

te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van

groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige

Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen,

en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon;

bij enkelen liep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen

ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het

waarnemen van lands betrekkingen. [469]

Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het

verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname

het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd

wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.

Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het

lot der slaven verzwaard en in vele opzigten het nadeel der kolonie

werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.

Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de

administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in

eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die

nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen,

en alzoo konden zij hunne »luxurieuse" wijze van leven voortzetten.

Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen,

leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam

hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche

geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en

vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.

Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der

Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden,

verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname

bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in

Europa, te verbeteren.

Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij

en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo

door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van

nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik

van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen,

gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele

kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke

beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om

hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij

gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik--en eenmaal

op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten

spoedig de wrange vruchten.

De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe

opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere

redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder

sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.

In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar

de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters

hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat

onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar,

dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie

werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren

dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.

Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester-

of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander

Christen als Administrateur benoemd, doch zelden wedervoer een Jood

deze onderscheiding.

De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica

en de Commewijne te verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes

werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.

Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden

openbaarden, [470] voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo

sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen

de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus

minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten,

vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank

in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd

bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een

afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten

van Paramaribo te wonen. [471] De huizen der Joden werden niet meer,

zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd

om vrolijke bijeenkomsten, 't zij openbare of bijzondere, bij te wonen;

zelfs de slaven behandelden hen, op voorbeeld der Christen-meesters,

met minachting.

Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking

hunner privilegiën bij de directeuren der sociëteit, die hen wel

genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.

Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun

toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later

weder meer invloed.

Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd

aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke

doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die

verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot

stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd

»het opzigt over de gemeene weiden," waaronder tevens het toezigt

over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was,

gescheiden van het collegie van kleine zaken, [472] dat ook eigenlijk

meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz. 166).

Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang

gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken,

terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.

Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel

voor f 30,000 aangekocht [473] en verbouwd en hieraan tevens kamers

voor om schuld gegijzelden verbonden. [474]

Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te

Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervoor eene afzonderlijke

kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden

geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze

zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het

collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van

de drukperse" verleend voor den tijd van 23 jaren. [475]

Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos

een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle

stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan. [476] In Mei

deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie

uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs

van f 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10

stuivers mogt verkoopen. [477] Als proef nam hij vervolgens aan, al wat

in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor

f 1000. [478] In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos

privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant

en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag

de eerste Surinaamsche Courant den 10den Augustus 1774 het licht. [479]

Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een

volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen

en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der

vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden,

zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht

voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de

zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.

Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het

Journaal van Nepveu het volgende berigt:

»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een

treurspel vertoond, namelijk Sabina en Eponia, alwaar beyde Haar

WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met

diverse heeren en dames geïnviteerd zyn geweest; zeekere Schouten

van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke

swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt, [480] heeft daartoe een

huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op 't

voorgordijn: »Pro Excolenda Eloquentia", wordende de meeste kosten

van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in 't

Tragique als Commique, wel speelt; 't voorneemen is om alle maanden

een vertooning te geeven, 't welk dienen kan: om de ingezeetenen by

deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te

distraheeren." (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt

moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de

moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy,

admirabel uytgevoert is, synde nog 't wonderlykste, dat niemant,

des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was;

eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers,

dat haar teffens voor de Balie kan formeeren." [481]

De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten

weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij

geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der

onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof

verboden. [482]

In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele

hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à

achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.

Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal

in het jaar gespeeld werd. [483]

Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable

staat eenigzints te distraheeren", achten wij de verbeteringen der

werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men

leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:

In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine

gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt

was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.

Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige

koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning

van f 12 à f 1500. [484]

Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar

het model van Simeon »niet sufficent" genoeg waren. Nepveu liet een

molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard

kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij

van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters

opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende

in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan

de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en

gebroken werden. [485]

Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen

over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd

door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.

Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt [486],

vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden

benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes,

overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire

posten.

Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en

betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.

De militaire posten werden versterkt en uitgebreid; [487] en

niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan

het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde

gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven

te beletten en de plantaadjes te beveiligen [488]. Een corps van

vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond

niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van

Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas

tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije en

gemanumitteerde slaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe

opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst

ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden

zij door ontvangen kwetsuren later verhinderd in hun eigen onderhoud

te voorzien, dan geschiedde dit op 's lands kosten. [489]

De 12 bataillons militairen, in dienst der sociëteit, werden in

1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste

op het papier, 1200 man bedroeg. [490] Door ziekte waren echter vele

soldaten buiten staat dienst te doen, [491] terwijl het bezetten der

militairen posten vele manschappen vereischte. [492]

Nepveu had reeds meermalen in de vergadering van het Hof voorgesteld

om »een vrijcorps van negerslaven" op te rigten, die daartoe door het

land van hunne meesters gekocht en daarna met de vrijheid moesten

worden begiftigd. Daar de nood drong, vereenigden zich de heeren

Raden van Policie toch eindelijk met dat voorstel, en ging men toen

spoedig tot de verwezenlijking daarvan over.

De 15 Julij 1772 had op het fort »Nieuw Amsterdam" de keuring en

taxatie der slaven, voor het vrijcorps bestemd, plaats. Vóór men

hiertoe overging werd hun één voor één afgevraagd of zij de vrijheid

verlangden op de voorwaarde als bij het hun voorgelezen reglement

nader was omschreven.

Dit reglement behelsde o. a. de volgende bepalingen:

Deze leden van het vrijcorps zouden kleeding, wapens en leeftogt en

daarenboven f 9 's maands soldij ontvangen, zoo lang zij in werkelijke

dienst waren. [493] Buiten dienst moeten zij door het uitoefenen van

een ambacht of ander bedrijf voor zich zelven de kost winnen; doch,

onder nadere goedkeuring van de sociëteit, zou aan ieder van hen, in de

nabijheid van Paramaribo, kosteloos een stuk grond worden afgestaan,

om hierop eene woning te bouwen en de voor hunne voeding benoodigde

banannen en andere aardvruchten te planten.

Hun werd tevens beloofd, dat, indien zij vrouwen of kinderen op

plantaadje achterlieten, zij dezen van tijd tot tijd mogten gaan

bezoeken, mits de meester dier vrouwen of kinderen dit toestond. De

leden van het vrijcorps moesten zich echter van hunne zijde verbinden:

tot volstrekte gehoorzaamheid jegens hunne bevelhebbers, getrouwe

vervulling hunner militaire pligten en tot een steeds eerbiedig gedrag

jegens de blanken.

Nadat dit alles den daartoe op het fort Amsterdam verzamelde slaven

was voorgesteld, werd hun verzocht daarop te antwoorden. Eenige

weinige slaven, houtwerkers uit Boven Para, waar meerdere voordeelen

en grootere vrijheid dan aan andere slaven werden verleend, maakten

bezwaar de vrijheid op deze voorwaarden aan te nemen, doch dit was

slechts een zeer gering aantal; de anderen daarentegen gaven niet

slechts volgaarne hunne toestemming, maar deden daarenboven de lucht

van hun vreugderoep, een donderend Hurrah, weergalmen.

Honderd en zestien slaven werden goedgekeurd, getaxeerd en tot een

vrijcorps gevormd [494].

Eenige dagen later werd het corps tot 300 man uitgebreid [495].

Het corps stond onder zijn eigen bevelhebbers, Conducteurs genoemd

[496]. Deze Conducteurs, drie à vier in getal, waren blanken en hadden

den rang van Vaandrig. Behalve deze blanke officieren, aan wie zij

volstrekte gehoorzaamheid waren verschuldigd en die hen steeds bij

de onderscheidene togten aanvoerden, hadden zij ook onder-officieren

uit hun midden gekozen. Tien gemeenen hadden altijd een »Capiteyn",

gelijk men deze personen noemde, die hen de bevelen der bevelhebbers

door verschillende geluiden op den jagthoorn overbragten.

Hunne montering was zeer eenvoudig, namelijk: een broek en eene

scharlaken muts, het zinnebeeld hunner vrijheid [497]; hunne wapenen

waren: een geweer en een sabel.

Dit corps, dat van tijd tot tijd uitgebreid werd, heeft uitstekende

diensten aan de kolonie bewezen. Beter dan de blanken aan de

levenswijze in de bosschen en meer aan ontberingen gewend, waren zij

ook, door hun sterker ligchaamsgestel, beter dan de blanken tegen de

vermoeijende togten in de bosschen en wildernissen geschikt, terwijl

zij zich vele malen door dapperheid onderscheidden.

