HOOFDSTUK XXVI.

Er komt een tijd in elk wel ingericht jongensleven, dat hij door eene

vurige begeerte wordt aangegrepen om ergens een verborgen schat te

gaan zoeken. Dat verlangen bekroop plotseling Tom. Hij stapte de deur

uit om Joe Harper op te zoeken, doch zonder baat. Toen ging hij naar

Ben Rogers; helaas! deze was visschen. Weldra echter liep hij Huck

tegen 't lijf en de beruchte straatjongen stond hem te woord. Tom

nam hem met zich naar een eenzame plaats en deelde in vertrouwen zijn

voornemen mede. Huck werd bereid gevonden; hij had gaarne de hand in

elke onderneming, welke genot beloofde en geen geld kostte, daar hij

een lastigen overvloed van die soort van tijd had, die _geen_ geld is.

"Waar zullen wij graven!" vroeg Huck.

"O, overal!"

"Zoo, zijn dan overal schatten begraven?"

"Neen, waarachtig niet. Zij zijn meestal op allervreemdste plaatsen

verborgen, Huck;--somtijds op eilanden en ook wel in verrotte

kisten, onder een tak van een ouden dooden boom op welken de maan te

middernacht haar schaduw werpt. Doch doorgaans vindt men ze veel in

den grond onder spookhuizen."

"Wie verstopt ze?"

"Wel de roovers natuurlijk.--Wie anders, denk je. De catechiseermeester

van de zondagsschool?"

"Ik weet het zoo niet. Indien ik een schat had, zou ik hem niet

verstoppen: ik zou er hem doorlappen om een lekker leventje te hebben."

"Ik ook; maar roovers doen dat niet; zij verbergen hem en laten hem

waar hij is."

"Komen zij hem nooit halen?"

"Neen; zij hebben er wel plan op, maar zij vergeten doorgaans de

plaats, waar zij hem verstopt hebben, of zij gaan dood. Hoe dan ook,

hij blijft lang onder den grond liggen en begint te roesten; en in

verloop van tijd vindt de een of ander een oud geel stukje papier,

dat hem zegt waar de schat begraven is;--een papiertje dat men in

een week niet ontcijferen kan, omdat het schrift enkel uit teekens

en hiëroglyphen bestaat."

"Hiëro... wat?"

"Hiëroglyphen! Dat zijn prentjes en dingen, schijnbaar zonder

beteekenis."

"Heb jij ook van die papiertjes, Tom?"

"Neen."

"Hoe kun je dan de teekenen uitvinden?"

"Wel, ik heb geen teekenen noodig. Schatten worden ook wel onder

een spookhuis begraven of op een eiland, of onder een dooden boom

met vooruitstekende takken. Wij hebben het op Jacksons Island al

zoo wat geprobeerd en nu kunnen wij weer ergens anders aan den gang

gaan. Daar heb je bij voorbeeld het oude spookhuis, Hill-House Branch,

en verder zijn er een menigte boomen met doode takken."

"Vindt men ze onder alle?"

"Wat praat je toch! Natuurlijk niet!"

"Hoe weet je dan onder welke je moet zoeken?"

"Wij moeten ze alle uitgraven."

"Maar, Tom, dan kunnen wij den geheelen zomer wel aan den gang

blijven!"

"Wat kan dat schelen? Verbeeld je, dat we eens een koperen pot

vinden met honderd roestige dollars er in, of een verrotte kist met

diamanten. Wat zou je daarvan zeggen?"

Hucks oogen glinsterden.

"Dat is zat, meer dan zat voor mij. Geef mij de honderd dollars,

dan mag jij de diamanten houden!"

"Afgesproken! De diamanten zijn lang niet te verwerpen. Sommigen zijn

twintig dollars het stuk waard. Er zijn er haast geen, die je onder

de zes verkoopen kunt."

"Wezenlijk? Is dat zoo?"

"Zeker; dat weet iedereen. Heb je er nooit een gezien, Huck?"

"Niet, dat ik mij herinner!"

"O, de koningen hebben ze bij menigte."

"Maar ik ken geen enkelen koning, Tom."

"Dat wil ik wel gelooven. Hier zijn geen koningen; maar als je eens

naar Europa gingt, zou je er een mud in het rond zien springen."

"Springen zij?"

"Springen,--eend! Wel neen!"

"Wel, waarom zeg je het dan?"

"Och, ik bedoelde alleen maar, dat je ze zien zoudt,--maar niet zien

springen, natuurlijk niet. Waarom zouden zij dat doen? Ik meen, dat

je er den grond mede bezaaid zoudt zien, evenals bij dien Richard

den Bultenaar."

"Richard ...? Hoe heet hij nog meer?"

"Hij heeft geen anderen naam. Koningen hebben alleen maar één voornaam.

"Zoo?"

"Zeker, zoo is 't."

"Nu, als ze dat prettig vinden, laten ze hun gang gaan. Ik zou geen

koning willen zijn, om alleen maar één voornaam te hebben, evenals

de nikkers.--Maar zeg, waar ga je eerst graven?"

