VIJFDE HOOFDSTUK.

Van de aftreding van Mr. Mauricius in 1751 tot het overlijden

van Jan Nepveu in 1779. Laatste woelingen der Cabale; finantieële

verwikkelingen; nieuwe strijd met de wegloopers, enz. enz.

Den 24sten Maart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering

van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de

gecommitteerden van Z. D. H. den Prins van Oranje gelastten hem,

bij besloten missive van den 27sten Maart, krachtens de hun verleende

authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk

ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven,

om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen,--dit

alles echter »behoudens kwaliteit en gages." De vergaderingen van

het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van

HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.

Den 11den April werd het besluit der HH. Commissarissen den volke

bekend gemaakt en dienzelfden dag gaf Mauricius het bestuur aan von

Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne

dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen

naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere

zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke

hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben

veroorzaakt. [270]

Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware,

zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15den Mei uit de kolonie per

het schip de »Jufvrouw Johanna", kapitein Schouten. Gedurende negen

jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren,

die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.

Den 13den April 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen,

door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat

de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente

leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer

von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede

tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.

De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er

niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door

het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats

sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat

daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag

hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,

[271] zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan,

en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk

achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van

de hun toegekende magt gebruik gemaakt en: »alsoo voor deese reise,

sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert

de privilegiën vrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie

competeerenden tot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren

E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem

Carl Strübe," en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het

officie Fiscaal openviel, [272] hadden zij aan Mr. Samuel Paulus

Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen. [273]

Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig

op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij

de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste

tegenwerping.

Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen

hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen

te kennen, dat hunne Commissie, »om onderzoek naar de onlusten en

oneenigheden in deze colonie te doen", in zooverre was afgeloopen, dat

de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland

konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne

zending te doen en ZDH. tevens over te leveren »eenige poincten van

redres" hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat

over een en ander door ZDH., »na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon

worden gedisponeert"; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie

verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius,

behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden

om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat

over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het

gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren

Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde

rust en vrede in de kolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van

personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.

Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde

en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van

den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en

invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op

den heer Mauricius.

Den volgenden dag den 14den April werd de heer Baron von Spörche

plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide

hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd,

de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en 's avonds was er

assemblée bij Mevrouw Du Voisin.

Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden

elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten,

want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij

schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer

gehaatte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten;

de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine

zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen;

een der voornaamste ambten »het Fiscalaat" was provisioneel aan een

hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen;

de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der

Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis

tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius

steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden,

die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder

in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en

invloed werden hem toegekend; [274] de eisch van den heer Godefroy om

vergoeding voor de geëxecuteerde slaven van wijlen den heer Thoma, van

wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar

had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht

en twintig geëxecuteerde slaven eene som van f 5600.-- zijnde de helft

der gepriseerde waarde à f 400.--; de heer H. N. van de Schepper

[275] die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergernis had

gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij

steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard

was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie

te verlaten; [276] het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen

de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den

jongen Pichot--welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen

heftigheid werd aangedaan--werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.

Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert

de komst van H. H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von

Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden

heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze

voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren

te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan

wel uit vijandschap tegen Mauricius.--Wij zien hem ook, in het korte

tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen

aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke

pogingen echter meerendeels vruchteloos bleven.

Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten

tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten

in de divisien opgerigt--doch het een zoo wel als het andere bleef

zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan--geene boschtogten,

geene militaire posten--geene wreede strafoefeningen vermogten dit

te beletten--daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling

der slaven, steeds bleef voortduren.

Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden

die tusschen de Portugeesch-Joodsche natie heerschte te stillen,

gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was

den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren

in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne

politieke uitzetting aangedrongen--en nu was Carilho niet slechts

op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd,

maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de

magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde,

veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen.--De natie schaarde

zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der

Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette

A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn

jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen

Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit;

van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd,

waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden [277];

door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar

de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer

J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho,

welke laatste zeer ondersteund werd door een rijken Israëliet te

Amsterdam, den heer Soasso. [278]

Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het

bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins

van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke

verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd

van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak

de eene verordening de andere wedersprak. [279] Over de benoeming der

Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden

dier Commissie kwamen eindelooze verschillen waardoor de herziening

en regeling vertraagd werden. [280]

De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn

door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche

benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als:

twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie

en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te

onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen. [281] In

de vergadering van den 14den September 1751 berigtte de Gouverneur

dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurige

discussiën daaromtrent, werd den 20sten September besloten, dat

voortaan weder, even als te voren, een separate boekhouder en kassier

zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene

voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de

boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven,

terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang

voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte

o. a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer

verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld [282]

die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten

over het beheer der weeskamer herhaald.

Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit

het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der

huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent

de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten

van het zenden der H. H. Commissarissen en der troepen te bestrijden;

dit alles geschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook

ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.

Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten

ingekomen over de exorbitante rekeningen der Practizijns.--Door het

Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement

voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden

gekort--doch zij waren hiermede niet tevreden en leverden een protest

in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3den

September 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd. [283]

Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns

zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te

nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen; eindelijk

werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik

geschikt en geregeld. [284]

Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te

vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een

zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend; [285] verscheidene planters

zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen

en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond

gehoor; von Spörche deelde den 15den November 1751 in eene buitengewone

vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van

den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester

van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar, [286]

waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was,

om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die

voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde. [287]

In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze

geldleening gebruik wenschten te maken, een eerste hypotheek moesten

geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden

verstrekt dan 5/8 der waarde van het te verhypothekeren goed, en om

de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan

te beletten, moest de schatting derzelve door beëedigde priseurs,

door het Hof benoemd, geschieden.

Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart

en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting

er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk

perceel bevond in overweging genomen;--zoo kwam hierbij niet slechts

in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond,

de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder

of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden

(de Marrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was,

werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend

om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer

Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden

slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan

werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere

gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden,

om nadere authorisatie hiertoe.

Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen,

schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten

daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een

waarbij dezelve wordt verminderd:

»de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen

Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën

en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan en

conditiën van crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren

heer W. G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport

gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom

van de Effecten van de hierna te noemen personen hadden naauwkeurig

geëxamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat

deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat

geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was

ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde

priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt,

overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en de geëxamineert

de kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom,

als meede de prisatie van de suyker-plantagie OVERBRUGGE, gelegen

in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior;

is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van f 45,000

Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder

penningen in der tijd noodig hebbende de 5/8 niet executerende,

deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van

gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve

bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer

Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van

gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het

certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer

Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot

extract worden gegeven",--»verder gezien de kaart en warrand,

de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van

de hout- en suyker-plantagie OSEMBO, geleegen in de rivier Parra,

aankoomende voor 11/16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken

gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie

van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan

binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter

van Middeland toe te staan eene somma van f 20,000 Hollands by provisie

op gem. plantagie te kunnen opneemen, in plaats van desselfs volle

5/8, die hij ingevolge het plaan en conditiën van crediet van den

Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude

konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma,

eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den

Hove van Civiele Justitie te passeeren ten faveure van den Edelen

Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid

aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en

demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de

5/8 toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe

speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal

gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën

daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten

en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de

prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie

alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd

aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland

extract worden gegeven."

Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik

gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde

men de alzoo verkregen gelden werkelijk tot uitbreiding der cultuur

aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den

gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling

van het aldus verkregen geld heeft gemaakt. [288]

Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste

gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te

herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren--wij kunnen

niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude

gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes

aardschen levens afriep.

Den 28sten Augustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van

het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde,

overleed hij reeds den 7den September des namiddags ten half vier ure.

De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon

bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von

Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand

gestelde geheime missive ter tafel; deze werd door den secretaris

geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren der Sociëteit te

zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur,

de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na

eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof

gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt,

terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie

zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de

papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig

gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last

te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur

door Crommelin alreeds te doen vervaardigen--maar de openlijke

bekendmaking er van uit te stellen tot den 11den derzelfde maand ten

einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te

zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer

de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit

werd onmiddellijk voldaan en den 8sten September had de begrafenis met

groote pracht plaats. [289] Den volgenden dag was er weder vergadering

en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11den September de heer

Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen

publiceren, maakten de Raden bezwaren--en werd deze zaak uitgesteld.

Waren deze bezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche

eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden?--Noch het een

noch het andere--maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven

aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde,

en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen

aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegen voor

zich zelven het Interims-bestuur te eischen; de Cabale die vreesde

dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou

stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen

door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden

dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden

stellen en hun de handen ruim laten.

Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat

dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van

den 13den September 1752 eene missive van den heer Verschuer ter

tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, het provisioneele

Gouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden,

zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op

den 13den September kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste

raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin

hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims

bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof

inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden,

dat daar de Sociëteit over het Interims-bestuur beschikte, zonder

hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden

houden--en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze

handelwijze streed met vorige usantiën en met het 21ste artikel van

het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de

door de sociëteit aangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde

zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om

te trachten deze zaak in der minne te schikken.

Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd

waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op,

die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene

nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie

liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk

kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever

dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te

moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend

maken, dat hij het interims-bestuur had aanvaard;--doch Verschuer

gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de

tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van

hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15den September

zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met

dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur

toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de

in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest,

komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop

Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.

De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het

provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met

den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den

schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden

houden, doch hunne ware gezindheid bleek o. a. uit de hevigheid,

waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid

van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van

den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen

de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer

te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd

aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.

Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het

volgende: de resolutie der Sociëteit had betrekking op de vervulling

van het interimsbestuur bij het overlijden van Mauricius; nu echter

bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was,

terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche

opgedragen--en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel

bestuur bestaan en hij, Verschuer, als in rang op von Spörche volgende,

was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.

Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had

hij de vergaderingen niet door Verschuer maar door Crommelin laten

convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken

»gebesoigneerd." [290]

Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander

in--doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje,

daar hij als Commandeur geen zitting wilde nemen in vergaderingen,

die hij onwettig achtte.

Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die

handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van

het gebeurde aan de Directeuren der Sociëteit.

De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van

Policie en Criminele Justitie en de andere Collegiën hielden hunne

gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van

Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat

hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het

wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te

gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe

opgerigt--doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die,

om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms

na een korten tijd weder opgeheven; den 16den Januarij 1753 had er

een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria

plaats. Deze aanval kostte den Sociëteits-Directeur Brendel het leven;

hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der

Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst.--Eerst na een hevig gevecht

trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen

der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met

haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.

Den 31sten Januarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante

èn van de Directeuren der Sociëteit; de usurpatie van het bewind

door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig

bevel »om zich te vergenoegen met het commandement der troepen en

den Commandeur Crommelin over te laten al 't geen het Gouvernement

ad Interim buitendien was concernerende." Het gedrag van Crommelin

werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof

toegezwaaid.--De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust

en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd,

begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van

het Hof en, na hun in de vergadering van den 2den Februarij 1753 den

inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te

hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.

De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen

dat: »sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer

(Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando

stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren." [291]

Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan:--"wat

een elendig excuus!--en te gelijk wat een perfidie!--doch waar

zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe

capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om

het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in 't hoofd

gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld

hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden." De heer Strübe,

die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den

beginne van oordeel was geweest, dat de orders der Sociëteit moesten

worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur van Verschuer

had geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder

in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor

hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het

Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet

door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid

van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne

erkennen. Verschuer toonde zich geneigd om met Crommelin de handen in

één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie--en uit zijne

verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid

vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet

aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef. [292]

De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden

der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg

den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was

zeer voor de tijdsomstandigheden gepast.--Die tekst was Zacharias 8,

vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; »doch"

schrijft Crommelin met zekere bitterheid, »hij had er het volgende

vers wel bij mogen nemen." [293] Dat de invloed der Cabale nog

verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen

zeer goed opmerken: de schippers o. a., die wel bij de proclamatie

van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin;

slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en

slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten

hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, »dat wie

het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy

meer van hen zou ontvangen." [294]

Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend

maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige

woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt

èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in

de publicatie; [295] Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1sten

Maart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in--en

eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen

pennestrijd te willen ophouden.

Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin

en de beide hoven, en dit voornamelijk over de al of niet geldigheid

der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde

deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van

Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd

en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan

te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der

andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen

in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegaf, bleven

zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen, [296] maar maakten

het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.

Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin

weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door

dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen

hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd

de vergadering den 10den April 1753 door Crommelin geschorst. [297]

Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof

van Policie, den 25sten April, voor: om, totdat HH. M. hierop nader

zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te

rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op

te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven

gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden,

de stremming der Justitie te voorkomen. [298]

Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en

belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o. a. in de

kerkekas een tekort van ruim f 1800, hetwelk ontstaan was door het

slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester; [299] de kas der

Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van

bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen

provisie erlangen; daarbij werden zij vaak in netelige gevallen

gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22sten Mei 1753

[300] de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen

te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige

andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne

bediening te blijven waarnemen. [301] De kas tegen de wegloopers was

mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook

uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche

troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses

Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd-

en Lastgelden te mogen verhalen. [302] Behalve de reeds genoemde

moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten

tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het

Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te

geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten; [303]

doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd,

zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het

Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en

daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden

tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; de Luthersche

predikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de

moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de

Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in--daar hij zulks

beschouwde "als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk

en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de

puinhopen der Gereformeerde op te rigten". Na langdurige discussiën

[304] werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt; [305] in de

vergadering van het Conventus Deputatorum werd een brief van de

Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de

Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten

en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof,

hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren,

zooals het Hof dit kwalificeerde, »op ongefundeerde klagten en onware

voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname

vervat." De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke

klagten niet hadden gedaan--maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd,

dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden

waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende

caracteristieke verklaring bijvoegde: »dat nooyt dergelyke klagten

alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter

liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien

en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam

sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde

klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz."

Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden:

hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun

ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde,

nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, »die

zeer wel naar den zin waren van het beschaafdste gedeelte der natie,

doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten

op te stooken." [306] Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars

te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;

[307] de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven

en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat

hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen

te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen; [308] doch

nu beging hun aanhang allerlei insolentiën tegen den Gouverneur en

vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlof

vroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd,

terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt

te buiten ging. [309]

De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds

aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden

wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen,

maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters

volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en

uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt

ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden

werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door

de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was

er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de

officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en

mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat,

ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der

burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden

klagen uit vrees voor erger. [310]

Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den

anderen kant zijne trouw aan de Sociëteit door Directeuren erkend en

ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring

van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o. a. op bevel

van Directeuren den 4den Julij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius

in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn

gehouden gedrag tijdens Verschuer niet voldoende werd gevonden, en werd

de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal

aangesteld. [311] Den 11den Julij kwam de tijding in Suriname aan, dat

Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies,

door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal,

bij resolutie van den 13den Mei 1753, werd vrijgesproken van alle

tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis

werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten

gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden

worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten

te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan

Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis

wegens laster te vervolgen. [312] Deze tijding verwekte groote

neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een

steun tegen de Sociëteit en de Gouverneurs bij H.H. M. en den prins

te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend

werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen

verijdeld en hunne kracht was gebroken. [313]

Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en

verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene

schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29sten

October ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard,

en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van

Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H. M. de

prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit

kennis gaf, namelijk: »dat H. K. H. uit consideratie van de disputen

en differentiën tusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden,

deze laatsten allen ontsloeg, behoudens eer en waardigheid." Toen de

heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij,

»dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H. M. behaagd had

haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden

bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad." Na eenige

wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden

de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de

andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe raadsleden

en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden

tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent

gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des

namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke

verkondigd; [314] den 2den November 1753 had de installatie der nieuwe

raden plaats; [315] 's avonds werd tot viering van den verjaardag

der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuis geïllumineerd, aan de

aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl

de bedienden der Sociëteit en andere personen uit den burgerstand op

een feestelijken maaltijd werden onthaald.

Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de

beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur

en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen

kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon

men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin

meldt daarvan in zijn dagboek van den 8sten Februarij 1754: »Bij

gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, 't welk

overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden

meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele

maanden." Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de

beruchte »Verzoekpoincten van Redres" [316] besloten was als wet worden

aangemerkt; [317] en volgens de aanschrijving van de Directeuren der

sociëteit moest al hetgeen »in het politieke" was geschied tijdens

de usurpatie van het bewind door Verschuer voor »Nul en krachteloos

en van onwaarde worden verklaard en weder voor zooveel des noodig op

nieuw in deliberatie worden gebragt."

Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na

het overlijden van Prins Willem den 4de de regeling der zaken in

Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen

die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar

Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren der Sociëteit, in

overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt

in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen,

werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst der Sociëteit over

te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts

ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten. [318]

Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten

voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone

maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der

geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld

noodig geweest, en niet slechts uit de extra-ordinaire kas daarvoor

bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit

die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen

die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting

alzoo onvermijdelijk werd geacht.

Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk

mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel,

dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan de

Sociëteit en H.H.M. en de Prinses Gouvernante naar Nederland gezonden

werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de

vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het

hier volgen:

Het nieuwe Hoofdgeld à f 1 de persoon, f 30,000 à f 35,000.

kinderen 10 stuivers, terwijl Militairen

van deze belasting werden vrijgesteld,

werd gerekend op te brengen

1 procent op de productie f 30,000 à f 35,000.

Hiertoe werden de producten

geschat als volgt:

1 okshoofd suiker à f 30.--

1 pond koffij à f -- 6 stuivers.

1 gallon melassie à f -- 6 id.

1 pul dram inhou-

dende 3 gallons à f -- 5 id.

1 pond Cacao à f --15 id.

1 pond katoen à f -- 5 id.

3 procent van de houtwaren f 1,500 à f 1,500.

3 procent van de inkomsten van winkeliers,

herbergiers, ambtenaars en f 10,000 à f 12,000.

3 procent van de door de schippers en

andere groote negotianten in het klein

verkocht wordende goederen voor memorie.

Zoodat deze belasting volgens calcula zou

opbrengen f 71,500 à f 83,500.

In Junij 1754 kwam er aanschrijving van HH. Directeuren der Sociëteit

waarbij Mr. G. Curtius weder in zijn ambt als Raad-Fiscaal werd

hersteld; Jan Nepveu als Tweede Fiscaal en en als Fiscaal bij den

krijgsraad benoemd en tevens kennis werd gegeven, dat de Colonel

der ruiterij, Pieter Albert van der Meer, vroeger Majoor in het

regiment van den Paltsgraaf van Birkenfels tot Gouverneur-Generaal van

Suriname aangesteld, in het laatst van Mei 1754 naar de kolonie zou

vertrekken. Bij deze kennisgeving werd Crommelin op vleijende wijze

dank gezegd voor zijne vele trouwe diensten der Sociëteit bewezen en

ontving hij als belooning eene verhooging van zijn tractament met

f 1600 's jaars [319].