Het moge in den eersten opslag vreemd voorkomen, dat die zwarte

vrijwilligers den blanken zoo getrouw dienden tegen hunne eigene

landslieden, bij eenig nadenken vinden wij hiervoor verscheidene

oorzaken.

De neger is in het algemeen zeer gevoelig en dankbaar voor eene goede

behandeling en hecht zich, hierdoor gestreeld, zeer aan den blanke en

bewijst dit door eene groote getrouwheid. De leden van het vrijcorps

nu, vrijgekocht uit de slavernij, en alzoo, als vrije lieden, in

den militairen stand getreden, werden door de kolonisten, die veel

van hen in het belang der kolonie verwachtten, in den beginne zeer

goed behandeld, ja »als de eenigste behouders en beschermers van den

lande aangemerkt, als halve goden geëerbiedigd en hunne personen als

heilig geacht" [498]. Zij van hunne zijde waren hiervoor dankbaar,

vonden zich gestreeld en wilden door ijverige pligtsbetrachting

zich die achting en dat vertrouwen waardig maken. Daarenboven was

het in hun eigen belang--en groot is de magt, die het eigenbelang

op 's menschen ziel uitoefent--om den blanken getrouw te zijn. Door

hunne opname toch in het vrijcorps waren zij uit den ellendigen staat

der slavernij verlost, doch bij wangedrag of het niet nakomen hunner

verpligtingen verloren zij dat voorregt [499].

Wel is waar, zij konden ook de vrijheid bekomen door te vlugten en

zich met de Marrons te vereenigen, maar, vele moeijelijkheden waren

daaraan verbonden en dan nog werd het bezit dier vrijheid telkens

bestreden, terwijl zij, als leden van het vrijcorps na volbragte

dienst, rustig in eigene woningen, in het midden zelfs van blanken,

konden wonen [500]; en eindelijk, eenmaal in de krijgsdienst der

blanken tegen hunne landslieden verbonden, waren zij genoodzaakt

met onbezweken dapperheid te strijden en zich tot het uiterste te

verdedigen; want vielen zij den Marrons levend in handen, dan wachtte

hun ontwijfelbaar den dood, en deze soms onder vreeselijke pijnigingen,

daar de Marrons de leden van het vrijcorps beschouwden als afvalligen,

als de trouwelooste verraders, op wie zij dan ook veel meer dan op

de andere militairen waren verbitterd [501].

Was het vrijcorps der kolonie tot groot nut, het kostte haar echter

veel, zoo voor den aankoop der slaven, als voor hun onderhoud, dat

voor ieder lid van het vrijcorps eens zoo veel bedroeg alsdat voor

een ander militair. Ter voorloopige betaling der koopsom werd voor

f 400,000 obligatiën gemaakt, die 6 pCt. renten gaven, [502] en werd

vervolgens aan de directeuren der sociëteit verzocht, om pogingen

aan te wenden, ten einde in Holland eene geldleening ter bestrijding

dier kosten te sluiten. De directeuren voldeden aan dit verzoek en,

na bekomen verlof van HH. M., werd door hen, ten behoeve der kolonie

Suriname, eene geldleening, groot f 700,000, aangegaan. De stad

Amsterdam weder was geldschietster [503]. De genoemde obligatiën,

ten bedrage van f 400,000 gemaakt, werden toen verbrand [504].

De reeds gemelde versterking der krijgsmagt kwam den kolonisten

en der sociëteit echter niet genoegzaam voor en daarom wendde deze

laatste zich tot HH. M. met het verzoek: om een regiment geregeld

krijgsvolk naar de kolonie te zenden. De Prins van Oranje, Willem

de vijfde, aan wien, gelijk aan zijnen vader, Willem den vierde,

het beschermheerschap over Suriname was opgedragen, werd hierover

geraadpleegd en met onderling overleg werd besloten aan dit verzoek

gevolg te geven. Den 25sten December 1772 staken de schepen aan Texel

in zee, die ongeveer 800 soldaten naar Suriname zouden overbrengen. Dit

regiment stond onder bevel van den Zwitserschen officier Louis Henry

Fourgeoud, kolonel in dienst van de Staten der Vereenigde Nederlanden,

die zich tot demping van den opstand der slaven in Berbice loffelijk

onderscheiden had, en kwam in het laatst van Januarij en in het begin

van Februarij 1773 in Suriname aan [505].

Sedert de aanvraag om en de uitzending en aankomst der Statentroepen

waren eenige maanden verloopen en Suriname was in dien tijd door de

aanvallen der Marrons zeer verontrust. Niet slechts toch nam het

wegloopen der slaven toe; niet slechts werden door de weggeloopen

slaven verscheidene strooptogten op naburige plantaadjes gedaan, maar

de wegloopers begonnen zich meer dan vroeger in geregelde benden te

vereenigen en bedreigden de kolonie met den ondergang.

In 1769 liepen de Marrons de plantaadjes Rust en Lust, als mede

's Hertogenbosch, beide in Boven-Cottica gelegen, af, vanwaar zij

eenige slaven medevoerden en eenige geweren buit maakten. [506]

Verscheidene plantaadjes werden daarop door hen aangevallen, en met

een zoo goed gevolg, zoodat hunne stoutmoedigheid hierdoor grootendeels

vermeerderd werd.

In talrijke benden vereenigd, (alleen in Cottica werd het aantal

strijdbare mannen onder hen op twee honderd geschat) [507]

trokken zij door het land, alom schrik en vrees onder de inwoners

verspreidende. Militaire posten zelfs werden door hen aangetast en

meermalen verslagen, de soldaten op de vlugt gejaagd en de houten

barakken verbrand. [508] Een tegen hen uitgezonden commando van 20

gewapende burgers, 12 soldaten en 24 schutter-negers, onderging

eene geduchte nederlaag. Na het verlies van vier dooden, terwijl

verscheidene ernstig gewond werden, moest het commando den terugtogt

aannemen en het overschot kwam »uitgehongerd en met verrotte kleederen

aan het lijf" te Paramaribo aan [509].

De Marrons zetten hunne strooptogten voort en overvielen en plunderden

verschillende plantaadjes aan de Cottica, in de Mot, Orleyne en

Hoer-Helena kreeken, in Patamacca enz. enz. enz. [510].

Soms boden de slaven der aangevallen plantaadjes moedigen tegenstand en

noodzaakten de Marrons de vlugt te nemen, terwijl men, in de officieele

bescheiden, daden van trouw en gehechtheid van slaven jegens hunne

meesters vermeld vindt, die het harte goed doen [511]. Dikwijls

echter vereenigden de plantaadje-slaven zich met de aanvallers en

vermeerderden niet slechts hunne getalsterkte, maar tevens hunne

ammunitie, daar zij gewoonlijk hunne geweren, kruid en lood mede namen

[512].

Niet slechts in Cottica en Perica stroopten de benden wegloopers, maar

ook in Tempatie, aan de rivier Suriname, ja zelfs achter Paramaribo. De

wegloopers vermeerderden bij den dag [513].

Schrik en ontzetting heerschten alom door de kolonie. Men zag de

schoonste plantaadjes door de vlammen verteeren, de eigenaars of

Directeurs ontvingen door de hand der Marrons of die hunner eigene

slaven den dood. Verscheidene planters, bevreesd voor een algemeen

bloedbad, verlieten hunne effecten en begaven zich naar Paramaribo.

Die Cottica-negers, aldus genaamd naar het district, waar zij het

eerst hunne aanvallen hadden begonnen, schenen geduchter voor de

kolonie te worden dan die van Auka en Saramacca immer geweest waren,

want niet slechts was hun getal zeer aanzienlijk, niet slechts vonden

zij vele sympathie bij de slaven, maar daarenboven bezaten zij in

Baron, Jolicoeur en Bonni moedige en energique opperhoofden.

Baron was vroeger slaaf geweest bij den heer Dahlberg, een Zweed,

die in Suriname zijn fortuin had gemaakt. Reeds in zijne vroegste

jeugd scheen Baron eene meer dan gewone vatbaarheid te bezitten. Zijn

meester was met hem ingenomen; hij deed hem onderwijs in lezen en

schrijven geven, van welk onderwijs de leergierige jongeling een goed

gebruik maakte; vervolgens liet hij hem een ambacht leeren en nam hem

op eene reis naar Holland mede. Baron, opgetogen over veel wat hij

in Holland zag, leerde bovenal aldaar het onwaardeerbaar voorregt,

de vrijheid, hoog schatten en niets verheugde hem meer dan de belofte

van zijnen meester, dat hij hem, bij zijne terugkomst in Suriname,

met de vrijheid zou begiftigen.

Dahlberg komt met zijn, reeds in hope blijde, bediende in Suriname

terug, doch Dahlberg doet zijn woord geen gestand: hij verkoopt Baron

aan een Jood.