"Dat weet ik nog niet. Zullen wij eerst beginnen onder dien ouden

dooden tak op den heuvel, aan de overzijde van Hill-House Branch?"

"Akkoord."

De knapen wisten een gebrekkige bijl en een schoffel machtig te worden

en ondernamen de voetreis van anderhalf uur. Zij kwamen bezweet en

hijgend aan en legden zich onder de schaduw van een olmboom neder om

uit te rusten en een pijp te rooken.

"Het bevalt mij," zei Tom.

"Mij ook," antwoordde Huck.

"Zeg eens, Huck, als wij hier den schat vinden, wat doe jij dan met

jouw aandeel?"

"Ik? Ik koop elken dag een pastei en een glas sodawater en ik ga

naar elk paardenspel dat hier in de buurt komt. Ik verzeker je,

dat ik het er van nemen zal."

"Zou je er niets van opsparen?"

"Opsparen? Waarvoor zou dat dienen?"

"Om wat te hebben om later van te leven."

"O, dat hoeft niet, als ik dat deed, zou Pop op een goeden dag

terugkomen en er zijne klauwen op zetten, om er spoedig een eind aan

te maken.--Wat doe jij met jouw part?"

"Ik koop een nieuwe trom, een sabel, een roode das, een groote

poppenkast--en ik ga trouwen."

"Trouwen?"

"Ja zeker."

"Tom, ben je mal, of wat scheelt je?"

"Wacht maar: je zult het zien gebeuren."

"Hemel, dat is nu het gekste ding, dat je doen kunt. Denk maar eens

aan Pop en mijne moeder; ze deden niets dan vechten. Ik herinner mij

dat als den dag van gisteren."

"Dat doet er niet toe. Het meisje, waarmede ik ga trouwen, zal niet

vechten."

"Tom, ik geloof dat zij allen hetzelfde zijn. Je kunt ze allen over

één kam scheeren. Ik zou me, als ik jou was, nog eens bedenken eer

ik dat deed. Ik zeg je, dat het je berouwen zal. Hoe heet die meid?"

"'t Is geen meid;--'t is een meisje."

"Dat is hetzelfde; sommigen zeggen meid en anderen meisje. 't Is

allebei goed. Hoe is haar naam?"

"Ik zal hem je later zeggen; nu nog niet."

"Ook al goed. Alleen als je gaat trouwen, zal ik verlatener zijn

dan ooit."

"Neen, dat zul je niet, want je zult bij ons komen inwonen. Laat ons

nu maar spoedig opstaan en aan het graven gaan."

Zij werkten een half uur in het zweet hun aanschijns, doch zonder

gevolg. Zij zwoegden nog een half uur, weder zonder baat. Toen

zeide Huck:

"Worden die schatten altijd zoo diep begraven als deze?"

"Somtijds, niet altijd. Meestal niet. Ik geloof, dat wij op de

verkeerde plaats zijn."

Zij kozen daarom een andere plek uit en begonnen weder. De arbeid

ging wat langzamer, doch zij maakten toch vorderingen en hielden het

zwijgend eenigen tijd vol. Eindelijk ging Huck op zijne spade leunen,

veegde zich met zijn mouw de parelen zweet van het voorhoofd en zeide:

"Waar ga je graven, wanneer wij door dezen boom heen zijn?"

"Dan konden wij den ouden boom bij Cardiff Hill, achter het huis van

de weduwe wel eens opdelven."

"Dat zal wel een goede zijn. Maar zal de weduwe ons den schat niet

afnemen, Tom? 't is op haar land."

"Zij hem ons afnemen? Laat zij 't eens probeeren. Al wie een verborgen

schat vindt, mag hem houden. Het doet er niet toe op wiens land

het is."

Huck was met dit argument tevreden. De arbeid werd

voortgezet. Eindelijk zeide Huck:

"Verduiveld, wij zijn zeker weer op de verkeerde plaats. Wat denk

jij ervan?"

"Het is erg vreemd, Huck. Ik begrijp het niet. Soms komen er wel eens

heksen tusschenbeide. Ik denk, dat dit nu het geval is."

"Onzin! Heksen kunnen niets doen bij daglicht."

"Ja, dat is waar ook. Daar dacht ik niet aan. O, ik weet al wat het

is. Wat zijn wij toch uilskuikens! Wij moeten zien te ontdekken, op

welken tak tegen middernacht de schaduw van de maan valt, en onder

dien tak graven."

"Vervloekt! dus hebben wij monnikenwerk gedaan. Nu zullen wij van nacht

terugkomen. 't Is een verduiveld lange weg. Kun jij de deur uitkomen?"

"Ik denk het wel. Wij moeten het van nacht doen ook, want als iemand

deze gaten ziet, zal hij het dadelijk begrijpen en zelf gaan zoeken."

"Goed, dan zal ik van nacht weer komen miauwen."

"Best. Laat ons de spaden zoolang in het kreupelbosch verbergen."