Den 21sten October 1754 landde de nieuwe Gouverneur-Generaal

P. A. v. d. Meer en werd met de gewone plegtigheden ontvangen. Bij

den gelukwensch, door Crommelin den nieuwen Gouverneur toegebragt,

gaf Crommelin een overzigt van de moeijelijke omstandigheden waarin hij

verkeerd had door de gedurige verschillen met de leden der beide hoven,

de usurpatie van het bewind door Verschuer en de hachelijke tweedragt

die de kolonie verscheurde--doch hij erkende dat er eene groote

verbetering was gekomen sedert de door de Prinses Gouvernante gemaakte

schikking, waarbij nieuwe Raden waren aangesteld en zelfs getuigde hij,

dat er thans niet slechts vrede, eendragt en vriendschap in de beide

hoven maar ook tusschen de ingezetenen onderling heerschten. [320]

Van der Meer, die den 22sten October het bewind aanvaardde, trachtte

naar zijn beste weten met alle kracht het welzijn der kolonie te

bevorderen.

Reeds eenige dagen vóór zijne komst was het gerucht verbreid, dat de

Spanjaarden aan de Orinoco vijandige bedoelingen tegen de Hollandsche

koloniën in den zin hadden. De Gouverneurs van Berbice en Essequebo

berigtten zulks aan den Gouverneur; andere tijdingen schenen dit

gerucht te bevestigen: men sprak er van, dat de Spanjaarden met

vijf of zes oorlogsschepen op weg waren om Curaçao te overrompelen;

men had een vreemd zeil gezien van een schip, dat drie dagen lang

op de hoogte van Suriname kruiste. Van der Meer achtte zich verpligt

maatregelen van voorzorg te nemen, doch nu kwamen ook weder spoedig

de oude kwestien voor den dag: het Hof maakte bezwaar over de kosten

en vermeende, dat deze volgens het 27ste art. van het octrooi alléén

door de Sociëteit gedragen moesten worden; de schippers betoonden

zich ongezind om, ter beveiliging van de kolonie, van legplaats te

veranderen en het was zeker eene groote uitkomst toen het eindelijk

bleek, dat de geruchten valsch waren geweest, de vrees alzoo ongegrond

was en men alzoo de verdere maatregelen kon staken. [321]-- [322]

De nieuwe belasting in Januarij 1754 voorgesteld, bleek nog niet

voldoende te zijn, daar er o.a. nog f 90,000 moest worden betaald aan

achterstallen wegens de kosten van het zenden van Commissarissen enz.;

men besloot deze alzoo tot het dubbele van het primitief bedrag te

verhoogen; [323] de uitvaardiging dezer belasting geschiedde echter

eerst in Augustus 1756. [324]

In December 1755 werd ook eindelijk aan de herhaalde aanvraag van de

opzigters der gemeene weide gehoor gegeven en de houders

voor ieder pleizierpaard f 5

voor ieder chais met 2 wielen f 5

voor ieder rijtuig met 4 wielen f 10

jaarlijksche contributie opgelegd. [325]

Tijdens het bestuur van van der Meer werd ook op het voorstel

van Crommelin, die reeds vóór de komst van van der Meer hier op

aangedrongen had, gevolg gegeven aan het plan der HH. Directeuren,

om eene nieuwe kolonisatie aan het Oranjepad bij Para te

beproeven. Directeuren der Sociëteit stelden zich veel goeds hiervan

voor en zij hadden dan ook de Prinses Gouvernante tot hun gevoelen

overgehaald, zoodat H.K.H. dat plan sterk aanbeval.

De vroegere mislukkingen om alzoo eene voormuur tegen de wegloopers

op te rigten en die wij op bladz. 112 enz. vermeld hebben, hadden

tot het doen eener nieuwe proefneming niet afgeschrikt. Men zou,

nu geleerd door vroegere teleurstellingen, betere maatregelen van

voorzorg nemen. In Augustus 1754 had men een getal van 80 slaven,

waaronder 30 vrouwen, gekocht en liet dezen onder opzigt van twee

blanken kostgronden aanleggen. [326] In December 1754 werden

door van der Meer, in overleg met het Hof van Policie, nadere

bepalingen vastgesteld voor diegenen, die zich op het Oranjepad

wilden vestigen. Hun zou hoornvee en eenige levensmiddelen en andere

benoodigdheden worden verstrekt, er zouden geschikte woningen voor

hen gemaakt worden; zij zouden de noodige slaven erlangen enz.,

enz., daarentegen moesten zij zich verbinden 10 jaren achtereen op

het Oranjepad te blijven wonen. Eerder vertrekkende, verloren zij de

hun toegekende voorregten en zouden tot terugbetaling van het reeds

genotene kunnen genoopt worden. Een Duitscher, baron von Bulouw, werd

als burgemeester benoemd, met de bepaling dat hij met twee schepenen,

uit het midden der zich aldaar vestigende volkplanters te kiezen, een

soort van bestuur zou uitmaken. Aan Bulouw, die tevens als secretaris

fungeren moest, werd hiervoor eene som van f 150 in het jaar toegekend

terwijl hij tevens voor iedere persoon, die hij tot nederzetting

aldaar zou overhalen, eene gratificatie zou ontvangen. [327]

Die nederzetting scheen in het eerst wel te slagen; de toegekende

voordeelen hadden verscheidene personen uitgelokt, zich aldaar te

vestigen. Dat dit getal schielijk toegenomen was, blijkt o.a. uit

de rapporten, door Commissarissen uit het Hof van Policie, na hun

bezoek aldaar, uitgebragt. Zij toch stelden voor: om in plaats

van twee--vier schepenen te benoemen en, door eene behoorlijke

instructie der regtsmagt van burgemeester en schepenen, te bepalen,

om een chirurgijn, een predikant en een schoolmeester aan te stellen,

eene soort van weeskamer en een vendukantoor op te rigten, enz., enz.,

en zij getuigden tevens dat rust, vrede en eensgezindheid onder de

kolonisten heerschten. [328]

Waren die eerste berigten gunstig, zij werden helaas spoedig door

slechte vervangen. De vrede, rust en eensgezindheid duurde slechts

kort. Weldra kwamen er klagten der kolonisten over den burgemeester

Bulouw en diens aanmatiging, dan eens over de schepenen en over

den chirurgijn, dan weder van deze authoriteiten over de burgers;

de slaven werden soms deerlijk mishandeld en sommigen liepen weg en

waren niet gemakkelijk te achterhalen.