Hoezeer was de vurige jongeling teleurgesteld. Met hoogheid door zijn

nieuwen meester behandeld, wilde hij zich niet buigen, waarop de nieuwe

meester, om Baron tot onderwerping te brengen, hem een Spaansche bok

onder de galg liet geven. Het hierdoor beoogde doel, Baron te temmen,

de roede te doen kussen, werd niet bereikt: Baron ontsnapte en werd

weldra een van de voornaamste aanvoerders der wegloopers [514].

Joli-Coeur, mede vroeger een slaaf, ontving het eerste levenslicht op

de plantaadje Rodebank. De Jood Schultz, berucht door de mishandelingen

zijnen slaven aangedaan en de ruwe zedeloosheden met zijne slavinnen,

was Directeur van dat effect. Op zekeren avond dwong Schultz eene

slavin om hem in zijne vuige driften te wille te zijn. De man, die met

voorkennis en onder goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde,

merkte dit op en snelde zijne vrouw ter hulp. Die man echter was

een slaaf en werd, na die vruchtelooze poging tot ontzet, door den

Directeur aangeklaagd en--eene strenge geeseling volgde weldra. Een

knaap was getuige van deze strafoefening en die knaap was Joli-Coeur,

de onteerde slavin zijne moeder en haar verdediger, die zoo folterend

moest boeten, zijn vader [515].

Baron, de bedrogene en mishandelde, Joli-Coeur, de gehoonde en

getergde, stelde zich in betrekking met zekeren Bonni, een zoon

der wildernis.

Bonni was een Mulat, zijn vader was een blanke, zijne moeder diens

slavin. De blanke had de slavin lief gehad, doch weldra verkoelde

die liefde en ging zelfs tot diepen afkeer over, hij mishandelde en

sloeg de toekomstige moeder van zijn kind zoodanig, dat zij naar

het bosch vlugtte en aldaar het leven schonk aan een jongen, die,

man geworden, brandde van begeerte, om het lijden zijner moeder

te wreken. Deze Mulat, in het woud geboren en opgevoed, stelde

zich aan het hoofd der weggeloopen slaven, onder welke hij een

krijgstucht wist te bewaren, die hen tot geduchte vijanden der kolonie

maakte. Gevreesd om zijn despotisme, geëerbiedigd om zijne mannelijke

kloekmoedigheid en bemind om zijne onomkoopbare regtvaardigheid, werd

er zelden een opperhoofd gevonden, die een zoo krachtigen invloed op

zijne manschappen uitoefende. Aan een langen en geduchten proeftijd

onderwierp hij den deserteur der plantaadjes; was deze doorgestaan,

dan werd de slaaf gewapend en onder Bonni's troepen opgenomen, die

alzoo eene uitgelezen keurbende vormde [516].

De krijg, het waren thans meer dan enkele strooptogten, daar de Marrons

of- en defensief te werk gingen; de Guerilla krijg, hier had hij veel

overeenkomst mede, werd met afwisselend geluk gevoerd. In September

1771 gelukte het den vaandrig Sebulo, met 50 soldaten en eenige

lastdragers, om een dorp der wegloopers, diep in het woud gelegen,

te veroveren. Het was geene gemakkelijke taak geweest, want aan de

eene zijde door een diep moeras (zwamp) omgeven, werd aan de andere

zijde de toegang bemoeijelijkt door palisaden van 10 voet hoogte,

die behoorlijk van schietgaten waren voorzien, terwijl slechts een

kleine poort, waar niet meer dan een man te gelijk kon doorgaan,

toegang verleende.

Er bevonden zich echter, toen Sebulo het dorp aanviel, weinige mannen

ter verdediging; de meesten waren op eene strooptogt uit. Drie negers

werden gedood, de overige redden zich met de vlugt, hunne gekwetsten

met zich nemende; twintig vrouwen en kinderen vielen den overwinnaar

in handen, en na de woningen verwoest en de kost in de zwamp te

hebben geworpen, nam Sebulo, met zijne schare en zijne gevangenen,

de terugtogt aan. Onderweg werden zij verontrust door eene bende

van Baron, die hen de buitgemaakte vrouwen en kinderen trachtte

te ontnemen, doch die, na vijfmaal vruchteloos herhaalde aanval,

eindelijk moest afdeinzen [517].

In October van hetzelfde jaar ontdekten de Aukaner-negers een dorp

der Marrons, verwoestten het en bragten de gevangenen, 11 vrouwen en

kinderen, te Paramaribo [518]. Over de door hen hiervoor geëischte

belooning ontstond later verschil tusschen de regering en de Aukaners

[519].

Ook de Joden ontdekten, veroverden en verwoestten een wegloopers-kamp

en voerden, als buit, een gevangene, eene vrouw, mede [520].

Deze door de kolonisten behaalde voordeelen werden weldra door groote

verliezen gevolgd. In November 1771 werd een militair-commando,

in de Cottica, door de Marrons aangetast en verslagen [521]. Groote

verliezen werden achtereenvolgens door de militairen en gewapende

burgers geleden; sommige commando's, door de wegloopers teruggedreven

en door het wassende water in de rivieren gekweld, kwamen in deerlijken

staat te Paramaribo [522].

Van alle zijden vernam men klagten over de toenemende stoutheid der

Marrons en het wegloopen der slaven [523].

Door een gevangen genomen weglooper werd medegedeeld, dat Baron eene

versterkte plaats had aangelegd, waar hij een aanval der blanken durfde

af te wachten. Hij had, in zekeren zin, aldaar zijn hoofdkwartier

gevestigd, en keerde telkens, na gemaakte strooptogten, met buit

beladen, daar terug [524].

Deze legerplaats van Baron was zeer sterk; een uitgestrekt grondeloos

moeras omringde het van alle zijden, zware palisaden van 3 mans hoogte

waren als de tweede lijn van defensie; kleine kanonnen, draaibassen,

waren voor de schietgaten geplant en, als om de gelijkenis met eene

Europesche vesting te voltooijen, woei eene vlag, geel met een zwarte

leeuw, van het hoogste punt. Baron achtte zich hier zoo veilig,

dat hij deze plaats den naam van »Boucou" »tot stof vervallen" gaf,

om daardoor aan te duiden, dat zij eerder tot stof vervallen dan door

de blanken zoude worden veroverd [525].

Een, twee, ja meerdere aanvallen werden hierop beproefd, doch

vruchteloos: »het zwamp is niet te doorwaden, de palisadering niet

dan met groot verlies van volk te vermeesteren en kanonnen kunnen niet

gebruikt worden en handgranaten heeft men niet;" en, een in de historie

van Suriname onbekend feit: »men staat voor het dorp der wegloopers met

eene vrij aanzienlijke krijgsmagt en men kan er niet inkomen" [526].

Ziedaar wat er in het dagboek van Nepveu van gemeld wordt. Het Hof

besloot daarop een generaal pardon aan te bieden aan degenen, die

de wapenen nederlegden en zich aan de blanken overgaven [527]. Baron

spotte er mede. Twaalf negerjagers van het vrijcorps waagden zich tot

digt bij het dorp en werden gevangen genomen. Na hunne weigering,

om tot de Marrons over te gaan, werden er elf doodgeschoten en de

twaalfde strengelijk gegeeseld, een oor en het haar afgesneden en tot

de blanken teruggezonden met de boodschap: »dat men noch de blanken

noch de negerjagers vreesde." [528]

Een sterk detachement krijgsvolk, onder aanvoering van kapitein

Mayland, benevens 180 jagers van het vrijcorps, onder bevel van den

jeugdigen, moedigen officier de Friderici, werd daarop ter belegering

naar Boucou uitgezonden. Zoodra Baron dit krijgsvolk zag naderen,

plantte hij een wit vaandel, niet als teeken van onderwerping, maar als

uitdaging, en het vuren aan weerszijden begon, doch zonder veel gevolg.

Eene poging, om, door het laten zinken van takkebossen, een weg

door het moeras te banen, mislukte. Een aantal volks kwam bij

deze nuttelooze pogingen om; men begon gebrek aan levensmiddelen

en krijgsbehoeften te krijgen en sprak er van om de belegering op

te breken. De zwarte vrijwilligers, vol geestdrift en begeerig om

den dood hunner makkers te wreken, hadden echter den moed nog niet

verloren; het gelukte hun den geheimen toegang, een pad, slechts even

door het water bedekt, te vinden--en nu herleefde de moed in de borst

der officieren en soldaten.