De knapen waren ter bestemder tijd op de afgesproken plaats en zaten

in de schaduw van den boom te wachten. Het was een eenzaam oord en

eene van oudsher plechtige ure. Geesten fluisterden door de ruischende

bladeren, spoken loerden in sombere hoeken, het holklinkend geblaf van

een hond werd in de verte gehoord en door een uil met zijne grafstem

beantwoord. De knapen waren geheel onder den indruk dezer ernstige

zaken en spraken bijna geen woord. Na een poosje meenden zij, dat het

wel twaalf uren zou zijn; zij gaven nauwkeurig acht op de schaduwen en

gingen aan het graven. De hoop begon in hun hart te herleven; hunne

belangstelling werd grooter en hun vlijt hield daarmede gelijken

tred. Het gat werd al dieper en dieper en telkens, wanneer de bijl

op iets hards sloeg, sprong hun hart op van vreugde. Doch de eene

teleurstelling volgde de andere. Het was nooit iets anders dan een

steen of een paar stukken van beenderen. Eindelijk zeide Tom:

"Het zal niet baten Huck; wij zijn alweer aan den verkeerden boom."

"Maar wij kunnen niet verkeerd zijn: wij hebben precies de beschaduwde

plek genomen."

"Dat weet ik wel, maar er is iets anders."

"Wat dan?"

"Dat wij naar den tijd geraden hebben. Waarschijnlijk was het te laat

of te vroeg."

Huck liet zijn schop vallen.

"Daar zul je het hebben," zeide hij. "Dat is het vervelende ervan. Wij

kunnen nooit het juiste oogenblik bepalen, en buitendien, 't is hier

al te griezelig om dezen tijd van den nacht, met ronddolende spoken

en geesten. Ik heb een gevoel, alsof er voortdurend iets achter mij

staat, en ik durf mij nauwelijks omkeeren, omdat er anderen achter

mij kunnen zijn, die hun kans afwachten. Ik heb gebeefd als een riet,

zoolang ik hier gestaan heb."

"Ik ook, Huck. Zij leggen meestal een dooden man in den kuil, onder

den boom waarin zij een schat geborgen hebben."

"Hemelsche vader!"

"Ja, dat doen zij. Dat heb ik altijd gehoord."

"Tom, ik houd er niet van, om in de buurt van doode menschen te

zwerven. Je hebt er altijd min of meer last van."

"Ik ben er ook niet voor om ze aan den gang te maken, Huck. Verbeeld

je eens, dat er zijn schedel opstak en begon te praten."

"Spreek er niet van, Tom; 't is te vreeselijk."

"Gij hebt gelijk, Huck. Ik voel mij niets op mijn gemak."

"Zeg eens Tom, zullen wij deze plaats opgeven en het ergens anders

gaan beproeven?"

"Goed. Ik geloof ook dat het beter zal zijn. Waar moeten we nu heen?"

Tom bedacht zich een oogenblik en zeide toen:

"Naar het spookhuis."

"Dank je; ik houd niet van spookhuizen, Tom. Daar zie je gezichten

nog akeliger dan die van doode menschen. Lijken mogen praten, maar ze

schuiven niet, als je er niet op verdacht bent, langs je heen in een

lijkkleed, om over de schouders te kijken, en ze kunnen ook niet met

hunne tanden knarsen, zooals een spook doet. Ik zou het besterven,

Tom--en iedereen met mij."

"Ja maar, Huck, spoken sluipen alleen 's nachts rond; zij zullen ons

over dag het graven niet beletten."

"Dat kan wel zijn. Maar je weet net zoo goed als ik, dat de menschen

bij dag zoo min als bij nacht in de buurt van het spookhuis komen."

"Dat is omdat zij niet gaarne naar eene plaats gaan, waar een mensch

vermoord is. Maar er is eigenlijk 's nachts nooit iets om dat huis

gezien,--behalve een blauw licht bij het raam, doch geen echte spoken."

"Wel, daar waar blauwe lichten dwarrelen, kun je er op aan dat geesten

zijn. Dat is zoo zeker als iets, en iedereen weet, dat niemand dan

geesten ze gebruiken."

"Ja, dat is zoo. Maar zij komen nooit over dag; daarom behoeven wij

niet bang te zijn."

"Nu, goed dan; wij zullen bij het spookhuis gaan graven, als jij het

wilt. Maar ik zeg je, dat je vrijwillig in gevaar loopt."

Zij waren thans aan den voet van den heuvel. Daar, midden in de

door de maan verlichte vallei, stond het spookhuis, geheel verlaten,

met een vermolmd houten hek en welig, tot aan den drempel groeiend

onkruid en met een bouwvalligen schoorsteen, ledige raamkozijnen en

gaten in het dak.

De knapen bleven een oogenblik staan kijken, half verwachtend een blauw

licht bij het venster te zien bewegen. Zij spraken op fluisterenden

toon, zooals bij den tijd en de omstandigheden paste, weken een

eindweegs ter rechterzijde af, om de ligging van het spookhuis op

te nemen, en begaven zich toen huiswaarts, door de bosschen die de

achterzijde van Cardiff Hill versierden.

De Lotgevallen van Tom Sawyer · 第 35 / 48 题