De notulen van dien tijd zijn met de discussiën over de kolonisatie

van het Oranjepad opgevuld. Van tijd tot tijd werden de ergste

onruststoorders veroordeeld om eene maand of 14 dagen in »de ketting"

aan het pad te werken of lijfstraffen te ondergaan, doch het baatte

niet; evenmin hielp de maatregel om Burgemeester Bulouw tegen wien

de klagten vermenigvuldigden in Januarij 1756 af te zetten en eene

andere regering aan te stellen. Eindelijk zag men het in: het terrein

met hooge onvruchtbare zandbergen en dalen, die bij regentijd in kleine

meeren werden herschapen, was ongeschikt; het hout voor de op te rigten

woningen moest van elders komen en zelfs bij de verstrekking van de,

volgens het project tien jaren lang aan te voeren, levensmiddelen,

moesten de bewoners zich kommerlijk behelpen. En hoe moest het later

gaan, indien die toevoer ophield? Reeds nu heerschte onder hen vele

ziekten, die hen den arbeid onmogelijk maakten,--»Het etablissement

voldoet niet, het geeft geen nut tegen de wegloopers en veroorzaakt

harddrukkende en ruïneuse lasten voor de kolonie", was de gedurig

herhaalde klagt in de vergaderingen van het Hof. Noode ging men er

toe over om aan de aanvraag voor meerdere slaven te voldoen. Aan het

verzoek om een predikant en een schoolmeester werd bijna niet gedacht

en spoedig besloot men der Sociëteit de opheffing dier kolonisatie

te verzoeken. [329]

Gedurende het bewind van van der Meer werden ook groote togten tegen

de wegloopers voorgesteld en ondernomen, doch meestal zonder goed

gevolg, en het denkbeeld van een met hen te beproeven vrede begon

reeds meer bijval te erlangen dan dat het ten tijde van Mauricius

door hem voorgesteld verwierf.

Van der Meer wenschte zoo veel mogelijk orde in de onderscheidene

collegiën en instellingen te bevorderen; zulks was echter steeds in

Suriname eene moeijelijke taak. Zeer beklaagde zich de Gouverneur

in zijn dagboek o.a. over de slechte en nonchalante wijze waarop de

Commissarissen van kleine zaken vergaderden en de zaken behandelden. Op

zekeren tijd lagen er sedert 14 dagen op het kantoor van den secretaris

55 sententiën om executie, waaraan de teekening ontbrak en op dat

van den exploiteur 41 stuks. [330]

De zaken der weeskamer waren en bleven ook zeer verward. De

weesmeesters klaagden gedurig over insultes hun door belanghebbenden

aangedaan, doch het bleek duidelijk, dat de aanleiding hiertoe

niet ontbrak, daar zij weldra om hunne slordige administratie

ontslagen werden en toen niet in staat waren om behoorlijk rekening

en verantwoording te doen en daarom op het fort Zeelandia een geruimen

tijd in arrest werden gezet. Provisioneel werden toen door van der Meer

twee andere weesmeesters aangesteld en een plan tot het oprigten eener

nieuwe Weeskamer aan Directeuren der Sociëteit medegedeeld, waartoe

dan ook, doch eerst na den dood van van der Meer, besloten werd. [331]

Van der Meer wenschte ook aan het meermalen herhaald verzoek van de

Classis van Amsterdam, om toch eindelijk een begin te maken met de

verkondiging van het Evangelie aan Heidenschen slaven, te voldoen;

tot aanmoediging hiervan deelde hij, in de vergadering van het Hof den

18den December 1755, de wijze mede, hoe daaromtrent in de Oost werd

gehandeld. Ernstig en gemoedelijk drong hij der vergadering deze zaak

ter overweging aan, doch zijn voorstel werd zeer koel ontvangen en

onder den indruk daarover schreef hij in zijn dagboek: »ik moet tot

mijn leedwezen zeggen, dat de Coloniërs niet zeer religieus zijn,"

[332] welke getuigenis zeer overeenstemt met dat hetwelk eenigen

tijd later door het Conventus Deputatorum werd afgelegd en als volgt

luidt: »Het moet Gode geklaagt zijn, dat de godsdienst hier te lande

in plaats van eenigzints herstelt te worden jaarlijks meer en meer

vervalt." Er was eene groote overredingskracht noodig om die mannen,

welke gewillig premiën van f 50 en f 100 voor het dooden van een

weggeloopen neger uitloofden, te bewegen eene som van f 200 à f 300 af

te staan ter bezoldiging van een onderwijzer voor »de Heidensche en

Mulatten kinderen." Hiertoe werd echter na vele discussiën besloten,

doch nu duurde het nog een geruimen tijd eer de geschikte persoon

gevonden was, en toen hij eindelijk gevonden werd, laadde men zoo

veel werk op zijne schouders door hem tevens als ondermeester op de

gewone school aan te stellen, dat de »Heidensche en Mulatten kinderen"

weinige vruchten van dat onderwijs konden plukken. De predikanten

spraken, wanneer zij in het Conventus Deputatorum waren gezeten,

meermalen over deze zaak, maar veel meer dan er over te spreken deden

zij niet; slechts bij uitzondering, slechts een enkele keer vindt men

iets van hunne pogingen om den Heidenen het Evangelie te verkondigen

vermeld. De onwil der meesters en het gebrek aan geld werden steeds

als de voornaamste hinderpalen voorgegeven. In Holland,--zoo liep

het gerucht--, waren erfmakingen ter bevordering van die prediking

gedaan. Men besloot toen, om Ds. Veyra, die in 1755 eene reis naar

Nederland zou doen, te magtigen aldaar een nader onderzoek daaromtrent

in te stellen. Bij diens terugkomst deelde hij mede: »dat zekere de la

Mourche voor dat doel »eene beurs" van f 17,000 aan de Waalsche kerk

had gelegateerd, doch dat het niet gemakkelijk was die beurs los te

krijgen." De eerwaarde heeren predikanten van Suriname beraadslaagden

hierover en de algemeene opinie was, om die zaak levendig te houden,

»omdat er mogelijk in het toekomende andere middelen zig konden opdoen

als omdat men zou kunnen beproeven, of men niet uyt die beurzen iets

tot augmentatie der predikanten-tractement hier te lande zou kunnen

bekoomen." [333] De predikanten, die in nuttelooze beraadslagingen den

kostbaren tijd verspilden, in plaats van met de vrome Hernhutters de

handen in een te slaan, om het rijk des Heeren uit te breiden, sloegen

dezen met een argwanend oog gade. De vrome Hernhutters verkondigden met

ijver en getrouwheid het Evangelie der genade aan de oude inboorlingen

des lands, de Indianen, en de Heer zegende dien arbeid der liefde. De

predikanten spraken op minachtenden toon over de bekeering van Indianen

»die zoo ver weg woonden." Zij begroetten de vrome Hernhutters niet

als mede-arbeiders in den wijngaard des Heeren;--integendeel, telkens

leest men in de Acta van het Conventus, wanneer over dezen gesproken

werd: »Men blijft hier tegen wakende"--of--»zoo die menschen (de

Hernhutters) zich mogten verstouten om iemand van de Gereformeerde

Religie te verleiden zal men hierover aan het Hof klagen." [334]