De kapitein Mayland deed een valschen aanval. Baron trok zijn volk

bijeen om deze af te slaan. Friderici intusschen ging met de zwarte

vrijwilligers aan de andere zijde over het gevonden pad, door het

moeras; klom, zonder tegenkanting te ontmoeten, met den degen in de

hand, over de stormpalen; hierop volgde er een vreeselijk bloedbad

en Boucou werd ingenomen. Vier negers, zes en twintig vrouwen en

negentien kinderen werden gevangen genomen [529].

Nu heerschte er in de kolonie eene groote vreugde; den 27sten September

werd in de kerken God voor deze overwinning gedankt [530]; den 28sten

kwam het commando in de stad terug, met zich voerende de gevangenen

en, als wapentrophee, negen afgehouwen handen van gesneuvelde

Marrons; het kanon van Zeelandia werd gelost, de schepen vlagden

en de blanken vierden feest [531]. Enkele slaven kwamen vrijwillig

terug; anderen, hier en daar verstrooid, werden opgevangen, en

vele lijken in de bosschen gevonden. »Tot heden," schrijft Nepveu,

den 7den October 1772, in zijn dagboek, »zijn er omtrent 100 à 110

slaven van het wegloopers-dorp in Bovencottica gevangen genomen of

vrijwillig terug gekomen, en 30 à 40 gedood of hier en daar dood in

de bosschen gevonden" [532], en den 26sten October, teekent hij aan:

»De meeste wegloopers zijn van elkander af; zoeken bij troepjes een

goed heenkomen en moeten zich, bij gebrek aan vivres, met cabbes en

boomvruchten vergenoegen, die echter weinig te vinden zijn [533]."

Drie à vierhonderd Indianen deden, met toestemming van het Hof, een

togt naar een berucht weglooperskamp achter Paramaribo, en kwamen na

eenige dagen terug met vijf vrouwen en zes kinderen als gevangenen

en tien afgehouwen handen van gedoodde Marrons. Zij ontvingen eene

belooning aan verschillende goederen voor eene waarde van f 2090.--

[534].

Alle gevaar was nog wel niet geweken, want Baron was met eenige

zijner volgelingen in het woud ontsnapt; Bonni, die wel gekwetst,

doch niet, zoo als het gerucht had geloopen, gedood was, trachtte de

verstrooiden weder te verzamelen; en dat het den wegloopers nog niet

aan stoutmoedigheid ontbrak, bewees een aanval op een gedeelte van het

vrijcorps, waarbij de lastdragers, om zich te redden, de ammunitie

in het zwamp wierpen, en de jagers, na eene hevige schermutseling,

moesten terugtrekken [535].

Baron en Bonni waren later over de Marro-wijne gegaan en legden daar

kostgronden aan; de kolonisten waanden zich van hunne aanvallers

bevrijd en gaven zich op nieuw aan zorgeloosheid over [536].

De Gouverneur Nepveu, en met hem verscheidene inwoners van Suriname,

beschouwden den toestand der kolonie thans als zoodanig, dat men

de gevraagde en weldra te verwachten hulptroepen zeer goed kon

ontberen en, terwijl men hierover discussieerde, vernam men uit

de uit het vaderland ontvangen couranten, dat een nieuw geformeerd

mariniers-bataillon, ter repartitie van den Staat, naar Suriname zou

worden gezonden, benevens twee oorlogsschepen tot secours der kolonie

[537], en, terwijl men discussieerde, om voor den ontvangst der troepen

het een en ander in gereedheid te brengen, kwam reeds het eerste schip,

met de verwachtte troepen de rivier opstevenen en werd door nog twee

andere gevolgd [538].

Had men in de kolonie voor eenige maanden reikhalzende naar de uit

Holland te verwachten hulptroepen uitgezien, thans, daar men vermeende,

dat, met de inneming van Boucou, het grootste gevaar geweken was, zag

men die komst met gansch andere oogen aan. De troepen werden echter

goed ontvangen, de officieren, en voornamelijk de opperbevelhebber,

Fourgeoud, met beleefdheid behandeld. Evenwel ontstond er al zeer

spoedig verwijdering tusschen den Gouverneur Nepveu en den Kolonel

Fourgeoud. De aan den laatste door den Prins van Oranje verleende

magt, waardoor hem niet slechts het bevel over de hulptroepen, maar

zelfs over de geheele krijgsmagt was opgedragen, wekte bij Nepveu

naijver op en Fourgeoud van zijne zijde maakte door hooghartigheid

de breuke wijder.

Steeds onrustige woelige geesten vermeerderden die spanning door

wantrouwen en verdeeldheid tusschen Nepveu en Fourgeoud te zaaijen,

en weldra ontstonden er weder die partijschappen, die op Suriname's

bodem zoo welig tieren. De eene partij verklaarde, dat Fourgeoud en de

zijnen als de redders der kolonie moesten worden beschouwd; de andere

daarentegen, dat zij de kolonie tot last waren en de reeds zoo zware

uitgaven voor de verdediging der kolonie noodeloos kwamen vermeerderen.

De notulen van Gouverneur en Raden van dien tijd, vooral het Journaal

van Nepveu, zijn opgevuld met bijzonderheden omtrent deze spanning, het

gedurig misverstand enz., enz., zoodat, indien wij dezelve eenigzins

uitvoerig wilden beschrijven, wij hiervan alleen wel een lijvig

boekdeel konden vullen, doch dit zoude ons bestek verre overschrijden.

De troepen bleven werkeloos in Paramaribo en zoowel officieren als

soldaten gaven zich aan vele uitspattingen over, waardoor het getal

zieken in korten tijd zeer aanzienlijk werd [539].

Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde

in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne

troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen [540].

Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van

overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met

den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen

[541]. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen,

werd aan dit voornemen gevolg gegeven [542].

Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om

zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste

beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor

eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers [543]; en drukte

men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen

hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde

hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den

Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden, om tegen de

wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren [544].

Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te

noopen ten minste den uitslag der met de boschnegers aangevangen

onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds

onverzettelijkheid op dit punt [545], en hij maakte voor de tweede

keer aanstalte om te vertrekken. [546]

Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij,

zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een

nieuwen aanval der wegloopers [547], de toebereidselen tot vertrek deed

vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch

den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot

vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald [548].

Schotschriften, der regering honende en opgevuld met verwijten

over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der

aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000

ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan

aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt [549].

Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de

tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk

der sociëteit geleden, eenige toenadering teweeg.

Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien,

dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het

verhaal hiervan luidt als volgt:

De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der

Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na

het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne

manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de

Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers

te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30

soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn

voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf

honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras,

dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige

soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen

ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en

tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar

was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan

den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene

moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten,

te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen,

maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig

Buissart, commandant der naastbij gelegen post, liet iedere twee uur

een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen

herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het

te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door

hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en

aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld [550].

Na het ontvangen dezer droevige tijding werd onmiddellijk door het Hof

eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner

troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot

verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe

bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien

er gevaar was se weeder doen ontscheepen." Hij wenschte evenwel,

dat het Hof in »stellige termen" verklaarde of men zijne troepen,

tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig

had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord [551]; doch Nepveu,

die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot

schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar

Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden

te expliceren, 't welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap

en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt [552]."

Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener

boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst de militaire

buitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt

gereed [553].

Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer

krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die

zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen

zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en

ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van

zijn, te Boucou geleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw

uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast

elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou

en l'Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en

de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l'Esperance

vermoord [554]. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding

handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende:

Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de

blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog

slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij

hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen,

gij zijt nog te kort in de kolonie geweest om ons slaven te hebben

kunnen mishandelen." Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af,

doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven

een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het

hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken

kon. [555] Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten

gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen

laten doodschieten--maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij

getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de

krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen;

verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar

de stad terug. [556]

In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier

en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in [557].

De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers

vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgronden werden

vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan

behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde

besturing [558].

Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een

gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg

gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van

menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften. Om eenigzins over de

bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen,

nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van

geeft, gedeeltelijk over:

De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is

geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk"

zegt Stedman, »in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen

te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of

pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt

naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid,

ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn,

een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om

een corps van zestig man, namelijk, een kapitein, twee luitenants,

twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te

vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men

de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en

paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den

optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen." [559]. »Ziehier,"

zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten

en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op,

en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een

corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden,

en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal

en zes soldaten maken de voorhoede uit. Vervolgens komt op eenigen

afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden

zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester

en twee negers, die het kruit dragen. De tweede partij bestaat uit

twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede,

bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal en achttien

soldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen,

het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en

gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van

het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee

soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan. [560]"

In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen

in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of

over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen

er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de

doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer

kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al

drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de

atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen

vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene

stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten,

was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet

van elkander af te geraken.

Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis

neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing

men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen

rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven

sliepen op den blooten grond. [561]

In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld. Het

water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan

de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over

trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te

slaan. [562]

Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven

of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en,

na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest

Fourgeoud zijne en des sociëteits-troepen eenige rust vergunnen.

Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op

Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees,

wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in

de armen der ontevredene partij:--in Nepveu's dagboek wordt hem deze

»caballisering" scherp verweten. [563]

In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland,

onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der

zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in. [564]

Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en

legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud

om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.

De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman

medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:

»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland

opgeblazen, [565] waren door hunne spions onderrigt, dat de kolonel

Fourgeoud zich te Barbacoeba bevond, en zijne soldaten willende

trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15den

Augustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene

wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en

geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit

was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het

verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich

met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken."

»Des anderen daags morgens stond al ons krijgsvolk tot den optogt

gereed, en met het aanbreken van den dag begaven wij ons in het

bosch. Wij waren twee honderd voor de dienst geschikt zijnde Europeanen

sterk, en wij lieten een groot getal achter, die door ziekte belet

wierden mede te gaan."

»Wij trokken oostwaarts op. Na omtrent acht mijlen te hebben afgelegd,

dat in een land, waar onophoudelijk door het weghakken van het geboomte

de weg gebaand moet worden, al vrij aanmerkelijk is, sloegen wij

hutten op en namen daar onze legerplaats."

»Den 16den vervolgden wij onzen weg westwaarts over hoog land. Het

was eene soort van bergketen, die, zoo ik mij niet bedrieg, in dit

land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zooals ook de

poelen, zwampen en moerassen. Wij legden geen zoo grooten weg af,

als daags te voren, en toen wij stil hielden, ontvingen wij bevel

om onze hangmatten uit te spreiden en daarop te gaan slapen, zonder

eenig overdek, om den vijand geen kennis te doen bekomen van de plaats,

alwaar wij ons bevonden, hetgeen zekerlijk gebeurd zoude zijn, indien

wij in het bosch boomen gekapt hadden. Wij mogten niet spreken en

overal werden wachten uitgezet. Die voorzorgen waren noodzakelijk:

maar zoo de muitelingen ons al niet ontdekten, werden wij echter door

groote muggen en insecten, die uit een nabij gelegen moeras opkwamen,

als van een gereten."

»Den 17den, trokken wij tot negen uren verder oostwaarts op; vervolgens

noordwaarts, en dwars door eene groote menigte Mataky-wortels, [566]

hetgeen ten bewijze strekte, dat wij afzakten: de grond werd hier zeer

moerassig. Gelukkig echter, schoon wij in het regen-saisoen waren,

viel er weinig water. Dien dag hielden wij tegen vier uren nademiddag

stil, want de kolonel werd door eene koude koorts aangetast."

»Te middernacht, te midden der dikste duisternis, en een zwaren

stortregen, werden wij gewekt door het gehuil en geschreeuw der

muitelingen, die te gelijkertijd eenige snaphaan schoten deden. Hun

schieten echter bereikte de legerplaats niet, doch wij waren uitermate

verlegen, want de donkerheid maakte het ons onmogelijk, om een juist

denkbeeld van hun oogmerk te vormen. Zij hielden op die wijze aan tot

het aanbreken van den dag, hetgeen ons elk oogenblik deed verwachten

van door hen omsingeld te worden: wij verdubbelden onze waakzaamheid.

»Des anderen daags morgens rolden wij onze hangmatten op, en trokken

noordwaarts, naar den kant, van waar den vorigen nacht het geluid zich

had doen hooren. Grootendeels in onze rust gestoord geweest zijnde,

waren wij zeer vermoeid, en vooral de kolonel, die moeite had, om zich

staande te houden, zoodanig was hij door de koorts verzwakt. Onze

togt was dien dag vruchteloos, want op den middag vervielen wij in

een groot moeras, waaruit wij veel moeite hadden ons te redden, en wij

waren genoodzaakt naar onze vorige legerplaats terug te keeren. Twee

soldaten versmoorden in het moeras.

»Den 19den trokken wij verder, en weldra voegde, tot onze groote

blijdschap, zich een corps van honderd negerjagers met hun conducteur

Vinsac bij ons [567].

»Tegen den middag gingen wij over een Birry-Birry, of groot moeras. Een

zoodanig moeras is zeer gevaarlijk: het bestaat uit een dun slijk, met

een dikke en groene korst overdekt, die op vele plaatsen een mensch

dragen kan, maar die men onder zijne voeten voelt buigen. Breekt

deze korst dan verzinkt hij, die zich op den gevaarlijken bodem

heeft gewaagd, in den afgrond. Menigmaal gebeurt het, dat menschen,

voor de oogen van anderen, in diepte verdwijnen, zonder dat men hen

ter hulpe kan komen. Drijfzand is minder gevaarlijk: hier zinkt men

slechts langzamerhand in.

»Om ongelukken te voorkomen trokken wij zoo wijd mogelijk van elkander,

desniettegenstaande vielen er verscheidene soldaten door, die met

moeite gered werden.

»Des namiddags kwamen wij langs een paar cassave velden hetgeen ons een

teeken was, dat wij de verblijfplaats der muitelingen naderden. Daar

het echter te laat in den avond was geworden om den vijand aan te

grijpen sloegen wij hier onze legerplaats op.

»Den 20sten des morgens ten zes ure braken wij op, noord-oostwaarts

ten Noorden, en spoedig kwamen wij bij een groot moeras, alwaar wij

tot aan ons midden door het water gingen. Nadat wij meer dan een

halve mijl door het water gewaad hadden bereikten wij de overzijde,

zonder den geringsten tegenstand te ontmoeten.

»Wij volgden daarop een soort van voetpad, dat door de Marrons was

gemaakt en, tegen den middag stieten wij op een kleine hoop van hen,

die ieder met een korf op den rug beladen waren. Zij vuurden hunne

geweren op ons af; wierpen hunne vracht op den grond en keerden in

allerijl naar hun dorp terug.

»Wij vernamen later, dat zij rijst naar een ander verblijf hadden

willen vervoeren, om geen gebrek te lijden, als zij uit hun

tegenwoordig verblijf, Gado Saby, (God alleen kent mij) verdreven

zouden worden. De groene korven, (Warimbos) zeer aardig gevlochten,

waren met fraaije rijst gevuld, die wij vernielden en vertraden,

daar wij geene gelegenheid hadden om ze mede te nemen.

»Kort daarna ontdekten wij eene ledige barak, waarin de Marrons een

wachtpost geplaatst hadden, om hen van alle gevaar te verwittigen, en

die bij onze aankomst onmiddellijk de vlugt nam. Wij verdubbelden toen

met ijver onze schreden tot op den middag, wanneer wij eene uitgezette

wacht van den vijand ontmoette en deze tweemaal vuur hoorden geven,

dat een afgesproken teeken scheen, om Bonni hiermede bekend te maken.

»De majoor Medler en ik, met eenige soldaten der voorhoede, en

eene kleine krijgsbende van zwarte vrijwilligers, liepen vooruit

en kwamen weldra in een schoon veld, met rijst en Indiaansch koren

beplant.--Nadat de overigen zich met ons vereenigd hadden baanden wij

ons een pad door het bosch. Naauwelijks waren wij hier doorgetrokken

of men begon van alle kanten een hevig vuur. De vijand echter deinsde

af, en wij trokken voort, tot dat wij op een schoon rijstveld kwamen,

waarachter de hoofdplaats der muitelingen zich amphitheatersgewijze

verhief: door den lommer van verscheidene hooge boomen tegen de hitte

der zon beveiligd, leverde het een treffend gezigt op.

»Een onafgebroken vuur duurde meer dan een uur; de negerjagers

gedroegen zich met zoo veel moed als bekwaamheid; de blanke soldaten

vuurden, door drift overweldigd, als in het wilde. Mij schampte

een vijandelijke kogel langs den schouder af; den luitenant, de

Cabanes, werd de riem en den sergeant Fowler de loop zijner snaphaan

weggeschoten. Verscheidenen der onzen werden gekwetst, doch weinigen

gedood.

»De vijand had het gansche rijstveld, met dikke stammen van boomen,

waaraan de wortels vastgebleven waren, omringd en doorsneden. Zij

hielden zich achter deze opgeworpen verschansingen verscholen, en

gaven van daar vuur op ons, die eerst dit soort van wallen beklimmen

moesten voor wij in hun gehucht konden komen.

»Niettegenstaande alle hinderpalen rukten wij voort, dwongen den

vijand te wijken, en beproefden het dorp in te dringen. Doch een van

de aanvoerders der Marrons, kenbaar aan een hoed met een gouden lis,

had de stoutmoedigheid, om te blijven en met een brandende toorts een

der hutten in brand te steeken. Het vuur verspreidde zich, door de

droogheid dier houten huizen, aan alle zijden, terwijl het schieten

uit het bosch langzamerhand verminderde.

»Deze kloeke en meesterlijke daad belette niet alleen het bloedbad,

dat de soldaten op het eerste oogenblik der overwinning gewoon zijn aan

te richten, maar het maakte 't bovendien voor de Marrons gemakkelijk,

om met hunne vrouwen en kinderen terug te trekken, en de goederen,

die hun het meest van dienst waren, met zich te nemen. Aan de eene

zijde hield ons de flikkerende vlam terug en aan de andere belette

ons een onpeilbaar moeras, dat ons bijna van alle kanten omringde,

de vlugtenden na te zetten.

»Het laatste uur van het gevecht was verschrikkelijk: het aanhoudend

muskettenvuur; het vloeken en brullen der krijgers onder elkander;

het kermen der gekwetsten en stervenden die in het stof lagen en zich

in hun bloed baadden; de schellen toon der horens, die zich van alle

kanten hooren liet; het kraken der brandende balken in het brandende

dorp; de wolken rook, die ons omringenden; de vlammen, die hoog

opstegen--dit alles vormde een tafereel, dat ik niet beschrijven kan."

»Dit dorp bestond uit honderd huizen of hutten, eenige van twee

verdiepingen hoog.

In den nacht, toen wij door een goeden slaap onze afgematte ligchamen

wenschten te verkwikken, werden wij op nieuw door eene vijandelijke

bende hierin gestoord, die zich echter na eenige schoten verwijderde.

»Terwijl de duisternis belette elkander te zien, voerden onze zwarte

vrijwilligers geene zeer stichtelijke gesprekken met de Marrons. De

een verweet den ander in ruwe termen zijn gedrag en men daagde elkander

tegen den volgenden dag uit, man tegen man.

»Beide partijen hieven een soort van krijgsgeschrei aan, zongen

victorie liederen, en bliezen op hunne horens.

»Fourgeoud beproefde ook een gesprek met hen te houden. Hij beloofde

hun het leven, de vrijheid, volop eten en drinken, zoo zij zich

gewillig overgaven. Zij beantwoordden deze aanbieding met een luid

gelach, zeggende: »dat zij niets noodig hadden van hem den half

uitgehongerde Franschman." Zij bespotten ons blanke slaven, die ons

voor vier stuivers daags dood lieten schieten, en zij betuigden hunne

spijt, »dat zij hun kruit en lood aan zulke ellendige kerels moesten

verspillen;" zij bedreigden echter onze zwarte vrijwilligers, zoo

dezen hun in handen vielen, met den vreeselijksten dood. Tegen den

morgen verstrooiden zij zich.

»Wij waren moede en afgemat, doch, niettegenstaande het hevig schieten

van den vijand, was ons verlies onbeduidend. Bij nader onderzoek en

verbinding der gekwetsten vond men weinig looden kogels, maar meest

keisteenen, knoopen, stukken geld enz. die, daar zij naauwelijks door

de huid konden dringen, weinig schade hadden veroorzaakt. Wij bemerkten

ook, dat velen van de Marrons, die op het slagveld gebleven waren,

slechts scherven van kruiken, in plaats van vuursteenen, op hunne

geweren hadden, welke onmogelijk behoorlijk dienst konden doen. Aan

deze omstandigheden hadden wij het te danken, dat wij er zoo goed

afkwamen; velen onzer waren echter ligt gewond en gekneusd.

»De velden in den omtrek werden verwoest, al de rijst werd afgekapt.

»Kapitein Hamel werd in de namiddag met vijftig soldaten en dertig

negerjagers afgezonden, om verder het terrein op te nemen, en, zoo

mogelijk, te weten te komen: hoe de Marrons door het onpeilbaar moeras,

zonder bezwaar, heen en weder gingen. Deze officier ontdekte eene

soort van vliegende brug tusschen de biezen, die van Maurity-boomen

gemaakt, maar zoo smal was, dat er geen twee menschen nevens elkander

op gaan konden. Den volgenden morgen werd dit enge pad van drijvende

boomen door een gedeelte onzer troepen gebezigd, om den overkant te

bereiken. Hier vonden wij een groot veld met Cassaves en Yams bezet,

en ongeveer dertig ledige huizen van het oude dorp Corsary (kom zoo

gij durft). [568] Wij ontdekten nu tot onze groote verbazing de reden,

waarom de Marrons, in den nacht van den 20sten, zoo geschreeuwd,

gezongen en geschoten hadden. Het was niet alleen om den aftogt hunner

vrienden te dekken, maar ook om te voorkomen, dat wij bemerken zouden,

dat zij bezig waren met Warinbos of manden te maken, en die met de

schoonste rijst, Cassaves en Yams te vullen, om daardoor bij hunne

vlugt levensonderhoud te hebben. Dit was zekerlijk een verstandig

gedrag in een wild volk, hetwelk wij ons vermeten om te verachten:

deze daad zoude aan elken Europeschen bevelhebber tot eere gestrekt

hebben, en de beschaafste volken hebben hen daarin misschien zeldzaam

overtroffen.

»Hoewel onze overste van verlangen brandde, om Bonni verder te

vervolgen, zoo was hieraan niet te denken, want onze krijgsbehoeften

waren verbruikt en onze spijsvoorraad verteerd. Kapitein Bolts werd

met een escorte van honderd soldaten, dertig negerjagers en de noodige

lastdragers, afgezonden om nieuwe voorraad van het hoofdkwartier te

halen. Doch in den avond van den 23sten keerde hij terug: hij was

bij een moeras door de Marrons aangevallen, die, zonder zich met

de Europeanen te bemoeijen, een verschrikkelijk bloedbad onder de

negerjagers hadden aangericht en hij was alzoo tot den terugtogt

genoodzaakt geworden.

»Fourgeoud zag in, dat hij gevaar liep met zijne geheele krijgsmagt

vernietigd te worden. Hij had noch mond- noch krijgsbehoeften meer;

de half verhongerde en uitgeputte soldaten morden, en eindelijk gaf

hij bevel tot den terugtogt.

»Den 26sten, des voormiddags, bereikten wij eindelijk onze algemeene

verzamelplaats, maar in een zeer treurigen toestand; allen waren door

de uitgestane vermoeijenissen zeer verzwakt; velen van honger als

uitgeteerd; anderen gevaarlijk gekwetst. De slaven, die de zieken

en gekwetsten droegen, hadden naauwelijks krachten genoeg, om zich

zelven voort te slepen.

»Zoo eindigde de verovering van Gado-Saby. Op den togt werd,

wel is waar, noch gevangenen, noch buit gemaakt; toch bewezen wij

der volkplanting eene gewigtige dienst door deze schuilplaats, dit

hoofdkwartier der Marrons, te vernielen. Eenmaal hieruit verdreven

keerden zij niet weder in dien omtrek terug; en door het geleden

verlies waren zij zoo ontrust en verschrikt, dat hunne strooptogten

van dien tijd af veel verminderden." [569]

Wij namen deze mededeeling van een ooggetuige, veel verkort, over,

om den lezer, eenigzins te kunnen doen oordeelen, hoeveel moeite en

bezwaren aan dergelijke togten verbonden waren.

Na dezen hier beschreven togt werden sedert nog verscheidene

door Fourgeoud ondernomen. Het vrijcorps bewees steeds goede

diensten. Nepveu zette, niettegenstaande de hevige tegenkantingen

der Raden en van Fourgeoud, [570] zijn plan door, om een cordon van

verdediging tegen de verstrooide benden wegloopers daar te stellen:

hij werd hierin door de sociëteit, H.H.M. en den Prins van Oranje

ondersteund. Deze laatste schreef zelfs aan Fourgeoud, dat hij zich

moest onthouden van eenige bemoeijingen met het cordon, en dit geheel

aan den Gouverneur overlaten. [571]

In Februarij 1776 kwam er aanschrijving van den Prins van Oranje,

dat de troepen onder Fourgeoud moesten terugkeeren.

Vele ingezetenen, verschrikt door hernieuwde aanvallen der

wegloopers, wendden pogingen aan, ten einde dat gevreesde vertrek te

doen uitstellen. Fourgeoud, die, zonder positieve contra-order, niet

durfde te blijven, maakte zich in Julij tot het vertrek gereed. Reeds

was het volk ingescheept en de afscheids-bezoeken afgelegd, toen dat

tegen bevel kwam en de troepen weder gedebarkeerd werden. [572]

In December kwam op nieuw eene versterking van 750 man, [573] en

werden er toen weder eenige expeditiën ondernomen.

