Den volgenden dag, tegen twaalf uren, stonden de knapen bij den dooden
boom om hun gereedschap te halen. Tom brandde van verlangen om naar
het spookhuis te gaan. Huck was minder opgewonden en zeide:
"Zeg eens, Tom: weet jij wat dag het is?"
Tom doorliep in gedachten de dagen der week en hief toen verschrikt
de oogen op.
"Hemel, ik heb er in 't geheel niet aan gedacht, Huck."
"Ik ook niet, maar op eens schoot het mij te binnen, dat het wel
Vrijdag kon zijn."
"Bewaar me; een mensch kan niet te voorzichtig wezen. Wij konden er
wel eens inloopen, door zoo iets op Vrijdag aan te vangen."
"Konden! Zeg liever zouden. Er zijn misschien geluksdagen, maar
Vrijdag is er geen."
"Dat weet elke gek. Ik geloof niet, dat jij de eerste bent, die dat
uitgevonden hebt, Huck."
"Nu, ik heb niet gezegd dat ik het was, heb ik wel? En het is
niet alleen omdat het Vrijdag is; ik heb van nacht akelig gedroomd
ook,--van ratten."
"'t Is toch niet waar? Een zeker teeken van naderend onheil! Vochten
zij?"
"Neen."
"Dat is tenminste nog een zegen, Huck. Wanneer zij niet vechten,
is het alléén maar een teeken dat er een onheil _kan_ komen. We
behoeven dus niets te doen dan scherp toe te kijken en ons niet in
gevaar te begeven. Wij zullen het graven vandaag maar laten en liever
gaan spelen. Ken je Robin Hood, Huck?"
"Neen, Wie is Robin Hood?"
"Wel, hij was een van de grootste mannen van Engeland en van de beste
ook. Hij was een roover."
"Heerejé, ik wou dat ik hem was. En wat heeft hij gekaapt?"
"Alleen maar bisschoppen en rijke lui en koningen en zulk volk. Maar
hij plaagde de arme lui nooit. Hij had ze lief en deelde alles eerlijk
met hen."
"Zoo, dan moet hij een beste kerel geweest zijn!"
"Waarachtig was hij dat, Huck. Hij was de grootmoedigste man, die ooit
heeft bestaan. Je hebt tegenwoordig zulke lui niet meer, daar ben ik
zeker van. Hij kon, met zijne handen achter zijn rug gebonden, elken
Engelschman afranselen, en met zijn boog van taxishout, op anderhalve
mijl afstand, een stuivertje doorboren, zonder ooit te missen."
"Wat is een boog van taxishout?"
"Dat weet ik niet. 't Is een boog, dat is zeker. En als hij het
geldstuk een enkelen keer aan den kant raakte, dan raasde en tierde
hij als een kind.--Kom laten wij Robin Hood spelen; 't is een prettig
spel. Ik zal het je leeren."
Ze speelden den geheelen middag Robin Hood, terwijl zij nu en dan
een verlangenden blik op het spookhuis wierpen en spraken over de
plannen en vooruitzichten voor den volgenden dag. Toen de zon in het
westen onderging, wandelden zij langs de breede schaduwen der boomen
naar huis en waren in de bosschen van Cardiff Hill spoedig uit het
gezicht verdwenen.
Zaterdagmiddag waren de knapen weder bij den dooden boom.
Eerst zaten zij in de schaduw een poosje te rooken en te babbelen
en gingen toen het gemaakte gat weder opgraven. Zij deden dat, niet
omdat zij groote verwachtingen hadden, maar alleen omdat Tom gezegd
had, dat het dikwijls gebeurd was, dat menschen, toen zij den schat
tot op een duim na bereikt hadden, het opgegeven hadden, en dat er
toen anderen gekomen waren, die met één stoot van de spade hem te
voorschijn hadden gehaald.