Van der Meer had met vele moeijelijkheden te kampen en hieronder waren

de gedurige verschillen tusschen de onderscheidene authoriteiten

niet de minste. Dan, kort duurde die strijd; zijne krachten namen

af; het voeren van de teugels des bewinds werd hem eene zware taak,

en weldra riep de Heer hem van het tooneel dezes levens af: den 16den

Augustus 1756 presideerde hij voor het laatst de vergadering van het

Hof van Policie, en reeds 8 dagen later, den 24sten Augustus 1756,

blies hij den laatsten adem uit.

Daar de Commandeur Crommelin in de maand Maart uit de kolonie was

vertrokken om eene reis naar het vaderland te doen, liet de Raad

Fiskaal Mr. G. Curtius de leden van het Hof bijeen roepen en deelde

in die buitengewone vergadering het overlijden van Van der Meer mede;

eene geheime missive van HH. Directeuren, die eerst na het overlijden

van Van der Meer mogt worden bekend gemaakt, werd voorgelezen, en

uit derzelver inhoud bleek, dat HH. Directeuren, bij absentie van

Crommelin, den tweeden raad Fiscaal Jan Nepveu het Interims-bestuur

opdroegen, en, wat wel als eene bijzonderheid mag worden vermeld,

de Raden van Policie namen hierin volkomen genoegen. Nepveu won hun

advies in en nog in dezelfde vergadering werd de publicatie vervaardigd

bij welke Nepveu zijn optreden als Interims-Gouverneur der burgerij

bekend maakte. De geest van oppositie tegen Nepveu die voor weinige

jaren zoo hevig was, scheen geweken te zijn.

Slechts een korten tijd duurde dit Interims-bestuur.--De definitieve

uitvaardiging der verhoogde belasting, waartoe reeds onder Van der

Meer in het vorige jaar besloten was, vond nu plaats. [335] De boete

op het bedanken voor de betrekking van Raad van Policie werd van

f 3000 tot f 6000 gebragt [336]; de Burgerwacht, die, in plaats van

volgens het doel harer instelling, ongeregeldheid te voorkomen en

tegen te gaan, integendeel tot vermeerdering daarvan bijdroeg, werd

afgeschaft [337]; de hevige twisten onder de bewoners van het Oranjepad

werden door krachtige maatregelen voor een oogenblik bedwongen, doch

berstten daarna des te heviger uit [338]; een groote togt tegen de

wegloopers werd ondernomen, doch bleef zonder goed gevolg. Ziedaar

de voornaamste bijzonderheden tijdens het korte Interims-bestuur van

Nepveu voorgevallen.

Den 27sten December 1756 gaf Nepveu het Hof kennis, dat de

heer Crommelin was geretourneerd en dat, volgens de acte van

HH. Directeuren, het Interims-bewind op hem moest overgaan, doch

de leden van het Hof verklaarden hiertoe niet gezind te zijn;

onder allerlei voorwendsels zochten zij de regtmatigheid hiervan

te betwisten, en ofschoon Nepveu bepaald op de uitvoering van het

bevel der sociëteit aandrong, bleven de Raden van Policie weigeren om

ter vergadering te verschijnen, tenzij zij door Nepveu geconvoceerd

werden. Eerst den 23sten Januarij 1757 gingen zij, na verscheidene

conferentiën, er toe over om Crommelin als Interims-Gouverneur te

erkennen, en den 7den Februarij 1757 presideerde hij als zoodanig de

vergadering van het Hof van Policie [339]. Den volgenden dag hield

Crommelin eene rede waarbij hij den wensch der Directeuren naar

eene goede verstandhouding tusschen hem en het Hof, naar onderlinge

harmonie, vrede en vriendschap te kennen gaf. Hierop antwoordden

de Raden, dat dit mede hun wensch was en dat zij genegen waren den

Interims-Gouverneur te respecteren--maar dat zij dan verwachtten »dat

ook hun karakter voortaan door hem zou worden gemaintineerd." [340]

Crommelin was niet zeer bemind; zijne gehechtheid aan de Sociëteit,

die hem dan ook ruimschoots met geld en eere beloonde, deed hem te

veel in tegenspraak met de kolonisten komen.

Spoedig vorderden belangrijke zaken de geheele aandacht. De opstand

der slaven in de Tempatie-kreek, op bldz. 151-53 vermeld, bragt

de kolonie in rep en roer, en de maatregelen om dezen opstand te

stuiten, eischten zooveel overleg dat de andere kwestien daardoor

voor een oogenblik op den achtergrond geschoven werden [341]. Aan de

onderscheidene collegiën en ook aan bijzondere personen werd de vraag

voorgelegd, hoe men het best tegen de steeds in aantal toenemende

wegloopers zou handelen. Verschillende antwoorden kwamen hierop in;

de voornaamste inhoud daarvan kwam hierop neder:

De meesten waren voor strenge vervolging door militairen en burgers,

verhooging der premies voor het vangen en dooden van weggeloopen

slaven, zoo mogelijk vernietiging van het »gespuis"--(officieele term),

waartoe men volgens sommigen ook met goed gevolg een vrij corps van

slaven kon oprigten, welken men daartoe de vrijheid schenken en in

den wapenhandel oefenen moest; anderen stelden voor om te beproeven

met een gedeelte der wegloopers vrede te sluiten; weder anderen

wilden Fransche emigranten uitnoodigen om zich in Suriname, tegen

genot van eenige voordeelen, op die punten te vestigen, waar zij als

voorposten tegen de wegloopers nuttig konden zijn.--Heerschte over het

een en ander verschil van gevoelen, in één punt waren allen het eens,

namelijk: dat men de kosten zoo weinig mogelijk op de kolonisten moest

brengen [342]. Van tijd tot tijd zijn deze maatregelen beproefd,

slechts die van de vestiging van Fransche Emigranten is wegens de

vele moeijelijkheden daaraan verbonden, achterwege gebleven.