Bonni was intusschen met een groot gedeelte der zijnen (Baron was

gesneuveld), [574] over de Marowyne getrokken. In Januarij 1777

berigtte de toenmalige Gouverneur van Cayenne, benevens de Intendant

Malouet deze gebeurtenis aan Nepveu; en hierop volgde een aantal

wederzijdsche memoriën en geschriften.

De Franschen betuigden hunne ontevredenheid, dat de wachthebbende

Hollandsche officier aan de Marowyne deze overtogt niet verhinderd

had; zij waren niet zeer op deze nieuwe gasten gesteld, doch bezaten

te geringe magt om hen te verdrijven en om hun nu den vrede aan te

bieden vonden zij te vernederend, en, om den Hollanders te vergunnen

hen op Fransch-grondgebied te bestoken en zich tot dat doel met hen

te vereenigen, kwam hun mede ongeschikt voor.

De Gouverneur en Intendant wilden dus een middenweg bewandelen;

zij zouden eenige officieren tot de Marrons zenden met last om hen

zeggen: Les Français vous souffrent sur leurs terres, puisque vous y

êtes, ils veulent bien vous laisser cet azile; mais si vous continués

vos brigandages sur le territoir hollandois, ou si vous attirez sur

le nôtre un plus grand nombre de fugitifs, alors nous permettrons

aux Hollandois de venir vous chercher sur cette rive et nous nous

reunirons à eux pour vous detruire [575].

Om de moeijelijkheden, die omtrent een en ander mogten ontstaan weg

te nemen; en om alles met elkander te regelen werd bij dit zelfde

schrijven berigt, dat de Intendant Malouet daartoe in Junij 1777 in

Suriname zoude komen.

Van onze zijde werd geantwoord: dat men de overtogt der Marrons over

de Marowijne noch gewenscht noch begunstigd had; dat men oordeelde

geen verlof noodig te hebben, om hun daar te vervolgen, doch dat men

provisioneel de Marrons met rust zou laten, en de komst van den heer

Malouet afwachten. [576]

Ook de raad van Fourgeoud werd hier op ingewonnen. Hij luidde: over de

Marowijne trekken en de Marrons verdelgen. [577] Dit oordeel werd door

velen gedeeld, doch men vreesde voor verwikkelingen met Frankrijk en

daarbij in April was reeds een gedeelte der hulptroepen naar Nederland

terug gekeerd [578]; zoodat men geen genoegzame magt te beschikken had.

Malouet kwam met zijne vrouw en dochter in Julij 1777 in Suriname

en werd aldaar met beleefdheid ontvangen [579], die door hem met

hoffelijkheid werd beantwoord. Malouet trachtte zich omtrent de over

de Marowijne gevlugte Marrons met Nepveu en de Raden van Policie te

verstaan. In zeer beleefde termen, doch daarom niettemin ernstig,

gaf hij onze regering gewigtige lessen. Hij schreef het wegloopen

van slaven in Suriname (aldaar meer dan elders) toe; eerstelijk: aan

het niet beteugelen der meesters in het mishandelen hunner slaven;

die meesters noemde hij »de eygenlyke stigters van de binnenlandsche

wanordens"; en de regering, die zoodanige misbruiken dulde en den

slaven alle bescherming ontzegde uit een onregtvaardig inzigt voor den

eigendom van den meester, »oorzaak dat de eygendom en de veyligheyt

der kolonie in de waagschaal werd gesteld";

ten tweede: aan het gemis van godsdienstig onderwijs der slaven »want"

merkte Malouet aan, »de onwillige afhankelijkheid, zoo wel van een vrij

man als van een slaaf, zijne zeden, zijne deugden en zijne gebreken

zijn nooit in geen tijd en bij geen volk het gevolg geweest van een

enkele oorzaak, maar wel van de zamenloop van verscheidene. Waarom

dan zouden onze Europesche kolonisten alleen gebruyk maaken van

de physieque magt, daar zelfs de afschuwelijkste despooten nodig

geoordeelt hebben de zedekunde daarby te voegen?" [580]

De Franschen wenschten ook priesters tot de Marrons te zenden en

wilden aan onze regering toestaan hetzelfde te doen, terwijl men de

door de regering van Suriname te zenden priesters of geestelijken

toelaten en in allerlei opzigt begunstigen zoude [581].

Na vele en velerlei discussiën in het Hof van Policie werd eindelijk

besloten den heer Malouet, te antwoorden: »dat het consept om die

wegloopers door de religie te overreeden, en in toom te houden,

voorkomt te weesen van difficiële uitvoeringe, en van verre uitzigte;

vooral aangemerkt, alhier de slaaven tot geen religie zijn overgebragt,

en dus te vreesen is dat, behalve de natuurlijke nijging tot haars

gelijken, die men met de reeds bevreedigden ondervind, dit hen nog te

meer daartoe sou nopen en aansetten." Het Hof wenschte »dat gespuis"

liever geheel te verdelgen, en deelde dan ook als zijn vast besluit

mede: »dat degene, die op Surinaamsch grondgebied overkwamen gevangen

of gedood zouden worden."

De Intendant Malouet verliet in Augustus 1777 Suriname en keerde over

land, om de Engelsche kapers te vermijden, naar Cayenne terug--en,

ofschoon onzer zijds nog wel plannen werden gemaakt, om de Marrons over

de Marowyne aan te tasten, [582] het bleef bij dit plannen maken;--de

Marrons bleven rustig aan de overzijde wonen en »molesteerden de

blanken niet en werden niet door de blanken gemolesteerd." Fourgeoud

deed met het overschot zijner magt en eenige der sociëteits-troepen

nog een paar togten door de kolonie, doch ontmoette geene wegloopers

meer en berigtte in Januarij 1778 aan het Hof: dat daar de kolonie

thans van Marrons gezuiverd en de bondgenooten, de Aucaners en

Saramaccaners, met de regering in goede verstandhouding leefden,

hij met zijne troepen in April Suriname verlaten zou. [583]

Nepveu en eenige Raden van policie wilden niet toegeven, dat een en

ander door de maatregelen van Fourgeoud tot stand gekomen was, en waren

vooral ontevreden over zijne handelwijze met de bevredigde boschnegers,

die zij beleedigend voor de regering noemden; en--Fourgeoud beklaagde

zich over de ondankbaarheid der regering van Suriname, die zijne

goede diensten zoo slecht erkende; doch het vertrek had toch plaats

en den 1ste April 1778 verliet Fourgeoud met het overschot der

troepen--ongeveer 100 man van de 1200 die van tijd tot tijd naar

Suriname waren ingescheept--, [584] de kolonie tot groote vreugde

van Nepveu. [585] [586]

Én aan de expeditiën onder Fourgeoud én aan het wel bevestigde cordon

én aan den moed en ijver der leden van het vrijcorps, dat later nog

uitgebreid werd, kan men het toeschrijven, dat Suriname voor een

geruimen tijd van de aanvallen der wegloopers bevrijd bleef.

Als naweeën kan men noemen de ontzettende schulden last, waardoor

de belastingen tot een hoog bedrag moesten worden opgevoerd, die,

bij, den reeds vroeger geschetsten, droevigen geldelijken toestand,

moeijelijk door de ingezetenen konden worden gedragen.

Alleen bij het kantoor van den ontvanger der kas tegen de wegloopers

stond over de jaren 1773, 74 en 75 nog f 474,351.8.-- te betalen [587].

Directeuren der Sociëteit stelden, tot regeling der verwarde

finantiezaken, een Raad-Boekhouder-Generaal aan. Deze ambtenaar had in

die betrekking toegang tot alle kantoren der geldmiddelen en tot de

deliberatiën der beide Hoven. In de vergaderingen moest hij bij alle

zaken, die in betrekking tot de finantiën stonden, een prae-advies

uitbrengen; doch had slechts eene adviserende stem. Verder werd hij

gecommitteerd als derde houtvester, als derde commissaris van de wees-

en onbeheerde boedelskamer, en als derde commissaris van de kas tegen

de wegloopers: in deze collegiën had hij niet slechts een adviseerende,

maar een beslissende stem [588].

De directeuren der Sociëteit, die niet in staat waren om uit eigen

finantiën in den benarden toestand verbetering aan te brengen, wilden

echter de, door Gouverneur en Raden ter voorziening in den tijdelijken

nood, gecreëerde obligatiën ter somma van f 300,000; niet approberen,

maar zij wendden zich tot H.H. M. om ondersteuning [589].

