HOOFDSTUK XXIV.

Eindelijk kwam er beweging in de droomerige atmosfeer--en

geweldige beweging ook. De zaak van den moord zou voorkomen bij

het Gerechtshof. Natuurlijk werd deze zaak het onderwerp van alle

gesprekken; ook in Toms kring werd er druk over gesproken. Maar

telkens, als het woord genoemd werd, voer hem eene rilling door de

leden en hij verbeeldde zich in zijn angst, dat er voorbedachtelijk

zoo gedurig in zijne tegenwoordigheid over gesproken werd, om te

zien of hij er ook iets mede te maken had. Ofschoon hij zeker wist,

dat niemand eenig vermoeden omtrent zijne bekendheid met de misdaad

kon hebben, voelde hij zich toch onder die praatjes niet op zijn

gemak. Hij stierf elken dag duizend dooden en nam eindelijk Huck met

zich naar eene eenzame plaats om de zaak met hem te bepraten. Het

zou eene verlichting wezen, eens even zijn tong vrij te laten en den

lijdenslast met een lotgenoot te deelen. Bovendien wilde hij er zich

van overtuigen, dat Huck gezwegen had.

"Huck, heb je nooit iemand daarover gesproken?"

"Waarover?"

"Dat weet je wel!"

"O, natuurlijk niet."

"Nooit een woord?"

"Nooit een enkel woord.--Waarom vraag je dat?"

"Wel, ik was er bang voor."

"Maar Tom Sawyer! Wij zouden geen vier en twintig uur meer geleefd

hebben, als het ontdekt was. Dat weet je immers wel."

Tom werd kalmer. Na een pauze hernam hij:

"Huck, je zoudt je immers door niets, noch door iemand laten ompraten."

"Laten ompraten? Wel, als ik zin krijg om me door dien duivel van

een kleurling te laten verzuipen, dan zal ik me laten ompraten."

"Nu, dan is het in orde. Ik geloof, dat we veilig zijn, zoolang we

zwijgen. Doch laat ons voor de securiteit nog eens zweren."

"Best."

Dus zwoeren de knapen ten tweede male met dure eeden.

"Wat zeggen de menschen toch, Huck? Ik heb er nog zoo weinig van

gehoord."

"Zeggen! 't Is Muff Potter en 't blijft Muff Potter. Het koude zweet

staat mij op 't voorhoofd, als ik het hoor, en ik zou wel onder den

grond willen kruipen."

"Zoo gaat het mij ook. Ik weet, dat hij er om koud is.--Heb je niet

somtijds medelijden met hem?"

"Ja, dag en nacht. 't Is wel geen beste, die Muff Potter, maar hij

heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij bedelt wel eens langs de straat

om geld te krijgen voor drank en hij loopt ook te luieren, maar o,

Heertje, dat doen we allemaal, ten minste de meesten, vooral de

dominees en dat slag van volk. Maar hij is een goede kerel, want

hij heeft me eens de helft van zijn visch gegeven, terwijl hij zelf

nog honger had; en ik weet niet hoeveel maal hij mij geholpen heeft,

als ik in de knijp zat."

"En voor mij heeft hij oude vliegers opgelapt, Huck, en vischnetten

gebreid. Ik wou, dat ik hem uit de kast kon krijgen."

"We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en 't zou hem niet veel baten,

want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken."

"Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch

valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan heeft."

"Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk

uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet eerder

gehangen werd."

"Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam,

zij hem zouden _lynchen_ [3]--en dat zouden zij doen ook."

De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijze voort, doch het

gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij

voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht met een vage hoop in het

hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit

den weg zouden worden geruimd. Doch er gebeurde niets; de engelen en

feeën schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken.

Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan;

zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven Potter

wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag

hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt, konden zij hem deze

kleine giften zonder moeite toereiken.

Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk

aangedaan,--doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden

zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide:

"Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan

iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit

vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: 'Ik placht al de vliegers en

dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen waar de beste

visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans,

nu hij in nood is, hebben zij allen den ouden Muff vergeten--allen

behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,' zeg ik, en ik vergeet

hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd,

in mijne dronkenschap,--anders begrijp ik niet, hoe ik het gedaan

kon hebben,--en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja,

't beste wat ze met mij doen kunnen. Doch daar zullen wij niet verder

over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te

goed voor mij geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinkt nooit

te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij

het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; 't is zoo'n troost,

vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig

voelt,--en ik zie ze hier nooit, behalve die van jelui. Goede,

vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op

elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe handen kunnen wel door de

tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes,

die Muff Potters last verlicht hebben en welke, als ze maar konden,

dien wel heelemaal zouden wegnemen!"

Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht

door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende dagen was hij

al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof

heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar gedreven werd,

ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan

te blijven. Huck ondervond hetzelfde en de beide knapen vermeden

elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch

dezelfde vreeselijke betoovering dreef hen altijd weder naar het gebouw

terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal

in- of uitslenterde, doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws;

het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan

den avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het

feit door Injun Joe's verklaring volkomen was bewezen en dat er geen

twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury.

Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne

slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid

en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden

morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was de groote

dag. De beide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend

publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten,

kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter

geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit en werd

zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet

minder viel Injun Joe in 't oog, verstaald als altijd. Na eene kleine

pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting

voor geopend. Daarop volgde het gewone gefluister onder de leden

der balie en het bijeenverzamelen der stukken. Deze bijzonderheden

en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het

indrukwekkende dezer bijeenkomst te verhoogen en de vergadering in

de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen

die verklaarde, dat hij Muff Potter in den vroegen morgen van den

dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen

en onmiddellijk daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien

getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager;

"Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?"

De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond

weder neer, toen zijn verdediger zeide:

"Ik heb hem geene vragen te doen."

De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden

was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had, antwoordde de

advocaat van Potter:

"Ik heb ook dezen niets te vragen."

Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.--Was deze

advocaat van plan zijn cliënt het leven te doen verliezen, zonder

een enkele poging te wagen om hem te redden?

Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrent de schuld

verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord

gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen aftrekken zonder

kruisvragen te ondergaan.

Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof

hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo goed wisten te

herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot

geen hunner werd door Potters verdediger een vraag gericht.

De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een

dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van de zijde van

den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop:

Door de beëedigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid

boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar

bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank

gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze taak is

hiermede geëindigd.

Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor

het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl er in de

gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren

bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden blijk.

De verdediger stond op en sprak:

"Mijnheer de Voorzitter!

"Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele

aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd, dat wij

zouden trachten aan te toonen, dat onze cliënt bij het plegen dezer

ontzettende daad handelde in een toestand van waanzin, ontstaan uit

misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij

zijn op dat voornemen teruggekomen; die verdediging zullen wij niet

voeren." (En toen tot den deurwaarder) "Roep Thomas Sawyer."

De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter

niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding en

belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje

plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt uit. De

eed werd hem afgenomen.

"Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht

geweest?"

Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong

weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden adem,

doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de

ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en trachtte hij zijne stem

te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide:

"Op het kerkhof!"

"Een weinig luider, als 't u belieft. Wees niet bang.--Gij waart....?"

"Op het kerkhof!"

Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe.

"Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?"

"Ja, mijnheer."

"Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?"

"Zoo dicht, als ik thans bij u sta."

"Hieldt gij u verborgen of niet?"

"Verborgen, mijnheer."

"Waar?"

"Achter de olmboomen, aan den rand van het graf."

Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit.

"Hadt gij niemand bij u?"

"Ja, mijnheer. Ik was daar met..."

"Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet

te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen. Hadt gij iets

bij u?"

Tom aarzelde en keek verlegen voor zich.

"Spreek vrij uit, mijn jongen;--wees niet bedeesd. 't Is altijd braaf

on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het kerkhof genomen?"

"Niets dan een--een doode kat!"

Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de

menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken.

"Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in

uw eigen taal;--sla niets over en wees niet bang."

Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het

onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak, en het

duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne

stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open mond en ingehouden

adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van

de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen aandacht bereikte

haar toppunt, toen de jongen zeide:

"En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun

Joe met het mes op hem toe en...."

Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde

allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen.

De Lotgevallen van Tom Sawyer · 第 33 / 48 题