Den 15den September 1757 ontving Crommelin het berigt zijner

definitieve aanstelling als Gouverneur, terwijl Nepveu, wiens

verdiensten door de Sociëteit zeer op prijs werden gesteld, tot

ontvanger der Hoofdgelden werd benoemd [343].

Niet slechts de Sociëteit, maar ook de heeren Deutz en Comp., de

groote geldschieters, vereerden Nepveu met hun vertrouwen.

Genoemd kantoor droeg hem en zekeren heer G. Kaeks op, om zijne

belangen in de kolonie te vertegenwoordigen [344]; en indien de een

of andere planter zijne verhypothekeerde plantaadje of een gedeelte

derzelve wilde verkoopen en daartoe magtiging van het Hof verzocht,

werd eerst het oordeel van de heeren Nepveu en Kaeks, als gemagtigden

van de heeren Deutz en Comp., ingewonnen.

In 1758 circuleerde in de kolonie een zeker geschrift, hetwelk

men voorgaf eene copij te zijn eener op 30 April 1757 opgemaakte

rekening-courant van hetgeen de planters aan het kantoor van Deutz

schuldig waren. Volgens dit geschrift bedroeg het saldo daarvan

de aanzienlijke som van f 4,628,365.12; de namen van vele der

aanzienlijkste ingezetenen en voornamelijk van een groot aantal joden

kwamen daarop voor. De gemagtigden der heeren Deutz beklaagden zich

hij het Hof over deze handeling, waardoor verscheidene personen meer

of minder gecompromitteerd werden, en noemden »deze notitie erronneus,

valsch en gesupposeert." Crommelin zond eene onderschepte copij daarna

naar de Directeuren der Sociëteit [345].

Niettegenstaande de reeds op bldz. 233-36 vermelde voorzorgen ter

verzekering van de regten der geldschieters genomen, kwamen er

spoedig klagten van het kantoor J. F. Marselis, opvolger van Deutz,

over gepleegde kunstenarijen in het priseren der plantaadjes, welke

kunstenarijen bij verkoop van verhypothekeerde plantaadjes aan het

licht kwamen. [346] Ter voorkoming hiervan, werd door het hof den

8 Feb. 1764 besloten om: »de instructie der priseurs te scherpen en

vooral de hand te houden aan de bepaling, dat het Hof iedere taxatie

naauwkeurig zoude nagaan, van welk besluit den Directeuren der

Sociëteit berigt werd gegeven, met het verzoek om naar hun vermogen

het wankelend crediet der kolonie te schragen. [347] Doch dit crediet

was zoo zeer geknakt, dat men te Amsterdam huiverig werd om gelden

op Surinaamsche plantaadjes te leenen. Eerst na vele vruchtelooze

pogingen bij verscheidene kooplieden, gelukte het eindelijk den heer

van de Poll over te halen, om nog een millioen gulden à 6 pCt. op

Surinaamsche plantaadjes voor te schieten. [348]

Behalve het vaststellen van den interest op 6 pCt. 's jaars, hield

dit project de voorwaarde in, dat het door den heer Harmen van de Poll

verstrekte geld 10 jaren lang zou vaststaan, doch dat in de volgende

10 jaren telken jare 10 pCt. moest worden afgelost. De interesten en

aflossingen moesten in producten geschieden; de geldopnemer verbond

zich ook om alle producten zijner plantaadje te consigneren aan het

kantoor der geldschieters--welke van hunne zijde aan de aanvrage om

levensmiddelen en provisiën moesten voldoen. De makelaars zouden

2 1/2 pCt. courtageloon genieten. Na eenige wijzigingen werd dit

project goedgekeurd. [349]

Enkelen in Suriname zochten van het gebrek aan geld, dat aldaar zoo

dikwijls voorkwam, partij te trekken door gelden tegen zeer hooge

interesten te leenen, (woeker te drijven). Reeds vroeger waren

meermalen bepalingen hier tegen gemaakt, o. a. in den tijd van den

Gouverneur Joan Raye, die een placaat uitvaardigde tegen het nemen

van hooge interesten, toen door sommigen 30, 40, 50, ja meer dan 60

pCt. interest gevorderd werd. [350] Het door gemelden Gouverneur Joan

Raye uitgevaardigd placaat werd thans vernieuwd en geamplieerd. Het

nemen van hooger interest dan 8 pCt. 's jaars werd verboden op de

boete van f 500 voor de eerste overtreding, en f 1000 voor de tweede,

enz. [351]

Om in de schaarschte van contant geld te voorzien, werd in het Hof

voorgesteld om looden geld te laten vervaardigen, doch daar deze

maatregel niet door de meerderheid goedgekeurd werd, trok men het

voorstel weder in. Een ander voorstel om cartonnen of kaartengeld,

met het kleine 's lands zegel voorzien, te doen maken, vond meerder

bijval en weldra ging men hiertoe over. In de vergadering van het

Hof van 19 Mei 1761 werd tot de eerste uitgifte van dit kaartengeld

besloten, namelijk voor f 12,000--Surin.--4000 stuks à f 3. [352]

Spoedig werd er meer van dit papieren geld, hetgeen in eene groote

behoefte voorzag, gemaakt; reeds in hetzelfde jaar besloot men

herhaaldelijk tot nieuwe uitgifte er van: volgens resolutie van

12 Sept. 1761 voor f 10,000 in kaarten van f 2 1/2.

4 Oct. 1761 voor f 10,000 in kaarten van f 2 1/2.

4 Dec. 1761 voor f 20,000 in kaarten van f 2 1/2. [353].

In Februarij 1762 werd door het Hof een verzoekschrift aan

H.H.M. gerigt, om een in Suriname alleen gangbare geldmunt te mogen

hebben. Ofschoon Directeuren der Sociëteit dit verzoek ondersteunden,

wezen H.H.M. het echter van de hand. Men ging daarop voort met het

maken van kaartengeld, in

October 1762 voor f 25,000 à f 2 1/2.