H. H. M. beschikte gunstig op dit verzoek en reeds zeer spoedig

ontvingen zij het aandeel der provincie Holland, groot f 139,220:-,

[590] en betaalden hiervan in de eerste plaats eene som van f 52,500:-

aan de stad Amsterdam, voor drie jaren achterstallige renten, der

door haar ten behoeve van Suriname geleende f 700,000:-- [591].

Bij den tusschen Engeland en zijne Noord-Amerikaansche bezittingen

ontstanen oorlog leed Suriname veel overlast van de kapers der

beide natiën, die elkander tot onder het geschut van het Fort Nieuw

Amsterdam vervolgden. Op genoemd Fort was slechts eene bezetting van

66 man, waarvan nog die voor de redoutes moest worden afgetrokken:

ieder dier redoutes was bezet met 3 man en 1 corporaal [592].

In April 1778 was een oorlogsschip, onder bevel van kapitein de Hoeij,

voor Paramaribo gekomen, om des noodig zijne assistentie te verleenen,

maar tusschen de Hoeij en Nepveu hadden onaangenaamheden plaats,

die de zamenwerking zeer belemmerden. [593]

Met moeite had Nepveu van de Hoeij verkregen, dat 30 grenadiers van

het oorlogsschip de zwakke bezetting van het fort versterkten: 20 man

der Sociëteits-troepen werden hier bijgevoegd. Aan het meermalen door

den Gouverneur aan den kapitein herhaald verzoek, om met zijn schip aan

den mond der Suriname te gaan liggen, werd echter, onder verscheidene

»frivole" uitvlugten, niet voldaan. De Hoeij gaf een anderen raad,

namelijk, om een gewapende bark te stationneren, doch de opvolging

van dien raad was te kostbaar: »voor een kleyn vaartuigje, dat nog

weynig dienst kan doen, wordt f 10,000 gevraagd en dan nog moet het

geëquipeerd en bewaapend worden." [594] Men besloot eindelijk, om den

graaf van Bylandt, schout-bij-nacht, te St. Eustatius te verzoeken, een

gewapend vaartuig voor de »meest convenabelste prijs" te koopen [595].

Hevige ziekten braken ook in dezen tijd in Suriname uit. Voornamelijk

heerschten zij onder de soldaten; in het hospitaal alleen lagen 88

zieken, zoodat de posten bijna niet konden bezet worden.

Nepveu zelf werd in Junij 1778 ernstig ongesteld. Van tijd tot tijd

kwam er nog wel eenige verademing, zoodat hij zich nog eenigermate

met 's lands zaken kon bezig houden, doch geheel herstelde hij niet

meer. Telkens stortte hij op nieuw in [596]; de zwakte nam toe en

na een langdurig en smartelijk lijden, en na o. a. den nacht van den

26sten op den 27sten Februarij 1779 in de grootste ellende te hebben

doorgebragt, overleed Nepveu den 27sten Februarij, des morgens te half

acht ure, in den ouderdom van 59 jaren, 4 maanden en 29 dagen [597].

Nepveu, die in 1734 in de kolonie was gekomen en dus 45 jaren in

dezelve doorbragt, had vele betrekkingen doorgeloopen vóór hij tot

Gouverneur werd benoemd. Hij liet den roem na van met alle krachten

en met eene lofwaardige standvastigheid, zijne beste pogingen tot

het behoud van Suriname te hebben aangewend [598].

Tijdens het bestuur van Nepveu waren belangrijke gebeurtenissen

voorgevallen. De hevige spanning tusschen den Gouverneur en het Hof,

die ook nog tijdens het bestuur van Crommelin voortduurde en meermalen

tot ergerlijke tooneelen in den Raad en elders aanleiding gaven, was

verminderd. De onderlinge verhouding tusschen het hoogste Collegie,

het Hof van Policie en den Gouverneur was beter geworden. Wel was

er dikwijls verschil van gevoelen; krachtig werd er o.a. door de

Raden geprotesteerd tegen de uitvoering van het lievelingsplan van

den Gouverneur, het daarstellen van het cordon; maar toch ontstonden

hierdoor niet die hatelijkheden als onder Mauricius en Crommelin:

eenigzins meer parlementaire vormen werden in acht genomen.

Het ontbrak evenwel niet aan oppositie tegen den Gouverneur, doch

deze kwam nu meer van het Hof van Civiele Justitie. Genoemd Hof was

in het laatste tiental jaren zeer in belangrijkheid gerezen. Bij de

finantieele kwestien, die de geheele kolonie beroerden, hing veel

van de uitspraak en beslissing van het Hof van Civiele Justitie af.

De leden van hetzelf namen in invloed en aanzien toe, en gelijk

dit in Suriname meestal het geval was, daardoor ook in trotsheid en

eigenwaan. Vermaningen of teregtwijzingen van Gouverneur en Raden

werden met hoogheid ontvangen, men achtte zich hierdoor gekrenkt,

en--zij werden meermalen met heftigheid beantwoord.

Ook had Nepveu vele onaangenaamheden met den kolonel Fourgeoud. Die

beide mannen verstonden elkander niet. Nepveu vermeende, dat Fourgeoud

zich te veel magt en gezag aanmatigde, en Fourgeoud achtte zich door

Nepveu miskend en gedwarsboomd.

Kleingeestige verschillen over etiquette, rangregeling bij officieele

gelegenheden als: op feesten bij de verjaring van vorstelijke personen,

bij begravenissen van militaire of burgerlijke autoriteiten, ja zelfs

bij de ter aardebestelling van mevrouw Nepveu, veroorzaakten telkens

strijd en twist. Toen Fourgeoud tot groote blijdschap van Nepveu,

eindelijk de kolonie had verlaten vond dit zelfde weder plaats

met kapitein de Hoeij, gezagvoerder van het oorlogsschip, dat ter

bescherming der kolonie door HH. M. gezonden was. Hoe klein, hoe nietig

de oorzaken ook waren, toch sproten hieruit vele onaangenaamheden

voort en wij vinden er vele klagten over in Nepveu's dagboek, die

door hare bitterheid getuigden hoeveel verdriet ze Nepveu deden.

De droevige finantieele verwikkelingen en de later gevolgde strijd

met de wegloopers hadden de kolonie aan den rand des ondergangs

gebragt. De belangrijke invloed, die vooral eerstgenoemde op de

toekomst van Suriname uitoefende en waardoor als het ware een nieuwe

toestand werd geboren, maakt de periode van Nepveu's bestuur tot eene

der gewigtigste, en geeft haar eene treurige vermaardheid.

Als een lichtpunt in dat vele donkere moet de omstandigheid worden

aangemerkt, dat het eindelijk aan de trouwe waardige Moravische

broeders gelukte, toestemming te erlangen, tot verkondiging van

het Evangelie aan de slaven in Suriname. Nepveu was door de vele

uitgestrooide lasteringen tegen de broeders ingenomen geweest, doch

later van dit vooroordeel teruggekomen. De gewezen Gouverneur van

Berbice, Hogenheim, die zich in Suriname met er woon gevestigd had,

vertelde Nepveu veel goeds van de zendelingen. Hij had hen van nabij

in Berbice leeren kennen en was getroffen geworden door hun eenvoudig

en regt Christelijk gedrag.

Nepveu werd door deze goede getuigenis bewogen hunne bede, om den

slaven de boodschap des heils te verkondigen, toe te staan. Met

blijdschap werd hiervan door hen gebruik gemaakt en den 21sten Julij

1776 werd de eerste negerslaaf door de Moravische broeders gedoopt

en als lid der gemeente aangenomen.

De vruchten van dien rijkgezegenden arbeid der liefde werden weldra

gezien, meermalen zullen wij gelegenheid hebben er opmerkzaam op

te maken.

Kan Nepveu den roem niet worden onthouden van met alle kracht en

lofwaardige standvastigheid getracht te hebben, om een goed regent te

zijn; zijne vijanden echter beschuldigden hem van onopregtheid. Zij

schreven hem eene groote mate van slimheid toe en den naam van Vos

werd meermalen gebezigd om zijn karakter te kenmerken.

Wij willen deze beschuldiging niet overnemen, maar moeten wel

erkennen, dat hij, bij het streven om zijne plannen en denkbeelden te

verwezentlijken, niet altijd met duiven-opregtheid te werk ging. Soms

wel zocht hij zijn doel te bereiken door eene onjuiste of overdrevene

voorstelling van de zwakheden of dwalingen zijner tegenpartij. En

verder vermeten wij ons geen nader oordeel over den man, die een zoo

grooten strijd had te strijden.

Den Heere verblijve dat oordeel.

Geschiedenis van Suriname · 第 22 / 86 题