Hun streven mislukte echter ditmaal en ze namen daarom hun gereedschap
maar weder op en gingen heen, niet met de gedachte dat zij met
de fortuin een loopje hadden genomen, maar in de overtuiging dat
zij aan alle voorwaarden, aan het delven naar schatten verbonden,
hadden voldaan.
Toen zij het spookhuis naderden, was er iets zoo akeligs en
huiveringwekkends in de doodelijke stilte onder de brandende zon en
iets zoo neerdrukkends in de eenzame, verlatene plaats, dat zij een
oogenblik bang waren om binnen te gaan. Zij kropen naar de deur en
keken bevend door een reetje. Zij zagen een met onkruid begroeide,
van vloer beroofde kamer, zonder behangsel, met een ouderwetsche
haardstede, vensters zonder gordijnen en een bouwvallige trap,
en overal flarden van spinnewebben. Toen traden zij met versnelden
polsslag, fluisterende stem, gretige ooren en gezwollen spieren binnen,
gereed om desnoods onmiddellijk weder den aftocht te blazen.
Een oogenblikje later, toen hun blik aan de huiveringwekkende
omgeving was gewend, verminderde hun angst en namen zij de plaats
nauwkeuriger op, vol verbazing en verwondering over hun eigen
stoutmoedigheid. Daarop wilden zij boven een kijkje nemen. 't Had
iets van zich den terugweg af te snijden, maar zij zagen elkander met
moedige blikken aan en kwamen tot een kloek besluit om hun gereedschap
in een hoek te werpen en de trap te beklimmen. Boven vertoonden zich
dezelfde teekenen van verval. In een donkeren hoek vonden zij een
kabinetje, dat iets geheimzinnigs beloofde; doch die belofte bleek
ijdel te zijn, want het was ledig. Zij hadden thans moed verzameld
en waren gereed hunne onderneming door te zetten. Juist toen zij naar
beneden wilden stappen om aan het werk te gaan, zeide Tom: "Stil!"
"Wat is er?" fluisterde Huck, bleek van schrik.
"Stil! Daar! Hoort gij het?"
"Ja, O, heer! Laat ons wegloopen!"
"Houd je stil! Beweeg je niet! Zij komen naar de deur toe."
De jongens gingen plat op den grond liggen en keken door de openingen
tusschen de planken, in doodangst afwachtende wat er gebeuren zou.
"Zij houden stil," fluisterden zij eindelijk.
"Neen--zij komen! Hier zijn zij! Geen woord meer, Huck. Goede hemel,
ik wou dat ik er uit was!"
Twee mannen traden binnen. De knapen dachten:
"Dit is de oude, doofstomme Spanjaard, die onlangs een paar malen in
de stad is geweest, en den anderen man heb ik nooit gezien."
De andere was een havelooze bandiet, ongekamd en ongeschoren, met een
hoogst ongunstig uiterlijk. De Spanjaard was in eene _serape_ gehuld;
hij had zware, witte bakkebaarden, lang wit haar, dat golvend onder
zijn hoofddeksel te voorschijn kwam en hij droeg groene ooglappen. Toen
zij binnentraden, begon de "andere" heel zacht te spreken. Zij zetten
zich op den grond neder, het gelaat naar de deur gekeerd en met den
rug tegen den muur, en de "andere" hervatte zijn gesprek. Hij werd
iets minder omzichtig in houding en gebaren en zijne woorden werden
gaandeweg duidelijker.
"Neen," zei hij, "ik heb er goed over gedacht en ik heb er geen zin
in: het is gevaarlijk."
"Gevaarlijk?" gromde de doofstomme Spanjaard, tot verbazing der
knapen. "Gevaarlijk, melkbaard?"
Deze stem deed de knapen beven en naar adem snakken. Het was die van
Injun Joe!
Er volgde een oogenblik van stilte, waarop Joe hernam:
"Wat kan gevaarlijker zijn dan die karwei van daarginds--en er is
toch niets van gekomen."
