Eindelijk kwam er beweging in de droomerige atmosfeer--en
geweldige beweging ook. De zaak van den moord zou voorkomen bij
het Gerechtshof. Natuurlijk werd deze zaak het onderwerp van alle
gesprekken; ook in Toms kring werd er druk over gesproken. Maar
telkens, als het woord genoemd werd, voer hem eene rilling door de
leden en hij verbeeldde zich in zijn angst, dat er voorbedachtelijk
zoo gedurig in zijne tegenwoordigheid over gesproken werd, om te
zien of hij er ook iets mede te maken had. Ofschoon hij zeker wist,
dat niemand eenig vermoeden omtrent zijne bekendheid met de misdaad
kon hebben, voelde hij zich toch onder die praatjes niet op zijn
gemak. Hij stierf elken dag duizend dooden en nam eindelijk Huck met
zich naar eene eenzame plaats om de zaak met hem te bepraten. Het
zou eene verlichting wezen, eens even zijn tong vrij te laten en den
lijdenslast met een lotgenoot te deelen. Bovendien wilde hij er zich
van overtuigen, dat Huck gezwegen had.
"Huck, heb je nooit iemand daarover gesproken?"
"Waarover?"
"Dat weet je wel!"
"O, natuurlijk niet."
"Nooit een woord?"
"Nooit een enkel woord.--Waarom vraag je dat?"
"Wel, ik was er bang voor."
"Maar Tom Sawyer! Wij zouden geen vier en twintig uur meer geleefd
hebben, als het ontdekt was. Dat weet je immers wel."
Tom werd kalmer. Na een pauze hernam hij:
"Huck, je zoudt je immers door niets, noch door iemand laten ompraten."
"Laten ompraten? Wel, als ik zin krijg om me door dien duivel van
een kleurling te laten verzuipen, dan zal ik me laten ompraten."
"Nu, dan is het in orde. Ik geloof, dat we veilig zijn, zoolang we
zwijgen. Doch laat ons voor de securiteit nog eens zweren."
"Best."
Dus zwoeren de knapen ten tweede male met dure eeden.
"Wat zeggen de menschen toch, Huck? Ik heb er nog zoo weinig van
gehoord."
"Zeggen! 't Is Muff Potter en 't blijft Muff Potter. Het koude zweet
staat mij op 't voorhoofd, als ik het hoor, en ik zou wel onder den
grond willen kruipen."
"Zoo gaat het mij ook. Ik weet, dat hij er om koud is.--Heb je niet
somtijds medelijden met hem?"
"Ja, dag en nacht. 't Is wel geen beste, die Muff Potter, maar hij
heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij bedelt wel eens langs de straat
om geld te krijgen voor drank en hij loopt ook te luieren, maar o,
Heertje, dat doen we allemaal, ten minste de meesten, vooral de
dominees en dat slag van volk. Maar hij is een goede kerel, want
hij heeft me eens de helft van zijn visch gegeven, terwijl hij zelf
nog honger had; en ik weet niet hoeveel maal hij mij geholpen heeft,
als ik in de knijp zat."
"En voor mij heeft hij oude vliegers opgelapt, Huck, en vischnetten
gebreid. Ik wou, dat ik hem uit de kast kon krijgen."
"We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en 't zou hem niet veel baten,
want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken."
"Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch
valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan heeft."
"Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk
uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet eerder
gehangen werd."
"Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam,
zij hem zouden _lynchen_ [3]--en dat zouden zij doen ook."
De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijze voort, doch het
gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij
voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht met een vage hoop in het
hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit
den weg zouden worden geruimd. Doch er gebeurde niets; de engelen en
feeën schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken.
Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan;
zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven Potter
wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag
hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt, konden zij hem deze
kleine giften zonder moeite toereiken.
Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk
aangedaan,--doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden
zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide:
"Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan
iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit
vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: 'Ik placht al de vliegers en
dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen waar de beste
visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans,
nu hij in nood is, hebben zij allen den ouden Muff vergeten--allen
behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,' zeg ik, en ik vergeet
hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd,
in mijne dronkenschap,--anders begrijp ik niet, hoe ik het gedaan
kon hebben,--en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja,
't beste wat ze met mij doen kunnen. Doch daar zullen wij niet verder
over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te
goed voor mij geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinkt nooit
te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij
het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; 't is zoo'n troost,
vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig
voelt,--en ik zie ze hier nooit, behalve die van jelui. Goede,
vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op
elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe handen kunnen wel door de
tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes,
die Muff Potters last verlicht hebben en welke, als ze maar konden,
dien wel heelemaal zouden wegnemen!"
Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht
door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende dagen was hij
al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof
heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar gedreven werd,
ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan
te blijven. Huck ondervond hetzelfde en de beide knapen vermeden
elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch
dezelfde vreeselijke betoovering dreef hen altijd weder naar het gebouw
terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal
in- of uitslenterde, doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws;
het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan
den avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het
feit door Injun Joe's verklaring volkomen was bewezen en dat er geen
twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury.
Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne
slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid
en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden
morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was de groote
dag. De beide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend
publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten,
kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter
geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit en werd
zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet
minder viel Injun Joe in 't oog, verstaald als altijd. Na eene kleine
pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting
voor geopend. Daarop volgde het gewone gefluister onder de leden
der balie en het bijeenverzamelen der stukken. Deze bijzonderheden
en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het
indrukwekkende dezer bijeenkomst te verhoogen en de vergadering in
de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen
die verklaarde, dat hij Muff Potter in den vroegen morgen van den
dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen
en onmiddellijk daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien
getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager;
"Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?"
De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond
weder neer, toen zijn verdediger zeide:
"Ik heb hem geene vragen te doen."
De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden
was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had, antwoordde de
advocaat van Potter:
"Ik heb ook dezen niets te vragen."
Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.--Was deze
advocaat van plan zijn cliënt het leven te doen verliezen, zonder
een enkele poging te wagen om hem te redden?
Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrent de schuld
verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord
gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen aftrekken zonder
kruisvragen te ondergaan.
Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof
hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo goed wisten te
herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot
geen hunner werd door Potters verdediger een vraag gericht.
De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een
dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van de zijde van
den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop:
Door de beëedigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid
boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar
bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank
gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze taak is
hiermede geëindigd.
Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor
het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl er in de
gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren
bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden blijk.
De verdediger stond op en sprak:
"Mijnheer de Voorzitter!
"Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele
aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd, dat wij
zouden trachten aan te toonen, dat onze cliënt bij het plegen dezer
ontzettende daad handelde in een toestand van waanzin, ontstaan uit
misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij
zijn op dat voornemen teruggekomen; die verdediging zullen wij niet
voeren." (En toen tot den deurwaarder) "Roep Thomas Sawyer."
De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter
niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding en
belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje
plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt uit. De
eed werd hem afgenomen.
"Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht
geweest?"
Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong
weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden adem,
doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de
ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en trachtte hij zijne stem
te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide:
"Op het kerkhof!"
"Een weinig luider, als 't u belieft. Wees niet bang.--Gij waart....?"
"Op het kerkhof!"
Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe.
"Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?"
"Ja, mijnheer."
"Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?"
"Zoo dicht, als ik thans bij u sta."
"Hieldt gij u verborgen of niet?"
"Verborgen, mijnheer."
"Waar?"
"Achter de olmboomen, aan den rand van het graf."
Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit.
"Hadt gij niemand bij u?"
"Ja, mijnheer. Ik was daar met..."
"Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet
te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen. Hadt gij iets
bij u?"
Tom aarzelde en keek verlegen voor zich.
"Spreek vrij uit, mijn jongen;--wees niet bedeesd. 't Is altijd braaf
on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het kerkhof genomen?"
"Niets dan een--een doode kat!"
Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de
menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken.
"Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in
uw eigen taal;--sla niets over en wees niet bang."
Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het
onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak, en het
duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne
stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open mond en ingehouden
adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van
de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen aandacht bereikte
haar toppunt, toen de jongen zeide:
"En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun
Joe met het mes op hem toe en...."
Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde
allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen.