Tom werd dien nacht in zijne droomen vreeselijk gekweld door het
avontuur van den vorigen dag. Vier malen had hij zijne handen op
den kostbaren schat gelegd en vier malen ook gleed die, wanneer de
slaap hem begaf en het ontwaken hem tot de werkelijkheid terugbracht,
tusschen zijn vingers door.
Toen hij in den vroegen morgen al die bizonderheden van die
merkwaardige gebeurtenis nog eens voor den geest riep, scheen ze hem
wonderbaar ver af en lang geleden, alsof zij in een andere wereld
of in een lang verloopen tijdperk had plaats gehad. De gedachte kwam
zelfs in hem op, dat het groote avontuur misschien niets geweest was
dan een droom. Er was een krachtige bewijsgrond voor dat denkbeeld bij
te brengen, deze namelijk, dat de hoeveelheid muntspecie, die zijne
oogen hadden aanschouwd, te kolossaal was om werkelijkheid te wezen.
Hij had nooit in zijn leven vijftig dollars bijeen gezien en hij
geleek daarin op alle knapen van zijn leeftijd en stand. In zijn
verbeelding werden de woorden "honderden" en "duizenden" alleen maar
bij manier van spreken gebruikt en bestonden er zulke sommen in de
wereld niet. Hij vermoedde geen oogenblik, dat een zoo groote som,
als meer dan honderd dollars in klinkende munt, in iemands bezit
kon zijn. Indien hij zijn begrip van een verborgen schat had moeten
ontleden, zou hij gezegd hebben, dat deze bestond uit een handvol
dollars en een schepel prachtige, andere munten.
Langzamerhand echter onder het overdenken werden de bijzonderheden van
zijn avontuur scherper en klaarder, en eindelijk kreeg de gedachte,
dat het toch geen droom was geweest, bij hem de overhand. Aan deze
onzekerheid moest een einde gemaakt worden. Hij zou haastig zijn
boterham eten en dan Huck opzoeken.
Huck zat aan dolboord van een plat vaartuig, achteloos met zijn voeten
in het water te schoppen en zag er zeer droefgeestig uit. Tom besloot
te wachten, totdat Huck over de zaak zou beginnen. Als hij dat niet
deed, was het avontuur slechts een droom geweest.
"Heila, Huck!"
"Heila, jij!"
Een oogenblik stilte.
"Tom, indien wij dit vervloekte gereedschap bij den dooden boom
gelaten hadden, was het geld reeds ons. O, is het niet vreeselijk?"
"'t Is dus geen droom? Geen droom? Toch zou ik haast willen, dat het
er een was; ja 'k mag een boon zijn, als ik het niet wou!"
"Wat is geen droom?"
"O, dat ding van gisteren. Ik denk soms half, dat alles een droom is."
"Een droom? Indien die trappen niet kapot waren gegaan, zou je eens
gezien hebben of het een droom was! Ik droom 's nachts al genoeg van
dien Spanjaard met zijn ooglappen; hij vervolgt mij overal. Ik wou
dat hij stikte."
"Neen, niet stikken. Wij moeten hem vinden. Het geld opsporen!"
"Tom, wij zullen den schat nooit vinden. Een mensch heeft maar eens
een kans voor zoo'n hoop geld, en die hebben wij verspeeld. Ik zou
beven als ik hem zag."
"Ik ook; maar ik zou hem toch graag zien en naspeuren--naar zijn
'nommer twee.'"
"Nommer twee, ja, dat is het. Ik heb er over loopen denken, maar ik
kan het niet uitmaken. Wat denk jij, dat het is?"
"Ik weet het niet. 't Is mij te geheimzinnig, Huck. Zou het ook het
nummer van een huis kunnen zijn?"
"Onmogelijk! Neen, Tom, dat is het niet. Indien het dat is, dan is
het niet in dit kleine stadje: hier zijn geen nummers."
"Ja, dat is waar. Laat mij even bedenken! Wacht--het is een nommer
van een kamer in een herberg!"
"O, daar zul je het hebben! Er zijn hier maar twee kroegen. Wij kunnen
dat spoedig uitvinden!"
"Blijf jij hier, Huck, totdat ik terug ben!"
Tom was op eens verdwenen, daar hij op publieke plaatsen niet gaarne
met Huck gezien werd.
Binnen een half uur had hij ontdekt, dat in de voornaamste herberg
kamer "nommer twee" bewoond werd door een jong advocaat. In de andere,
een logement van den derden rang, was aan een der logeerkamers iets
geheimzinnigs verbonden. Het zoontje van den herbergier zeide, dat
die kamer altijd op slot was, en dat hij er nooit iemand had zien in-
of uitgaan, behalve des nachts. Waarom dit geschiedde, wist hij niet;
wel betuigde hij soms verlangd te hebben er achter te komen, doch hij
was er niet zoo bijzonder nieuwsgierig naar, en stelde zich tevreden
met te gelooven dat het in die kamer spookte. Verder vertelde hij
ook nog, dat hij er den vorigen nacht een licht had zien branden.
"Dat is alles wat ik te weten ben gekomen, Huck. Ik geloof, dat wij
het wezenlijke 'nummer twee' gevonden hebben."
"Ik vermoed het ook. Wat zullen we doen?"
"Laat mij eens bedenken."
Tom bedacht zich een geruimen tijd. Toen zeide hij:
"Ik zal het je zeggen. De achterdeur van dat 'nummer twee' komt uit
in dat kleine steegje tusschen de herberg en die oude trap van den
kalkoven. Nu moet je al de deursleutels opsnorren die jij krijgen
kunt, en ik zal die van tante wegkapen, en in den eersten donkeren
nacht den besten zullen wij ze gaan probeeren. En denk er aan, dat je
op den uitkijk blijft naar Injun Joe, omdat hij gezegd heeft dat hij
in de stad zou komen en nog op een kans zou loeren om aan zijn wraak
te voldoen. Als je hem ziet, moet je hem volgen; en als hij niet naar
'nummer twee' gaat, dan is dat de plaats niet."
"Tom, ik durf hem niet alleen volgen."
"Och kom; 't is natuurlijk nacht. Hij zal je misschien niet eens zien;
en als hij dat doet, zal hij je toch niet verdenken."
"Nu, als het donker is, zal ik hem misschien volgen. Maar ik weet
het nog niet zeker. Ik zal zien wat ik doe."
"Wedden, Huck, dat _ik_ hem wel volg, als het donker is. Hij
kon waarachtig wel eens geen gelegenheid hebben om zijn plan tot
wraakneming ten uitvoer te brengen en zou hij op zijn geld afgaan."
"Je hebt gelijk, Tom, je hebt gelijk! Ik zal hem volgen. Sapperloot,
dat zal ik!"
"Nu praat je naar mijn zin! Geef den moed niet op, Huck, en ik zal
het ook niet doen."