"Dat was heel wat anders. Dicht bij de rivier en geen enkel huis in
de nabijheid. 't Zal nooit bekend worden, dat wij het beproefd hebben,
vooral niet daar het mislukt is."
"Wel, wat kan gevaarlijker zijn dan over dag hier te komen? Ieder,
die ons ziet, kan argwaan krijgen!"
"Dat weet ik, maar er was geen andere plaats geschikt na die malle
karwei. Ik hunker er naar dit hol te verlaten. Ik wou gisteren al
gaan, maar er was geen denken aan zich buiten te wagen, met die
helsche jongens, die bij den heuvel speelden."
De "helsche jongens" beefden bij dit gezegde en dachten hoe gelukkig
het was, dat zij zich herinnerd hadden dat het Vrijdag was en dat
zij tot het besluit waren gekomen een dag te wachten. Zij wenschten
in hun hart, dat zij het een jaar hadden uitgesteld.
De twee mannen haalden eenig voedsel voor den dag en begonnen te
eten. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen zeide Injun Joe:
"Kijk eens, jongen: ga jij naar de rivier, waar je behoort, wacht daar
totdat je van mij hoort. Ik zal het er op wagen nog wat hier in de
stad te blijven om den boel op te nemen. Wij zullen dat gevaarlijke
karweitje ondernemen, als ik alles goed bespionneerd en bemerkt
heb dat de kansen goed staan. En dan naar Texas. Wij zullen eerlijk
samen deelen."
De andere was met dit plan tevreden.
Onderwijl raakten de beide mannen aan het gapen en Injun Joe zeide:
"Ik ben dood van den slaap! 't Is jouw beurt om te waken."
En hij rolde zich in het onkruid en begon te snorken. Zijn metgezel
stootte hem een paar malen aan en hij werd rustig. Daarop begon de
waker te knikkebollen; zijn hoofd zonk lager en lager en beiden hieven
thans een duo van snorken aan.
De knapen haalden dankbaar adem. Tom fluisterde:
"Nu de kans waarnemen, kom!"
Huck zeide: "Ik kan het niet doen;--Ik zou sterven, indien zij
ontwaakten."
Tom smeekte en Huck bleef weigeren. Eindelijk stond Tom zachtjes
op on alleen te vertrekken. De eerste stap echter, dien hij deed,
veroorzaakte zulk een afschuwelijk gekraak in den vloer, dat hij
bijna dood van schrik nederviel. Hij waagde geen tweede poging. De
knapen telden de traag verloopende oogenblikken, totdat het hun was
alsof de tijd was geëindigd en de sombere eeuwigheid een aanvang had
genomen. Eindelijk bemerkten zij tot hun vreugde dat de zon onderging.
Nu hield het gesnork van een der mannen op. Injun Joe richtte zich
op, zag rond, keek boosaardig glimlachend naar zijn metgezel, stootte
hem met zijn voet aan en zeide:
"Hoor eens! jij bent een goede waker, dat ben je."
"Nu, er is toch niets gebeurd."
"Niet? Heb je geslapen?"
"Och, zoo wat gesluimerd. 't Is haast tijd voor ons om op te rukken,
kameraad. Wat zullen wij doen met den kleinen buit, waarvan wij ons
meester gemaakt hebben?"
"Ik weet het niet. Hier laten zooals wij altijd doen. Wij hebben haar
niet noodig, voordat wij naar het zuiden gaan. Zeshonderd vijftig in
zilveren munt is een last!"
"Nu, goed dan. Maar dan behoeven wij hier ook niet terug te komen."
"Zou je denken? Wel, ik geloof dat het veilig is hier de nachten door
te brengen, zooals gewoonlijk; ja, dat is beter."
"Ja, maar, kijk eens: het kan nog wel lang duren eer wij eene
goede gelegenheid hebben voor dat andere karweitje;--er kan iets
tusschenbeide komen en het is niet zoo'n heel veilige plaats. Wij
zullen den buit liever begraven, en diep ook."