9 Mei 1763 voor f 25,000 à f 2 1/2.

20 Dec. 1763 voor f 120,000 à f 3.

In Februarij 1764 voor f 100,000, als: voor f 30,000 à f 1 en

voor f 70,000 à f 10,

in Aug. 1764 voor f 50,000 à f 10.

Een gedeelte van dit kaartengeld besloot men als eerste hypotheek op

huizen of andere vaste effecten uit te zetten voor den tijd van 3 jaren

en tegen 8 pCt 's jaars. Hiervan werd spoedig gebruik gemaakt. Reeds

den 6den December 1764 berigtte de ontvanger der Modique lasten, dat

er voor f 83,113 van genoemd kaartengeld op hypotheek geplaatst was,

en van 1762 tot 1767 ontving de koloniale kas als interest daarvan

f 48,188,13,14 1/5. Men bezigde het ook om publieke kantoren in

staat te stellen de vereischte betalingen te doen. Men maakte er

voornamelijk gebruik van om de kas tegen de wegloopers bij te staan;

het eerst in 1765 met eene som van f 100,000. [354]

Dit kaartengeld moest ieder in de kolonie in betaling ontvangen,

doch de schippers konden het bij hun vertrek voor wissels op het

kantoor der Modique lasten inruilen, waar men het tot betaling der

bedienden gebruikte.

De Directeuren der Sociëteit vonden echter zwarigheid in die gestadige

vermeerdering van het kaartengeld en schreven daarom Gouverneur en

Raden, om de som van f 100.000--die aan de kas tegen de wegloopers

geleend was, in te trekken en dit kaartengeld te verbranden. [355]

Om eenigzins aan het gebrek aan contanten te gemoet te komen, zonden

Directeuren, op verzoek van het Hof [356], van tijd tot tijd contant

geld naar Suriname (in 1764 o. a. voor 16.400); doch zulks baatte niet:

dit geld toch kwam naauwelijks in omloop of het verdween uit de kolonie

door de betaling voor diverse goederen aan de schippers. Evenmin

bragt de maatregel om ter faciliteering en aanmoediging tot aanvoer

van contanten een agio of opgeld van 5 procent te stellen eenige

gunstige verandering in den toestand van zaken. [357] Winkeliers

en andere negotianten maakten daarop zelve kaartjes, een soort van

bons, waarop zij naar willekeur sommen schreven. Het Hof wenschte

wel dit onregelmatig betaalmiddel door een verbod te doen ophouden;

doch zij wezen op de moeijelijkheid om bij gemis hiervan met elkander

af te rekenen. Toen Directeuren bleven aanhouden op de vernietiging

van het kaartengeld [358] gehoorzaamde men niet onmiddellijk, maar

stelde de Sociëteit de voordeelen van het officieele kaartengeld voor

oogen en vroeg haar verlof tot eene nieuwe uitgifte van f 350.000,

die eindelijk toegestaan werd.

Toen Crommelin het bewind aan van der Meer overdroeg, had hij

getuigd dat thans niet slechts vrede, eendragt en vriendschap in

de beide hoven, maar ook tusschen de ingezetenen onderling heerschte

[359]. Weldra echter kwamen moeijelijkheden dien vrede, die eendragt en

die vriendschap verstoren. Steeds waren het dezelfde oorzaken, slechts

eenigzins door omstandigheden gewijzigd, als: verschil tusschen de

Sociëteit en de Raden van Policie over de kosten der verdediging tegen

binnen- en buitenlandsche vijanden, over de begeving van ambten, over

de rangregeling tusschen Raden van Policie en sociëteits-ambtenaren

als fiscaal, secretaris enz., en over de grenzen der regtsmagt in

het straffen der militairen in Communis delictums.

De Gouverneurs, voorstaande de belangen der Sociëteit, die hen

aanstelde en bezoldigde, kwamen daardoor ieder oogenblik in tegenspraak

met de Raden van Policie, die van hunnen kant uitsluitend de belangen

der ingezetenen op het oog hadden. Hoewel deze laatsten meermalen

het regt aan hunne zijde hadden, zoo is het tevens niet te loochenen,

dat zij--trotsche republikeinen als zij waren,--vaak de geringste daad

der Gouverneurs, waardoor zij vermeenden in hunne regten gekrenkt te

worden, als despotismus uitkreten en daardoor dikwerf de uitvoering

van een maatregel die in het algemeen belang was, belemmerden.

Crommelin met een driftig en oploopend gestel, miste de tact om,

bij verschil van gevoelens, zijne tegenstanders op minzame wijze te

overtuigen of hen ten minste niet te verbitteren. Zijne mannelijkheid

en degelijkheid van karakter echter, die hem den sterksten tegenstand

niet deed vreezen, waar hij vermeende tot zelfstandig handelen geroepen

te zijn, stelden hem in staat maatregelen in het belang der kolonie

ten uitvoer te leggen, waarvoor Mauricius was teruggedeinsd. Soms

evenwel dreef hij stijfhoofdig zaken door, waartegen de Raden zich

met regt verzetteden.

Jegens de slavenbevolking was hij »on doit juger les esprits après

leurs dates"--niet kwalijk gezind en trachtte, doch vruchteloos,

de verregaande mishandelingen dier armen tegen te gaan.

De aanleiding tot een hevigen strijd in het Hof kwam van de zijden der

Sociëteit. Crommelin deelde in de zitting van het Hof van 11 Februarij

1760 mede, dat Directeuren der Sociëteit, in overleg met eenige

belanghebbenden in Surinaamsche plantaadjes, (Amsterdamsche kooplieden)

het plan hadden gevormd om op nieuw 600 man troepen ter versterking

der reeds bestaande krijgsmagt naar de kolonie te zenden. De Raden

oordeelden dat, bij den gehoopten vrede met de boschnegers, waardoor

minder zoogenaamde commando's noodig zouden zijn, volstrekt geen

behoefte aan zulk eene versterking der krijgsmagt bestond en dat

men alzoo de ingezetenen niet noodeloos met meerdere kosten moest

bezwaren. Dit oordeel der Raden werd aan Directeuren bekend gemaakt;

doch deze heeren verleenden hieraan weinig aandacht of wachtten het

zelfs niet af, want reeds den 26sten Junij 1760 berigtte Crommelin

dat het vroeger genoemde plan ten uitvoer zou worden gelegd en dat

men reeds de approbatie van H.H.M. hierop had verkregen.

Geschiedenis van Suriname · 第 19 / 86 题