"Dat is een goede inval," zeide zijn kameraad en liep naar het andere
eind der kamer, knielde voor den haard neder en haalde tusschen
de steenen een zak te voorschijn, die een liefelijk geklingel deed
hooren. Hij nam er twintig of dertig dollars uit voor zich zelven en
even zooveel voor Injun Joe en reikte den zak toen aan den laatste
over, die in een hoek van het vertrek op zijne knieën zat en bezig
was met zijn snoeimes een gat te graven.
In een oogenblik vergaten de knapen hun vrees en hunne ellende. Met
fonkelende oogen sloegen zij elke beweging gade. 't Was een onmetelijke
schat! Zeshonderd dollars!--geld genoeg om een half dozijn jongens rijk
te maken. Hier bood zich eene gelegenheid tot het graven van schatten
aan onder de gelukkigste voorteekenen. Hier was geene kwellende
onzekerheid omtrent de plek waar gegraven moest worden. Zij stootten
elkander gedurig aan,--met gebaren, die zeggen wilden:
"O, zijt gij niet blijde, dat wij hier zijn?"
Onder het graven stootte Joe's mes op een hard voorwerp.
"Heila!"
"Wat is het?" vroeg zijn kameraad.
"Een half verrotte plank,--neen, het is een kist, geloof ik. Kom,
help een handje en wij zullen zien wat het is. Pas op, ik heb er een
gat in gestooten."
Hij reikte hem de behulpzame hand en zij trokken het voorwerp naar
boven.
"Man, het is geld!"
De beide mannen haalden een handvol klinkende munt voor den dag. Het
waren goudstukken. De jongens boven hun hoofd waren even opgewonden
en verrukt als zij.
Joe's kameraad zeide:
"We zullen eens gauw zien hoeveel er in zit. Wacht, ik heb in een hoek
onder den schoorsteen een roestige bijl onder het onkruid zien liggen."
Hij liep weg en haalde de bijl en spade der knapen. Injun Joe nam
de bijl op, bekeek haar nauwkeurig, schudde het hoofd, mompelde iets
tusschen zijne tanden en ging er toen mede aan het werk.
De kist was spoedig opgedolven. Zij was niet zeer groot, met ijzer
beslagen en moest zeer sterk geweest zijn, voordat de tijd haar
beschadigd had. De mannen beschouwden den schat een poos onder zalig
stilzwijgen.
"Kameraad, er zitten duizend dollars in!" zeide Injun Joe.
"Zij zeggen, dat de rooverbende van Murrel hier een zomer heeft
rondgezworven," merkte de vreemdeling op.
"Dat weet ik wel," zeide Injun Joe, "en nu ik dit zie, geloof ik
het bepaald."
"Nu behoeven wij die andere karwei immers niet te doen," zeide
de ander.
De kleurling fronste het voorhoofd en zeide:
"Je kent me niet, of je weet niet van die zaak. 't Is niet om te
stelen,--maar om wraak te nemen!" En er flikkerde een boosaardig licht
in zijne oogen. "Ik heb je hulp er bij noodig. Zoodra het geschied
is, gaan wij naar Texas. Ga jij maar naar huis, naar je wijf en je
kinderen, en wacht totdat je van mij hoort."
"Nu, als je het zegt, zal ik het doen. Wat zullen wij met deze kist
uitvoeren? Haar weder begraven?"
"Ja!" (Een inwendig gejuich op de bovenverdieping). "Neen, bij
den grooten Sachem, neen!" (Een diepe neerslachtigheid boven.) "Ik
had het haast vergeten: op die bijl zit versche aarde." (De knapen
beefden van schrik). "Wat doen hier een bijl en een spade? Hoe zit
er versche aarde aan? Wie heeft die hier gebracht, en waar zijn zij
heengegaan? Heb je niemand gehoord of gezien?--Wat! die kist weer
begraven en permissie geven om hier te komen, on te zien dat de vloer
omgewoeld is? Dat nu niet bepaald!--niet bepaald! Wij zullen de kist
medenemen naar mijn hol!"
"Dat is goed. Jammer dat wij dit niet eerder bedacht hebben. Gij
meent numero één?"
"Neen," "numero twee,"--onder het kruis. De andere plaats is te slecht
en te gemeen."
"Goed; 't is bijna donker genoeg om te vertrekken."
Injun Joe stond op, ging van het eene raam naar het andere en zag
voorzichtig naar buiten. Daarop zeide hij:
"Wie zou dit gereedschap hier gebracht hebben? Denk je, dat ze boven
kunnen zijn?"
De knapen hielden hun adem in. Injun Joe legde zijne hand op zijn
mes, hield een oogenblik besluiteloos stil en stapte toen naar
de trap. De knapen dachten aan het kabinetje, maar hun kracht was
gebroken. Voetstappen kraakten op de trap.--De vreeselijke toestand,
waarin zij zich bevonden, wakkerde de laatste vonk van moed in hun hart
nog eens op;--zij waren op het punt om in het kabinetje te springen,
toen zij een gekraak van verrot hout hoorden. Injun Joe lag op den
grond, onder de brokstukken der vermolmde trap! Hij stond op met een
vloek en zijn kameraad zeide:
"Nu, wat doet er dat toe of er iemand boven is;--laten zij er
blijven--wat raakt het! Indien zij naar beneden willen springen en
den nek breken--wie belet het hun? Het zal binnen vijftien minuten
donker zijn-- en dan kunnen zij ons volgen, indien zij willen; ik ben
gereed hen te ontvangen. Ik geloof, dat de lui die deze dingen hier
in gesleept hebben, ons hebben gezien en ons voor duivels of spoken
of zoo iets hebben gehouden. Ik wed, dat zij nog aan den haal zijn."
Joe mompelde eenige onverstaanbare klanken en toen stemde hij met
zijn kameraad in, om van het karige daglicht gebruik te maken en te
vertrekken. Kort daarna slopen zij in de schemering het huis uit en
stapten met hunne kostbare lading naar de rivier.
Tom en Huck stonden bevend, maar met een gevoel van verlichting op en
staarden hen door de reten tusschen de planken na. Volgen? Neen! Zij
waren tevreden, toen zij den vasten bodem weder bereikten en zonder
den nek gebroken te hebben, over den heuvel naar huis konden gaan. Zij
spraken niet veel, daar zij te zeer verdiept waren in zelfverwijt
en woede tegen het noodlot, dat hun de spade en de bijl daar had
doen neerzetten. Indien die er niet gestaan hadden, zou Injun Joe
nooit argwaan gekoesterd hebben. Hij zou het zilver met het goud
daar verborgen hebben, totdat hij aan zijn plan van wraakneming had
voldaan. En dan zou hij ondervonden hebben, wat het zegt een schat
niet meer te vinden. 't Was een bitter noodlot, dat het gereedschap
daar gebracht had. Zij besloten een oog te houden op den Spanjaard,
wanneer hij naar de stad zou gaan, om zijne kans voor zijn wraakzuchtig
plan waar te nemen en namen zich voor "numero twee" op te sporen,
waar het ook zijn mocht.
Op eens schoot Tom eene vreeselijke gedachte door de ziel.
"Wraak! Wat, indien hij ons bedoelt, Huck?"
"O, neen," zeide Huck, en viel bijna flauw van schrik.
Zij praatten nog geruimen tijd over het vreeselijk geval, en toen
zij de stad binnentraden, kwamen zij tot het besluit te gelooven,
dat het ook wel iemand anders kon zijn,--ten minste dat hij niemand
anders kon bedoelen dan Tom, daar deze de eenige was geweest die
getuigenis had afgelegd.
Het was een zeer magere troost voor Tom, dat hij alleen maar in gevaar
was. Gezelschap zou naar zijne meening verkieslijker zijn geweest.